id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.323 Rolnummer: A. 185140/VII-37053 Zaak: Arrest 196323 - Milieuvergunningen - 24/09/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-10-02 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-30 03:36 Fiche Arrest nr 196.323 van 24 september 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Tussenkomst geweigerd Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 196.323 van 24 september 2009 in de zaak A. 185.140/VII-37.053. In zake : de stad EEKLO, die woonplaats kiest bij advocaat S. KEMPINAIRE, kantoor houdende te GENT, Putkapelstraat 105 tegen : de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen. tussenkomende partijen : 1. Roger STUYVAERT, 2. Kurt POPPE, die woonplaats kiezen bij advocaat J. OPSOMMER, kantoor houdende te OUDENAARDE, Kasteelstraat 8. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de stad EEKLO op 14 september 2007 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen van 12 juli 2007 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Eeklo van 13 februari 2007, houdende weigering aan Roger STUYVAERT van de milieuvergunning voor het exploiteren van een varkenshouderij, gelegen aan de Kruiskenstraat te Eeklo, wordt ingewilligd, de beroepen beslissing wordt opgeheven en aan Roger STUYVAERT de gevraagde vergunning wordt verleend; Gelet op het arrest nr. 178.894 van 24 januari 2008 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door de verzoekende partij; VII-37.053-1/20 Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 9 oktober 2007 ingediend door Roger STUYVAERT en Kurt POPPE; Gelet op de beschikking van 10 april 2008 die de tussenkomst van Roger STUYVAERT en Kurt POPPE toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur P. SOURBRON; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 24 juni 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 3 september 2009; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. RAMAN die, loco advocaat S. KEMPINAIRE verschijnt voor de verzoekende partij, van bestuurs- secretaris-jurist H. DIEPENDAELE, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat J. OPSOMMER, die verschijnt voor de tussenkomende partijen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur P. SOURBRON; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; VII-37.053-2/20 OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De feiten De gegevens van de zaak kunnen als volgt worden samengevat : 1.1. De eerste tussenkomende partij baat een veebedrijf uit aan de Peperstraat 55 te Eeklo. Zij heeft een vergunning voor het houden van 39 runderen en 615 varkens en voor 490 m³ mestopslag. Op 4 december 2006 dient zij een milieuvergunningsaanvraag in voor het herlocaliseren van haar bedrijf naar de Kruiskenstraat te Eeklo. Tevens vraagt zij de omvorming van de vergunde runderen naar varkens zodat de vergunning nog enkel 781 varkens omvat. Ook wordt een uitbreiding van de mestopslag tot 700 m³ vloeibare mest aangevraagd. Omdat zij op het nieuwe terrein een nieuwe varkensstal wenst te bouwen en dit een aanzienlijke investering is, vraagt zij tevens de vroegtijdige hernieuwing van de vergunning voor twintig jaar aan. Het perceel aan de Kruiskenstraat is eigendom van Marc POPPE die toestemming geeft aan de eerste tussenkomende partij om er haar bedrijf op uit te baten. Uit het verzoekschrift tot tussenkomst blijkt dat er tussen de eerste tussenkomende partij en de tweede tussenkomende partij en Marc POPPE een overeenkomst is gesloten waarbij laatstgenoemden het bedrijf van de eerste tussenkomende partij zullen overnemen eens het is geherlocaliseerd. Er worden 380, waarvan 372 identieke, bezwaarschriften ontvangen. Dientengevolge wordt er op vraag van de aanvrager een informatieverga- dering georganiseerd. Er worden adviezen uitgebracht : (
