← België

Arrest 196257 - Architecten - 22/09/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.257 Rolnummer: A. 141507/X-11573 Zaak: Arrest 196257 - Architecten - 22/09/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-09-29 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 03:34 Fiche Arrest nr 196.257 van 22 september 2009 Beroepen - Architecten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 196.257 van 22 september 2009 in de zaak A. 141.507/X.11.573. In zake : de ORDE VAN ARCHITECTEN, die woonplaats kiest bij advocaat bij het Hof van Cassatie H. GEINGER, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Quatre Brasstraat 6 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat P. AERTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure 5. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de ORDE VAN ARCHITECTEN op 12 september 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen “van artikel 3 van het besluit van 23 mei 2003 van de Vlaamse regering tot bepaling van de werken en handelingen die vrijgesteld zijn van de medewerking van de architect”, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 16 juli 2003; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur L. VERMEIRE; Gelet op de beschikking van 7 juni 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 16 juni 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 4 september 2009; X-11.573-1/10 Gehoord het verslag van staatsraad S. DE TAEYE; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. SONCK, die loco advocaat H. GEINGER verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat P. AERTS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur L. VERMEIRE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De feiten 1.1. Artikel 4 van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect, luidt als volgt : “Art. 4. De Staat, de provincies, de gemeenten, de openbare instellingen en de particulieren moeten een beroep doen op de medewerking van een architect voor het opmaken van de plans en de controle op de uitvoering der werken, voor welke door de wetten, besluiten en reglementen een voorafgaande aanvraag om toelating tot bouwen is opgelegd. Wat betreft de openbare instellingen en de particulieren, mogen er afwijkingen toegestaan worden door den Gouverneur, op voorstel van het Schepencollege der gemeente, waar de werken moeten uitgevoerd worden. Bij een koninklijk besluit worden de werken aangeduid waarvoor de medewerking van een architect niet verplichtend zal zijn”. 1.2. Het koninklijk besluit van 16 december 1971 tot bepaling van de werken die vrijgesteld zijn ofwel van de bemoeiing van de architect ofwel van de bouwvergunning ofwel van het eensluidend advies van de gemachtigde ambtenaar, bepaalde in zijn artikel 1, op basis van het voormelde artikel 4, derde lid van de voormelde wet van 20 februari 1939, de werken die vrijgesteld zijn van de tussenkomst van een architect. 1.3. Onder verwijzing naar artikel 4, derde lid van de meer vermelde wet van 20 februari 1939, werd artikel 1 van het voormelde koninklijk besluit van 16 december 1971 bij besluit van de Vlaamse regering van 4 november 1997 houdende wijziging van het koninklijk besluit van 16 december 1971 tot bepaling X-11.573-2/10 van de werken die vrijgesteld zijn ofwel van de bemoeiing van de architect, ofwel van de bouwvergunning ofwel van het eensluidend advies van de gemachtigde ambtenaar vervangen. 1.4. De verzoekende partij in de huidige zaak diende een annulatieberoep in tegen het voormelde besluit van de Vlaamse regering van 4 november 1997, waarbij zij met name het volgende nieuwe artikel 1, § 3 van het meer vermelde koninklijk besluit van 16 december 1971 viseerde : “§ 3. De medewerking van een architect is niet verplicht voor de hiernavolgende technische werken, in casu de opgesomde werken met hun aanhorigheden, voor zover het geen gebouwen betreft : 1/ het aanleggen of wijzigen van verhardingen, wegen, parkeerplaatsen, pleinen, sport- of speelvelden, voor zover ze niet vallen onder § 1, 6/, c, van dit artikel; 2/ het bouwen of verbouwen van bruggen, tunnels, viaducten of aquaducten; 3/ de werken ten behoeve van het vervoer zoals tram- of spoorwegen of metrolijnen en ieder vervoer met vaste steunpunten zoals zweef- of kabelspoorwegen,...; de aanleg of wijziging van luchtvaartterreinen en start- of landingsbanen voor