id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.247 Rolnummer: A. 153352/IX-4584 Zaak: Arrest 196247 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 21/09/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-09-28 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 03:34 Fiche Arrest nr 196.247 van 21 september 2009 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 196.247 van 21 september 2009 in de zaak A. 153.352/IX-4584 In zake : Marnix GOVAERTS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Koenraad Timmerman kantoor houdend te Leuven Naamsestraat 165 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de VLAAMSE MAATSCHAPPIJ VOOR WATERVOORZIENING bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Wim Mertens kantoor houdend te Beringen Scheigoorstraat 5 bij wie woonplaats wordt gekozen ----------------------------------------------------------------------------------------------------- -- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 1 juli 2004, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing d.d. 03.05.2004 van de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening [...] waarbij de afdanking van [Marnix Govaerts] werd meegedeeld met ingang vanaf 01.05.2004 op basis van een tweede opeenvolgende evaluatie ‘onvoldoende’” [lees: de beslissing van de raad van bestuur van de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening van 30 april 2004, waarbij aan Marnix Govaerts een evaluatie ‘onvoldoende’ wordt toegekend voor het evaluatiejaar 2003 en hij wordt afgedankt wegens beroepsongeschiktheid, met ingang van 1 mei 2004, hem meegedeeld bij schrijven van 3 mei 2004]; II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. IX-4584-1/23 Adjunct-auditeur J. Neuts heeft op 18 januari 2008 een verslag opgemaakt. De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. Met een beschikking van 26 november 2008 is de datum van de terechtzitting vastgesteld op 2 maart
- Kamervoorzitter P. Lemmens heeft verslag uitgebracht. Advocaat K. Timmerman, die verschijnt voor de verzoeker, en advocaat J. Gebruers, die loco advocaat W. Mertens, verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur J. Neuts, bij beslissing van 31 oktober 2008 van de auditeur-generaal gemachtigd om ter openbare terechtzitting advies te verlenen, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Op het ogenblik van de bestreden beslissing is de verzoeker tewerkgesteld als indexopnemer (met de graad van adjunct-werkmeester) bij de directie Vlaams-Brabant van de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening (hierna: VMW). Zijn taak bestaat er onder meer in het opnemen van de meterstanden (indexen) bij de klanten-verbruikers, het uitvoeren van routinecontroles van de aansluitingen tijdens die opnames en het signaleren van onregelmatigheden.
- Op 27 februari 2001 kennen de evaluatoren aan de verzoeker een evaluatie “onvoldoende” toe voor het evaluatiejaar
- Die evaluatie steunt op de volgende motivering: IX-4584-2/23 “De doelstelling i.v.m. het gemiddelde aantal van 123 bezoeken per dag op jaarbasis werd niet behaald. Het gemiddelde van 86 opnames per dag op jaarbasis werd niet gehaald. Na nota’s van 4 juli, 19 juli, 12 september, 31 oktober en 28 november 2000 is er geen verbetering opgetreden, ook niet na het functioneringsgesprek. Hij respecteert ook niet de werktijden.” De verzoeker tekent hiertegen geen beroep aan. Met toepassing van het besluit van de Vlaamse regering van 1 december 2000 houdende organisatie van de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening en de regeling van de rechtspositie van het personeel (hierna: het personeelsstatuut VMW) wordt hem van 1 juli 2001 tot 30 juni 2002 geen schaalanciënniteit toegekend.
- Op 18 september 2001 wordt de verzoeker het slachtoffer van een arbeidsongeval, waarbij hij zich kwetst aan de linkervoet. Hij is verscheidene maanden werkonbekwaam. Er wordt een blijvende arbeidsongeschiktheid van 10% erkend (met als consolidatiedatum 20 mei 2002). Op basis van het functioneren van de verzoeker tijdens het eerste semester van 2001 stellen de evaluatoren op 8 april 2002 vast dat de verzoeker de doelstellingen niet bereikt heeft. Zij stellen voor om zijn loopbaan te vertragen. Op 28 juni 2002 beslist de directieraad van de VMW evenwel dat geen beslissing kan worden genomen inzake een loopbaanvertraging, gelet op de langdurige afwezigheid van de verzoeker wegens ziekte. Aan de verzoeker wordt meegedeeld dat zijn prestaties voor 2002 mede beoordeeld zullen worden in het licht van de tekortkomingen vastgesteld tijdens het eerste semester van 2001 en de afgesproken bijsturingen.
- Voor het evaluatiejaar 2002 kennen de evaluatoren de verzoeker op 23 januari 2003 opnieuw een “onvoldoende” toe. De motivering van die beslissing luidt als volgt: “Na zijn werkhervatting op 22 april 2002 heeft de medewerker de doelstellingen 1 en 2 niet behaald. Het aantal bezochte aansluitingen en werkelijke opnames liggen onder de norm van het planningsgesprek en ook onder het groepsgemiddelde. De medewerker heeft geen inspanning geleverd om zijn resultaten te verbeteren. IX-4584-3/23 Doelstelling 3 werd niet behaald, de medewerker heeft menigmaal de watermeters die in een meterput staan niet opgenomen. De medewerker respecteert arbeidstijd niet.” Bij deze evaluatie maakt de verzoeker de volgende opmerking: “Wegens ongeval kan ik niet meer volledig werken, wegens pijn aan mijn voet”. De verzoeker stelt tegen deze evaluatie geen beroep in. Met toepassing van het personeelsstatuut VMW wordt hem van 1 juli 2003 tot 30 juni 2004 geen schaalanciënniteit toegekend. 7.
- Op 5 maart 2003 vindt tussen de verzoeker en zijn eerste evaluator een planningsgesprek plaats. Daar worden onder meer vijf doelstellingen voor het jaar 2003 afgesproken. Onderaan het verslag schrijft de evaluator: “Tijdens het planningsgesprek
(2003)op 5/3/03 werd u de reden gevraagd [van] de zeer lage prestaties die u leverde. [Uw] antwoord hierop was dat u ander werk aan het zoeken bent. Dit is nog geen reden die deze lage prestaties verantwoorden.” 7.
