← België

Arrest 196232 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 21/09/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.232 Rolnummer: A. 189351/XIV-30530 Zaak: Arrest 196232 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 21/09/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-10-02 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-30 03:34 Fiche Arrest nr 196.232 van 21 september 2009 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 196.232 van 21 september 2009 in de zaak A. 189.351/XIV-30.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat J. BOULBOULLE-KACZOROWSKA, kantoor houdende te 4020 LIEGE, Quai de l’Ourthe 44/1 tegen : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Russische nationaliteit, op 13 augustus 2008 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 13.953 van 10 juli 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 3342 van 10 september 2008 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 13 maart 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 april 2009; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-30.530-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat E. VINOIS, die loco advocaat J. BOULBOULLE-KACZOROWSKA verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché R. LARNO, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 11 oktober 2007 en zich op 16 oktober 2007 vluchteling verklaart; dat de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op 9 april 2008 beslist dat de verzoekende partij niet als vluchteling in de zin van artikel 48/3 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) kan worden erkend en niet voor subsidiaire bescherming in de zin van artikel 48/4 van die wet in aanmerking komt; Overwegende dat de verzoekende partij op 30 april 2008 tegen die weigeringsbeslissing beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aantekent; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het beroep met een arrest van 10 juli 2008 verwerpt; dat dit het bestreden arrest is; 2.
  3. Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert, dat luidt als volgt: “Enig middel dat zich beroept op de schending van artikel 149 van de Grondwet, artikel 51/4 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, de schending van het Reglement van Rechtspleging van de Raad Voor Vreemdelingenbetwistingen, zowel als een schending van het principe van wettig vertrouwen en juridische veiligheid; In deze zin: Overwegende dat de tegenpartij van oordeel was dat het beroep met volle rechtsmacht dat door de verzoekster tegen de beslissing van het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen op 09 april 2008 (die op 16 april 2008 betekend werd) die haar zowel de hoedanigheid van vluchtelinge als de subsidiaire bescherming niet verleende, niet-ontvankelijk was daar als zekere datum 14 mei 2008 erkend werd, hetzij later dan de termijn van 15 dagen vanaf de datum van kennisgeving van de bestreden beslissing; Dat de tegenpartij het op deze manier weigert met de datum 30 april zowel als de datum 5 mei 2008 die op het ontvangstbewijs van neerlegging van voormeld beroep vermeld worden, en benadrukt dat dit per aangetekende brief ingeleid had moeten worden en, in fine, als zekere datum 14 mei 2008 erkent, hetzij de datum van verzending per drager tegen ontvangstbewijs XIV-30.530-2/6 van de Griffie van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bij de Dienst Vreemdelingenzaken voor dit beroep met volle rechtsmacht van de verzoekster; Terwijl: Overwegende dat de tegenpartij zich op artikel 3,§1, eerste alinea beroept van het Reglement van Rechtspleging van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat bepaalt dat de verzending naar de Raad van alle stuk van de rechtspleging per aangetekende brief dient te gebeuren om te beweren dat het beroep dat door de verzoekster tegen de beslissing van het Commissari- aat-Generaal voor De Vluchtelingen en Staatlozen op 9 april 2008 ingediend werd niet-ontvankelijk is; Dat er om die reden eraan herinnerd dient te worden dat de postdiensten op het grondgebied van het Rijk geliberaliseerd werden; Dat het standpunt van de tegenpartij in het kader van de bestreden beslissing erop neerkomt om deze liberalisatie verantwoordelijk te maken daar ze laat doorschemeren dat de beroepen die voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ingediend worden uitsluitend door aangetekende brieven via DE POST geadresseerd dienen te worden en niet door andere postdiensten die als zodanig erkend worden; Dat de tegenpartij op deze manier een toestand van monopolie meent te herstellen die in tegenstelling staat met het beoogde doel van de liberalisatie van de postdiensten; Dat deze liberalisatie zowel met de lichting, het sorteren, het vervoer van de brieven en pakken te maken heeft als met de diensten betreffende de aangetekende verzendingen en de verzendingen met een verklaarde waarde; Dat deze verwijzing naar de aangetekende verzendingen wordt vermeld expressis verbis in artikel 142 van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, waaronder