vliegtuigen; 4/ het bouwen of wijzigen van industriële installaties voor de productie, het transport, de omzetting en de verdeling van elektriciteit, voor de productie en het transport van gas, stoom, warm water, en in het algemeen energie of grondstoffen; installaties voor de opslag van aardgas, gasvormige brandstoffen, fossiele brandstoffen; omvormings- of drukstations; 5/ het aanleggen of wijzigen van transportleidingen voor energie of grondstoffen, zoals elektriciteitsleidingen, gas-, olie-, chemicaliën- en andere pijpleidingen, televerbindingen, ...; 6/ het bouwen van masten en antennes; 7/ de waterbeheersings- of waterbouwkundige werken, zoals de bouw of wijziging van installaties voor het stuwen of voor langere termijn opslaan van water; de bouw of wijziging van waterwegen, kanalen, havens, sluizen of dijken, ...; de bouw van aanlegsteigers of haveninstallaties; dijkverhogingen dijkverstevigingswerken; 8/ kustverdedigingswerken, zoals de aanleg of wijziging van dijken, pieren, havenhoofden, ...; 9/ de werken ten behoeve van de waterproductie, -distributie en -zuivering, zoals stuwdammen, spaarbekkens, wachtkommen, waterzuiveringsinstallaties, installaties voor het onttrekken of kunstmatig aanvullen van grondwater,...; 10/ het aanleggen of wijzigen van collectoren, riolen en rioolwaterzuiveringsinstallaties; 11/ de werken ten behoeve van de afvalverwijdering of -verwerking, zoals stortterreinen, containerparken of verwerkingsinstallaties, ...; 12/ andere cultuurtechnische werken, zoals afwaterings- of bemalingswerken, drainagewerken, grondverbeteringswerken, ruilverkavelingswerken, ...; 13/ het bouwen of wijzigen van andere technische installaties, zoals raffinaderijen, installaties voor chemie en petrochemie, overslaginstallaties, installaties voor groeven, dagbouwmijnen of ondergrondse mijnbouw, installaties voor de winning van windenergie voor de energieproductie, installaties voor de behandeling en de opslag van radioactief afval, technische installaties van benzinestations of geluidwerende installaties, ...; 14/ het slopen of verwijderen van zaken die vallen onder de overige bepalingen van deze paragraaf”. X-11.573-3/10 1.5. In zijn arrest nr. 165.532 van 5 december 2006 stelt de Raad van State vast dat de onder randnummer 1.4 vermelde bepaling werd opgeheven en vervangen door het besluit van de Vlaamse regering van 23 mei 2003 tot bepaling van de werken en handelingen die vrijgesteld zijn van de medewerking van de architect en dus uit de rechtsorde is verdwenen en dat de verzoekende partij in deze zaak aldus genoegdoening heeft verkregen en niet aantoont waarin haar actueel belang bij een nietigverklaring in deze gewijzigde context nog bestaat. 1.6. Artikel 5 van het voormelde besluit van 23 mei 2003 van de Vlaamse regering tot bepaling van de werken en handelingen die vrijgesteld zijn van de medewerking van de architect heeft het meer vermelde koninklijk besluit van 16 december 1971 volledig opgeheven. In de artikelen 1 tot 4 van het voormelde besluit van 23 mei 2003 worden de werken, handelingen of wijzigingen aangeduid waarvoor de medewerking van een architect niet verplicht is. Artikel 3 van het voormelde besluit van 23 mei 2003 luidt als volgt : “Art. 3. De medewerking van een architect is niet verplicht voor de hiernavolgende technische werken, in casu de opgesomde werken met hun aanhorigheden, voor zover het geen gebouwen betreft : 1/ het aanleggen of wijzigen van verhardingen, wegen, parkeerplaatsen, pleinen; 2/ het bouwen of verbouwen van bruggen, tunnels, viaducten of aquaducten; 3/ de werken ten behoeve van het vervoer zoals tram- of spoorwegen of metrolijnen en ieder vervoer met vaste steunpunten zoals zweef- of kabelspoorwegen,...; de aanleg of wijziging van luchtvaartterreinen en start- of landingsbanen voor vliegtuigen; 4/ het bouwen of wijzigen van industriële installaties voor de productie, het transport, de omzetting en de verdeling van elektriciteit, voor de productie en het transport van gas, stoom, warm water, en in het algemeen energie of grondstoffen; installaties voor de opslag van aardgas, gasvormige brandstoffen, fossiele brandstoffen; omvormings- of drukstations; 5/ het aanleggen of wijzigen van transportleidingen voor energie of grondstoffen, zoals elektriciteitsleidingen, gas-, olie-, chemicaliën- en andere pijpleidingen, televerbindingen, ...; 6/ het bouwen van masten en antennes; 7/ de waterbeheersings- of waterbouwkundige werken, zoals de bouw of wijziging van constructies voor het stuwen of voor langere termijn opslaan van water; de bouw of wijziging van waterwegen, kanalen, havens, sluizen of dijken; de bouw van aanlegsteigers, kaaimuren of haveninstallaties; dijkverhogings- en dijkverstevigingswerken; het inrichten of wijzigen van overstromingsgebieden; het inrichten of wijzigen van vispassages; 8/ kustverdedigingswerken, zoals de aanleg of wijziging van dijken, pieren, havenhoofden, zand- en grindsuppleties, strandsuppleties, golfbrekers, ...; 9/ de werken ten behoeve van de waterproductie, -distributie en -zuivering, zoals stuwdammen, spaarbekkens, wachtkommen, waterzuiveringsinstallaties, installaties voor het onttrekken of kunstmatig aanvullen van grondwater,...; X-11.573-4/10 10/ het aanleggen of wijzigen van collectoren, riolen en rioolwaterzuiverings- installaties; 11/ de werken ten behoeve van de afvalverwijdering of -verwerking, zoals stortterreinen, containerparken of verwerkingsinstallaties,...; 12/ andere cultuurtechnische werken, zoals afwaterings- of bemalingswerken, drainagewerken, grondverbeteringswerken, ruilverkavelingswerken,...; 13/ het bouwen of wijzigen van andere technische installaties, zoals raffinaderijen, installaties voor chemie en petrochemie, overslaginstallaties, installaties voor groeven, dagbouwmijnen of ondergrondse mijnbouw, installaties voor de winning van windenergie voor de energieproductie, installaties voor de behandeling en de opslag van radioactief afval, technische installaties van benzinestations of geluidwerende installaties,...; 14/ het slopen of verwijderen van zaken die vallen onder de overige bepalingen van dit artikel”. Dit artikel 3 wordt met het huidige annulatieberoep bestreden. 2. Over de gegrondheid van het beroep - enig middel 2.1. Het aangevoerde enig middel In een enig middel voert de verzoekende partij de schending aan van “artikel 4, eerste en derde lid van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en het beroep van architect en voor zoveel als nodig : artikel 99, § 2 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening” : “2. De verplichting om een beroep te doen op de medewerking van een architect voor het opmaken van plannen en de controle op de uitvoering van de (bouw)werken, voorgeschreven door het eerste lid van het hierboven geci- teerde artikel 4 van de wet van 20 februari 1939 heeft een algemene draagwijdte. Ze heeft tot doel de stevigheid, de veiligheid en de esthetica van de bedoelde werken te bevorderen. Terecht stellen Ph. Colle en K. Troch (...) dat ‘de architect een taak van algemeen belang (vervult) (

  1. en)zijn tussenkomst ertoe (strekt) de veiligheid van het gebouw te garanderen, zowel in het voordeel van de gebruikers ervan als van het publiek in het algemeen’. Bovendien heeft de verplichte tussenkomst van de architect tot doel de opdrachtgever advies en bijstand te verstrekken (...) en hem bijvoorbeeld in te lichten over de reglementering inzake registratie van aannemers en de mogelijke gevolgen ervan (...). 3. De verplichte tussenkomst van een architect wordt gekoppeld aan de uitvoering van werken waarvoor een voorafgaande vraag om toelating tot bouwen is opgelegd. Wie een bouwvergunning, thans stedenbouwkundige vergunning behoeft, moet in beginsel beroep doen op de tussenkomst van een architect. Deze bouwvergunning, thans stedenbouwkundige vergunning, is in de eerste plaats vereist voor het bouwen, het plaatsen van één of meer vaste in- richtingen, het afbreken van een bestaande vaste inrichting of bouwwerk of het X-11.573-5/10 herbouwen, verbouwen of uitbreiden ervan (met uitzondering van instandhoudings- of onderhoudswerken die geen betrekking hebben op de stabiliteit) (artikel 99, §1, eerste lid, 1/ van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening), doch ook voor tal van andere werken (zie de lange opsomming in artikel 99, §1, eerste lid, 2/ van het genoemde decreet). 