id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.231 Rolnummer: A. 188659/XIV-30393 Zaak: Arrest 196231 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 21/09/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-10-02 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 03:34 Fiche Arrest nr 196.231 van 21 september 2009 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 196.231 van 21 september 2009 in de zaak A. 188.659/XIV-30.393. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat R. FONTEYN, kantoor houdende te 1060 BRUSSEL, Dejonckerstraat 51, bus 16 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, thans de staatssecretaris voor Migratie- en Asielbeleid. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Pakistaanse nationaliteit, op 20 juni 2008 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 11.325 van 19 mei 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 3014 van 7 juli 2008 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. STERCK, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 11 december 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 februari 2009; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-30.393-1/13 Gehoord de opmerkingen van advocaat H. HOLAIL, die loco advocaat R. FONTEYN verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat A. DE MEU, die loco advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur R. VAN DEN EECKHOUT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 13 oktober 2000 en zich op 17 oktober 2000 vluchteling verklaart; dat op 25 oktober 2000 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten; dat op 13 mei 2002 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze weigering bevestigt; dat in ‘s Raad arrest nr. 142.024 van 15 maart 2005 de afstand van het geding wordt vastgesteld; Overwegende dat de verzoekende partij op 28 juni 2004 via de burgermeester van de stad Brussel een aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) indient; dat de minister van Binnenlandse Zaken op 8 januari 2008 deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaart; dat het beroep tegen deze beslissing door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met een arrest van 19 mei 2008 wordt verworpen; dat dit het thans bestreden arrest is; 2.1.1. Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert, dat luidt als volgt: “Un moyen est pris de la violation de l'article 30 de la Constitution, de la violation de l'article 39/18 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, de la violation des articles 439 et 440 du code judiciaire, de la violation du principe de bonne administration de la justice et de la violation de formalités substantielles liées au principe général du respect des droits de la défense. Décision et motifs critiqués : L'arrêt dont la cassation est demandée considère (pages 2 et 3, point 2, dernier alinea) : "Overeenkomstig artikel 39/18 van de Vreemdelingenwet staat het verzoekster wel vrij om voor haar akten en verklaringen de taal te gebruiken welke zij verkiest. De raadsman die de verzoekster bijstaat of vertegenwoordigt dient evenwel ter terechtzitting de proceduretaal te hanteren in zijn mondelinge toelichtingen (Gedr. St., Kamer, 2005-2006, nr.2479/001, 123)". XIV-30.393-2/13 Grief unique : aucune disposition légale n'impose à l'avocat représentant ou assistant son client devant le Conseil du Contentieux des Etrangers l'usage d'une langue particulière de sorte que cet usage est facultatif, conformément à l'article 30 de la Constitution et à l'article 39/18 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers L'article 30 de la Constitution dispose : L' emploi des langues usitées en Belgique est facultative il ne peut être réglé que par la loi, et seulement pour les actes de l' autorité publique et pour les affaires judiciaires. Les exceptions à l'article 30 in limine de la Constitution s'interprètent strictement. A cet égard, les déclarations d'intentions ou exposés des motifs de travaux parlementaires ne peuvent constituer une loi au sens de la disposition constitutionnelle précitée. Les articles 39/16 á 39/18 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers règlent l'emploi des langues par les parties qui comparaissent devant le Conseil du Contentieux des Etrangers. L'article 39/18 de cette loi énonce : « Les parties qui ne sont pas soumises à la législation sur l'emploi des langues en matière administrative peuvent établir leurs actes et déclarations dans la langue de leur choix. Au besoin et notamment á la demande de Tune des parties, il est fait appel à un traducteur; les frais de traduction sont à charge de l'Etat. Par dérogation alinéa 1er, le demandeur d'asile doit, sous peine d' irrecevabilité, introduire la requête et les autres pièces de procédure dans la langue déterminée au moment de P introduction de la demande d'asile conformément article 51/4 ». L'article 439 du Code judiciaire dispose que les avocats inscrits au tableau de l'Ordre, à la liste des avocats qui exercent leur profession sous le titre professionnel d'un autre état membre de l'Union européenne ou à la liste des stagiaires peuvent plaider devant toutes les juridictions du Royaume sans préjudice des dispositions particulières relatives à la Cour de cassation. L'article 440 alinéa 2 du même Code dispose que l'avocat comparaît comme fondé de pouvoirs sans avoir á justifier d'aucune procuration, sauf lorsque la lui exige un mandat spécial. I1 résulte de ces dispositions que l'avocat jouit de la possibilité de plaider dans la langue dans laquelle son client a la liberté d'établir ses actes et déclarations, de sorte que cet avocat n'est pas tenu de plaider dans la langue de la procédure. En exposant le contraire, arrêt querellé viole les dispositions et principes visés au moyen.”; 2.