id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.290 Rolnummer: A. 193947/XII-5949 Zaak: Arrest 196290 - Diploma's - 22/09/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-09-24 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 03:34 Fiche Arrest nr 196.290 van 22 september 2009 Onderwijs en cultuur - Diploma's Beslissing : Bevolen Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 196.290 van 22 september 2009 in de zaak A. 193.947/XII-
- In zake : Laurent BEUK, die woonplaats kiest bij advocaat K. Wauters, kantoor houdende te Hasselt, Gouverneur Roppesingel 131 tegen : de VZW WICO, die woonplaats kiest bij advocaten M. Witters en J. Bouly, kantoor houdende te Lommel, Lepelstraat
- ----------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Laurent Beuk op 15 september 2009 heeft ingediend waarin bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing wordt gevorderd van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 21 augustus 2009 waarbij de over hem delibererende klassenraad van het Sint-Hubertuscollege te Neerpelt hem een oriënteringsattest C uitreikt, van de weigering om hem een diploma secundair onderwijs uit te reiken en van de beslissing van 2 september 2009 van het schoolbestuur om de klassenraad niet opnieuw samen te roepen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 15 september 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 september 2009, om 10.30 uur; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. Wauters, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat J. Bouly, die verschijnt voor verwerende partij; XII-5949-1\14 Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur J. Neuts bij beslissing van 31 oktober 2008 van de auditeur-generaal gemachtigd om ter openbare terechtzitting advies te verlenen; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feitelijke gegevens van de zaak 1.
- Verzoeker is tijdens het schooljaar 2008-2009 ingeschreven als leerling van het Sint-Hubertuscollege, tweede jaar van de derde graad economie- talen (ASO). 1.
- Op het einde van het schooljaar beslist de delibererende klassenraad, na stemming, om verzoeker bijkomende proeven op te leggen voor de vakken Nederlands, wiskunde, aardrijkskunde en natuurwetenschappen. Verzoeker legt de bijkomende proeven af op 20 en 21 augustus
- Volgens stuk 1 van het administratief dossier van verwerende partij zou een “begeleidende klassenraad” -wellicht de delibererende klassenraad- op 21 augustus 2009 vaststellen dat verzoeker voor de bijkomende proef Nederlands 35% behaalt en voor de andere proeven “voldoende”. De delibererende klassenraad beslist op die dag om aan verzoeker een oriënteringsattest C af te geven. Het administratief dossier bevat een document “motivering studieattest” (stuk nummer 58-59), waarop aan de recto-zijde als motief is geschreven : “niet geslaagd op de bijkomende proef Nederlands”. Op de verso-zijde is voorts te lezen dat er onvoldoende jaartotalen zijn voor aardrijkskunde, natuurwetenschappen, Nederlands, wiskunde en seminarie, dat er daarnaast trimesteronvoldoendes zijn voor geschiedenis (Kerstmis), Duits en economie (juni), dat de studiehouding en het gebruik van de remediëringskansen tijdens het jaar onvoldoende waren. Verzoeker verklaart ter terechtzitting dat hij enkel kopie van de voorzijde van dit document heeft ontvangen en dat de tekst van de achterzijde hem tot kennisname van het administratief dossier onbekend was. XII-5949-2\14 Op het oudercontact na de deliberaties hebben de ouders van verzoeker gesprekken met de titularis en de campusdirecteur. Later op de dag contacteert verzoeker zelf ook de campusdirecteur via