- In de loop van het eerste semester van 2003 zenden de hoofdindexopnemers nota’s aan de verzoeker waarbij zij hem wijzen op zijn laag rendement, hem vragen om dienaangaande uitleg te verstrekken en hem aansporen om de prestaties te verbeteren (nota’s van 20 februari, 7 maart, 20 maart, 2 april, 16 mei, 2 juli, 28 juli en 29 juli 2003). Schriftelijke reactie van de zijde van de verzoeker blijft uit. 7.
- Tijdens het functioneringsgesprek op 9 september 2003 stelt de eerste evaluator vast dat de verzoeker de afspraken gemaakt tijdens het planningsgesprek niet is nagekomen. Dat is met name het geval voor de eerste drie doelstellingen. Desaangaande wordt in het verslag het volgende vermeld: - in verband met doelstelling 1 (bezoeken van klanten en opnemen van meterstanden): “Deze streefnorm wordt niet behaald in de periode van IX-4584-4/23 01/01/2003 tot 30/06/
- Gemiddeld 87,3 bezochten en 44,5 werkelijke opnames”; - in verband met doelstelling 2 (kwaliteit van de opnames verbeteren door het aantal afwezigen tot een minimum te beperken): “De medewerker moet meer inspanningen leveren om de kwaliteit te verhogen”; - in verband met doelstelling 3 (optreden in verband met meterputten): “De medewerker heeft problemen met meterputten op te nemen en te vinden. Zie nota GN 2/07/03, en kopies in zijn dossier van batchopdrachten van deze periode”. In verband met doelstelling 1 worden afspraken tot bijsturing gemaakt: “De medewerker moet toekomstgericht inspanningen leveren om het afgesproken streefgemiddelde te behalen. Zie nota’s van FDK, 20/02/03, 2/03/03, 16/05/03 en 29/07/03.” De verzoeker tekent het verslag. 7.
- De hoofdindexopnemers blijven intussen ook in het tweede semester van 2003 nota’s sturen aan de verzoeker (15 september, 24 november, 8 december, 10 december, 22 december en 24 december 2003). 7.
- Op 25 november 2003 schrijft ook de gewestelijk directeur aan de verzoeker: “De afspraken die werden gemaakt in het planningsgesprek van 5 maart 2003 en die werden herhaald tijdens het functioneringsgesprek van 9 september 2003 worden niet nageleefd. Als bijlage vindt u de prestaties van juni, juli, augustus en september
- Deze prestaties zijn ondermaats. Tevens moet ik vaststellen dat aansluitingen regelmatig niet worden opgenomen uit gemakzucht. Ik verwijs in dit verband naar de nota d.d. 24/11/2003 met een aantal voorbeelden. Gezien deze ondermaatse prestaties zal u bij uw eindbeoordeling op het einde van het jaar een onvoldoende krijgen. Indien u niet akkoord gaat met deze bevindingen, vraag ik u mij uw bezwaren binnen de acht werkdagen schriftelijk mee te delen.” Een schriftelijke reactie van de verzoeker blijft uit. IX-4584-5/23 7.
- Omdat de verzoeker van 26 januari tot 29 februari 2004 met ziekteverlof is, vindt pas op 1 maart 2004 een evaluatiegesprek over het evaluatiejaar 2003 plaats. De evaluatoren kennen de verzoeker een “onvoldoende” toe, met de volgende motivering: “[1)] Het aantal bezochte aansluitingen en werkelijke opnames liggen ver onder de norm van het planningsgesprek en tevens onder het groepsgemiddelde. De prestaties voor de periode van 01/01/2003 tot 31/12/2003 zijn ondermaats: bezocht 105,5, streefnorm 123, en werkelijke opnames 52,9, streefnorm
- De prestaties van 2003 liggen merkelijk lager dan die van 2002, nl. bezocht 111,4 en werkelijke opnames 56,
- 2) - De opnames van de meterputten (doelstelling 3) worden nog steeds ten onrechte in de handterminal ingebracht als meter niet gevonden, deksel te zwaar, meter ontoegankelijk. - Aansluitingen met combinatiemeters worden als afwezig gemeld, een collega indexopnemer kon deze echter nadien allemaal opnemen. 3) De medewerker respecteert de arbeidsuren niet.” Onderaan het formulier noteert de verzoeker volgende opmerking: “Dit heeft te maken met mijn voet. Na een tijd krijg ik last in mijn voet, dan wordt die dikker. De voormiddag gaat het nog tamelijk goed daarna is het iets minder.” 7.
- Met een schrijven van dezelfde datum deelt de gewestelijk directeur de verzoeker het volgende mee: “De heer (G.N.), secretaris, deelde mij mede dat u op 01/03/2004 een evaluatie ‘onvoldoende’ werd toegekend voor het evaluatiejaar
- U nam kennis van deze evaluatie via uw beschrijvend evaluatieverslag op 01/03/
- Conform artikel VIII 20 van het personeelsstatuut kan u tegen deze evaluatie ‘onvoldoende’ hoger beroep instellen bij de Raad van Beroep binnen vijftien kalenderdagen na de kennisname van uw evaluatieverslag. Dit hoger beroep moet worden ingesteld bij aangetekende brief aan de griffier van de Raad van Beroep voor sommige Vlaamse Openbare Instellingen, Boudewijnlaan 30 te 1000 Brussel. Tevens wil ik er u op wijzen dat artikel XII 7 van het personeelsstatuut bepaalt dat bij een tweede opeenvolgende evaluatie onvoldoende, de Raad van Bestuur kan beslissen om u af te danken wegens beroepsongeschiktheid. Voor het evaluatiejaar 2002 werd u eveneens een evaluatie ‘onvoldoende’ toegekend. IX-4584-6/23 Dit betekent dat, behoudens ingeval van hoger beroep tegen de u toegekende evaluatie voor 2003, uw afdanking wegens beroepsongeschiktheid op 26/3/2004 aan de Raad van Bestuur zal worden voorgelegd. In afwachting wordt u vanaf heden dienstvrijstelling toegekend en dient u alle ter beschikking gestelde middelen, die eigendom zijn van de VMW, terug in te leveren.” 7.
