id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.234 Rolnummer: A. 186678/XIV-30100 Zaak: Arrest 196234 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 21/09/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-10-05 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 03:34 Fiche Arrest nr 196.234 van 21 september 2009 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 196.234 van 21 september 2009 in de zaak A. 186.678/XIV-30.100. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat K. HINNEKENS, kantoor houdende te 8500 KORTRIJK, Louis Pasteurlaan 24 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, thans de staatssecretaris voor Migratie- en Asielbeleid. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Georgische nationaliteit, op 14 januari 2008 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 4683 van 11 december 2007 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 2209 van 21 februari 2008 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. STERCK, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 5 augustus 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 oktober 2008; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-30.100-1/7 Gehoord de opmerkingen van advocaat F. LANDUYT, die loco advocaat K. HINNEKENS verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat T. SCHREURS, die loco advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de verzoekende partij op 26 augustus 2003 een aanvraag tot vestiging in functie van haar Belgische echtgenote indient; dat de minister van Binnenlandse Zaken op 10 september 2003 een beslissing tot weigering van de vestiging met bevel om het grondgebied te verlaten neemt; Overwegende dat de verzoekende partij op 23 september 2004 een verzoekschrift tot herziening indient; dat het beroep tot herziening ingevolge de gewijzigde procedure zonder voorwerp wordt en dat de verzoekende partij derhalve op 18 september 2007 tegen de hoger genoemde weigeringsbeslissing beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aantekent; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het beroep met een arrest van 11 december 2007 verwerpt; dat dit het bestreden arrest is; 2.1.1. Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending van de artikelen 39/65, 43 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, (Vreemdelingenwet) van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van artikel 149 van de Grondwet opwerpt; dat zij een gedeelte van het bestreden arrest citeert waarin op het voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aangevoerde tweede middel wordt geantwoord, dat zij de motivering van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 10 september 2003 citeert, dat zij vervolgens een deel van het voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aangevoerde tweede middel herneemt en dat zij tenslotte aanvoert dat de beslissing die moest worden beoordeeld, artikel 43 van de Vreemdelingenwet duidelijk schendt door zonder verdere motivering een opsomming van veroordelingen te geven; 2.1.2. Overwegende dat de verzoekende partij het middel in de memorie van wederantwoord herneemt; XIV-30.100-2/7 2.1.3. Overwegende dat de verzoekende partij de motivering van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 10 september 2003, een deel van haar argumentatie in het tweede middel voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en een deel van het antwoord in het bestreden arrest op dat middel citeert; dat zij niet uiteenzet op welke wijze het bestreden arrest de aangehaalde bepalingen of de materiële motiveringsplicht, in de mate dat deze op het bestreden arrest van toepassing zijn, zou hebben geschonden; dat de verzoekende partij immers volledig voorbijgaat aan de motivering op pagina 12 van het bestreden arrest betreffende het gevaar voor de openbare orde; dat het eerste middel om die reden, voor zover ontvankelijk, feitelijke grondslag mist; 2.2.1. Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending van de Richtlijn 2004/38 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG, (hierna Richtlijn 2004/38) van “het gelijkheidsbeginsel zoals ondermeer bepaald in artikel 10 en 11 van de Belgische Grondwet” en van “artikel 26 van de bijzondere wet van 6 januari 1989" opwerpt; dat zij punt 2. van het bestreden arrest citeert, dat zij haar voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aangevoerde argumentatie herneemt, dat zij stelt dat de prejudiciële vraag wel had moeten worden gesteld gezien de schending van het gelijkheidsbeginsel in de bestreden beslissing, dat er retroactiviteit is vermits de ontvankelijk ingestelde herzieningsprocedure ten gronde moest worden omgezet in enkel een annulatieprocedure, dat de verzoekende partij het antwoord in het bestreden arrest op het derde, vierde, vijfde en zesde onderdeel van het eerste middel en op het tweede middel citeert, dat zij andermaal haar voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aangevoerde argumentatie herneemt, dat zij vervolgens nogmaals het antwoord in het bestreden arrest vanaf het tweede onderdeel van het eerste middel tot en met het tweede middel citeert en dat de verzoekende partij tenslotte stelt “dat de bestreden beslissing niet in alle redelijkheid kan stellen dat niet aangetoond is dat er nieuwe elementen worden ingeroepen”, dat de Belgische wet geen beroep in volle