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “In zijn eerste middel voert verzoeker de schending aan van artikel 30 Grondwet, artikel 39/18 van de Wet van 15.12.1980, de artikelen 439 en 440 van het Burgerlijk Wetboek, het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en de rechten van verdediging. Opnieuw dient de verwerende partij vast te stellen dat de kritiek van verzoeker geen afbreuk doet aan de inhoud van het bestreden arrest. Verzoeker meent klaarblijkelijk dat hij het recht heeft om te pleiten in de taal die hij verkiest en niet is gehouden aan de proceduretaal. De verwerende partij verwijst naar het wetsontwerp van 10.5.2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, meer bepaald nr. 2479/001, p. 123 : "Mocht betrokkene zichzelf voor de Raad verdedigen, dan moet hij in zijn verzoekschrift de gekozen taal vermelden in dewelke hij ter terechtzitting wenst gehoord te worden. Deze keuze van taal ter terechtzitting doet evenwel geen afbreuk aan de proceduretaal noch aan de in voorkomend geval verplicht geldende taal voor het opstellen van de procedurestukken hierin begrepen (zie supra). Indien de verzoeker wordt bijgestaan of vertegenwoordigd door een advocaat, dient deze uiteraard ook ter terechtzitting de proceduretaal te hanteren in zijn mondelinge toelichtingen." (eigen onderlijning) XIV-30.393-3/13 Ook in het bestreden arrest dd. 19.5.2008 wordt er geheel terecht gewezen op deze bepaling: "Overeenkomstig artikel 39/18 van de Vreemdelingenwet staat het verzoeker wel vrij Om voor haar akten en verklaringen de taal te gebruiken welke z verkiest De raadsman die de verzoeker bijstaat of vertegenwoordigt dient evenwel ter terechtzitting de proceduretaal te hanteren in zijn mondelinge toelichtingen (Gedr. St., Kamer, 2005-2006, nr. 2479/001, 123)." Verzoekers verwijzingen naar bepaalde artikelen van de Grondwet en het Burgerlijk Wetboek kunnen hieraan geen afbreuk doen. De vermeende schending van voormelde artikelen wordt op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt. Artikel 439 en 440 Gerechtelijk Wetboek bepalen immers : "Advocaten, ingeschreven op het tableau van de Orde 2 op de lijst van de advocaten die hun beroep uitoefenen onder de beroepstitel van een andere lidstaat van de Europese UnieJj of op de lijst van stagiairs, mogen pleiten voor alle gerechten van het Rijk, onverminderd de bijzondere bepalingen betreffende het Hof van Cassatie. Vóór alle gerechten, behoudens de uitzonderingen bij de wet bepaald hebben alleen de advocaten het recht te pleiten. De advocaat verschijnt als gevolmachtigde van de partij zonder dat hij van enige volmacht moet doen blijken, behalve indien de wet een bijzondere lastgeving eist." Verzoekers raadsman heeft als advocaat het recht om te pleiten, zowel voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als voor de Raad van State, zodat de verwerende partij niet inziet op welke wijze de rechten van verdediging zouden geschonden worden. Het is overigens niet aan de Raad van State, als administratieve cassatierechter, om de bepalingen van het Procedurereglement RvV en de Vreemdelingenwet dd. 15.12.1980 te toetsen aan allerlei beginselen, zodat verzoeker haar kritiek in casu niet dienend is. Inderdaad dient te worden opgemerkt dat art. 14 §2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State stipuleert dat: "De afdeling doet uitspraak bij wijze van arresten, over de cassatieberoepen ingesteld tegen de door de administratieve rechtscolleges in laatste aanleg gewezen beslissingen in betwiste zaken wegens overtreding van de wet of wegens schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen. Zij treedt daarbij niet in de beoordeling van de zaken zelf'. Verzoeker toont niet aan dat de rechter in vreemdelingenzaken in haar arrest nr. 11.325 van 19.5.2008 is overgegaan tot een overtreding van de wet of schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen. Als administratieve cassatierechter kan de Raad van State zich overigens niet in de plaats stellen van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, wanneer deze haar eigen beoordelingsbevoegdheid uitoefent (R.v.St. nr. 45.632, 4.1.94, R.A.C.E 1994, z.p.; R.v.St. nr. 47.325, 6.5.94, R.A.C.E 1994, z.p.; R.v.St. nr. 49.801, 21.10.94, R.A. CE 1994, z.p.; R.v.St. nr. 50.272,18.11.94, R.A.C.E 1994, z.p). Verzoekers beschouwingen in haar verzoekschrift tot cassatieberoep missen duidelijk juridische grondslag en kunnen geen afbreuk doen aan het bestreden arrest dd. 19.5.2008. Het eerste middel van verzoeker mist feitelijke en juridische grondslag.”; 2.1.3. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord het volgende toevoegt: “
- a)Les travaux parlementaires ne constituent pas une loi au sens de l'article 30 de la Constitution, disposition sur laquelle la partie adverse ne revient curieusement pas.