- Met een schrijven van 5 maart 2004 stelt de verzoeker beroep in bij de raad van beroep. Hij legt uit dat zijn “onvoldoende” te maken heeft met de gevolgen van het arbeidsongeval van september
- Bij zijn schrijven voegt hij een attest van een arts van 6 februari
- Op 31 maart 2004 wordt het beroep behandeld door de Raad van Beroep voor sommige Vlaamse Openbare Instellingen. De verzoeker, bijgestaan door een vakbondsafgevaardigde, en een vertegenwoordiger van de VMW worden gehoord. Dezelfde dag adviseert de raad van beroep met eenparigheid van stemmen om het beroep van de verzoeker niet gegrond te verklaren en om de evaluatie “onvoldoende” te behouden. Dat advies steunt op de volgende motieven: “Voor [de evaluatiejaren] 2000 en 2002 werd aan de heer Govaerts de evaluatie ‘onvoldoende’ toegekend. Voor het jaar 2001 werd een voorstel tot loopbaanvertraging geformuleerd, maar omdat de heer Govaerts langdurig afwezig was geweest wegens ziekte kon daarover geen beslissing worden genomen. Bij brief van 9 juli 2002 werd dit door de directeur-generaal aan de heer Govaerts meegedeeld. Op 1 maart 2004 werd aan de heer Govaerts opnieuw de evaluatie ‘onvoldoende’ toegekend voor het evaluatiejaar
- De evaluatie kon niet vroeger plaatsvinden omdat de heer Govaerts afwezig was wegens ziekte van 26 januari tot 29 februari
- De reden waarom tot een evaluatie ‘onvoldoende’ werd besloten, werd als volgt gemotiveerd: ‘[1)] Het aantal bezochte aansluitingen en werkelijke opnames liggen ver onder de norm van het planningsgesprek en tevens onder het groepsgemiddelde. De prestaties voor de periode van 01/01/2003 tot 31/12/2003 zijn ondermaats: bezocht 105,5, streefnorm 123, en werkelijke opnames 52,9, streefnorm
- De prestaties van 2003 liggen merkelijk lager dan die van 2002, nl. bezocht 111,4 en werkelijke opnames 56,
- 2) - De opnames van de meterputten (doelstelling 3) worden nog steeds ten onrechte in de handterminal ingebracht als meter niet gevonden, deksel te zwaar, meter ontoegankelijk. IX-4584-7/23 - Aansluitingen met combinatiemeters worden als afwezig gemeld, een collega indexopnemer kon deze echter nadien allemaal opnemen. 3) De medewerker respecteert de arbeidsuren niet.’ In het evaluatieverslag maakte de heer Govaerts volgende opmerking: ‘Dit heeft te maken met mijn voet. Na een tijd krijg ik last in mijn voet, dan wordt die dikker. De voormiddag gaat het nog tamelijk goed daarna is het iets minder.’ In zijn beroepsschrift voert de heer Govaerts aan dat zijn onvoldoende te maken heeft met zijn werkongeval (lees: arbeidsongeval), waarna hij niet volledig is hersteld en het voor hem moeilijk is lang te stappen en trappen te doen. Trappen en ongelijke weg zijn voor hem een hele inspanning, omdat zijn voet nog altijd niet volledig plooit, zeker als hij de hele dag dezelfde beweging moet doen. Na een tijd wordt zijn voet dan blauw. Verder verwijst de heer Govaerts naar een medisch verslag van 6 februari 2004 van zijn geneesheer [...], volgens hetwelk hij belangrijke klachten blijft houden met voornamelijk stijfheid en pijn bij het afrollen. De Raad stelt vast dat het bezwaarlijk kan betwijfeld worden dat de prestaties van de heer Govaerts reeds geruime tijd ondermaats zijn en dat hem nu reeds voor de derde maal een evaluatie ‘onvoldoende’ wordt toegekend. Tegen de vorige evaluaties ‘onvoldoende’ heeft de heer Govaerts geen beroep ingesteld, waaruit kan afgeleid worden dat hij de daarvoor ingeroepen feiten niet betwist. De heer Govaerts zal niet betwisten dat in het jaar 2000 er geen medische redenen voorhanden waren, minstens niet ingeroepen werden, die het ondermaats en gebrekkig presteren konden verantwoorden. Het arbeidsongeval waarop de heer Govaerts alludeert als oorzaak van zijn ondermaats presteren, deed zich immers pas voor op 18 september
- De Raad stelt verder vast dat aan de heer Govaerts liefst 15 nota’s werden overgemaakt waarin hem gewezen werd op zijn ondermaatse en gebrekkige prestaties alsmede het feit dat hij het blijkbaar niet steeds nauw nam met de opgelegde arbeidsuren. Op geen enkele van die nota’s heeft de heer Govaerts een antwoord geformuleerd, hoewel hem dit nochtans herhaaldelijk gevraagd was. Ook tijdens het planningsgesprek van 20 maart 2003 werd hem gevraagd naar de reden van zijn ondermaats presteren, waarop de heer Govaerts antwoordde dat hij ander werk aan het zoeken was, wat evenwel bezwaarlijk als een rechtvaardiging kan aangezien worden. In de mate dat de heer Govaerts zich op medische elementen steunt om zijn gebrekkige prestaties (die in se eigenlijk niet worden betwist) te verantwoorden, kan de Raad zijn standpunt niet bijtreden en wel om volgende redenen. Op 24 [lees: 18] september 2001 was hij het slachtoffer van een arbeidsongeval, waarbij hij een voetletsel opliep en waarvoor hem een blijvende arbeidsongeschiktheid van 10% werd toegekend. IX-4584-8/23 Tijdens zijn tewerkstelling voorafgaand aan de evaluatie in maart 2004 heeft hij nimmer die arbeidsongeschiktheid ingeroepen als motief voor zijn slecht presteren. Dit heeft hij voor het eerst gedaan in een opmerking bij het evaluatieverslag. Overigens kan naar het oordeel van de Raad die arbeidsongeschiktheid niet de oorzaak zijn van de aangewezen tekortkomingen. Uit de kaart van medisch onderzoek blijkt dat de heer Govaerts op 10 januari 2003 door de arbeidsgeneesheer werd onderzocht en geschikt werd bevonden voor de uitgeoefende functie. Bij een onderzoek op 18 februari 2003 werd hij eveneens geschikt bevonden voor het uitoefenen van zijn functie, doch bij wijze van wederaanpassing mocht hij gedurende 1 maand zijn linkervoet niet zwaar belasten en mocht hij niet lang stappen. Tevens werd vermeld dat het werk dat met de heer V. werd overeengekomen, voldeed. Ter zitting verklaart de heer Govaerts dat hij inderdaad in die tijdspanne aangepast werk kreeg, maar dat hij ingevolge ziekte slechts 14 dagen in dit aangepast regime had gewerkt. Ook blijkt uit een medisch onderzoek van 12 januari 2004 dat de arbeidsgeneesheer hem geschikt bevond voor de uitgeoefende functie. De bevindingen zoals vermeld in het medisch attest van zijn orthopedist [...] worden weerlegd door de bevindingen van de arbeidsgeneesheer en zijn overigens niet van aard dat ze een ondermaats en gebrekkig presteren in zijn functie zouden kunnen verantwoorden. De Raad is van mening dat het ondermaats en gebrekkig presteren van de heer Govaerts voldoende is aangetoond en geen medische oorzaak heeft, zoals hij ten onrechte beweert, en dat hij ondanks herhaaldelijk aanzetten om beter te presteren daaraan niets heeft gedaan. Het is dan ook terecht dat hem voor het jaar 2003 een ‘onvoldoende’ werd toegekend. Tenslotte vraagt de heer Govaerts in zijn beroepsschrift of het niet mogelijk is om iets anders te krijgen, eventueel grondwerk, enkel putten opnemen en volledig in orde brengen. De Raad is evenwel niet bevoegd om daarover advies te verstrekken.” 7.