smartschool. Verzoeker tekent dan via zijn raadsman op 24 augustus 2009 bezwaar aan bij de beroepscommissie. Uiteengezet wordt onder meer dat hij zich wel degelijk erg heeft ingespannen, dat zijn inzet minstens blijkt uit de cijfers voor de andere uitgestelde proeven, dat de begeleiding van de leerkracht Nederlands in vraag wordt gesteld alsmede de inhoud en de beoordeling van het “herexamen” Nederlands en dat de carrière van verzoeker met een jaar wordt vertraagd “enkel en alleen omdat er een onvoldoende voor Nederlands is”, wat heel wat schade veroorzaakt. Op 31 augustus 2009 adviseert de beroepscommissie dat de delibererende klassenraad niet opnieuw moet worden samengeroepen. De commissie overweegt daarbij wat volgt : “Uit de neergelegde stukken en het ter zitting gedane onderzoek blijkt dat aan de leerling Laurent Beuk in het schooljaar 2008-2009 klas 6B ASO economie - moderne talen bij beslissing van de delibererende klassenraad op 21 augustus 2009 een C-attest werd toegekend om reden “niet geslaagd op de bijkomende proef Nederlands”. De leerling en zijn ouders ondertekenen op 21 oktober 2008 voor ontvangst van het schoolreglement 2008-2009 en bevestigden het gelezen te hebben en zich akkoord te verklaren met de inhoud van dit reglement. De leerling en zijn ouders zijn aldus goed op de hoogte van de werking en van de deliberatiecriteria welke van toepassing zijn in WICO Sint-Hubertus te 3910 Neerpelt. De deliberatiecriteria voorzien voor de 3 de graad : - geen enkel ‘af te raden’ en geen enkel ‘voorbehoud’ : A-attest; - minder dan 50% op jaartotaal : C-attest; - ‘af te raden’ of ‘met voorbehoud’ voor minstens 13 lestijden, ‘af te raden’ of ‘met voorbehoud’ voor 6 of meer vakken C-attest of geen attest, bijkomende proef : deliberatie; - andere gevallen : A - C - geen attest, bijkomende proef (uitgestelde beslissing) : deliberatie. Op datum van woensdag 24 juli 2009 besliste de delibererende klassenraad dat de leerling Laurent Beuk een bijkomende proef diende af te leggen (herexamens) voor de vakken Nederlands (42,5 %), wiskunde (48,1 %), aardrijkskunde (46,4 %) en natuurwetenschappen (45,3 %). Bij het onthaal van de leerling meteen na de deliberatie werd aan de leerling de ernst van de situatie uitgelegd : een voldoende resultaat voor de 4 vakken is noodzakelijk. Dit werd eveneens nog eens beklemtoond aan de moeder van de leerling, nl. dat het de bedoeling is een voldoende te scoren voor de 4 vakken. Op 20 augustus 2009 legde de leerling de bijkomende proeven af voor Nederlands (35 %) en aardrijkskunde (58 %). Op 21 augustus 2009 legde hij de bijkomende proeven af voor natuurwetenschappen (54,7 %) en wiskunde (67 %). XII-5949-3\14 Met betrekking tot de bijkomende proef Nederlands behaalde Laurent Beuk 35 % hetgeen een nog slechter resultaat was dan voorheen (42,5 %) en wat inhoudt dat in vergelijking met het eindtotaal voor dit vak een resultaat bekomen werd van - 7,5 %. De delibererende klassenraad kende als dan bij beslissing van 21 augustus 2009 aan de leerling een C-attest toe : ‘niet geslaagd op de bijkomende proef Nederlands’ (35 %). De motivering van de beslissing berust op volgende elementen : - 1/ onvoldoende jaartotalen : aardrijkskunde, natuurwetenschappen, Nederlands, wiskunde, seminarie programmeren. [de afgelegde bijkomende proef van aardrijkskunde, natuurwetenschappen en wiskunde heeft een voldoende opgeleverd]. - 2/ Trimesteronvoldoendes met Kerstmis voor geschiedenis (96,5/200) in juni voor Duits (94,7 /200) en economie (96, 5 /200). - 3/ Studiehouding in het voorbije schooljaar : onvoldoende. - 4/ Gebruik van remediëringskansen : onvoldoende. De klassenraad adviseerde ook