- b)Les artides 439 et 440 du Code judiciaire autorisent les avocats, fondés de pouvoir de leurs clients, á plaider dans la langue dans laquelle les parties qu'ils représentent peuvent plaider, sauf disposition légale exprès contraire, ce qui n'est pas le cas en l'espèce.
- c)La violation des disposions constitutionnelle et légales visées au moyen constitue évidemment un motif á cassation administrative. Ce moyen entrairs ie la cassation de l'arrêt querellé.”; XIV-30.393-4/13 2.1.4. Overwegende dat de verzoekende partij in het eerste middel de schending aanvoert van artikel 30 van de Grondwet, van artikel 39/18 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van de artikelen 439 en 440 van het Gerechtelijk Wetboek, van het beginsel van goede rechtsbedeling en van de substantiële pleegvormen verbonden aan het algemeen beginsel in verband met de eerbiediging van het recht van verdediging; dat de verzoekende partij aanvoert dat wordt overwogen: “Overeenkomstig artikel 39/18 van de {Vreemdelingenwet} staat het verzoekster wel vrij om voor haar akten en verklaringen de taal te gebruiken welke zij verkiest. De raadsman die de verzoekster bijstaat of vertegenwoordigt dient evenwel ter terechtzitting de proceduretaal te hanteren in zijn mondelinge toelichtingen (Gedr. St., Kamer, 2005-2006, nr.2479/001, 123).”; Overwegende dat geen enkele wetsbepaling aan de raadsman die zijn cliënt voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vertegenwoordigt of bijstaat, het gebruik van een bepaalde taal oplegt; dat noch uit het rechtsplegingsdossier, noch uit het bestreden arrest kan worden afgeleid dat de raadsman van de verzoekende partij ter terechtzitting verhinderd zou zijn geweest een andere landstaal dan de proceduretaal te gebruiken; dat evenmin blijkt dat mondelinge toelichtingen uit de debatten werden geweerd omdat ze niet in de proceduretaal werden gedaan; dat bij ontstentenis van enige weerslag op de te beslechten zaak in deze dan ook slechts terloops wordt overwogen dat “de raadsman die de verzoekster bijstaat of vertegenwoordigt (...) ter terechtzitting de proceduretaal (dient) te hanteren in zijn mondelinge toelichtingen”; dat het eerste middel ongegrond is; 2.2.1. Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel aanvoert, dat luidt als volgt: “Un moyen est pris de la violation de l'article 39/14 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers lu en combinaison avec les dispositions pertinentes - dont le respect est d'ordre public- des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966 Décision et motifs critiqués : L'arrêt dont la cassation est demandée, pris par une chambre néerlandophone du Conseil du Contentieux des Etrangers, est rédigé en néerlandais. Grief unique : les actes attaques étant l'un (la décision d'irrecevabilité de la demande d'autorisation de séjour) rédigé en langue néerlandaise et l'autre (l'ordre de quitter le territoire) rédigé en français, et la requête étant introduite en français, il appartenait à une chambre francophone du Conseil du Contentieux des Etrangers d'en connaître L'article 39/14 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, établissement et l'éloignement des étrangers dispose à cet égard : A moins que la langue de la procédure ne soit déterminée conformément à 1' article 51/4, les recours sont traités dans la langue dont la législation sur 1' emploi des langues en matière administrative impose l'emploi dans leurs services intérieurs aux services dont l' activité s'étend XIV-30.393-5/13 à tout le pays. Si cette législation n'impose pas V emploi d' une langue déterminée, l' affaire sera traitée dans la langue de l' acte par lequel elle a été introduite devant le Conseil. En face de deux actes attaques conjointement et rédigés dans deux langues différentes, le Conseil du Contentieux des Etrangers devait avoir égard à la langue qui prévalait dans le chef du requérant, étant en l'occurrence la langue française dans lequel il a introduit son recours. Ce moyen emporte la cassation de l'arrêt attaque.”; 2.2.