- De Raad van Bestuur van de VMW neemt op 30 april 2004 de volgende beslissing: “Gelet op het beschrijvend evaluatieverslag opgesteld door de heren (G.N.) en (B.V.), waarin aan de heer Marnix Govaerts een evaluatie ‘onvoldoende’ werd toegekend voor het evaluatiejaar 2002 en waarvan laatstgenoemde heeft kennisgenomen op 23.01.2003; Gelet op de persoonlijke nota’s gericht aan de heer Marnix Govaerts op 20.02.2003, 07.03.2003, 20.03.2003, 02.04.2003, 16.05.2003, 02.07.2003, IX-4584-9/23 28.07.2003, 29.07.2003, 15.09.2003, 24.11.2003, 25.11.2003, 08.12.2003, 10.12.2003, 22.12.2003 en 24.12.2003 door de heren (G.N.) en (A.D.K.); Gelet op het beschrijvend evaluatieverslag opgesteld door de heren (G.N.) en (B.V.), waarin aan de heer Marnix Govaerts opnieuw een evaluatie ‘onvoldoende’ werd toegekend voor het evaluatiejaar 2003 en waarvan laatstgenoemde heeft kennisgenomen op 01.03.2004; Gelet op het hoger beroep ingesteld door de heer Marnix Govaerts tegen de hem toegekende evaluatie ‘onvoldoende’ voor het evaluatiejaar 2003; Gelet op het advies geformuleerd door de Raad van Beroep op 31.03.2004 inzake het hoger beroep van de heer Marnix Govaerts; Overwegende dat de Raad van Bestuur de motivering zoals geformuleerd in het advies van de Raad van Beroep, integraal overneemt en de toegekende evaluatie ‘onvoldoende’ bevestigt; Overwegende dat conform het personeelsstatuut een tweede opeenvolgende evaluatie ‘onvoldoende’ wordt gelijkgesteld met een voorstel tot afdanking wegens beroepsongeschiktheid; Overwegende dat uit de evaluatieverslagen voor de evaluatiejaren 2000 en 2001 blijkt dat de prestaties van de heer Marnix Govaerts reeds meerdere jaren ondermaats zijn en dat er, ondanks permanente waarschuwingen naar betrokkene toe, geen verbetering is opgetreden; Na bespreking, beslist de Raad dat: - aan de heer Marnix Govaerts een evaluatie ‘onvoldoende’ wordt toegekend voor het evaluatiejaar 2003; - de heer Marnix Govaerts wordt afgedankt wegens beroepsongeschiktheid met ingang vanaf 01.05.2004.” 7.
- Met een aangetekende brief van 3 mei 2004 meldt de directeur- generaal van de VMW aan de verzoeker: “Ik deel u mede dat de Raad van Bestuur in vergadering van 30/04/2004 heeft beslist om u een evaluatie ‘onvoldoende’ toe te kennen voor het evaluatiejaar
- In toepassing van artikel XII 7 van het personeelsstatuut heeft de Raad van Bestuur tevens beslist om u, op basis van deze tweede opeenvolgende evaluatie ‘onvoldoende’ af te danken wegens beroepsongeschiktheid met ingang vanaf 01/05/
- In toepassing van artikel XII 7 § 3 van het personeelsstatuut zal de VMW de nodige bijdragen voor de sociale zekerheid storten aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid zodat uw dossier in orde is voor toepassing van de reglementering inzake werkloosheids- en ziekteuitkeringen. Als bijlage vindt u uw formulier C4 dat u dient te bezorgen aan uw gewestelijk werkloosheidsbureau. IX-4584-10/23 Uw vakantiegeld uit dienst zal u worden uitbetaald in de loop van de maand mei. Uw vakantieattest voor 2003-2004 zal u tevens in mei worden toegezonden. Tenslotte wil ik u, conform artikel 19 van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State, erop wijzen dat u binnen een termijn van zestig dagen na onderhavige betekening, tegen voormelde beslissing van de Raad van Bestuur beroep kan instellen bij de Raad van State. Dit beroep moet worden ingesteld bij verzoekschrift dat het voorwerp van het beroep alsook de feiten en de middelen waarop het beroep berust, vermeldt en dat is gedagtekend en ondertekend door uzelf of door uw raadsman. Het verzoekschrift dient bij een ter post aangetekende brief aan de Raad van State te worden gestuurd. Terzelfder tijd moet een kopie van het verzoekschrift aan de VMW worden bezorgd.” IV. Nadere omschrijving van het voorwerp van het beroep
- Volgens de bewoordingen van het verzoekschrift vordert de verzoeker de nietigverklaring van “de beslissing d.d. 03.05.2004 van de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening [...] waarbij de afdanking van verzoeker werd meegedeeld met ingang vanaf 01.05.2004 op basis van een tweede opeenvolgende evaluatie ‘onvoldoende’”. Hetgeen de verzoeker “de beslissing d.d. 03.05.2004” noemt is in feite de kennisgeving van de beslissing van de raad van bestuur van 30 april
- Het beroep moet dan ook geacht worden te zijn gericht tegen die beslissing van 30 april
- V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen
- De verzoeker roept een eerste middel in, afgeleid uit de schending van de zorgvuldigheidsplicht. De verzoeker stelt, samengevat, dat de beslissing tot afdanking wegens beroepsongeschiktheid gebaseerd is op de twee opeenvolgende evaluaties “onvoldoende”, terwijl noch in de evaluatieverslagen, noch in de beslissing van de raad van bestuur ook maar iets vermeld is omtrent het arbeidsongeval van IX-4584-11/23 18 september 2001, dat in duidelijk verband staat tot de mindere prestaties van de verzoeker en waarop de verzoeker uitdrukkelijk heeft gewezen in zijn opmerkingen op de evaluatieverslagen. De verzoeker voert aan dat de verwerende partij aldus onvoldoende rekening heeft gehouden met de situatie van de verzoeker. Door de beslissing niet op een zorgvuldige manier voor te bereiden en door niet te steunen op een correcte feitenvinding, heeft de verwerende partij de zorgvuldigheidsplicht geschonden.
