id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.239 Rolnummer: A. 91575/X-9502 Zaak: Arrest 196239 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 21/09/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-09-29 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 03:34 Fiche Arrest nr 196.239 van 21 september 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 196.239 van 21 september 2009 in de zaak A. 91.575/X-9502. In zake : Alain GOETHALS, die woonplaats kiest bij advocaat R. MITTENAERE, kantoor houdende te 8500 KORTRIJK, Peter Benoitstraat 7, bus 8 tegen : 1. de gemeente MEULEBEKE, die woonplaats kiest bij advocaat A. LUST, kantoor houdende te 8310 BRUGGE, Baron Ruzettelaan 27, 2. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te 8400 OOSTENDE, Archimedesstraat 7. tussenkomende partij : de n.v. BELGACOM MOBILE, die woonplaats kiest bij advocaat T. DE MEESE, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Koningsstraat 71. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Alain GOETHALS op 5 mei 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 14 februari 2000 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Meulebeke waarbij aan de n.v. BELGACOM MOBILE de vergunning wordt verleend voor “het plaatsen van een zendinstallatie en bouwen van een multi-use vakwerkmast van 30 m + 8 m met antennes voor gsm netwerk” op een perceel gelegen te Meulebeke, Oostrozebekestraat, kadastraal bekend sectie D, nr. 24/d5; Gelet op het arrest nr. 89.806 van 26 september 2000 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; X-9502-1/15 Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 17 november 2000 ingediend door Alain GOETHALS; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 16 januari 2001 ingediend door de n.v. BELGACOM MOBILE; Gelet op de beschikking van 14 maart 2001 die de tussenkomst van de n.v. BELGACOM MOBILE toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien de memorie van de tussenkomende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. BARRA; Gelet op de beschikking van 7 juli 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 5 maart 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 maart 2009; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. VAN BOGAERT, die loco advocaat R. MITTENAERE verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat E. CASTELEYN, die loco advocaat A. LUST verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van advocaat J. CLAES, die loco advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; X-9502-2/15 OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De feiten 1.1. Op 21 juni 1999 (datum van het ontvangstbewijs) dient de tussenkomende partij een eerste aanvraag in om een vergunning te bekomen voor het bouwen van een zendmast. Blijkens de dossiergegevens is de inplanting van de mast voorzien in woongebied. Er wordt een openbaar onderzoek georganiseerd van 30 juni 1999 tot 17 juli 1999, waarbij een groot aantal bezwaren wordt ingediend. Op 23 augustus 1999 brengt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Meulebeke een ongunstig voorafgaand advies uit met betrekking tot deze aanvraag. 