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “In een tweede middel beroept verzoeker zich op de vermeende schending van artikel 39/14 Vreemdelingenwet in combinatie met de wetten op het gebruik van taal in bestuurszaken van 18.7.1966. Verzoeker vindt dat de zijn beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het Frans diende te worden behandeld, gelet op het feit dat de kennisgeving van het bevel om het grondgebied te verlaten is gebeurd in het Frans, terwijl de bestreden beslissing werd genomen in het Nederlands. Verzoeker stelt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in dat geval moest opteren voor het Frans, aangezien zijn verzoekschrift voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in de Franse taal was opgesteld. De verwerende partij wenst verzoeker er op te wijzen dat de bestreden beslissing, zijnde de onontvankelijkheid van verzoekers aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf o.g.v. artikel 9, lid 3, Vreemdelingenwet, in het Nederlands werd genomen. Derhalve is de taal waarin het beroep wordt behandeld logischerwijs het Nederlands, zoals ook in het bestreden arrest dd. 19.5.2008 wordt vermeld : " Uit de voorbereidende werken van de Wet van 15.9.2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (Pari. St. Kamer, 20052006, nr. 2479/001, 107) blijkt dat aangezien de regeling inzake het taalgebruik voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen naadloos aansluit bij die welk thans geldt voor de Raad van State deze regelingen op dezelfde wijze dienen te worden geïnterpreteerd De bepaling dat de beroepen behandeld dienen te worden in de taal die de diensten waarvan de werkkring het hele land bestrijkt krachtens de wetgeving op het gebruik van de talen in bestuurszaken moeten gebruiken in hun binnendiensten verplicht de Raad van State , en bijgevolg ook de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, voor zijn arresten gebruik te maken van de taal van de akte waarvan de vernietiging wordt gevorderd. De bestuurshandelingen waarvan de vernietiging wordt gevorderd zijn immers steeds afkomstig van overheden die onderworpen zijn aan de wetgeving op het gebruik van talen in bestuurszaken (Les novelles, v/, Droit administratif, tome VI, Brussel, Bruylant, 1975, p. 737, randnr. 's 2249-2250). Gelet op het voorgaande en het feit dat de bestreden beslissing door het bestuur werd genomen in het Nederlands, dient de Nederlandse taal als proceduretaal door de Raad te worden gehanteerd en dient verweerder overeenkomstig artikel 39/16 van de vreemdelingenwet voor zijn akten en verklaringen gebruik te maken van de Nederlandse taal." (R.v.V . nr. 6035 van 21.1.2008) Het tweede middel van verzoeker kan niet worden aangenomen.”; 2.2.3. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord het volgende toevoegt: “partie requérante maintient sa position originelle. Elle expose que l'ordre de quitter le territoire - fut-il uniquement notifié- en langue française et l'utilisation de cette dernière langue dans le recours introduit par la partie requérante, domiciliée en Région de Bruxelles-Capitale, entraînait que les critères de rattachement linguistiques, notamment visés à l’article 17 des lois coordonnées visées au moyen, emportaient l'obligation de l'utilisation de la langue française par le Conseil du Contentieux des Etrangers. XIV-30.393-6/13 Ce moyen emporte la cassation de l'arrêt attaqué.”; 2.2.4. Overwegende dat het bestreden arrest enkel de beslissing houdende de niet-ontvankelijkheid van de aanvraag om machtiging tot verblijf tot voorwerp heeft; dat overeenkomstig het bepaalde in artikel 39/14 van de Vreemdelingenwet de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het beroep van de verzoekende partij diende te behandelen in de taal die de diensten waarvan de werking het ganse land bestrijkt, krachtens de wetgeving op het gebruik van de talen in bestuurszaken moeten gebruiken in hun binnendiensten; dat, vermits de akte waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf niet-ontvankelijk wordt verklaard in het Nederlands is gesteld, de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het beroep tegen deze akte ook in het Nederlands diende te behandelen; dat het tweede middel ongegrond is; 2.3.1. Overwegende dat de verzoekende partij een derde middel aanvoert, dat luidt als volgt: “Un moyen est pris de la violation de l'article 39/14 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers lu en combinaison avec les dispositions pertinentes - dont le respect est d'ordre public- des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966 et singulièrement de leur article 58. Décision et motifs critiqués : L'arrêt dont la cassation est demandée ne soulève pas d'office la nullité de l'ordre de quitter le territoire notifié au requérant Grief : l'article 58 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966 fait obligation aux juridictions de constater la nullité des actes contraires à cette législation, tandis que l'ordre de quitter le territoire adressé en français à un étranger ayant fait usage de la langue néerlandaise à l'occasion d'une demande préalable d'autorisation de séjour viole la législation en cause L'exposé du grief constitue sa propre explication. Ce moyen emporte la cassation de l’arrêt attaqué.”; 2.3.