- In haar memorie van antwoord voert de verwerende partij aan dat een verband tussen het arbeidsongeval en de slechte prestaties van de verzoeker helemaal niet is aangetoond. De ondermaatse prestaties zijn eenvoudig de verderzetting van een reeds bestaande toestand. De verwerende partij wijst er met name op dat de verzoeker reeds vóór zijn arbeidsongeval slecht presteerde en de hem opgelegde taken niet naar behoren uitoefende. De verzoeker kreeg hiervoor al een onvoldoende in
- Bovendien werd door zijn evaluatoren voor het jaar 2001 een voorstel tot loopbaanvertraging gedaan, op grond van verzoekers slecht presteren. Uiteindelijk werd de verzoeker in 2001 geen loopbaanvertraging toegekend omdat hij tijdens dat jaar langdurig afwezig was. Voorts wijst de verwerende partij erop dat de verzoeker tegen de evaluaties “onvoldoende” voor de jaren 2000 en 2002 geen beroep heeft ingesteld, zodat hij geacht moet worden het met die evaluaties eens te zijn. De verzoeker reageerde ook niet op de persoonlijke nota’s die hem in verband met zijn ondermaats presteren werden bezorgd. De verwerende partij meent ook hieruit te kunnen afleiden dat de verzoeker het met zijn evaluaties eens was. Het is pas begin 2003, in zijn opmerkingen op de evaluatie over het jaar 2002, dat de verzoeker melding maakt van problemen met zijn voet. Hij tekent evenwel geen beroep aan tegen de evaluatie “onvoldoende”. Voor 2003 doet zich volgens de verwerende partij hetzelfde voor. Er zijn veel persoonlijke nota’s, maar ondanks herhaalde uitnodi- gingen om zijn opmerkingen over te maken, reageert de verzoeker niet. Pas bij het evaluatiegesprek van 1 maart 2004 komt de voet terug ter sprake. Bovendien is de verzoeker periodiek onderzocht door de arbeidsgeneesheer. Tijdens die onderzoeken heeft de verzoeker nooit melding gemaakt van voetklachten. Op 23 april 2002, dit is zeven maanden na zijn arbeidsongeval, is hij voldoende geschikt bevonden voor zijn functie van index- opnemer. In latere onderzoeken bevestigt de arbeidsgeneesheer telkens dat de taken IX-4584-12/23 opgedragen aan de verzoeker in overeenstemming zijn met zijn lichamelijke geschiktheid. Ten slotte voert de verwerende partij aan dat de raad van bestuur de motivering van het advies van de raad van beroep volledig overneemt. Die raad van beroep heeft de verzoeker gehoord, en de verzoeker heeft zijn argumenten in verband met het arbeidsongeval kunnen uiteenzetten. Uit het geheel van deze omstandigheden concludeert de verwerende partij dat zij haar beslissing gesteund heeft op de ondermaatse prestaties van de verzoeker, en dat de desbetreffende feiten met nota’s en evaluatieverslagen aan de verzoeker kenbaar zijn gemaakt. In het kader van de evaluatieprocedure is de verzoeker meermaals gehoord en werden hem planningsverslagen, functionerings- verslagen en evaluatieverslagen toegestuurd. Tijdens het planningsgesprek voor 2003 werd hem nog uitdrukkelijk gevraagd wat de reden was voor zijn slechte prestaties, en toen heeft hij enkel geantwoord dat hij ander werk aan het zoeken was. 11.
- In zijn memorie van wederantwoord repliceert de verzoeker dat hij voor de evaluatiejaren 2002 en 2003 wel degelijk een schriftelijke verklaring heeft gegeven voor de mindere prestaties, met name op de evaluatieverslagen zelf. Hij meent dan ook dat hem niet verweten kan worden dat hij nooit een schriftelijke verklaring zou hebben gegeven of dat hij het eens zou zijn met de aan hem toegekende evaluaties. Hij wijst erop dat de verwerende partij maar al te goed op de hoogte was van het arbeidsongeval en de gevolgen hiervan op zijn prestaties. Desondanks heeft de verwerende partij met die gegevens geen rekening gehouden. De verzoeker voert voorts aan dat uit het feit dat hij voor het jaar 2000 een evaluatie onvoldoende heeft gekregen, niet kan worden afgeleid dat de mindere prestaties in 2002 en 2003 de voortzetting waren van een reeds bestaande toestand. Hij wijst erop dat hij al sinds 1991 werkzaam is bij de verwerende partij, en dit steeds tot haar tevredenheid. Er is integendeel een verband tussen het arbeidsongeval van 18 september 2001 en de latere mindere prestaties. Dat verband blijkt uit raadplegingsverslagen van de door hem geconsulteerde arts. De verzoeker legt een attest van 8 november 2002 voor en kondigt aan in de loop van de procedure nog andere attesten voor te leggen. IX-4584-13/23 11.