1.2. Op 3 november 1999 (datum van het ontvangstbewijs) dient de tussenkomende partij een nieuwe bouwaanvraag in voor het plaatsen van een zendinstallatie en het bouwen van een multi-use vakwerkmast van 30 m + 8 m met antennes voor een gsm-netwerk, evenwel op een andere inplantingsplaats. Volgens het advies van de gemachtigde ambtenaar worden de zendcel en de mast “ingeplant tegen een bestaande fabriekshal, op ± 105 m van de rooilijn en op 21 m van de zijkavelgrens. Op het aanpalend perceel ligt een voetbalterrein. Aan de rooilijn bevinden zich woongebouwen. Tussen de achterkavelgrens van het voorliggend perceel met woonbebouwing staat een stapelplaats van 20 m x 12 m”. Volgens de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan Roeselare-Tielt, vastgesteld bij koninklijk besluit van 17 december 1979, is het kwestieuze perceel, kadastraal bekend sectie D, nr. 24/d5, gelegen in een gebied voor milieubelastende industrieën. Het is niet gelegen binnen het beheersingsgebied van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg of een ruimtelijk uitvoeringsplan, noch binnen het beheersingsgebied van een behoorlijk vergunde, niet-vervallen verkaveling. De verzoeker woont in een huis, waarvan hij mede-eigenaar is, langs de Oostrozebekestraat nr. 73 te Meulebeke. De afstand tussen de woning van de verzoeker en de mast bedraagt ongeveer 90 meter en de afstand tussen de eigendom van de verzoeker (achterperceelgrens) en de mast ongeveer 45 meter. X-9502-3/15 1.3. Op 8 november 1999 brengt het college van burgemeester en schepenen een voorwaardelijk gunstig voorafgaand advies uit met betrekking tot de tweede bouwaanvraag. 1.4. Op 8 februari 2000 brengt de gemachtigde ambtenaar voorwaardelijk gunstig advies uit. 1.5. Op 14 februari 2000 beslist het college van burgemeester en schepenen tot de afgifte van de vergunning. Het college motiveert zijn standpunt als volgt: “Vergunning A nr. 16/2000 gelet op het advies van de AROHM dd. 09/02/2000 met ref. 8.00/37007/423.3”. Dit is de bestreden beslissing. 2. Ten gronde 2.1. Eerste middel 2.1.1. Standpunten van de partijen 2.1.1.1. De verzoeker neemt een eerste middel uit de schending van artikel 23, lid 3, 4/ van de Grondwet en van artikel 1.2.1, § 2 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. Hij zet dit middel in zijn verzoekschrift als volgt uiteen: “Het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu is een fundamenteel recht dat meer bepaald wordt gewaarborgd door art. 23, lid 3, 4/ Gec. G.W. van 17 februari 1994 (...) Art. 23 lid 3, 4/ Gec. G.W. bepaalt inderdaad : ‘Ieder heeft het recht een menswaardig leven te leiden. ........................................................................................ ‘Die rechten omvatten inzonderheid : ........................................................................................ 4/ het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu; Deze grondwettelijke bepaling werd voor het Vlaamse Gewest als volgt nader omschreven in art. 1.2.1. § 2 van het voornoemd Decr. Vl. R. MILIEUBELEID van 5 april 1995 : ‘Op basis van een afweging van de verschillende maatschappelijke activiteiten streeft het milieubeleid naar een hoog beschermingsniveau. Het berust onder meer op het voorzorgsbeginsel en het beginsel van X-9502-4/15 preventief handelen, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden, het standstill-beginsel en het beginsel dat de vervuiler betaalt’. (...) 2. De exploitanten van de mobilofoon netten zijn er toe nu toe niet in geslaagd aan te tonen dat hun G.S.M.-antennen niet de minste schadelijke effecten hebben op de volksgezondheid. In de wetenschappelijke li(t)eratuur wordt er daarentegen gewezen op de mogelijke gevaren van de stralingen uitgaande van deze relaisantennen. (...) In de huidige stand van zaken is het dan ook totaal onverantwoord dergelijke mast in te planten vlak achter de woningen dichtbij het centrum van de gemeente. De eigendom van verzoeker bevindt zich exact op 80 meters van de betwiste mast. Verschillende andere woningen bevinden zich op 80 tot 100 meter van de mast. Het woongebied in zijn geheel komt tot op 12 meters van (die) litigieuze mast, rekening houdende met de omstandigheid dat de achterliggende tuinen eveneens tot de woonzone behoren. De thans betwiste inplanting is in casu nog schadelijker door het feit dat zij op amper 180 meters wordt ingeplant van de MOBISTAR-zendmast, die zich bevindt ter hoogte van de Koornzaks(t)raat 6. Door de interferentie van de beide zendmasten wordt het schadelijk effect van de stralingen uiteraard gecumuleerd, zoals aangetoond op het grondplan ((...) met daaraan gehecht de tabel van de in acht te nemen veiligheidsafstand). Zie ook de wetenschappelijke bijdragen ove(