dat om te slagen er een grondige gewijzigde studiementaliteit noodzakelijk is. Uit de bijgebrachte stukken blijkt dat de leerling reeds verscheidene jaren het heel moeilijk heeft gehad met het vak Nederlands : schooljaar 2006-2007 44,2 %; 2007-2008 41,8 %; 2008-2009 Kerstmis 82,8 /200, juni 86,6/200 eindtotaal 42,5 %. In het schooljaar 2008-2009 werd er betreffende zijn dagelijks werk opgemerkt in oktober 2008 : ‘Je loopt er blijkbaar de kantjes van af. De vakken met een voldoende zijn (meestal) ook maar met de hakken over de sloot. Tijd om in actie te schieten’. En in februari 2009 : ‘Nederlands : 2 zeer zwakke controletoetsen - studeren!’. In april 2009 : ‘Nederlands : nipt voldoende. Ik heb je studieschrift al een hele tijd niet meer gezien. Ook extra uitleg of een bijles kom je niet vragen. Op je controletoetsen literatuur had je onvoldoende. Ik vraag me af of je wel hard genoeg werkt voor dit vak. In mei 2009 : ‘Nederlands : onvoldoende gestudeerd voor de laatste controletoets. Studieschrift al maanden niet gezien. Als je een bijkomende proef wil vermijden voor dit vak, moetje dringend beginnen te studeren. En als je iets niet begrijpt, moet je vragen stellen. Ik heb dit al verschillende keren gezegd, maar blijkbaar heb je geen extra uitleg nodig’. De leraar Nederlands stelde vast dat de houding van de leerling heel passief ongeïnteresseerd, ongemotiveerd was en dat hij nauwelijks iets voor Nederlands gedaan had. De onvoldoende studiehouding van de leerling blijkt onder meer ook uit de opmerking in mei 2009 -seminarie programmeren : ‘Op ééntje na is iedereen altijd in orde, op eentje na is dan ook iedereen geslaagd’. Er mag eveneens op gewezen worden dat de betrokken leerling en zijn ouders meer dan eens het advies van de verschillende klassenraden genegeerd hebben zodat men in de huidige situatie is terecht gekomen. De interne beroepscommissie gelooft dat de ouders zoveel mogelijk maatregelen getroffen hebben om hun zoon optimaal voor te bereiden op de 4 bijkomende proeven welke hun zoon diende af te leggen. Voor interesse, werkkracht en volharding is de leerling evenwel op zichzelf aangewezen. Zijn inspanningen hebben resultaat opgeleverd voor de vakken aardrijkskunde (58 %), natuurwetenschappen (54,7 %) en wiskunde (67 %), maar is toch totaal onvoldoende gebleken voor Nederlands (35 %), zelfs minder goed dan het eindtotaal in juni
- Tijdens het schooljaar heeft Laurent Beuk geen gebruik gemaakt van de remediëringskansen die hem geboden werden. XII-5949-4\14 Eind juni 2009 heeft de leerling niet gereageerd op het aanbod om de junitoets voor Nederlands in te zien. Tijdens de vakantie heeft de moeder van de leerling contact opgenomen met de leraar Nederlands die dan 2 maal een afspraak heeft gemaakt. De 1ste maal is de leraar ten huize van de leerling geweest. De leerling vroeg ‘wat moet ik van literatuur kennen?’ en er werd aan de leraar meegedeeld dat hij veel bladzijden samenvattingen op de computer had gemaakt. De leraar liet Laurent Beuk verstaan dat het voor hem moeilijk was om in één oogopslag na te gaan of dit voldoende was dat hij dat leerde, en dat het louter leren van samenvattingen altijd gevaarlijk kan zijn. Toch moedigde de leraar de leerling aan en zei dat het al een goed begin was dat hij met de leerstof bezig was. De 2de maal heeft hij in de school met de leerling het examen van juni 2009 besproken. De leerling dacht namelijk dat hij de theorie goed gemaakt had, maar na de bespreking begreep hij waar zijn fouten zaten. Zijn moeder was daar ook bij. De leraar waarschuwde hem dat hij nog niets had laten zien van taalkunde, hetwelk theoretisch gezien een moeilijke