- In zijn laatste memorie stelt de verzoeker dat de raad van beroep de gevolgen van het arbeidsongeval weliswaar onderzocht heeft voor wat betreft het evaluatieverslag voor het jaar 2003, maar niet voor wat betreft het evaluatieverslag voor het jaar
- Hij meent dan ook dat op zijn minst voor het evaluatieverslag voor het jaar 2002 dient te worden vastgesteld dat zijn opmerkingen met betrekking tot zijn arbeidsongeval niet werden onderzocht. Hij besluit dat de beslissing om een “onvoldoende” toe te kennen voor het evaluatiejaar 2002 de zorgvuldigheidsplicht schendt. Nu minstens één van de evaluaties “onvoldoende” niet met de nodige zorgvuldigheid is gebeurd, meent de verzoeker dat de bestreden beslissing, die steunt op twee opeenvolgende evaluaties “onvoldoende”, zelf ook de zorgvuldigheidsplicht schendt. Beoordeling 12.
- Alvorens in te gaan op het middel zelf, moet erop gewezen worden dat de verzoeker ten onrechte ervan uitgaat dat de kennisgeving van 3 mei 2004 de bestreden beslissing uitmaakt. Zoals hiervóór is uiteengezet (overweging 6) is de bestreden administratieve rechtshandeling de beslissing van de raad van bestuur van 30 april
- In die beslissing wordt het advies van de raad van beroep van 31 maart 2004 integraal bijgevallen. Hoewel het advies van de raad van beroep niet aan de verzoeker is betekend, voert hij geen schending aan van de formele motiveringsplicht. Hieruit moet worden afgeleid dat hij niet meent benadeeld te zijn door het feit dat de motieven van het advies van de raad van beroep hem niet formeel ter kennis zijn gebracht. Het advies van de raad van beroep kan derhalve worden betrokken bij het onderzoek van de wettigheid van de bestreden beslissing van de raad van bestuur. 12.
- De verzoeker voerde in zijn beroepschrift voor de raad van beroep één argument aan, namelijk het feit dat hij na zijn arbeidsongeval niet volledig hersteld was en nog steeds last had van zijn linkervoet. In zijn advies van 31 maart 2004 antwoordt de raad van beroep in essentie het volgende: IX-4584-14/23 - de prestaties van de verzoeker zijn al geruime tijd ondermaats; 2003 is, na 2000 en 2002, al het derde jaar dat hij een “onvoldoende” krijgt toegekend; - de verzoeker heeft geen beroep ingesteld tegen de voor de jaren 2000 en 2002 toegekende “onvoldoendes”, zodat hij geacht wordt ermee in te stemmen; - ter verantwoording van de “onvoldoende” voor het jaar 2000 kunnen door de verzoeker geen medische redenen worden aangevoerd (het arbeidsongeval dateert van 2001); - aan de verzoeker zijn 15 nota’s verzonden over zijn ondermaats en gebrekkig presteren en over het feit dat hij de arbeidsuren niet respecteert; ondanks herhaalde vraag is daarop nooit enige reactie van de verzoeker gekomen; - tijdens het planningsgesprek van 5 maart 2003 voert hij evenmin een medische grond aan voor zijn ondermaats presteren, en komt hij niet verder dan een verklaring dat hij ander werk aan het zoeken is; - wat de medische reden betreft: dit werd nooit eerder dan na de evaluatie ingeroepen; de medische onderzoeken van de arbeidsgeneesheer op 10 januari en 18 februari 2003 en 12 januari 2004 weerleggen het medisch attest dat door de door de verzoeker geconsulteerde arts werd afgeleverd; bovendien is dat attest van verzoekers arts niet van die aard om het ondermaats en gebrekkig presteren van verzoeker te verantwoorden. 12.
- In zoverre het middel aan de bestreden beslissing verwijt dat ze steunt op een onzorgvuldige beoordeling van de gegevens van de zaak, en met name op een incorrecte feitenvinding, herinnert de Raad van State eraan dat hij, wanneer hij als annulatierechter zijn wettigheidscontrole ten aanzien van bestuurshandelingen uitoefent, niet zelf de ware toedracht van de feiten vaststelt, maar enkel onderzoekt of de overheid in redelijkheid tot de door haar gedane vaststelling van de feiten is kunnen komen en of er in het dossier geen gegevens voorhanden zijn welke met die vaststelling onverenigbaar zijn. 12.
- In dit verband moet in de eerste plaats worden vastgesteld dat de raad van beroep, in tegenstelling tot wat de verzoeker aanvoert, in zijn advies van 31 maart 2004 wel degelijk ingaat op verzoekers argumentatie aangaande zijn arbeidsongeval en de beweerde gevolgen ervan. In die zin is de raad van beroep wel degelijk tegemoet gekomen aan de zorgvuldigheidsplicht. Dit geldt ook voor de raad van bestuur, die het advies van de raad van beroep integraal bijvalt. Weliswaar geeft de verzoeker in zijn laatste memorie aan dat de raad van beroep de weerslag van het arbeidsongeval enkel onderzocht heeft voor het IX-4584-15/23 jaar
- De raad van beroep diende echter de gevolgen van het arbeidsongeval voor de evaluatie over het jaar 2002 niet te onderzoeken, aangezien de verzoeker tegen deze evaluatie geen beroep heeft ingesteld. Het feit dat de raad van beroep, daarin bijgevallen door de raad van bestuur, de argumentatie van de verzoeker niet volgt, maakt nog geen schending uit van de zorgvuldigheidsplicht. Te dezen wordt de argumentatie van de verzoeker immers op een gemotiveerde wijze weerlegd door de raad van beroep, en de verzoeker toont niet aan dat deze motieven niet het resultaat zijn van een zorgvuldig onderzoek. 12.