- a)de Vlaamse Landmaatschappij adviseert gunstig; (
- b)de gemeentelijke milieudienst adviseert ongunstig op grond van de volgende motieven : "- Alle vergunningsplichtige rubrieken van het bestaande bedrijf in de Peperstraat zijn in agrarisch gebied gelegen, hierdoor kan gesteld worden dat het bedrijf niet voldoet aan de voorwaarden om voor herlocalisatie in aanmerking te komen. - Er zijn in de aanvraag onduidelijkheden/tegenstrijdigheden of (
- er)ontbreekt de nodige informatie. º Het is onduidelijk of er huishoudelijk afvalwater zal geloosd worden en hoe dit zou gebeuren. º Er ontbreekt noodzakelijke informatie over het ammoniakemissiearme systeem S1: Er is geen dimensioneringsplan in de aanvraag aanwezig. Er wordt eveneens niet vermeld waar het spuiwater naar toe gaat. VII-37.053-3/20 º Er is geen informatie beschikbaar over de herkomst van het bedrijfswater (...). Er is geen grondwaterwinning aangevraagd. - De locatie van de nieuwe inrichting is onverenigbaar met de omgeving en de goede plaatselijke ruimtelijke ordening". Op 13 februari 2007 weigert het college van burgemeester en schepenen van de stad Eeklo de aanvraag op grond van de onverenigbaarheid met de omgeving en de goede plaatselijke ruimtelijke ordening. 1.2. Op 12 maart 2007 stelt de eerste tussenkomende partij beroep in tegen deze weigeringsbeslissing. In het kader van de beroepsprocedure worden enkele adviezen ingewonnen : (
- a)de Vlaamse Landmaatschappij adviseert op 16 april 2007 gunstig; (
- b)de afdeling Milieuvergunningen geeft op 23 april 2007 een gunstig advies; (
- c)op 26 april 2007 adviseert ook het Intern Verzelfstandigd Agentschap Ruimtelij- ke ordening - Onroerend erfgoed Vlaanderen (hierna : IVA-RO) gunstig; (
- d)de provinciale milieudeskundige adviseert gunstig voor zover uit het opmetings- plan van de beëdigde landmeter blijkt dat er vergunningsplichtige activiteiten worden uitgeoefend in het woongebied met landelijk karakter op de huidige vestigingsplaats van het bedrijf; (
- e)op de zitting van 5 juni 2007 hoort de Provinciale Milieuvergunningscommissie de eerste tussenkomende partij en de vertegenwoordiger van de verzoekende partij. De verklaringen van laatstgenoemde worden als volgt weergegeven in het advies van de Provinciale Milieuvergunningscommissie : "De vertegenwoordiger van de Stad voert de stelling aan dat er geen vergunningsplichtige activiteiten zijn die binnen het woongebied liggen. Bovendien is de locatie van de nieuw in te planten inrichting een groot open gebied, met langs de ene kant 600 m en langs de andere kant 1 km velden. Als bewijs en documentatie wordt een luchtfoto van de locatie neergelegd. De vertegenwoordiger van de Stad verklaart dat de Stad Eeklo al gedurende meer dan 10 jaar een beleid voert dat tot doel strekt de (...) landschapswaarde van de open ruimte te behouden. In dat verband wordt verwezen naar een gelijkaardig dossier van het bedrijf NRC (een mestverwerkingsinstallatie): de exploitatie was gelegen op dezelfde locatie en de vergunning is toen geweigerd om dezelfde reden. Het vergunnen van de verplaatsing i.k.v. de huidige aanvraag zou betekenen dat een beleid van meer dan 10 jaar in duigen zou vallen". De Provinciale Milieuvergunningscommissie treedt de argumen- ten van de verzoekende partij bij en geeft een ongunstig advies. VII-37.053-4/20 1.3. Op 12 juli 2007 kent de verwerende partij de vergunning toe. Zij legt een aantal bijzondere voorwaarden op. Het besluit wordt als volgt gemotiveerd : "Overwegende dat wat de aanvraag betreft, het volgende kan gesteld worden: Met de voorliggende aanvraag beoogt de exploitant de exploitatie van een nieuwe inrichting, in combinatie met de stopzetting van een te verplaatsen veeteeltinrichting. De te verplaatsen veeteeltinrichting gelegen aan de Peperstraat 55 te Eeklo, zal gevestigd worden op een nieuwe inrichtingsplaats nl. Kruiskensstraat