- r)de in acht te nemen veiligheidafstand (...). 3. Met het aspect volksgezondheid werd niet in het minst rekening gehouden, niettegenstaande eerste verwerende partij dienaangaande geen onwetendheid kan voorwenden, gelet op de bezwaren die door de bevolking werden ingediend tegen de eerste bouwaanvraag van de N.V. PROXIMUS (...). Zodoende heeft verweerster manifest het redelijkheids- en zorgvuldigheidbeginsel geschonden”. 2.1.1.2. De eerste verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord een exceptie van niet-ontvankelijkheid op tegen dit middel wegens een gebrek aan eigen en persoonlijk belang in hoofde van de verzoeker in de mate dat de verzoeker het heeft over een inplanting “vlak achter de woningen dichtbij het centrum van de gemeente” en, in het algemeen, over de “volksgezondheid”. Verder zet de eerste verwerende partij uiteen dat de verzoeker het middel steunt op een verkeerde feitelijke premisse, in die mate dat de verzoeker voorhoudt dat zijn woning op 80 meter van de mast gelegen is, terwijl uit het inplantingsplan blijkt dat die afstand ongeveer 90 meter bedraagt. Nog volgens de eerste verwerende partij mist het betoog dat het aspect volksgezondheid “niet in het minst” in rekening is gebracht feitelijke grondslag, vermits wel degelijk advies werd gevraagd aan de gezondheidsinspecteur. Overigens is de eerste verwerende partij van mening dat “de overheid, bevoegd om over een bouwaanvraag te beslissen, die beslissing niet (mag) laten afhangen van aspecten die geheel tot de politiebevoegdheid van een andere overheid behoren” en dat de verzoeker bijgevolg een kritiek aanvoert “die zij moet X-9502-5/15 uiten in het kader van de aanvraag (...) van de milieuvergunning”. Aan dit alles voegt de eerste verwerende partij nog toe dat artikel 1.2.1, § 2 van het voormelde decreet van 5 april 1995 “op zich geen verordenende kracht heeft”, “‘de mens’ uitdrukkelijk uit zijn toepassingsgebied sluit” en “in elk geval niet voorschrijft dat van het werk maken van die bekommernis formeel moet blijken uit de vergunningsakte zelf”. Met betrekking tot artikel 23 van de Grondwet is de eerste verwerende partij van mening “dat de economische en sociale rechten uit art. 23 van de gron(d)wet geen directe werking hebben”. 2.1.1.3. De tweede verwerende partij repliceert op het eerste middel dat het “niet aan de vergunningverlenende overheid (staat), om bij een bouwvergunningsaanvraag voor het optrekken van een zendmast, andere beoordelingscriteria te hanteren dan deze voorzien in de stedenbouwwetgeving”. De tweede verwerende partij repliceert verder nog “dat bij de afgifte van deze bouwvergunning wel degelijk rekening werd gehouden met de omgeving waarin de bouwplaats is gelegen” en dat “er binnen de wetenschap geen unanimiteit nopens de stralingseffecten van zendmasten (bestaat), zodat op heden geenszins met wetenschappelijke zekerheid kan worden aangetoond, zoals verzoekende partij poogt het te doen, dat deze zendmast, ingeplant op voldoende ruime afstand van de bewoning, een bedreiging voor de volksgezondheid zou vormen”. 2.1.1.4. De verzoeker dupliceert dat hij “wel degelijk een hem eigen en persoonlijk belang” heeft, vermits “de door verzoeker betrokken woning deel uit maakt van de woningen die vlakbij de betwiste G.S.M.