- Volledigheidshalve merkt de Raad van State nog op dat de omstandigheid dat de verzoeker bij zijn evaluatiegesprek een schriftelijke verklaring heeft gegeven voor de hem verweten “ondermaatse en gebrekkige prestaties”, niet van die aard is om de conclusies van de raad van beroep onderuit te halen waar deze vaststelt dat op de talrijke nota’s nooit werd gereageerd door de verzoeker, ondanks de uitdrukkelijke vraag daartoe, dat de verzoeker tijdens het planningsgesprek van 5 maart 2003, gevraagd naar de reden van zijn zwakke prestaties - die hij overigens niet betwistte -, verklaarde ander werk te zoeken, alsmede dat de verzoeker de arbeidsuren niet respecteerde - hetgeen evenmin werd betwist. Voorts heeft de raad van beroep het attest van verzoekers arts van 6 februari 2004 in zijn beoordeling betrokken. De raad van beroep is echter van oordeel dat de bevindingen van verzoekers arts in tegenspraak zijn met de bevindingen van de arbeidsgeneesheer. De arbeidsgeneesheer heeft de verzoeker inderdaad op gezette tijdstippen - 21 oktober 2002, 10 januari 2003, 18 februari 2003 en 12 januari 2004 - voldoende geschikt bevonden voor de door hem te verrichten activiteit. De conclusie van de raad van beroep - en bij overname van motieven ook die van de raad van bestuur - is niet onzorgvuldig, nu niet blijkt dat de verzoeker tegen die geschiktverklaringen door de arbeidsgeneesheer ooit enig bezwaar heeft geuit, of zelfs nog maar een voorbehoud heeft doen acteren. Het feit dat de raad van beroep en de raad van bestuur geen rekening gehouden hebben met een attest dat de verzoeker pas in de loop van de procedure voor de Raad van State heeft voorgelegd (attest van 8 november 2002), of -a fortiori-, met attesten waarvan hij de neerlegging heeft aangekondigd, maar die hij in feite niet heeft neergelegd, kan aan de genoemde overheden niet verweten worden. 12.
- Het middel mist feitelijke grondslag. IX-4584-16/23 IX-4584-17/23 B. Tweede middel Standpunt van de partijen
- De verzoeker roept een tweede middel in, afgeleid uit de schending van artikel XII 7 van het besluit van de Vlaamse regering van 15 juli 2002 houdende organisatie van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en de regeling van de rechtspositie van het personeel (hierna: Vlaams Personeelsstatuut van 2002). De verzoeker merkt op dat de verwerende partij in haar beslissing nergens spreekt over een opzeggingstermijn. Hij meent dat hij, op grond van voormeld artikel, recht heeft op een opzeggingstermijn van 9 maanden. Door die termijn niet te respecteren, schendt de bestreden beslissing de genoemde bepaling. De verzoeker merkt op dat hij ingevolge die onwettigheid nog recht heeft op een verbrekingsvergoeding, en vraagt dat de Raad van State terzake een voorbehoud zou verlenen.
- De verwerende partij merkt in haar memorie van antwoord in essentie op dat het Vlaams Personeelsstatuut van 2002 niet van toepassing is op de verzoeker, die onderworpen is aan het besluit van de Vlaamse regering van 1 december 2000 houdende de organisatie van de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening en de regeling van de rechtspositie van het personeel (hierna: Personeelsstatuut VMW). Artikel XII 7 van dat besluit, dat de procedure regelt ingeval van afdanking wegens beroepsongeschiktheid op basis van een tweede opeenvolgende evaluatie onvoldoende, is volledig nageleefd. De verwerende partij betwist overigens ook het belang van de verzoeker bij het middel. Als de verzoeker van oordeel is dat hij recht heeft op een opzeggingstermijn of een verbrekingsvergoeding, dan kan hij hierover bij de bevoegde rechtbank een vordering instellen. De Raad van State is daarentegen onbevoegd om over een dergelijke vordering te oordelen. Om die reden moet ook het voorbehoud dat de verzoeker vraagt, onontvankelijk of minstens ongegrond worden verklaard.
- In zijn memorie van wederantwoord repliceert de verzoeker dat de regeling zoals bepaald in het Personeelsstatuut VMW de artikelen 10 en 11 van IX-4584-18/23 de Grondwet schendt. In het besluit van de Vlaamse Regering van 30 juni 2000 houdende de regeling van de rechtspositie van het personeel van sommige Vlaamse openbare instellingen (stambesluit VOI), dat van toepassing is op een aantal Vlaamse openbare instellingen, maar niet op de VMW, is immers een regeling in verband met de opzeggingstermijn opgenomen, terwijl dat niet het geval is voor het Personeelsstatuut VMW. De verzoeker vraagt dat de Raad van State dienaangaande een prejudiciële vraag zou stellen aan het Grondwettelijk Hof. Ten gevolge van de onwettigheid van het Personeelsstatuut VMW meent de verzoeker zich te kunnen beroepen op het stambesluit VOI. Beoordeling 16.
- In verband met de ontvankelijkheid van het middel moet vooreerst opgemerkt worden dat de Raad van State weliswaar niet bevoegd is om zich uit te spreken over de subjectieve rechten van de verzoeker, waaronder het eventuele recht op een verbrekingsvergoeding, maar dat hij wel bevoegd is om zich uit te spreken over de wettigheid van de bestreden beslissing. De Raad van State kan daarbij nagaan of de verwerende partij zich gehouden heeft aan de voorwaarden waaronder zij een personeelslid wegens beroepsongeschiktheid kan afdanken. De exceptie van onontvankelijkheid van het middel faalt naar recht. Dit neemt niet weg dat, ingeval het middel gegrond bevonden zou worden, de Raad van State de bestreden beslissing enkel zou kunnen vernietigen. Hij is onbevoegd om akte te nemen van het voorbehoud dat de verzoeker in verband met een eventuele vordering voor de gewone rechter maakt. In dit opzicht is de exceptie gegrond. 16.
- De verzoeker voert een schending aan van artikel XII 7 van het Vlaams Personeelsstatuut van
- Zoals de verwerende partij evenwel terecht opwerpt, moet worden vastgesteld dat het personeel van de VMW, waaronder de verzoeker, niet onderworpen is aan het Vlaams Personeelsstatuut van 2003, maar wel aan het Personeelsstatuut VMW. IX-4584-19/23 In zoverre het middel de schending inroept van een bepaling die niet van toepassing is op de verzoeker, is het onontvankelijk. 17.
- Op het ogenblik dat de bestreden beslissing werd genomen, luidde artikel XII 7 van het Personeelsstatuut VMW als volgt: “Art. XII
- §
- Het statutaire personeelslid wordt definitief ongeschikt verklaard wegens beroepsredenen indien het tweemaal opeenvolgend de functioneringsevaluatie ‘onvoldoende’ gekregen heeft. Een tweede opeenvolgende evaluatie ‘onvoldoende’ wordt gelijkgesteld met een voorstel tot afdanking wegens beroepsongeschiktheid waartegen beroep bij de Raad van beroep mogelijk is. §
- De afdanking wegens beroepsongeschiktheid wordt uitgesproken door de benoemende overheid. §
- Voor zover aan de voorwaarden van de desbetreffende reglementering is voldaan, stort de maatschappij bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid de werkgevers- en werknemersbijdragen die verschuldigd zijn voor de opname van het statutaire personeelslid in het stelsel van de werkloosheid, de ziekteverzekering - sector uitkeringen - en de moederschapsverzekering.” 17.