leerstofonderdeel is. Op geen enkel ogenblik heeft de leraar Nederlands te kennen gegeven dat de samenvatting welk de leerling gemaakt had voldoende was voor de bijkomende proef Nederlands. Het is de vakleerkracht die de toets opstelt en verbetert in functie van de leerplannen en einddoelstellingen voor Nederlands 3de graad. De inhoud van de bijkomende toets was als dan inhoudelijk diepgaander dan een samenvatting van de leerstof. Samenvattingen alleen zijn niet de leerstof. De samenvatting dient als leidraad om verder geëxpliciteerd te worden. Uit de bijkomende proef Nederlands blijkt dat de leerling verschillende vragen gewoon foutief of niet beantwoord heeft. Er was onvoldoende parate kennis aanwezig. Voor een richtingsvak Nederlands met 4 lesuren per week, waarbij het resultaat van de bijkomende proef slechts 35 % bedraagt, is er geen ruimte tot deliberatie mogelijk. In de gegeven omstandigheden is de interne beroepscommissie van oordeel dat de delibererende klassenraad terecht een C-attest toegekend heeft aan de leerling Laurent Beuk en het advies gegeven heeft dat om te slagen er een grondige gewijzigde studiementaliteit noodzakelijk is. De delibererende klassenraad dient derhalve niet opnieuw samengeroepen te worden”. De voorzitter van het schoolbestuur brengt dit advies ter kennis van verzoeker met schrijven van 2 september
- In zijn brief voegt hij er aan toe dat het schoolbestuur “zich volledig [aansluit] bij de motivering hierin opgenomen” en dienvolgens heeft beslist dat de klassenraad niet opnieuw moet samenkomen. De ontvankelijkheid
- Wanneer een leerling zijn examenresultaten betwist en het georganiseerd beroep doorloopt zoals het is geregeld bij de artikelen 68 en volgende van het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs (het organisatiebesluit), lijkt enkel de beslissing waarmee die procedure wordt afgesloten de eindbeslissing te zijn die ontvankelijk kan worden bestreden voor de Raad van State. XII-5949-5\14 De eindbeslissing in deze zaak is de beslissing van 2 september 2009 van het schoolbestuur om de delibererende klassenraad niet opnieuw samen te roepen. De vordering is dus niet ontvankelijk wat het eerste voorwerp betreft. Wel kunnen de onwettigheden die verzoeker de beslissing van de delibererende klassenraad aanwrijft in principe in aanmerking worden genomen voor de beoordeling van de wettigheid van de bestreden eindbeslissing. Wanneer immers de delibererende klassenraad onwettig heeft gehandeld -in de huidige stand van de rechtspleging: lijkt te hebben gehandeld- moest zulks voor het schoolbestuur precies een reden zijn om die klassenraad opnieuw te doen samenkomen.
- Verzoeker vordert ook de schorsing van de tenuitvoerlegging van de -impliciete- weigering om hem het diploma secundair onderwijs toe te kennen. Voor zoveel zijn middelen al op deze weigering betrokken kunnen worden -zo lijkt een weigering die slechts impliciet is moeilijk te onderwerpen aan de formele- motiveringsplicht- voert verzoeker alleszins geen schending van een rechtsplicht aan die het bestuur er toe zou verplichten om hem het diploma uit te reiken. In dat geval valt het aan verzoeker toe om te verduidelijken om welke andere reden de complementaire vordering tot schorsing van de impliciete weigering niettemin zinvol is. Dat doet hij niet in het inleidend verzoekschrift en al evenmin ter terechtzitting. Om die reden is de vordering gericht tegen de impliciete weigering van het diploma secundair onderwijs eveneens onontvankelijk. De schorsingsvoorwaarden
- Luidens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. XII-5949-6\14 Beoordeling van de eerste en de derde schorsingsvoorwaarde 5.