rechtsmacht heeft voorzien zodat er nog geen omzetting van de richtlijn is en dat de verzoekende partij wel degelijk belang heeft bij het stellen van de gevorderde prejudiciële vragen, zowel wat betreft de toepassing van het gelijkheidsbeginsel als wat betreft de schending van het Europese recht; 2.2.2. Overwegende dat de verzoekende partij het middel in de memorie van wederantwoord herneemt; XIV-30.100-3/7 2.2.3. Overwegende dat de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, de Vreemdelingenwet ingrijpend heeft gewijzigd door onder meer een annulatieberoep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in plaats van het vroegere verzoek tot herziening te voorzien; dat de mogelijkheid van een annulatieberoep wordt voorzien in plaats van de ingediende verzoeken tot herziening waarover nog geen uitspraak is gedaan; dat dit echter geen retroactieve werking van de wet betekent, maar een nieuwe regeling die op lopende procedures van toepassing wordt; dat het tweede middel in die mate ongegrond is; Overwegende dat artikel 3.1. van Richtlijn 2004/38 bepaalt dat die richtlijn van toepassing is “ten aanzien van iedere burger van de Unie die zich begeeft naar of verblijft in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit, en diens familieleden als gedefinieerd in artikel 2, punt 2), die hem begeleiden of zich bij hem voegen”; dat in artikel 2.2. van de voornoemde richtlijn als familielid worden gedefinieerd: “
- a)de echtgenoot;
- b)de partner, met wie de burger van de Unie overeenkomstig de wetgeving van een lidstaat een geregistreerd partnerschap heeft gesloten, voorzover de wetgeving van het gastland geregistreerd partnerschap gelijk stelt met huwelijk en aan de voorwaarden van de wetgeving van het gastland is voldaan;
- c)de rechtstreekse bloedverwanten in neergaande lijn alsmede die van de echtgenoot of partner als bedoeld onder b), beneden de leeftijd van 21 jaar of die te hunnen laste zijn;
- d)de rechtstreekse bloedverwanten in opgaande lijn, alsmede die van de echtgenoot of partner als bedoeld onder b), die te hunnen laste zijn.”; Overwegende dat de verzoekende partij zelf niet de nationaliteit van een EU-lidstaat heeft en als dusdanig niet onder het toepassingsgebied van Richtlijn 2004/38 valt; dat zij een vestigingsaanvraag in functie van haar Belgische echtgenote heeft ingediend, doch dat de Belgische echtgenote uiteraard over een verblijfsrecht in België beschikt en de aanvraag geen betrekking heeft op de verblijfstoestand van die echtgenote zelf; dat er dus geen aanknopingspunt met Richtlijn 2004/38 blijkt, dit los van de vraag naar de directe werking ervan; dat alleen al om die reden geen prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen moet worden gesteld; Overwegende dat het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 81/2008 van 27 mei 2008 het volgende heeft geoordeeld: “B.16.3. In de aangelegenheden bedoeld in artikel 39/2, § 2, oefent de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een jurisdictionele toetsing uit, zowel aan de wet als aan de algemene rechtsbeginselen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gaat daarbij na of de aan zijn toezicht voorgelegde overheidsbeslissing de vereiste feitelijke grondslag heeft, of die beslissing uitgaat van correcte juridische kwalificaties en of de maatregel niet kennelijk XIV-30.100-4/7 onevenredig is met de vastgestelde feiten. Wanneer hij die beslissing vernietigt, dient de overheid zich te schikken naar het arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen: indien de overheid een nieuwe beslissing neemt, mag zij de motieven van het arrest dat de eerste beslissing heeft vernietigd, niet negeren; indien zij in de vernietiging berust, wordt de aangevochten akte verondersteld nooit te hebben bestaan (vergelijk: EHRM, 7 november 2000, Kingsley t. Verenigd Koninkrijk, § 58). Bovendien kan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, in de omstandigheden bedoeld in artikel 39/82, de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing bevelen, in voorkomend geval door uitspraak te doen bij dringende noodzakelijkheid. De Raad kan tevens, in de omstandigheden bedoeld in artikel 39/84 van dezelfde wet, voorlopige maatregelen bevelen. De rechtzoekenden beschikken derhalve over een daadwerkelijke jurisdictionele waarborg, voor een onafhankelijk en onpartijdig rechtscollege, tegen de administratieve beslissingen die op hen betrekking hebben. (...) B.37.1. In het vijfde middel in de zaak nr. 4192 bekritiseren de verzoekende partijen artikel 39/2, § 2, doordat die bepaling, ten aanzien van de burgers van de Europese Unie, niet in de jurisdictionele waarborgen zou voorzien die uit de in het middel aangehaalde bepalingen zouden voortvloeien. B.37.2. De verzoekende partijen voeren een schending aan van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, in samenhang gelezen met de artikelen 15, 28 en 31 van de Richtlijn 2004/38:EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 ‘betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG’. B.37.3. In B.16.3. is vastgesteld dat de omstandigheid dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet met volle rechtsmacht, maar als annulatierechter uitspraak doet, wanneer hij op grond van paragraaf 2 van artikel 39/2 optreedt, de rechtzoekenden in die procedure niet van een daadwerkelijk rechtsmiddel berooft. Uit de in het