-mast zijn opgetrokken”. Het middel steunt, volgens de verzoeker, “in geen geval” op een verkeerde feitelijke premisse, onder meer omdat de “verweerders helemaal geen rekening houden met de concrete uitstraling van de zendmast op een afstand van 40 à 80 meters”. De verzoeker stelt verder nog dat “uit de bestreden beslissing (nergens) blijkt (...) dat het advies van de gezondheidsinspecteur werd gevraagd”, maar dat integendeel “uitdrukkelijk (wordt) gezegd: ‘Er zijn geen adviezen van externe instanties aangevraagd of ontvangen’”. De verzoeker dupliceert nog dat “wel degelijk rekening (diende) te worden gehouden met het aspect volksgezondheid” vermits de tussenkomende partij “reeds over een algemene milieu- of exploitatievergunning beschikte om alle antennen (...) in bedrijf te stellen”. Tot slot werpt de verzoeker nog op dat de bescherming van een gezond leefmilieu een “afdwingbaar recht” is en dat in de wetenschappelijke literatuur “duidelijk (wordt) gewezen op de gevaren van de stralingen”. X-9502-6/15 2.1.1.5. De tussenkomende partij zet in haar memorie uiteen dat “de economische en sociale rechten van artikel 23 van de Gecoördineerde Grondwet geen rechtstreekse werking hebben en bijgevolg niet kunnen ingeroepen worden”. Met betrekking tot de vermeende schending van artikel 1.2.1, § 2 van het voormelde decreet van 5 april 1995 merkt de tussenkomende partij op dat de verzoeker “op geen enkele wijze (...) aannemelijk (maakt) of en in welke mate deze bepaling is geschonden”. De tussenkomende partij is van mening dat, “vermits (de beginselen in voormeld artikel 1.2.1, § 2) vrij algemeen zijn en de rechterlijke toetsing marginaal is, (...) enkel kennelijke schendingen van deze bepaling door de rechter (kunnen) worden gesanctioneerd”. De verzoeker slaagt er volgens het oordeel van de tussenkomende partij niet in aan te tonen “dat de bestreden beslissing onredelijk, laat staan kennelijk onredelijk is, zodat dient geconcludeerd te worden dat er geen schending is van het voorzorgsbeginsel” dat te dezen door de tussenkomende partij als “een variant van het redelijkheidsbeginsel” wordt beschouwd. De tussenkomende partij werpt verder nog op dat “de elektrische veldsterkte waaraan verzoeker zal worden blootgesteld (...) ruimschoots onder de internationaal erkende ICNIRP-norm” zal liggen. 2.1.1.6. In de laatste memorie werpt de verzoeker nog op dat hij zijn belang “ook op het ruimtelijk aspect” steunt. Hierbij verwijst de verzoeker naar zijn memorie van wederantwoord waarin hij uiteenzet dat “het perceel nr. 24 d 5 nu eens als woongebied (...), en dan weer als industriegebied” wordt beschouwd en dit “telkens door loutere verwijzing naar het gewestplan (...) terwijl de gemachtigde Ambtenaar het (...) heeft over het perceel (...) nr. 40 f”. Verder werpt de verzoeker nog op dat “minstens impliciet, doch duidelijk (...) de bestreden vergunning geen rekening houdt met de gewestplanbestemming ‘woongebied’ en dan ook o.m. op dat punt wordt aangevochten”. 2.1.2. Beoordeling van het middel 2.1.2.1. De verzoeker is eigenaar en bewoner van de woning op het aanpalend perceel. In de mate dat het beroep is gericht tegen de inplanting van de zendcel en de mast ten aanzien van het perceel van de verzoeker, doet deze daardoor alleen al blijken van het rechtens vereiste belang bij het middel. X-9502-7/15 2.1.2.2. In zoverre het is gesteund op artikel 23 van de Grondwet, kan het middel niet leiden tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing, aangezien deze bepaling geen rechtstreekse werking heeft. Luidens bedoeld artikel 23 moet het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu immers worden gewaarborgd door de wet of het decreet. 