- Wat het nadeel betreft, doet verzoeker gelden dat hij door de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een schooljaar verliest en hij verwijst naar de vaste rechtspraak van de Raad van State die het verlies -of dreigend verlies- van een schooljaar als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel erkent. Wat de uiterst dringende noodzakelijkheid betreft, voert verzoeker aan dat een vordering volgens de gewone schorsingsprocedure onherroepelijk te laat dreigt te komen en dat hij tegen de uitkomst ervan reeds een belangrijke -onherroepelijke- leerachterstand zou hebben opgelopen. 5.
- Verwerende partij verklaart zich met betrekking tot deze voorwaarden naar ’s Raads wijsheid te gedragen.
- Verzoeker mag zich terecht op de vaste rechtspraak van de Raad van State terzake beroepen. De beide voorwaarden zijn vervuld. Beoordeling van de tweede schorsingsvoorwaarde Standpunt van de partijen
- Verzoeker voert twee middelen aan. In het eerste middel doet verzoeker onder meer gelden dat de delibererende klassenraad de formele-motiveringplicht en de artikelen 5, § 5, en 57 van het organisatiebesluit heeft geschonden. Volgens verzoeker steunt verwerende partij zich enkel op een onvoldoende voor Nederlands om hem het C-attest te geven, zonder dat blijkt dat de delibererende klassenraad wel steunt op alle relevante concrete gegevens. Geen rekening wordt gehouden, en zonder dat dit wordt gemotiveerd, met het globale resultaat, met de andere resultaten en met de gedane inspanningen, daar waar hij voor alle vakken een positief resultaat neerzet. Geen enkele wettelijke of reglementaire bepaling vereist, aldus verzoeker, dat een betrokken leerling voor alle of welbepaalde vakken voldaan moet hebben of een bepaald minimum percentage moet hebben van het geheel van de vakken. XII-5949-7\14 In een tweede onderdeel van het tweede middel betwist verzoeker dat de motieven draagkrachtig zijn. Zo kan volgens hem een beweerde opmerking in het seminarie programmeren of een beweerde passieve, ongeïnteresseerde houding tijdens het vak Nederlands niet doen besluiten dat de studiehouding tijdens het volledige schooljaar op alle vakken volledig onvoldoende was. In het derde onderdeel van het tweede middel betoogt verzoeker dat de delibererende klassenraad zich voor zijn beslissing van 21 augustus 2009 tot toekenning van een C-attest uitsluitend heeft laten leiden door de onvoldoende voor de bijkomende proef voor het vak Nederlands. Uit niets blijkt dat de klassenraad de ernst van het onvoldoende, het aantal lestijden van het vak en het aantal voldoende jaarresultaten in rekening bracht. In het vierde onderdeel van het tweede middel betwist verzoeker de resultaten van de bijkomende proef Nederlands. Hij betoogt dat “op grond van een eerste inzage van de proef Nederlands, het [hem] voorkomt dat de inhoud van het examen op zich niet beantwoordt aan wat van de leerlingen werd gevraagd voorafgaand” en dat hij, “bijgevolg”, “de uitslag van het vak Nederlands betwist op grond van een eerste inzage van dit examen”.