z/n, eveneens te Eeklo. De exploitant beschikt in de Peperstraat momenteel over een vergunning van 615 'andere varkens en 39 runderen (10 runderen jaar en 19 'andere' runderen). Samen met de verplaatsing wordt de rundveesta- pel omgevormd naar varkens om tot een zuivere varkenshouderij te komen. De stallen van de te verplaatsen inrichting zijn ingericht en gelokaliseerd zoals op het plan bij de aanvraag. Ook de nieuwe stal is voldoende ruim om het gevraagde aantal dieren te huisvesten. Voor zover vast te stellen zijn alle standplaatsen vergund die aangeduid zijn op het plan bij de milieuvergunning. De mogelijke omvorming van de standplaatsen voor runderen naar standplaatsen voor mestvarkens zou dus eventueel ook in de bestaande stallen kunnen gebeuren. Het is de bedoeling dat de inrichting, voor zover ze op deze lokatie wordt vergund, vervolgens zal worden overgenomen door Dhr. Poppe. De milieuvergunningsaanvraag werd in eerste aanleg geweigerd door het College van Burgemeester en Schepenen van Eeklo omwille van het feit dat de vergunningsplichtige activiteiten volledig in het agrarisch gebied zouden worden uitgebaat waardoor de aanvraag niet in aanmerking komt voor verplaatsing, omwille van ontbrekende informatie in het aanvraagdossier (lozen huishoudelijk afvalwater, dimensionering luchtwasser en waterbevoorrading) en wegens het schenden van de goede plaatselijke ruimtelijke ordening. Proceduraal: Tijdens het openbaar onderzoek werden door de exploitant nog wijzigingen doorgegeven aan de diensten van het gemeentebestuur: het betreft de wijziging van het staltype (emissiearm systeem) en de dierenbezetting (mestvarkens i.p.v. jonge zeugen). De aanvraag werd vrij beknopt opgesteld maar wel volledig en ontvankelijk verklaard. Het feit dat de grondwaterwinning (nog) niet werd aangevraagd en dat er nog geen aansluiting is op het elektriciteitsnet, zijn zaken die opgelost kunnen worden. Overwegende dat wat de planologische aspecten betreft, het volgende kan gesteld worden: De te verplaatsen inrichting is volgens het Gewestplan 'Eeklo-Aalter' deels gelegen in een woongebied met landelijk karakter en deels in een agrarisch gebied. Bij het beroepsschrift van de exploitant werd een opmetingsplan gevoegd van een beëdigd landmeter waarop wordt aangeduid welk gedeelte van de gebouwen gelegen is in het woongebied met landelijk karakter en welk deel in het agrarisch gebied. Hieruit blijkt, na controle ter plaatse, dat mogelijks een klein gedeelte van de vergunningsplichtige activiteiten (nl X m³ mestopslag en Y varkens worden uitgebaat in het woongebied met landelijk karakter. Er werd gevraagd om het opmetingsplan te verfijnen en de bijkomende gegevens (X en Y) te bezorgen op de vergadering van de PMVC van 5 juni 2007, wat ook gebeurde (cfr. infra onder '10.Advies PMVC'). De nieuw in te planten inrichting zal volledig gelegen zijn in een agrarisch gebied. VII-37.053-5/20 Het dichtstbijgelegen hindergevoelig gebied, zijnde een woongebied, ander dan woongebied met landelijk karakter, is gelegen op ca. 420 m van de inrichting. Op ca. 600 m bevindt zich een woongebied met landelijk karakter. De onmiddellijke omgeving van de nieuw in te planten inrichting is onbebouwd. In een straal van 100 m rondom de perceelsgrenzen staan geen vreemde woningen. Ook de ruimere omgeving (straal van 400
- m)is onbe- bouwd. Het betreft een open en ongeschonden gebied, waarvoor in de stedenbouwkundige vergunning zal moeten worden afgewogen of op die lokatie een nieuwe inrichting kan worden ingeplant. De ligging van de inrichting in een agrarisch gebied is in overeenstemming met de bepalingen van het KB van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de gewestplannen. Door de nieuwe inplanting wordt - zoals in het besluit van het College van Burgemeester en Schepenen van Eeklo gesteld - een ongeschonden deel open ruimte van het agrarisch gebied aangesneden. In het verleden werd door de Deputatie op vrijwel dezelfde locatie ook reeds een nieuwe inrichting (NRC