2.1.2.3. Artikel 1.2.1, § 2 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, bepaalt: “Op basis van een afweging van de verschillende maatschappelijke activiteiten streeft het milieubeleid naar een hoog beschermingsniveau. Het berust onder meer op het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden, het standstill-beginsel en het beginsel dat de vervuiler betaalt”. Deze bepaling heeft betrekking op het nemen van maatregelen inzake “milieubeleid”. De schending ervan kan dan ook niet dienstig worden ingeroepen ten aanzien van de voorliggende beslissing over een aanvraag om stedenbouwkundige vergunning, die geen beleidsmatige beslissing maar een individuele rechtshandeling is. De nieuwe argumentatie vervat in de laatste memorie is laattijdig en onontvankelijk. Het middel is ongegrond. 2.2. Tweede middel 2.2.1. Standpunten van de partijen 2.2.1.1. In het tweede middel voert de verzoeker de schending aan van de formele motiveringsplicht, zoals bepaald in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. De verzoeker zet dit middel uiteen als volgt: “(...) 3. De bij deze bestreden bouwvergunning is als volgt gemotiveerd : ‘Het college van burgemeester en schepenen motiveert zijn stand(...)punt als volgt : ‘Vergunning A nr. 16/2000 gelet op het advies van de AROHM dd. 09/02/2000 met ref. 8.00/37007/423.3’ (...); X-9502-8/15 4. De artt. 2 en 3 van de Uitdrukkelijke Motiveringswet zijn om de hierna volgende gronden geschonden : 4.1 De bestreden bouwvergunning stelt uitdrukkelijk dat ‘de aanvraag betrekking heeft op een terrein met als adres Meulebeke, Oostrozebekestraat en met als kadastrale omschrijving 2e afdeling, sectie D, nummer(
- s)24 d5’. Het eerder uitgebrachte gunstig bouwadvies van 8 november 1999 heeft eveneens betrekking op het perceel ‘afdeling : 2e sectie : D nummer(
- s): 24 d5’. Na verwijzing naar het advies van de AROHM dd. 09/02/2000 met de ref. 8.00/ 37007/423.3 dat evenwel betrekking heeft op het perceel ‘MEULEBEKE 2/ afd., sectie D, nummer(
- s): 40 f’ heeft het college van Burgeme(e)ster en Schepenen de bestreden vergunning afgegeven. De afgifte van de vergunning voor het perceel Sie D nr. 24 d 5 kan onmogelijk gesteund zijn op het advies van de gemachtigde ambtenaar m.b.t. het perceel Sie D nr. 40 f. 4.2. Een motivering die erin bestaat, na een verwijzing naar de geldende reglementering, het advies van de gemachtigde ambtenaar louter aan te halen, volstaat niet, omdat daardoor enkel de in art. 45, par. 4 Stedebouwwet (thans art. 43 § 4 Decr. Vl. Parl. Ruimtelijke Ordeningvan 22 oktober 1996) opgelegde verplichting wordt nagekomen (...). Het College van Burgemeester en schepenen dient zich een eigen mening te vormen. Doordat het College van Burgemeester en Schepenen over een eigen beslissingsbevoegdheid beschikt, is het ertoe gehouden zijn eigen motivering te doen kennen. Wanneer het College van oordeel is dat, wat hem betreft, de redenen vervat in het beschikkend gedeelte van het advies van de gemachtigde ambtenaar het verlenen van de vergunning verantwoorden, vereist de motiveringsverplichting op zijn minst dat het College van Burgemeester en Schepenen dat in zijn beslissing over de bouwaanvraag dan ook met zoveel woorden vermeldt (...). Welnu dat is in casu niet gebeurd, zoals moge blijken uit de aanhaling hoger onder randnr. 3. Door enkel en alleen het beschikkend gedeelte aan te halen van het eensluidend advies van de gemachtigde ambtenaar heeft verweerster zeker niet voldaan aan artt. 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. 4.3 Op 23 augustus 1999 heeft het College van Burgemeester en Schepenen van MEULEBEKE een ongunstig bouwadvies uitgebracht m.b.t. dezelfde bouwaanvraag ingediend door Proximus Belgacom Mobile voor het plaatsen van dezelfde zendinstallatie op hetzelfde perceel ‘afdeling : 2e sectie : D nummer(