- Verwerende partij antwoordt in de nota met opmerkingen dat de beslissing steunt op een meer omvattende motivering, met name is er ook een verwijzing naar de onvoldoende jaartotalen op de andere vakken, trimesteronvoldoendes in andere vakken, een onvoldoende studiehouding en het onvoldoende gebruik van remediëringskansen. Er kan dan ook niet anders worden besloten dan dat concrete gegevens aanleiding gaven tot de bestreden beslissing en de opmerking van verzoeker dat geen enkele wettelijke of reglementaire bepaling vereist dat een betrokken leerling voor alle welbepaalde vakken voldaan moet hebben of een bepaald minimum percentage moet hebben behaald voor het geheel van de vakken, is dan ook verder irrelevant. Verwerende partij merkt nog op dat volgens haar “de verdere achteruitgang wat betreft het ‘richtingvak’ Nederlands als dusdanig kan gelden als voldoende motivering voor het C-attest”. Zij meent echter dat uit de andere negatieve factoren blijkt dat er geen sprake van is dat op basis van een strakke en absoluut geldende regel (een stijgend onvoldoende voor een richtingvak) de aangevochten beslissing werd genomen. Dat anderzijds niet expliciet wordt vermeld XII-5949-8\14 in de motivering dat de leerling voor een aantal vakken is geslaagd maakt volgens haar de beslissing niet gebrekkig of inadequaat, gezien het doorslaggevend karakter van een aantal negatieve factoren. Ten slotte stelt verwerende partij dat het niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort om over de kwaliteit van het examen voor het vak Nederlands te oordelen daar dit middel geen vorm van onwettigheid betreft die kan dienen als vernietigingsgrond. Beoordeling
- Verwerende partij heeft het verkeerd voor als zij denkt dat de Raad van State onbevoegd zou zijn om zich uit te spreken over de wettigheid van een in de punten van een examen besloten motivering. Een leerling mag de op een examen gestelde vragen en de toegekende quotering aan kritiek onderwerpen en de Raad van State mag die kritiek beoordelen. Wel wordt in principe van de verzoekende partij verwacht dat zij gegevens en argumenten aanbrengt die van die aard zijn dat ze aan de ernst van de voor de examens toegekende punten doen twijfelen. Om de uitslag van de bijkomende proef Nederlands te betwisten komt verzoeker evenwel niet verder dan “op grond van een eerste inzage” te opperen dat het hem “voorkomt dat de inhoud van het examen op zich niet beantwoordt aan wat van de leerlingen werd gevraagd”. Zo een iele, door niets geconcretiseerde bewering kan niet ontvankelijk een middel onderbouwen. Het vierde onderdeel van het tweede middel is dan ook niet ernstig.
- Aan verzoeker is een C-attest toegekend. Op het motiveringsblad verwijst de delibererende klassenraad als motief onder meer naar onvoldoende jaartotalen voor wiskunde, aardrijkskunde, natuurwetenschappen, Nederlands en seminarie programmeren. XII-5949-9\14 De delibererende klassenraad lijkt aldus uit het oog te hebben verloren dat hij het noodzakelijk vond om verzoeker uitgestelde proeven op te leggen en dat verzoeker voor de eerste drie vermelde vakken is geslaagd op die uitgestelde proeven. Het is prima facie volstrekt onduidelijk volgens welke gedachtegang de delibererende klassenraad dan nog steeds, spijts de bijkomende informatie die het voormeld slagen moet hebben opgeleverd, zonder meer voor die vakken nog uitgaat van een onvoldoende jaartotaal. Ook de beroepscommissie heeft die incongruentie overigens opgemerkt in haar advies (“de afgelegde bijkomende proef van aardrijkskunde, natuurwetenschappen en wiskunde heeft een voldoende opgeleverd”), zonder dat zij er zelf echter ook maar enige consequentie aan hecht. Voor de Raad van State evenwel betekent deze vaststelling vooralsnog dat het motief ondeugdelijk is, en niet in aanmerking wordt genomen. Gewis heeft verzoeker wel een onvoldoende jaartotaal voor het seminarie programmeren. De delibererende klassenraad heeft gemeend verzoeker voor dit vak geen uitgestelde proef te moeten opleggen, zonder dat uit de stukken de reden hiervoor blijkt. Dit resultaat blijft niet zonder relevantie maar in de gegeven omstandigheden lijkt het toch wat al te