- nv)geweigerd omwille van de schending van de open ruimte. Overwegende dat wat de milieuhygiënische aspecten betreft, het volgende kan gesteld worden: Afvalwater Volgens de voorliggende aanvraag zal op de geplande inrichting geen afvalwater worden geloosd. Er wordt geen bedrijfswoning voorzien en het huishoudelijk afvalwater afkomstig van de douche die wordt voorzien, zal worden geloosd in de mestkelder, evenals het reinigingswater van de stallen. De oppervlakte van de stal bedraagt ongeveer 675 m². Van een dergelijke dakoppervlakte kan jaarlijks theoretisch ongeveer 485 m³ regenwater opgevangen worden. Uit berekeningen blijkt dat met een regenwaterberging van 20 m³ er, bij een leegstand van 1%, dagelijks ongeveer 0,65 m³ regenwater ter beschikking zou zijn voor laagwaardige toepassingen zoals reiniging van de stallen. Met betrekking tot de opvang van hemelwater voorziet de exploitant een berging van 60.000 liter. Dit water zal gebruikt worden als drinkwater voor de dieren en als reinigingswater. Het regenwater van de verhardingen wordt afgeleid naar de gracht. Er dient evenwel opgemerkt dat ingevolge de gewestelijke stedenbouwkun- dige verordening van 1 oktober 2004 inzake hemelwaterputten, infiltratievoor- zieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater, moet worden gekozen voor opvang en gebruik, infiltratie of vertraagde afvoer van het hemelwater van de nieuw te bouwen stallen, loods en de eventueel aansluitende verhardingen. Dit werd geregeld via de bouwvergun- ning. Bodem- en grondwaterverontreiniging Voor zover de mestkelders vloeistofdicht worden uitgevoerd, wordt de kans op bodem- en grondwaterverontreiniging tot het aanvaardbare beperkt. Geluidshinder - Geurhinder De inrichting betreft eerder een kleinschalig varkensbedrijf, waardoor gelet op de schaalgrootte weinig geurhinder te vrezen is. Daarenboven ligt op de nieuwe locatie geen enkele vreemde woning binnen de straal van 100 meter rond de perceelsgrenzen én dient de stal emissiearm gebouwd te worden. Dit zal gebeuren door het plaatsen van een biologisch luchtwassysteem. Uit de resultaten van het openbaar onderzoek blijkt dat er opmerkingen zijn met betrekking tot geluids- en geurhinder. Deze vrees is gelet op de toegepaste technieken en de afstand tot de woningen onterecht. Er kan worden aangeno- men dat de inrichting zonder noemenswaardige hinder voor de onmiddellijke omgeving kan worden uitgebaat. VII-37.053-6/20 Inplantingsregels Voor de varkenshouderij dient de uitbreiding getoetst te worden aan de afstandsregels van Vlarem II. Na verandering worden er standplaatsen voorzien voor 781 andere varkens, dus 781 varkenseenheden. Zelfs bij Mestproductie — Mestafzet — Mestdecreet van 23 januari 1991 In artikel 33ter, §1, 1/, c), 5) en 3/ en 4/ van het Mestdecreet van 23 januari 1991 wordt bepaald aan welke criteria een aanvraag van de milieuvergunning, als bedoeld in het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, voor de exploitatie van een nieuwe veeteeltinrichting moet voldoen, Voor de nieuwe inrichting: De nieuwe inrichting is volgens het gewestplan gelegen in agrarisch gebied. Derhalve is voldaan aan de bepalingen van artikel 33ter, §1, 1/, c), 5) van het Mestdecreet van 23 januari 1991. Voor de nieuwe inrichting, zijnde Kruiskensstraat z/n te 9900 Eeklo werd - volgens de informatie waarover de Vlaamse Landmaatschappij beschikt - geen stopzettingsvergoeding in het kader van het decreet van 9 maart 2001 toegekend. Derhalve is de aanvraag verenigbaar met artikel 33ter, §1, 1/, c), 5) van het Mestdecreet van 23 januari 1991. Voor de te verplaatsen inrichting: De inrichting kan conform artikel 5.9.3.1. §1 en §2 van het Vlarem en artikel 2, 7/ van het Mestdecreet van 23 januari 1991 beschouwd worden als een 'bestaande veeteeltinrichting' aangezien de mestbankaangifte van het aanslagjaar 1993 werd ontvangen op 2 april 1993 en aangezien de definitieve bouwvergunning werd verleend voor 1 september 1991. Derhalve is voldaan aan artikel 33ter,§1, 1/,