de postdiensten; Dat de natuurlijke personen of de rechtspersonen die een algemene postdienst wenst uit te oefenen, wat alle verrichtingen bevat, moet ten dien einde vooraf een vergunning van het B.I.P.T. (Belgisch Instituut voor de Post en Telecommunicatie diensten) bekomen; Dat het uit het dossier van de stukken van de verzoekster blijkt dat LA BAGUENAUDE Sprl (BVBA) die in dit geval de betwiste verzending heeft uitgevoerd deze vergunning bezit die haar door het B.I.P.T. werd toegekend; Dat LA BAGUENAUDE Sprl (BVBA) dus over dezelfde eigenschappen en bevoegdheden beschikt als DE POST inzake van universele postdiensten, en a fortiori inzake aangetekende verzendingen; Dat de tegenpartij dus op een helemaal illegale wijze een onderscheid maakt tussen postdiensten die de zelfde diensten bieden; Dat, behalve het feit dat de mogelijkheid om aangetekende verzendingen te verrichten aan alle postdiensten die een vergunning bezitten van het BIPT wettelijk erkend wordt, er inderdaad eraan herinnerd dient te worden dat een aangetekende verzending erin bestaat een verzending aan de formaliteit van het aantekenen te onderwerpen, dwz dat de postdienst een ontvangstbe- wijs bezorgt aan de afzender die de verzending van deze brief aantekent; Dat een ontvangstbewijs in dit geval wel aan de verzoekster uitgereikt werd, dat de datum van 30 april 2008 vermeldt als verzendingsdatum, en overigens ook de datum van ontvangst vermeldt als 5 mei 2008, laatste dag te rechter tijd; Dat, behalve het feit dat het beroep met volle rechtsmacht wel per aangetekende 'verzending gebeurde zoals voorzien door de wet, er dus dient opgemerkt te worden dat dit ook binnen de wettige termijn ingediend werd, een termijn van 15 dagen na de kennisgeving van de beslissing van weigering van de erkenning van de hoedanigheid van vluchtelinge en van de subsidiaire bescherming aan de verzoekster, daar het op 30 april 2008 ingediend werd; Overwegende subsidiair dat, als de Raad alhier zou oordelen dat de verzending van het beroep door de verzoekster tegen de beslissing van het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen van 9 april 2008 niet als een aangetekende verzending beschouwd zou worden, er dient rekening te worden gehouden van de ratio legis van artikel 3 van het Reglement van Rechtspleging van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Dat er in deze zin dient opgemerkt te worden dat de tegenpartij zelf verwijst in het kader van het bestreden arrest, naar een verslag aan de Koning betreffende artikel 3 van het Reglement van XIV-30.530-3/6 Rechtspleging van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (Staatsblad d.d. 28 december 2006); Dat in het kader van dit verslag aan de Koning, wordt benadrukt dat de ratio legis van artikel 3 van het Reglement van Rechtspleging van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, en dus ook van artikel 84 van het Besluit van de Regent d.d. 23 augustus 1948 dat het overneemt, bestaat erin "over een bepaalde en onbetwistbare datum van neerlegging van het stuk van de rechtspleging te beschikken’ (vrij vertaald). Dat er in casu wel een bepaalde en onbetwistbare datum bestaat van neerlegging van het beroep met volle rechtsmacht, datum die op de behandeling- en distributie fiche van LABAGUENAUDE sprl (BVBA) vermeld wordt; Dat de tegenpartij overigens niet kan beweren dat deze datum niet zeker zou zijn, daar zij zelf in het kader van het bestreden arrest de datum waarop de griffier van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het beroep met volle rechtsmacht van de verzoekster per drager en tegen ontvangstbewijs naar de Dienst Vreemdelingenzaken heeft verzonden als zekere datum onthoudt, en dus niet de datum die vermeld wordt in het kader van een aangetekende verzending die door DE POST uitgevoerd zou worden, wat de tegenpartij nochtans onwettig schijnt te eisen in het kader van de bestreden beslissing; Dat het bestaansrecht van de bepaling die ingehouden wordt in artikel 3 van het Reglement van Rechtspleging van De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dus nageleefd werd om een zekere datum te onthouden zowel wat de datum van verzending van het beroep betreft als wat de datum van ontvangst ervan ter griffie, data die beide overigens binnen de wettige termijn voor een beroep ingesloten worden; Dat de bestreden beslissing d.d. 9 april 2008 van het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen waarvan aan de verzoekster op 16 april 2008 kennisgegeven werd, en dat de termijn van 15 dagen om een beroep tegen deze beslissing in te dienen op 17 april 2008 begon te lopen; Dat donderdag 1 mei en woensdag 2 mei 2008 als wettelijke feestdagen erkend worden zodat de termijn pas op maandag 5 mei 2008 afliep, zoals de Belgische Staat het uitdrukkelijk erkent in zijn rechtspleging geschriften; Dat, op deze manier dus, zelfs als de tegenpartij als zekere datum alleen de datum vgn ontvangst van het beroep van de verzoekster ter griffie van de Raad voor Vreemdelingenbetwis- tingen erkende, datum die door de ondertekening en de stempel van het gerecht vergezeld wordt, hetzij 5 mei 2008, er dient benadrukt te worden dat deze ontvangstdatum binnen de wettige termijn van beroep ingesloten wordt; Overwegende dat er, in fine, dient benadrukt te worden dat de bestreden beslissing in tegenstelling is met de jurisprudentie van de Raad voor de Vreemdelingenbetwistingen is. Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen inderdaad herhaaldelijk de wijze van inleiding van een beroep die door de verzoekster gekozen werd aangenomen heeft, zonder ervan af te leiden dat het niet-ontvankelijk was; Dat er in deze zin dient opgemerkt te worden dat de aanwezigheid van de stempel van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op het ontvangstbewijs er op voldoende manier van getuigt dat deze bestaande manier van doen door de tegenpartij aangenomen wordt; Dat de tegenpartij dientengevolge niet kon verklaren dat het beroep van de verzoekster niet- ontvankelijk was terwijl dit binnen een wettelijke termijn ingediend werd zoals het bewezen wordt door het ontvangstbewijs dat door de griffie van de Raad voor Vreemdelingenbetwisting- en uitgereikt werd; Dat de tegenpartij overigens door deze manier van handelen het wettelijke vertrouwen van de verzoekster helemaal verbroken heeft; Dat het is trouwens waarde te noteren dat de algemene directie vreemdelingenzaken heeft verblijfsmachtigingen in toepassing van artikel 9bis en 9ter van de vreemdelingenwet 15 december 1980, herhaaldelijk, als ontvankelijk herkend, verblijfsmachtiging op dezelfde wijs ingebracht als dit dossier; Dat beslissingen namelijk als voorbeeld aangehaald kan worden: Adjini Ilir/Belgische staat (OE 5009517),Mustafa Naim/Etat belge (OE 5740125), Khozayev/Etat belge (OE 6119062),Gabriel Pierre/Etat Belge (OE 5951500); XIV-30.530-4/6 Overwegende dat die elementen de vernietiging van de bestreden akte zullen rechtvaardi- gen.”; 2.
  4. Overwegende, wat het eerste onderdeel betreft, dat artikel 144octies, §2, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven het volgende bepaalt: “Omwille van de bescherming van het algemeen belang en van de openbare orde, is de dienst van (fysieke) aangetekende zendingen in de loop van gerechtelijke of administratieve procedures, eveneens aan De Post voorbehouden (...).”; Overwegende dat overeenkomstig artikel 131, 9/ van diezelfde wet onder “aangetekende zendingen in de loop van gerechtelijke of administratieve procedures” dient te worden verstaan “de zending waarvan de aantekening in het kader van een gerechtelijke of administratieve procedure door een wettelijke of reglementaire bepaling wordt voorgeschreven”; dat het de firma die de beroepsakte van de verzoekende partij aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft bezorgd dan ook niet toegelaten was om de betreffende aangetekende zending uit te voeren; dat de verzoekende partij dit in haar memorie van wederantwoord niet langer betwist; dat zij integendeel duidelijk laat verstaan dat haar eerste grief op een vergissing van harentwege berust; dat het eerste onderdeel van het enige middel ongegrond is; Overwegende, wat het tweede onderdeel betreft, dat luidens artikel 3, §1, van het PR RvV alle processtukken aan de Raad worden toegezonden bij ter post aangetekende brief; dat enkel door middel van de aantekening ter post vaste datum aan de indiening van het beroep kan worden gegeven; dat uit hetgeen onder het eerste onderdeel van het enige middel wordt besproken, blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen rekening diende te houden met de datum op de behandelings- en distributiefiche van de firma La Baguenaude; dat, wat betreft de aangevoerde ongelijke behandeling van de partijen, de datum van indiening van het verzoekschrift bepalend is voor de ontvankelijkheid van het beroep terwijl de laattijdige indiening van het administratief dossier tot gevolg heeft dat de door de verzoekende partij aangehaalde feiten als bewezen worden geacht en bij laattijdige indiening van de nota met opmerkingen deze ambtshalve uit de debatten wordt geweerd; dat het, gelet op deze fundamenteel andere gevolgen, objectief en redelijk te verantwoorden is dat voor de neerlegging van het administratief dossier en de nota met opmerkingen niet dezelfde strenge garanties worden geëist als voor het neerleggen van het verzoekschrift; dat het tweede onderdeel van het enige middel ongegrond is; Overwegende, wat het derde onderdeel betreft, dat de Raad van State, op grond van artikel 14, derde lid, van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State, uitspraak doet op basis van de XIV-30.530-5/6 samenvattende memorie; dat, nu dit niet is opgenomen in de samenvattende memorie, het derde onderdeel van het enige middel niet in aanmerking kan worden genomen, BESLUIT: Artikel
  5. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  6. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op éénentwintig september tweeduizend en negen, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. XIV-30.530-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.232 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.