4. De mogelijkheid tot afwijking waarin het geciteerde artikel 4, derde lid van de genoemde wet van 20 februari 1939 voorziet (met name de mogelijke opheffing van de verplichting een beroep te doen op de medewerking van een architect), moet beperkend worden geïnterpreteerd. Zij kan alleen worden toegestaan, gelet op de grondslagen van de principiële verplichting om inzake bouwwerken een beroep te doen op de tussenkomst van een architect, wanneer - noch de stevigheid van het bouwwerk (dat gaat gebouwd, afgebroken of verbouwd worden) in het gedrang komt, - noch de veiligheid van het bouwwerk (dat gaat gebouwd, afgebroken of verbouwd worden) op het spel staat, - noch de esthetica van het bouwwerk (dat gaat gebouwd, afgebroken of verbouwd worden) redelijkerwijze in betwisting kan zijn, - noch de adviserende taak van de architect noodzakelijk is. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 20 februari 1939 blijkt ondubbelzinnig dat de afwijking waarin het derde lid van genoemd artikel 4 voorziet, enkel geoorloofd is indien de stevigheid, de veiligheid en de esthetica van de bouwwerken niet in het gedrang komen, derwijze dat de tussenkomst van een architect niet noodzakelijk is. De bespreking, gewijd aan de toevoeging van dit derde lid, en zijn verantwoording tonen aan dat de wetgever hoofdzakelijk weinig omvangrijke werken op het oog had, die geen gevaar voor de veiligheid, de stevigheid en de esthetica in zich sloten; men raadplege in dat verband: - het verslag De Smet (Senaat, 1937-38, Parl. Besch. nr. 25, p. 2); - het verslag Borley (Kamer, 1937-38, nr. 253, p. 2); - de verklaring van de heer Fieullein in de Kamer (Kamer, 1937-38, Parl. Hand., zitting van 24 juni 1938, p. 2013). Dit bracht Uw Raad er dan ook toe te stellen dat deze wetsbepaling ‘weinig belangrijke werken op het oog heeft die de waarborg van een tussenkomst van een architect niet behoeven zodat de bouwheer geen beroep moet doen op de gekwalificeerde medewerker die de architect is’ (...). 5. De verplichte tussenkomst van een architect hangt, zoals gezegd, nauw samen met de verplichting een vergunning tot bouwen te bekomen. In dat verband kan het volgende worden opgemerkt. Het voorheen geldend artikel 42, §2, tweede lid van het gecoördineerde decreet van het Vlaams parlement van 22 oktober 1996 betreffende de ruimtelijke ordening, bekrachtigd bij decreet van 4 maart 1997, bepaalde: ‘De Vlaamse regering kan de lijst vaststellen van de werken en handelingen waarvoor, wegens hun geringe omvang, geen vergunning vereist is’. Thans bepaalt artikel 99, §2 van het Decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening: ‘De Vlaamse regering kan de lijst vaststellen van de werken, handelingen en wijzigingen waarvoor, wegens hun aard en/of omvang, in afwijking van §1, geen stedenbouwkundige vergunning vereist is’. Ook uit deze bepalingen blijkt dat de opheffing van de verplichting van tussenkomst van een architect slechts kan gelden voor bouwwerken die van geringe omvang zijn of die wegens de aard van de werken deze tussenkomst van een architect niet behoeven, dat wil zeggen werken die noch de stevigheid, X-11.573-6/10 noch de veiligheid van het bouwwerk in het gedrang brengen, noch een inbreuk op de esthetica kunnen vormen. 6. In het verslag van 7 november 2002 van (...) in de zaak G/A 78.187/X-11.219 die, zoals gezegd, de gelijkaardige, voorheen geldende regelgeving betreft, wordt vooreerst volkomen terecht gesteld: ‘Uit artikel 4, eerste lid, van de wet van 20 februari 1939 vloeit voort dat het beroep op de medewerking van een architect enkel is voorgeschreven voor werken waarvoor een voorafgaande aanvraag om toelating tot bouwen is opgelegd. Voor werken en handelingen die vrijgesteld zijn van de bouwvergunning -stedenbouwkundige vergunning- is derhalve a fortiori de medewerking van de architect niet verplicht. De verplichte medewerking is derhalve de regel; de niet-medewerking de uitzondering. Uitzonderingsbepalingen dienen dan ook strikt geïnterpreteerd te worden’. Na een onderzoek van de voorbereidende werken op de betrokken wetsbepalingen besluit de Auditeur: ‘Samenvattend kan worden gesteld dat in het licht van de door haar geschonden geachte bepalingen de medewerking van de architect niet verplichtend is wanneer diens medewerking overbodig is. (...) Het criterium is derhalve niet, doch (lees:
  2. en)zeker niet uitsluitend, dat het moet gaan om ‘werken van geringe omvang’ om aan de verplichte medewerking van de architect te ontsnappen’. Door de stelling dat de medewerking van de architect niet verplicht is wanneer diens medewerking overbodig is, wordt de problematiek echter verplaatst. Hiermee is immers nog steeds niet gezegd wanneer de medewerking overbodig is. Medewerking van een architect kan slechts overbodig zijn wanneer de grondslagen waartoe men een beroep moet doen op een architect wegvallen, te weten: de vereisten van stevigheid, veiligheid, esthetica en algemene raadgeving. Dit kans slechts voor werken van geringe omvang of voor werken die uit hun aard zelf de genoemde elementen van stevigheid, veiligheid, esthetica en algemene raadgeving niet in het gedrang brengen of niet behoeven. 7. Het aangevochten artikel 3 van het besluit van 23 mei 2003 stelt: ‘De medewerking van een architect is niet verplicht voor de hiernavolgende technische werken, in casu de opgesomde werken met hun aanhorigheden, voor zover het geen gebouwen betreft: ...’ Ten onrechte wordt aldus als enige voorwaarde voor de vrijstelling van de verplichte medewerking van een architect voor bedoelde ‘technische werken’ gesteld dat ‘het geen gebouwen betreft’. Aldus is artikel 3 strijdig zowel met het eerste als het derde lid van artikel 4 van de wet van 20 februari 1939, alsook met artikel 99 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 18 mei 1999. Inderdaad, artikel 4, eerste lid van de wet van 20 februari 1939 stelt de medewerking van een architect verplicht voor ‘werken’ (en dus niet enkel voor ‘gebouwen’), voor welke door de wetten, besluiten en reglementen een voorafgaande aanvraag om toelating tot bouwen is opgelegd. Artikel 99, §1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 mei 1999 gewaagt van ‘bouwwerken’ of ‘inrichtingen’. Met andere woorden: het is niet omdat een bepaalde ‘technische inrichting’ niet als ‘gebouw’ zou zijn op te vatten, dat het geen bouwwerk of inrichting uitmaakt die niet vergunningplichtig is en waartoe bijgevolg de tussenkomst van een architect niet vereist zou zijn. 8. In de eerste plaats kan men de vraag stellen in welke mate men voor deze werken, waarvan vele van zeer ingrijpende aard zijn (bv. het aanleggen van pleinen, het bouwen van bruggen, tunnels, viaducten of aquaducten, X-11.573-7/10 waterbeheersingswerken, kanalen, sluizen, dijken, aanlegstijgers, kaaimuren, stuwdammen, spaarbekkens, collectoren, etc....) afstand kan doen van de algemene raadgevingsplicht van de architect. 9. Afgezien hiervan moeten vele, zoniet alle opgesomde werken op de één of andere wijze in verband gebracht worden met aspecten van stevigheid, veiligheid of esthetica. Hoe kan men de aanleg, het bouwen of verbouwen, slopen of verwijderen van (de hiernavolgende opsomming is niet exhaustief, doch vermeldt slechts enkele van de voorziene gevallen) - wegen, parkeerplaatsen of pleinen (1/), - bruggen, tunnels, viaducten of aquaducten (2/), - metrolijnen, kabelspoorwegen, luchtvaartterreinen, start- of landingsbanen voor vliegtuigen (3/), - industriële installaties en opslagplaatsen in verband met de energievoorziening of de grondstoffen (4/), - transportleidingen en pijpleidingen (5/), - masten en antennes (6/), - waterbeheersingswerken of waterbouwkundige werken, werken inzake kanalen, havens, sluizen of dijken, aanlegsteigers, kaaimuren of haveninstallaties, overstromingsgebieden,(7/) - dijken, pieren of golfbrekers (8/), - stuwdammen, spaarbekkens, waterzuiveringsinstallaties (9/), - collectoren, riolen, rioolwaterzuiveringsinstallaties (10/), - stortterreinen of containerparken (11/), - afwaterings- of bemalingswerken, drainagewerken,(12/), - raffinaderijen, installaties voor petrochemie, ondergrondse mijnbouw, installaties voor de winning van windenergie, installaties voor de behandeling en opslag van radioactief afval, ... (13/) uitvoeren zonder te maken te hebben met aspecten van stevigheid, veiligheid of esthetica? Deze werken zijn dermate ingrijpend dat zij zeker niet als ‘van beperkte omvang’ kunnen worden beschouwd. Deze werken zijn tevens dermate bijzonder dat zij evenmin als ‘door hun aard’ kunnen vrijgesteld worden van de tussenkomst van een architect. Niet alleen hebben deze werken betrekking op toestanden die ten behoeve van de burger stevigheids- en veiligheidsgaranties moeten bieden, bovendien kunnen zij dermate ingrijpen in het landschap of de stadsinrichting, dat onmiskenbaar aspecten van esthetica aan bod komen. Indien het de bedoeling was van de wetgever/decreetgever om de Koning/Vlaamse regering toe te laten gelijk welke soort werken in aanmerking te laten komen om te worden vrijgesteld van de tussenkomst van een architect, dan