- c)4) van het Mestdecreet van 23 januari 1991. De te verplaatsen inrichting is mogelijks niet geheel gelegen in een agrarisch gebied of landschappelijk waardevol agrarisch gebied, waardoor wordt voldaan aan de bepalingen van artikel 33ter, §1, 1/, c), 5) van het Mestdecreet van 23 januari 1991. De exploitant heeft ter zitting van de PMVC een opmetings- plan van een beëdigde landmeter neergelegd. Volgens de info waarover de Vlaamse Landmaatschappij beschikt, is de vergunningsaanvrager reeds 5 jaar ononderbroken vergunningshouder van de te verplaatsen inrichting. Bijgevolg is de aanvraag verenigbaar met artikel 33ter, §1, 1/, c), 5) van het Mestdecreet van 23 januari 1991. De vergunningsaanvrager legt een ondertekende en gedateerde verklaring voor, waaruit blijkt dat de exploitatie van de te verplaatsen inrichting volledig zal worden stopgezet binnen een periode van 2 jaar te rekenen vanaf datum beslissing, zodat de aanvraag voldoet aan de bepalingen van artikel 33ter, §1, 1/, c), 5) van het Mestdecreet van 23 januari 1991. Voor de te verplaatsen inrichting Peperstraat 55 te Eeklo werd - volgens de informatie waarover de Vlaamse Landmaatschappij beschikt - geen stopzet- tingsvergoeding in het kader van het decreet van 9 maart 2001 toegekend. Derhalve is de aanvraag verenigbaar met artikel 33ter, §1, 1/, c), 5) van het Mestdecreet van 23 januari 1991. Voor de inrichting zijn er voor de drie laatste jaren aangiften gekend bij de Mestbank, waardoor er dus voldaan is aan de aangifteplicht en waardoor de aanvraag verenigbaar is met artikel 33ter, §1, 3/ van het Mestdecreet van 23 januari 1991. Wat betreft mestafzet in het verleden werd er de laatste 3 kalenderjaren gemiddeld 100 % van de opgegeven fosfaatproductie afgezet conform de bepalingen van het Mestdecreet van 23 januari 1991 (Grens = 90 %). Derhalve VII-37.053-7/20 is de aanvraag verenigbaar met artikel 33ter, §1, 3/ van het Mestdecreet van 23 januari 1991. Er werd evenwel niet nagegaan of er al dan niet werd voldaan aan de verwerkingsplicht. Uitgaande van de mestbankaangifte en rekening houdend met de gekende vergunningsbeslissingen bedraagt de vergunde mestproductie van de stop te zetten inrichting volgens het advies van de Mestbank 4.168 kg P2O5/jaar en 10.778 kg N/jaar overeenkomstig 10 runderen 'andere' runderen en 615 'andere' varkens. Voorwaarden na verplaatsing: De gewenste vergunde mestproductie, na verplaatsing van de inrichting, bedraagt 4.163kg P2O5/jaar en 10.153kg N/jaar overeenkomstig 781 'andere' varkens. Derhalve is er - na verplaatsing - geen stijging van de mestproductie en wordt voldaan aan artikel 33ter, §1, 3/ van het Mestdecreet van 23 januari 1991. Uit de aanvraag is af te leiden dat er een nieuwe varkensveestal wordt gebouwd. De aanvrager geeft aan dat de stal zal uitgevoerd worden conform systeemnummer S-1 (biologisch luchtwassysteem) van de lijst. Derhalve is voldaan aan artikel 5.9.2.lbis., § 1 van titel II van het VLAREM en aan artikel 33ter, § 1, 1/, c), 4) van het Mestdecreet van 23 januari 1991. Mestopslag: Rekening houdend met de bepalingen aangaande mestopslag van bijlage 5.9 van Vlarem II is er een mengmestopslag vereist van 625 m³ en geen vaste mestopslagcapaciteit van 195 m³. Gezien de mengmestopslagcapaciteit 700 m³ bedraagt, wordt er voldaan aan resp. artikel 5.9.2.3. en artikel 5.9.2.2§5 van Vlarem II. Visuele hinder Een groenscherm wordt voorzien om de inrichting te kaderen in het geheel van de omringende landschapselementen. De aanleg van het groenscherm dient te gebeuren op advies van en in samenspraak met