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “Ook het derde middel heeft betrekking op artikel 39/14 Vreemdelingenwet in combinatie met de wetten op het gebruik van taal in bestuurszaken van 18.7.1966. Verzoeker beweert dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het bevel om het grondgebied te verlaten had moeten vernietigen omdat de kennisgeving in de Franse taal is gebeurd, terwijl de oorspronkelijke aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf o.g.v. artikel 9, lid 3, Vreemdelingenwet, in de Nederlandse taal is ingediend. Dienaangaande laat de verwerende partij gelden dat de oorspronkelijke aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf o.g.v. artikel 9, lid 3, Vreemdelingenwet werd ingediend bij de burgemeester van de stad Brussel. De betekening van het bevel om het grondgebied te verlaten werd gedaan door de burgemeester van Sint-Jans-Molenbeek, dat gelegen is in het Brussels hoofdstedelijk gewest. XIV-30.393-7/13 Wanneer de burgemeester, zoals in casu de bijlage 13, een beslissing van de verwerende partij aan verzoeker betekent, betreft het een relatie tussen een lokale dienst en een particulier die onderworpen is aan het taalregime dat ter zake door de taalwetten aan de lokale besturen wordt opgelegd. In hun betrekkingen met particulieren gebruiken de lokale diensten de taal van het Gewest, in het Brussels hoofdstedelijk gewest zal dat de taal zijn die door de vreemdeling wordt gebruikt in zijn contacten met de lokale overheid. Geheel ten overvloede laat de verwerende partij gelden dat de onregelmatige kennisgeving van een beslissing niet noodzakelijk een schending uitmaakt van een substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven pleegvorm uit (cf. R.v.St. nr. 20.300, 29.4.80, Arr. R.v.St. 1980, 596), en blijkt uit de vaste rechtspraak van de Raad van State dat eventuele gebreken in de kennisgeving van een administratieve akte niet van aard kunnen zijn om aanleiding te kunnen geven tot de nietigverklaring van deze akte als dusdanig (zie o.a. R.v.St. nr. 48.781, 24.08.1994, en R.v.St. nr. 45.694, 19.01.1994, R.A.C.E. 1994, z.p.). Het zou aldus van overdreven formalisme getuigen om de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op de in het enig middel vernielde basis te vernietigen, temeer nu verzoeker niet aanvoert dat de wijze waarop de kennisgeving van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken, houdende het bevel om het grondgebied te verlaten, zou zijn gebeurd, hem heeft gehinderd in zijn mogelijkheden om de beslissing aan te vechten, hetgeen betrokkene ook niet redelijk kan doen, gelet op het tijdstip waarop hij zijn annulatieverzoekschrift neerlegde. In het algemeen slaagt verzoeker er in zijn middel in het geheel niet in aan te tonen dat de wijze waarop de kennisgeving van de beslissing in casu zou zijn gebeurd, hem enig nadeel zou hebben berokkend. Het derde middel van verzoeker kan niet worden aangenomen.”; 2.3.3. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord het volgende toevoegt: “
- a)1. Si l'ordre de quitter le territoire fait partie de la réponse que l'administration a apporté à la demande d'autorisation de séjour de la partie requérante et que cet ordre est légalement formé en français - à suivre la partie adverse - alors la décision d'irrecevabilité devrait être considérée comme illégalement rédigée néerlandais. 2. Si cet ordre ne fait pas partie de la réponse que l'administration a apporté à la demande d'autorisation de séjour de la partie requérante et que cet ordre est légalement formé en français- à suivre la partie adverse - alors cet ordre constitue, avec la requête introduite auprès du CCE, deux critères de rattachement de la situation de l'intéressé á la langue française, au sens développé dans le deuxième moyen.