- s): 24d5’. Bij het verlenen van een bouwvergunning moet het schepencollege verantwoorden waarom het de zienswijze wijzigt die het tegenover een vroegere identieke aanvraag had aangenomen (...). Deze verantwoording is in casu niet voorhanden”. 2.2.1.2. De eerste verwerende partij werpt betreffende het eerste onderdeel van dit middel een exceptie van onontvankelijkheid op wegens gebrek aan belang, vermits de verschillende nummering van de percelen een “louter materiële vergissing” betreft, die in hoofde van de verzoeker “tot geen enkel misverstand aanleiding heeft gegeven of kunnen geven”. Voor het overige acht de eerste verwerende partij het middel ongegrond, vermits de bestreden beslissing verwijst naar het gunstig advies van de gemachtigde ambtenaar. Deze formulering doet er, X-9502-9/15 volgens de eerste verwerende partij, van blijken dat “zij het impliciet” het college van burgemeester en schepenen zich bij het advies van de gemachtigde ambtenaar heeft aangesloten. De eerste verwerende partij “ziet niet in welke meerdere motivering daar zinvol zou kunnen aan toegevoegd worden, zonder te vervallen in een volkomen contraproductief formalisme”. 2.2.1.3. De tweede verwerende partij repliceert dat in het advies van de gemachtigde ambtenaar een materiële vergissing is opgetreden, waarbij een ander kadasternummer werd opgegeven. De tweede verwerende partij meent dat dit niets afdoet aan de inhoud van dit advies, “waarbij wel degelijk het juiste perceel in aanmerking werd genomen en met de juiste beoordelingsgegevens werd rekening gehouden, namelijk een perceel bestemd voor milieubelastende industrie”. De tweede verwerende partij verwijst ook naar het formulier ‘Verzending van Advies Bouwaanvraag’ waarop wordt vermeld dat “de bouwaanvraag de Oostrozebekestraat betreft, gelegen tussen nummers 71 en 73”. Voorts stelt de tweede verwerende partij dat “tenzij men zich overdreven formalistisch gaat opstellen, (...) men in alle redelijkheid niet (kan) eisen dat een bestuur dat zich geheel aansluit bij de adviezen die het heeft ingewonnen en waarop geen kritiek werd geuit, zijn beslissing op een andere manier rechtvaardigt dan door de vermelding van die adviezen”. Tot slot werpt de tweede verwerende partij nog op dat de verzoeker verwijst naar een vroeger bouwadvies en niet naar vroegere weigeringsbesluiten, zodat niet wordt aangetoond dat de gemeente Meulebeke terzake een incoherent beleid voert. 2.2.1.4. In de memorie van wederantwoord laat de verzoeker gelden dat de bestreden beslissing is aangetast door een tegenstrijdige motivering, vermits het perceel nummer 24/d5 als industriegebied wordt beschouwd, terwijl hetzelfde perceel in het ongunstig advies van 23 augustus 1999 als woongebied wordt beschouwd. Voorts dupliceert de verzoeker nog dat de eerste verwerende partij heeft nagelaten haar “eigen standpunt te vormen en te veruitwendigen”, vermits de motivering uit een “loutere verwijzing” zou bestaan waaruit “nergens (blijkt) dat noch waarom de eerste verwerende partij het advies van de Gemachtigde Ambtenaar tot haar eigen standpunt heeft gemaakt”. Bovendien blijkt, nog steeds volgens de verzoeker, uit de bestreden beslissing evenmin waarom de gemeente haar zienswijze heeft gewijzigd ten overstaan van het ongunstig advies van op 23 augustus 1999. X-9502-10/15 2.2.1.5. De tussenkomende partij laat met betrekking tot het tweede middel gelden dat de gemachtigde ambtenaar een materiële vergissing heeft begaan, “doch dat zijn advies wel degelijk betrekking heeft op de aanvraag zoals ingediend”. De tussenkomende partij voegt daar nog aan toe dat het bestreden besluit zelf de correcte kadastrale gegevens vermeldt. Voorts kan de verzoeker, volgens de tussenkomende partij, niet beweren dat de bestreden beslissing een “louter slaafse overname” is van het advies van de gemachtigde ambtenaar, vermits de bestreden beslissing “drie bijkomende voorwaarden oplegt die niet voorzien waren door de gemachtigde ambtenaar”. 