summier om vervolgens, zonder nadere explicitering, de loutere vermelding van dit jaaronvoldoende mede als grondslag te nemen voor zijn eindbeslissing. Tegenover de opgesomde trimestertekorten staat dan weer dat verzoeker voor de bedoelde drie vakken een voldoende heeft behaald als jaartotaal. Zonder nadere toelichting -die op het syntheseblad niet is te bespeuren- lijkt het jaartotaal te moeten primeren en vermogen ook die drie trimestertekorten niet het C-attest te onderbouwen. In de huidige stand van de procedure valt de Raad van State verzoeker dan ook bij in zijn opvatting dat “niet geslaagd op de bijkomende proef Nederlands” en dus het onvoldoende gebleven jaartotaal voor dit vak, voor de delibererende klassenraad het determinerende, allicht zelfs enige motief is geweest om hem een C-attest te geven. Hiermee spoort overigens de vaststelling in het advies van de beroepscommissie, dat aan verzoeker “meteen na de deliberatie” in juni duidelijk werd gemaakt dat hij moest slagen voor al de vier bijkomende proeven : “een voldoende resultaat voor de 4 vakken is noodzakelijk”. De verwijzing naar de gebrekkige studiehouding en remediëring moet dan deze conclusie van de klassenraad bijkomend ondersteunen. XII-5949-10\14
- Tegen die beslissing heeft verzoeker als bezwaren doen gelden, onder meer, dat zijn studiehouding danig is verbeterd nu hij toch is geslaagd voor drie uitgestelde proeven en dat het hem als onbegrijpelijk voorkomt dat hij enkel wegens een onvoldoende voor Nederlands geen diploma krijgt. Gelet op de beoordeling sub 9 van het vierde onderdeel van het tweede middel mogen de andere grieven van verzoeker omtrent de quotering van de proef Nederlands momenteel onbesproken blijven. Naar aanleiding van dit bezwaar van verzoeker heeft de beroeps- commissie zich uitgeput om het toegekende C-attest te verantwoorden, daarbij, eensdeels, louter herhalend
(1)dat verzoeker onvoldoende jaartotalen had voor aardrijkskunde, natuurwetenschappen, Nederlands, wiskunde en seminarie programmeren (waarbij de bijkomende proeven voor aardrijkskunde, natuur- wetenschappen en wiskunde een voldoende hebben opgeleverd),
(2)dat verzoeker trimesteronvoldoendes behaalde voor geschiedenis (met Kerstmis) en voor Duits en economie (in juni),
(3)dat verzoeker een onvoldoende behaalde voor studiehouding in het voorbije schooljaar,
(4)dat verzoeker onvoldoende gebruik heeft gemaakt van de geboden remediëringskansen en, anderdeels, opmerkend
(5)dat verzoeker het al verschillende jaren moeilijk had voor Nederlands,
(6)dat met betrekking tot het dagelijks werk diverse opmerkingen werden gemaakt,
(7)dat de leraar Nederlands de houding van verzoeker heel passief, ongeïnteresseerd en ongemotiveerd noemt,
(8)dat de onvoldoende studiehouding ook blijkt uit een opmerking in mei 2009 in het seminarie programmeren,
(9)dat verzoeker en zijn ouders meer dan eens het advies van de verschillende klassenraden hebben genegeerd,
(10)dat verzoeker het examen van juni nooit is komen inkijken,
(11)dat uit de bijkomende proef Nederlands blijkt dat verzoeker verschillende vragen gewoon foutief of niet beantwoord heeft, dat er onvoldoende parate kennis aanwezig is en dat voor een richtingsvak als Nederlands, met 4 lesuren per week, waarbij het resultaat van de bijkomende proef maar 35% bedraagt, er geen ruimte tot deliberatie is. 11. Een leerling die gebruik maakt van zijn recht om een examenbeslissing aan te vechten, mag verwachten dat ergens in de loop van de administratieve beroepsprocedure een antwoord komt dat er van doet blijken dat zijn bezwaren ernstig in overweging zijn genomen. XII-5949-11\14 Daarbij moet elk orgaan dat in het kader van deze procedure een opdracht krijgt toevertrouwd er op letten zich aan de grenzen van die opdracht te houden : de beroepscommissie adviseert, het schoolbestuur beslist om de klassenraad al dan niet opnieuw samen te roepen en die klassenraad is als enige orgaan bevoegd om te oordelen over het slagen van de leerling in kwestie. De beroepscommissie en naderhand het schoolbestuur mogen niet de beslissing van de klassenraad overdoen. Als de grieven van de leerling relevant blijken en in de motivering van de klassenraad geen weerlegging kregen, staat er niets anders te doen dan (te adviseren