- b)Les modalités de notification d'un ordre de quitter le territoire, en ce que le non-respect de cette décision autorise la détention de son destinataire, constituent des formalités substantielles dont le non-respect vicie la légalité de l'acte lui-même.
- c)1. Les lois sur l'emploi des langues en matière administrative sont d'ordre public. 2. La partie requérante a évidemment intérêt à en constater la violation par l'arrêt dont la cassation est demandée. Ce moyen emporte la cassation de l'arrêt attaque.”; 2.3.4. Overwegende dat, zoals bij de behandeling van het tweede middel reeds werd opgemerkt, het bestreden arrest enkel de beslissing houdende de niet-ontvankelijkheid van de aanvraag om machtiging tot verblijf tot voorwerp heeft; dat het derde middel, dat betrekking heeft op het bevel om grondgebied te verlaten, niet dienstig wordt aangevoerd; dat het derde middel niet-ontvankelijk is; XIV-30.393-8/13 2.4.1. Overwegende dat de verzoekende partij een vierde middel aanvoert, dat luidt als volgt: “Un moyen est pris de la violation de l'article 39/65 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers et de la violation de la foi due aux actes Décision et des critiqués : L'arrêt dont la cassation est demandée considère que ’het feit dat de besteden beslissing door het bestuur werd genomen in het nederlands dient de Nederlandse taal als proceduurtaal door de Raad te worden gehanteerd’. Grief : les actes attaques étant l'un (la décision d'irrecevabilité de la demande d'autorisation de séjour) rédigé en langue néerlandaise et l'autre (l'ordre de quitter le territoire) rédigé en français, le fait de ne prendre en considération que l'un des actes attaques pour déterminer la langue de la procédure viole la foi due à ces décisions ou à la requéte originaire, et viole l'obligation de motivation adéquate qui découle de l'article 39/65 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers L'exposé du grief constitue sa propre explication. Ce moyen emporte la cassation de l'arrêt attaque.”; 2.4.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “In een vierde middel beroept verzoeker zich op de vermeende schending van artikel 39/65 Vreemdelingenwet. Opnieuw herhaalt hij dezelfde kritiek als in het tweede middel. De verwerende partij herhaalt dat de bestreden beslissing werd genomen door de gemachtigde van de federale Minister van Migratie- en Asielbeleid houdende de onontvankelijkheid van verzoekers aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf o.g.v. artikel 9, lid 3, Vreemdelingenwet met instructie tot het afleveren van een bevel om het grondgebied te verlaten (bijlage 13). Verzoeker viseert de betekening/kennisgeving van het bevel om het grondgebied te verlaten, en niet de bestreden beslissing als zodanig. Verzoeker heeft het verkeerd voor wanneer hij stelt dat er sprake is van twee bestreden beslissingen. Zoals hierboven reeds vermeld oordeelde de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geheel terecht dat de bestreden beslissing in het Nederlands werd genomen, zodat het Nederlands als proceduretaal dient te worden gehanteerd. Het vierde middel van verzoeker kan niet worden aangenomen.”; 2.4.3. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord het volgende toevoegt: “A suivre le raisonnement de la partie adverse, la décision d'irrecevabilité d'une demande d'autorisation de séjour devrait nécessairement entraîner un ordre de quitter le territoire, ce qui n'est manifestement pas le cas. Il s'en suit qu'il y avait bel et bien deux décisions administratives et non ‘de bestreden beslissing’. Ce moyen emporte la cassation de l'arrêt attaqué.”; XIV-30.393-9/13 2.4.4. Overwegende dat in het tweede en het derde middel reeds werd vastgesteld dat het bestreden arrest enkel betrekking heeft op de beslissing houdende de niet- ontvankelijkheid van de aanvraag om machtiging tot verblijf; dat het vierde middel niet- ontvankelijk is; 2.5.1. Overwegende dat de verzoekende partij een vijfde middel aanvoert, dat luidt als volgt: “Un moyen est pris de la violation des articles 33 et 105 de la Constitution, de