- In zijn memorie van wederantwoord voert de verzoeker aan dat die bepaling een discriminatie in het leven roept tussen de personeelsleden van de VMW, die geen recht hebben op een opzeggingstermijn, en de personeelsleden van een aantal andere Vlaamse openbare instellingen, die op grond van het stambesluit VOI, wel recht hebben op een dergelijke termijn. Het gaat hier om een nieuw middel, dat steunt op een vergelijking die de verzoeker reeds in zijn verzoekschrift had kunnen aanvoeren en die de Raad van State niet ambtshalve in aanmerking diende te nemen. In die omstandigheden moet besloten worden dat het middel niet op ontvankelijke wijze voor het eerst in de laatste memorie kan worden aangevoerd. C. Derde middel Standpunt van de partijen
- De verzoeker roept een derde middel in, afgeleid uit de schending van het recht om gehoord te worden. Hij voert aan dat wanneer tegen een persoon een ernstige maatregel wordt overwogen, die steunt op zijn persoonlijk gedrag en die van aard is om zijn belangen zwaar aan te tasten, hem de gelegenheid dient te worden IX-4584-20/23 geboden om zijn standpunt op nuttige wijze te doen kennen. Te dezen heeft de verwerende partij nagelaten de verzoeker te horen alvorens een beslissing tot afdanking wegens beroepsongeschiktheid te nemen. Nu de verzoeker aldus niet in de mogelijkheid was om zijn situatie ingevolge het arbeidsongeval van 2001 te verduidelijken, heeft de verwerende partij het genoemde beginsel geschonden.
- De verwerende partij repliceert dat het Personeelsstatuut VMW niet voorziet in een recht om gehoord te worden door de raad van bestuur. Wel is voorzien in het recht om gehoord te worden door de evaluator en door de raad van beroep. De verwerende partij stelt dat aan die reglementaire verplichting te dezen is voldaan. Voorts heeft de verzoeker zijn opmerkingen en argumenten tijdig en nuttig kunnen doen gelden, met name in zijn schriftelijke opmerking onderaan het evaluatieverslag, in zijn beroepschrift voor de raad van beroep en in zijn mondelinge uiteenzetting voor de raad van beroep. Aan de doelstelling van het recht om gehoord te worden is dan ook eveneens voldaan. Het was in die omstandigheden niet nodig dat de verzoeker ook nog eens door de raad van bestuur werd gehoord. Beoordeling
- Artikel XII 7, § 1, van het Personeelsstatuut VMW bepaalt dat het statutair personeelslid definitief ongeschikt verklaard wordt wegens beroepsredenen indien het tweemaal opeenvolgend de functioneringsevaluatie “onvoldoende” heeft gekregen, en dat een tweede opeenvolgende evaluatie “onvoldoende” wordt gelijkgesteld met een voorstel tot afdanking wegens beroepsongeschiktheid waartegen beroep bij de raad van beroep mogelijk is. De verzoeker heeft een tweede opeenvolgende evaluatie “onvoldoende” gekregen, met name bij het evaluatiegesprek op 1 maart
- Op basis van de op hem van toepassing zijnde rechtspositieregeling, moest de verzoeker derhalve weten dat de beslissing tot toekenning van een evaluatie “onvoldoende”, voor een tweede keer op rij, meteen een voorstel tot afdanking wegens beroepsongeschiktheid inhield. Dat werd hem trouwens met zoveel woorden meegedeeld in de kennisgeving van het resultaat van die evaluatie. Daarin schrijft de gewestelijk directeur van de VMW: IX-4584-21/23 “Tevens wil ik er u op wijzen dat artikel XII 7 van het personeelsstatuut bepaalt dat bij een tweede opeenvolgende evaluatie onvoldoende, de Raad van Bestuur kan beslissen om u af te danken wegens beroepsongeschiktheid. Voor het evaluatiejaar 2002 werd u eveneens een evaluatie ‘onvoldoende’ toegekend. Dit betekent dat, behoudens ingeval van hoger beroep tegen de u toegekende evaluatie voor 2003, uw afdanking wegens beroepsongeschiktheid op 26/3/2004 aan de Raad van Bestuur zal worden voorgelegd.” De verzoeker heeft daarop beroep ingesteld bij de raad van beroep, per definitie niet alleen tegen de evaluatie “onvoldoende”, doch tevens tegen het daaruit voortvloeiende voorstel tot afdanking wegens beroepsongeschiktheid. Hij heeft daarbij derhalve zijn argumenten zowel tegen de tweede opeenvolgende evaluatie “onvoldoende” als tegen het daaruit voortvloeiende voorstel tot afdanking ten volle kunnen doen gelden én in het beroepschrift dat hij indiende én tijdens de hoorzitting voor de raad van beroep, waarop hij in persoon aanwezig was en bijgestaan werd door een vakbonds-afgevaardigde. Zijn standpunt wordt trouwens uiteengezet in het advies van de raad van beroep. Al de genoemde documenten waren, zoals blijkt uit de aanhef van de bestreden beslissing van 30 april 2004, bekend aan de raad van bestuur op het ogenblik dat deze zich moest uitspreken over de evaluatie en de afdanking van de verzoeker. Weliswaar is de verzoeker niet door de raad van bestuur zelf gehoord. Geen enkele in dit geval toepasselijke bepaling noch enig algemeen rechtsbeginsel vereist echter dat het personeelslid tegen wie de afdanking wegens beroepsongeschiktheid wordt voorgesteld, wordt gehoord door het orgaan dat bevoegd is om die beslissing te nemen. Het volstond dat de verzoeker in de mogelijkheid werd gesteld zijn standpunt met betrekking tot de voorgestelde beslissing op een nuttige wijze ter kennis van de verwerende partij te brengen. De verzoeker heeft dat kunnen doen, met name ter gelegenheid van de procedure voor de raad van beroep. Het middel kan niet worden aangenomen. IX-4584-22/23 BESLISSING
- Het beroep wordt verworpen.
- De verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 21 september 2009, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit : Paul Lemmens, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, met bijstand van Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Paul Lemmens IX-4584-23/23 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.247 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div