- om)de delibererende klassenraad opnieuw samen te roepen. 12. In het licht van de eerder genoemde bepalingen van de artikelen 5, § 5, en 57 van het organisatiebesluit die, samengevat, inhouden dat de delibererende klassenraad zich bij zijn beslissingen over het al dan niet slagen van een leerling laat leiden door alle relevante concrete gegevens uit het dossier van de leerling -en dus niet het resultaat van één vak- en dat het met vrucht beëindigen van leerjaren van het voltijds secundair onderwijs niet noodzakelijk gebonden is aan het slagen voor afzonderlijke toetsen, examens of proeven over een deel of het geheel van de vorming, lijkt de klassenraadsbeslissing van 21 augustus 2009 niet de toets van de formele motiveringsplicht te doorstaan. In de huidige stand van de procedure lijkt het erop dat de beroepscommissie, bij het verantwoorden van de getroffen beslissing, uit het oog verloren is dat niet zij, maar wel de delibererende klassenraad het enige orgaan is dat over het al dan niet slagen van leerlingen oordeelt. Wanneer de beroepscommissie vaststelt dat, zoals te dezen, de delibererende klassenraad met betrekking tot het belang van het vak Nederlands (en ondergeschikt ook de studiehouding van verzoeker) wel al te summier heeft gemotiveerd zodat van een draagkrachtige motivering geen sprake lijkt te zijn, vermag zij niet om dan haar eigen motieven ter ondersteuning van het C-attest te formuleren en om, zich aldus in de plaats van de delibererende klassenraad stellend, finaal te beslissen dat “er geen ruimte tot deliberatie mogelijk [is]”. XII-5949-12\14 Eerder dan zo te handelen, was het zaak voor de beroepscommissie om het schoolbestuur te adviseren de delibererende klassenraad opnieuw samen te roepen met het oog op de deugdelijke motivering van de door hem getroffen beslissing. 13. De vraag of de overige motieven die de beroepscommissie zelf aanreikt, wél afdoende zijn, hoeft in het licht van wat voorafgaat niet meer aan de orde te komen. Ten overvloede merkt de Raad van State evenwel nog op dat het antwoord van de beroepscommissie ten dele louter herhaalt wat de delibererende klassenraad als motivering hanteert en ten dele elementen bevat die zelf niet boven alle kritiek lijken te staan. Hiervoor is immers reeds vastgesteld dat door de commissie ál te licht is voorbij gegaan aan de gunstige resultaten van drie van de vier bijkomende proeven. Daargelaten nog dat verzoeker ook een punt lijkt te hebben met betrekking tot de wijze waarop de beroepscommissie over zijn studiehouding over het ganse jaar enkel lijkt te refereren aan één opmerking bij het seminarie programmeren en aan zijn gedrag bij het fatale vak Nederlands, lijkt het advies van de beroepscommissie ook er aan voorbij te gaan dat in de beslissing van de delibererende klassenraad opheldering lijkt te ontbreken over de vraag van verzoeker of zijn inspanningen voor de bijkomende proeven niet van aard zijn om de beoordeling van zijn studiehouding te actualiseren of bij te stellen. 14. Het schoolbestuur heeft zich het advies van de beroepscommissie eigen gemaakt. Aan zijn eindbeslissing kleeft dan ook dezelfde onwettigheid. 15. Het eerste middel en de besproken middelonderdelen van het tweede middel zijn in de aangegeven mate ernstig. Er is, wat het derde voorwerp van de vordering betreft, voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. XII-5949-13\14 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Bevolen wordt de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 2 september 2009 van het schoolbestuur van het Sint-Hubertuscollege van Neerpelt om de over Laurent Beuk delibererende klassenraad niet opnieuw samen te roepen. Artikel 2. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt voor het overige verworpen. Artikel 3. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig september 2009, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-5949-14\14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.290 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.362 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div