la violation du principe d'indisponibilité des attributions, de l'incompétence de l'auteur de l'acte, de la violation des articles 3 et 76 de la loi du 15 septembre 2006 modifiant la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers et de la violation des effets de la loi dans le temps Décision et motifs critiqués : L'arrêt dont la cassation est demandée ne soulève pas d'office l'incompétence de l’auteur de la décision d'irrecevabilité de la demande d'autorisation de séjour Grief : le premier acte attaque a été pris par une autorité administrative ne disposant plus d'investiture légale, ce que devait soulever, même d'office, le Conseil du Contentieux des Etrangers La décision d'irrecevabilité de la demande d'autorisation de séjour originairement attaquée est prise sur le fondement de l'article 9.3 (soit alinéa 3) ancien de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers. Cet article 9 alinéa 3 a été abrogé par l'article 3 de la loi du 15 septembre 2006 du modifiant la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l’ etablissement et réloignement des étrangers. Cet article 3 est entré en vigueur ler juin 2007, conformément á Partiele 78 de la loi du 15 septembre 2006 susvisée et á l'arrêté royal du 27 avril 2007 fixant la date d'entrée en vigueur de la loi du 15 septembre 2006 modifiant la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers et fixant la date visée á l'article 231 de la loi du 15 septembre 2006 réformant le Conseil d'Etat et créant un Conseil du Contentieux des Etrangers. L'article 76 de la loi du 15 septembre 2006 modifiant la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers dispose par ailleurs : § ler. A partir de son entrée en vigueur, la présente loi est d' application á toutes les situations visées par ses dispositions. § 2. 11 est toutefois dérogé au principe mentionné au § Ier dans les cas suivants : 1/ Les articles 9bis et 9ter de la loi du 15 décembre 1980 sont d'application aux demandes introduites après l'entrée en vigueur de la loi. 2/ A l'exception de son point 4/, 1' article 11, § 2, de la loi du 15 décembre 1980, inséré par l'article 9 de Ia présente loi, est applicable aux étrangers admis au séjour après la date d' entrée en vigueur de la présente loi. 3/ Les articles 13 et 14 de la présente loi sopt applicables aux étrangers qui demandentl'autorisation d' établissement après la date d' entrée en vigueur de la présente loi. Si cet article 76 §2 1/ prévoit que les demandes nouvelles (hors médicales) seront traitées sous le régime de l'article 9 bis nouveau, cette dispositron transitoire ne prévoit pas explicitement que l'article 9 alinea 3 abrogé verra son application maantenue aux demandes pendantes á la date de l'entrée en vigueur précitée . Il s'en suit que l'article 76§ler s'avère d'application et que la demande de séjour ne peut en conséquence se voir refusée ni en application de l'article 9 alinea 3 ancien ni de l'article 9 bis nouveau. Il en résulte qu'a partir du ier juin 2007 les services de la partie adverse ne disposaient plus d'aucune habilitation pour autoriser ou refuser le séjour aux personnes qui en avaient précédemment fait la demande. XIV-30.393-10/13 Il s'en suit que la décision attaquée a été prise par une autorité incompetente. Cette incompétence aurait du être soulevée d'office par le Conseil du Contentieux des Etrangers. Ce moyen emporte la cassation de l'arrêt attaque.”; 2.5.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “In een vijfde middel beroept verzoeker zich op de vermeende schending van de artikelen 33 en 105 van de Grondwet, artikelen 3 en 76 van de Wet van 15.9.2006. Verzoeker uit kritiek op het feit dat in het arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen rekening werd gehouden met het feit dat de gemachtigde van de federale Minister van Migratie- en Asielbeleid zijn beslissing heeft genomen o.g.v. oud artikel 9, lid 3 Vreemdelingenwet, en niet op basis van artikel 9 bis Vreemdelingenwet. Hij beweert verder dat het niet duidelijk wettelijk is bepaald welk artikel van toepassing is (9, lid 3 of 