was de regelgeving ongetwijfeld anders geweest. In dat geval was in de princiepsbepaling (die de tussenkomst van een architect oplegt) allicht gepreciseerd ‘behoudens voor de door de Koning/de Vlaamse Regering aangeduide werken’... Thans ligt echter een bepaling voor die de Koning/Vlaamse Regering machtigt om de werken aan te duiden die wegens hun aard of omvang geen tussenkomst van een architect behoeven. De afwijkende regeling (geen tussenkomst van een architect vereist) kan inderdaad alleen betrekking hebben op werken waartoe, rekening houdend met de grondslagen waarom men in beginsel wél beroep moet doen op een architect, de tussenkomst van een architect niet vereist is of niet nodig is. De in artikel 3 van het besluit van 23 mei 2003 opgesomde werken komen daartoe niet in aanmerking, net zomin als zou kunnen aanvaard worden dat bij wege van uitzondering zou voorzien worden dat de tussenkomst van een architect niet vereist is voor appartementsgebouwen van meer dan 10 verdiepingen ...”. X-11.573-8/10 2.2. Beoordeling 2.2.1. Artikel 4, eerste lid van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect legt de verplichting op om een beroep te doen op de medewerking van een architect voor het opmaken van de plannen en de controle op de uitvoering der werken, voor welke door de wetten, besluiten en reglementen een voorafgaande aanvraag om toelating tot bouwen is opgelegd. Artikel 4, derde lid van deze wet van 20 februari 1939 bepaalt dat bij een koninklijk besluit de werken worden aangeduid waarvoor de medewerking van een architect niet verplichtend zal zijn. 2.2.2. De voormelde uitzonderingsbepaling is ruim gesteld, waarbij de oorspronkelijke verwijzing naar het criterium van werken van weinig belang niet door de wetgever werd weerhouden. Aldus gesteld, biedt artikel 4, derde lid van de wet van 20 februari 1939 de Vlaamse regering een voldoende rechtsgrond om die werken van de verplichte tussenkomst van de architect vrij te stellen, waarvoor zij die tussenkomst overbodig acht, ook indien deze werken niet van weinig belang of geringe omvang zijn. De verwijzingen van de verzoekende partij naar de voorbereidende werkzaamheden bij de wet van 20 februari 1939, naar artikel 42, § 2, tweede lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, naar artikel 99, § 2 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, en naar het gestelde in het “oorspronkelijke” koninklijk besluit van 15 maart 1939 tot uitvoering van artikel 4 van de wet van 20 februari 1939 doen niet anders besluiten. 2.2.3. De verzoekende partij maakt voorts niet aannemelijk dat de verwerende partij niet in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat de tussenkomst van een architect overbodig is voor de door het bestreden besluit aangeduide technische werken, waarvan in de nota voor de leden van de Vlaamse regering van 23 mei 2003 wordt gesteld dat zij “met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden gepland door en begeleid door terzake onderlegde vakmensen, zoals universitaire ingenieurs (Ir.) of ingenieurs met niet-universitaire opleiding van het lange type (ing.)” en “de stevigheid, de veiligheid en de esthetica van de bedoelde werken (aldus) in alle redelijkheid (lijkt) verzekerd te zijn”. Het betoog van de verzoekende partij dat “er nochtans weinig bouwwerken (zijn) die zozeer de omgeving en het landschap beïnvloeden als bruggen, stuwdammen, masten, antennes, dijken, windmolens, ...”, dat een onderscheid dient gemaakt tussen de “opleidingstitel” van ingenieur en de “beroepstitel” van architecten en dat de door de verwerende partij X-11.573-9/10 voorgestelde regeling nadelig uitvalt voor de overheid, aangezien zij zichzelf de door de artikelen 1792 en 2270 van het Burgerlijk Wetboek ingestelde tienjarige waarborg ontneemt, toont dit niet aan. 2.2.4. Artikel 99, § 2 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening vormt niet de rechtsgrond van het bestreden besluit en is evenmin geschonden. Het middel is ongegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig september 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, P. LEFRANC, staatsraad, S. DE TAEYE, staatsraad, Mevr. S. DE CLERCQ, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DE CLERCQ. R. STEVENS. X-11.573-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.257 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.