2.2.1.6. In zijn laatste memorie zet de verzoeker nog uiteen dat van een materiële vergissing geen sprake kan zijn, vermits “alle onderdelen van de kadastrale nummering niet overeenstemmen” en dat het advies formeel gezien betrekking heeft op het perceel 40/f en men “een geschreven akte in geen geval het tegendeel (kan) doen zeggen van wat eruit blijkt”. Daarnaast herhaalt de verzoeker dat de loutere verwijzing naar het advies van de gemachtigde ambtenaar niet volstaat om te voldoen aan de formele motiveringsplicht. 2.2.2. Beoordeling van het middel 2.2.2.1. Uit de stukken van het dossier blijkt dat het kwestieuze perceel deels in woongebied gelegen is, deels in industriegebied, in een zone voor milieubelastende industrieën. Voorts blijkt ook dat de inplantingsplaats van de eerste aanvraag gelegen was binnen dat gedeelte van het perceel dat zich in woongebied bevindt en dat de inplantingsplaats met betrekking tot de actueel bestreden vergunning gelegen is in de zone voor milieubelastende industrieën. Voorts kan met de verwerende partijen worden gesteld dat de verkeerde nummering van het perceel een materiële vergissing betreft, vermits de gemachtigde ambtenaar in zijn advies oordeelt met inachtneming van de correcte ligging, met name aan de “Oostrozebekestraat tussen nrs. 71 en 73 8760 MEULEBEKE” en “in een gebied voor milieubelastende industrieën”. De gemachtigde ambtenaar heeft derhalve het juiste perceel in aanmerking genomen en met de juiste beoordelingsgegevens rekening gehouden. De stelling van de verzoeker dat de motivering tegenstrijdig zou zijn, omdat het betreffende perceel “nu eens als woongebied (...), en dan weer als industriegebied” wordt beschouwd en de gemachtigde ambtenaar advies zou hebben X-9502-11/15 verstrekt met betrekking tot een verkeerd perceel, kan bijgevolg niet worden bijgetreden. Evenmin blijkt aldus dat de eerste verwerende partij over eenzelfde aanvraag tegengestelde standpunten zou hebben ingenomen. 2.2.2.2. De bestreden vergunning is als volgt gemotiveerd: “Vergunning A nr. 16/2000 gelet op het advies van de AROHM dd. 09/02/2000 met ref. 8.00/37007/423.3”. Met betrekking tot de eigen motivering van de bestreden beslissing verwijst het college van burgemeester en schepenen aldus uitdrukkelijk naar het advies van de gemachtigde ambtenaar, dat zij in bijlage aan haar beslissing voegt. Het college stelt eveneens dat zij kennis heeft genomen van het “eensluidend advies” waarvan zij het beschikkend gedeelte in extenso opneemt in haar beslissing en voor het overwegend gedeelte verwijst naar de bijlage. Uit dit alles blijkt dat het college zich volledig aansluit bij het advies van de gemachtigde ambtenaar en dit tot haar motivering maakt. Het middel mist feitelijke grondslag. 2.3. Derde middel 2.3.1. Standpunten van de partijen 2.3.1.1. In het derde middel acht de verzoeker de materiële motiveringsplicht geschonden “om dezelfde redenen als (in het vorige middel) aangevoerd (...) in die zin dat de bestreden bouwvergunning afgeleverd voor het perceel 2/ afdeling, Sie D, nr. 24 d5 in geen geval gedragen is door de juiste feitelijke en juridische motieven”. 2.3.1.2. De eerste verwerende partij repliceert dat “niet (valt) in te zien hoe een akte om dezelfde reden gebrekkig zou kunnen zijn wat haar interne legaliteit betreft, als wat haar externe legaliteit betreft”. 