middel aangehaalde bepalingen van de richtlijn 2004/38/EG blijkt niet dat daarin in meer jurisdictionele waarborgen wordt voorzien dan die waarin paragraaf 2 van artikel 39/2 voorziet.”; Overwegende dat het Grondwettelijk Hof er in dat arrest op wijst dat de omstandigheid dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet met volle rechtsmacht maar als annulatierechter uitspraak doet wanneer hij op grond van artikel 39/2, § 2, van de Vreemdelingenwet optreedt, de rechtzoekende in die procedure niet van een daadwerkelijk rechtsmiddel berooft; dat het Hof vaststelt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nagaat of de aan zijn toezicht voorgelegde overheidsbeslissing de vereiste feitelijke grondslag heeft, of die beslissing op een correcte juridische kwalificatie is gesteund en of zij niet kennelijk onredelijk is in verhouding tot de vastgestelde feiten; dat, ten overvloede, het Hof ook overweegt dat uit de artikelen 15, 28 en 31 van Richtlijn 2004/38 niet blijkt dat daarin méér jurisdictionele waarborgen zijn voorzien dan deze waarin artikel 39/2, § 2, van de Vreemdelingenwet voorziet en dat deze laatste bepaling niet tot gevolg heeft dat de rechten van de betrokken personen op onevenredige wijze worden beperkt; dat het Grondwettelijk Hof aldus heeft geoordeeld dat het annulatieberoep voldoet aan de vereiste van een daadwerkelijk rechtsmiddel en, ten overvloede, tegemoet komt aan de bepalingen van artikel 31.3 van Richtlijn 2004/38; dat het tweede middel in die mate, voor zover ontvankelijk, ongegrond is; XIV-30.100-5/7 Overwegende dat de verzoekende partij voor het overige, met een letterlijke herhaling van voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgeworpen kritiek en zonder deze op de motieven van het bestreden arrest zelf te betrekken, geen schending van de aangehaalde bepalingen of beginselen aannemelijk maakt; dat het bestreden arrest geen betrekking heeft op de vraag of al dan niet “nieuwe elementen worden ingeroepen”, zoals de verzoekende partij op het einde van het middel voorhoudt; dat het tweede middel in die mate, voor zover ontvankelijk, ongegrond is; 2.3.1. Overwegende dat de verzoekende partij in een derde middel de schending van artikel 8 van het E.V.R.M., van de artikelen 39/65 en 43 van de Vreemdelingenwet en van de redelijke termijnvereiste, het motiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en de rechten van verdediging opwerpt; dat de verzoekende partij andermaal delen van het bestreden arrest, van de “beroepsakte” en van de oorspronkelijke bestreden beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 10 september 2003 citeert; dat de verzoekende partij vervolgens in essentie stelt dat men in redelijkheid niet kan voorhouden dat er een gevaar voor de openbare orde is terwijl men de zaak gedurende vier jaar niet heeft beoordeeld, dat de bestreden beslissing geen element opgeeft waarom de openbare orde zou zijn geschonden, dat in de bestreden beslissing geen concrete beoordeling van de redelijke termijn wordt gegeven, dat artikel 43 van de Vreemdelingenwet en artikel 8 van het E.V.R.M. aldus zijn geschonden, dat artikel 8 omwille van de proportionaliteitsvereiste kan worden ingeroepen, dat het recht op het ontwikkelen en behouden van relaties met andere menselijke wezens moet worden beschermd, dat de overheid moet motiveren waarom de inmenging in de rechten evenredig met het doel is, dat de mogelijke feitelijke grondslag voor een bevel om het grondgebied te verlaten niet buiten verhouding tot de situatie mag staan, dat nergens uit blijkt dat er na het nemen van de bestreden beslissing nog nood aan bijkomend onderzoek zou zijn geweest en dat er duidelijk een schending van artikel 8 van het E.V.R.M. is doordat de redelijke termijn is geschonden en doordat enkel over het recht op gezinsleven en niet over het recht op privéleven is gestatueerd; 2.3.2. Overwegende dat de verzoekende partij het middel in de memorie van wederantwoord herneemt; 2.3.3. Overwegende dat de lange duur van de procedure die tot het bestreden arrest heeft geleid op zichzelf niet de mogelijkheid van een gevaar voor de openbare orde uitsluit; dat het derde middel in die mate ongegrond is; XIV-30.100-6/7 Overwegende dat de verzoekende partij haar standpunt over de toepassing van artikel 8 van het E.V.R.M. herhaalt, doch daarbij voorbijgaat aan de motivering dienaangaande op pagina 9 en 10 van het bestreden arrest; dat zij wat dat betreft dan ook geen onwettigheid aantoont, evenmin als met betrekking tot de voorgehouden schending van de motiveringsplicht; dat de verzoekende partij niet aangeeft welke aspecten van haar “recht op privéleven” ten onrechte buiten beschouwing zouden zijn gelaten; dat, voor zover de verzoekende partij daarmee de gewone sociale relaties zou bedoelen, deze niet onder de bescherming van artikel 8 van het E.V.R.M. vallen; dat de verzoekende partij voor het overige andermaal haar voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ingeroepen argumentatie herhaalt, zonder deze op de motieven van het bestreden arrest te betrekken; dat het derde middel in die mate niet-ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op éénentwintig september tweeduizend en negen, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. XIV-30.100-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.234 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div