9 bis) indien een aanvraag werd ingediend vóór 1.6.2007 en de beslissing werd genomen ná. 1.6.2007. De verwerende partij merkt op dat de regularisatieaanvragen die werden ingediend voor 1 juni 2007, op grond van artikel 9 lid 3 van de Vreemdelingenwet, zullen volgens de oude bepalingen behandeld worden. Art. 76. § 1. Vanaf haar inwerkingtreding is deze wet van toepassing op alle haar bepalingen bedoelde toestanden. § 2. In de hierna volgende gevallen wordt evenwel afgeweken van het principe vermeld onder § 1: 1/ De artikelen 9bis en Ster van de wet van 15 december 1980 zijn van toepassing op de aanvragen die ingediend worden na de inwerkingtreding van de wet. Hieruit kan d.m.v. een eenvoudige a contrario-redering duidelijk worden afgeleid dat de aanvragen ingediend vóór 1.6.2007 niet worden behandeld volgens de nieuwe bepalingen, en dus worden behandeld overeenkomstig de bepalingen van oud artikel 9, lid 3 Vreemdelingenwet. Verzoeker zoekt opnieuw spijkers op laag water en slaagt er niet in aan te tonen dat het arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gebrekkig is gemotiveerd. Het oordeel van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kan door de Raad van State slechts als onrechtmatig worden aangemerkt indien de concrete gegevens van de zaak doen blijken dat die appreciatie, in strijd met wat in de (oorspronkelijke) beslissing wordt aangevoerd, kennelijk onredelijk is. In casu blijft verzoeker in gebreke aan te tonen dat het oordeel van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kennelijk onredelijk zou zijn.”; 2.5.3. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord het volgende toevoegt: “
- a)la partie requérante n'a jamais prétendu l’article 9 bis applicable à la présente cause.
- b)Comme l'a souligné le Conseil d'Etat (arrêts n/112.389 du 7 novembre 2002 et n/113.526 du 11 décembre 2002), l’interprétation a contrario de la loi ne peut être admise dès lors que, comme en l'espèce, « une restriction grave á la liberté individuelle », en l'occurrence une décision d'irrecevabilité d'une demande de séjour, ‘ne peut être établie que par une disposition dépourvue d'équivoque’. Ce moyen emporte la cassation de l'arrêt attaqué.”; XIV-30.393-11/13 2.5.4. Overwegende dat ingevolge de artikelen 3, 4 en 5 van de wet van 15 september 2006 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen artikel 9, derde lid wordt opgeheven en vervangen door de artikelen 9bis en 9ter; dat artikel 76 van diezelfde wet de overgangssituatie behandelt en luidt als volgt: “§ 1. Vanaf haar inwerkingtreding is deze wet van toepassing op alle bij haar bepalingen bedoelde toestanden. § 2. In de hierna volgende gevallen wordt evenwel afgeweken van het principe vermeld onder § 1: 1/ De artikelen 9bis en 9ter van de wet van 15 december 1980 zijn van toepassing op de aanvragen die ingediend worden na de inwerkingtreding van de wet. 2/ Met uitzondering van zijn punt 4/ is artikel 11, § 2, van de wet van 15 december 1980, ingevoegd door artikel 9 van deze wet, van toepassing op de vreemdelingen die na de datum van de inwerkingtreding van deze wet tot een verblijf worden toegelaten. 3/ De artikelen 13 en 14 van deze wet zijn van toepassing op de vreemdelingen die na de datum van de inwerkingtreding van deze wet een machtiging tot vestiging aanvragen.”; Overwegende dat uit deze bepalingen duidelijk blijkt dat aanvragen, ingediend voor 1 juni 2007, worden behandeld overeenkomstig het oude artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet; dat er niet kan worden ingezien hoe deze a-contrario redenering in casu een ernstige inbreuk op de individuele vrijheid kan betekenen; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dan ook geen ambtshalve exceptie diende op te werpen en dat het vijfde middel ongegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op éénentwintig september tweeduizend en negen, door : XIV-30.393-12/13 de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. XIV-30.393-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.231 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div