2.3.1.3. De tweede verwerende partij heeft het derde middel samen met het tweede middel behandeld. Ter zake volstaat dan ook een verwijzing naar de repliek van de tweede verwerende partij aangaande het tweede middel. X-9502-12/15 2.3.1.4. De verzoeker dupliceert dat het derde middel subsidiair geformuleerd is ten aanzien van het tweede middel. Indien de in het vorige middel uiteengezette redenen geen schending uitmaken van de formele motiveringsplicht, maken zij een miskenning uit van de materiële motiveringsplicht. 2.3.1.5. De tussenkomende partij werpt op dat de verzoeker nalaat in concreto aan te tonen waarin de schending van de materiële motiveringsplicht bestaat. 2.3.1.6. In zijn laatste memorie verwijst de verzoeker naar de uiteenzetting aangaande het tweede middel in die memorie. 2.3.2. Beoordeling van het middel Het middel mist feitelijke grondslag om de redenen uiteengezet sub 2.2.2. hierboven. 2.4. Vierde middel 2.4.1. Standpunten van de partijen 2.4.1.1. In het vierde en laatste middel beroept de verzoeker zich op machtsoverschrijding. Hij zet dit middel uiteen als volgt: “De eerste verwerende partij heeft ongetwijfeld een machtsoverschrijding gepleegd door de bestreden bouwvergunning toe te kennen voor het perceel kadastraal bekend onder 2e Afdeling Sectie D, nr. 24 d5, terwijl het advies van de gemachtigde ambtenaar waarop zij zich steunt betrekking heeft op een ander perceel, te weten het perceel kadastraal bekend onder 2e afdeling sectie D, nr. 40 f. (...) Vermits er voor het gebied geen goedgekeurd bijzonder plan van aanleg bestaat, kan er slechts een bouwvergunning worden afgeleverd op eensluidend advies van de gemachtigde ambtenaar. Deze voorwaarde is uiteraard substantieel, wat impliceert dat de miskenning ervan tot annulatie van de vergunning moet leiden. Gelet op de hierboven aangevoerde discrepantie is er helemaal geen eensluidend advies van de gemachtigde ambtenaar voorhanden, zodat de nietigheid van de bestreden bouwvergunning zich opdringt”. X-9502-13/15 2.4.1.2. De eerste verwerende partij leidt uit de uiteenzetting van de verzoeker met betrekking tot het vierde middel af, dat de verzoeker de schending van artikel 43, § 1 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 aanvoert doordat er “in werkelijkheid geen advies zou gegeven zijn” en repliceert hierop door te verwijzen naar de materiële vergissing van de gemachtigde ambtenaar. 2.4.1.3. De tweede verwerende partij verwijst naar haar uiteenzetting aangaande het tweede en derde middel, waaruit moet blijken dat het advies van de gemachtigde ambtenaar betrekking heeft op het correcte perceel. 2.4.1.4. In de memorie van wederantwoord stelt de verzoeker dat de verwerende partijen de gevolgen moeten dragen van hun “eigen slordigheid” en dat het “verre van ondubbelzinnig” vaststaat dat de gemachtigde ambtenaar advies heeft verstrekt omtrent het feitelijk juiste bouwperceel. 2.4.1.5. De tussenkomende partij wijst in haar memorie op de materiële vergissing bij de gemachtigde ambtenaar en bijgevolg op het bestaan van een eensluidend advies. 2.4.1.6. In zijn laatste memorie verwijst de verzoeker naar de uiteenzetting aangaande het tweede en derde middel in die memorie. 2.4.2. Beoordeling van het middel Ook dit middel mist feitelijke grondslag, om de redenen uiteengezet sub 2.2.2.1. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. X-9502-14/15 Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig september 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. R. STEVENS. X-9502-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.239 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2000:ARR.89.806 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div