de gemeentelijke milieu- dienst. Watertoets In deze passage wordt nagegaan of de inrichting gelegen is in een overstro- mingsgebied en of de inrichting nadelige effecten zou kunnen veroorzaken op het overstromingsrisico voor de omgeving. De watertoets beslaat evenwel een ruimer toepassingsgebied. De afweging van de overige effecten op het aquatisch milieu gebeurt afhankelijk van de noodzaak bij de bespreking van de andere milieuhygiënische aspecten in de daartoe bedoelde ondertitel afvalwater, bodem- en grondwaterverontreiniging- en, mestdecreet. Deze specifieke afwegingen worden hier niet meer herhaald. De inrichting is gelegen in het 'Bekken Brugse Polders'. Volgens de overstromingsinformatie op www.geo-vlaanderen.gisvlaanderen.be is de inrichting niet gelegen in een overstromingsgebied of in een risicozone voor overstromingen. Met betrekking tot de bouw van de nieuwe gebouwen werd een positieve watertoets uitgevoerd in het kader van de afgeleverde bouwver- gunning. Overwegende dat wat betreft de ingediende bezwaren het volgende kan worden gesteld: Gedurende het openbaar onderzoek werden 380 schriftelijke bezwaren (8 individuele en 372 identieke) ingediend. De argumenten kunnen als volgt worden samengevat: - de laattijdigheid van de informatievergadering; omwonenden zijn te laat of niet op de hoogte gebracht van de informatievergadering; de manier van informatieverspreiding; niemand kon de affiche in de Kruiskens- straat lezen omdat er wegenwerken aan de Vrombautstraat in uitvoering waren waardoor de Kruiskensstraat onbereikbaar was via de Vrombautstraat; VII-37.053-8/20 De organisatie van een informatievergadering voor een klasse 2 inrichting is niet verplicht, uit informatie van de gemeente blijkt dat al het nodige werd gedaan om de informatievergadering bij de omwonenden en geïnteresseerden bekend te maken; - waardedaling van de eigendommen; de milieuvergunningsaanvraag dient beoordeeld op haar planologische en milieuhygiënische verenigbaarheid. Het al dan niet resulteren van de uitvoering van een milieuvergunningsaanvraag in een waardevermindering van een onroerend goed maakt daar geen onderdeel van uit; - de aanvrager Roger Stuyvaert is geen eigenaar van het perceel in de Kruiskensstraat; Dit is geen noodzaak; voorzover de aanvrager beschikkingsrecht heeft over de percelen is er geen probleem. Verder is het zo dat de inrichting later zal worden overgenomen door de eigenaar van de percelen; - er zijn geen nutsvoorzieningen aanwezig voor water/riolering; dit is juist, maar wat er niet is, kan worden aangelegd: in het beroepsschrift zit een offerte voor de aansluiting van de elektriciteit, waterzuivering zal op individuele basis moeten gebeuren (IBA), - het uitzicht van het landschap wordt verstoord; ligging in een open landschap met landelijk karakter en op de grens van een waterwinningsgebied; het is effectief waar dat dit deel van het landschap nog een uitgesproken open karakter heeft; de inplanting van een nieuwe inrichting zal dat open karakter verstoren; in het verleden werd door de Deputatie op vrijwel dezelfde locatie ook reeds een nieuwe inrichting (NRC
- nv)geweigerd omwille van de schending van de open ruimte; de inplantingsplaats van de nieuwe inrichting is niet gelegen binnen het waterwinningsgebied, er gelden op dat vlak dan ook geen beperkingen. - het perceel ligt langs een weg (3 meter breed) die dagelijks door vele honderden fietsers (schoolgaande jeugd) gebruikt wordt die via de fietsersbrug van over de N49/E34 komen (naar Eeklo toe en omgekeerd); de weg is inderdaad smal; de grootte van het aangevraagde bedrijf is evenwel niet van die aard dat er een extreme verkeersstroom zal worden gegenereerd; - de locatie ligt op een 300-tal meter van een woonzone met een nieuwe verkaveling met ongeveer 330 nieuwe woningen. De eigenaars wisten niet van deze plannen om dan ook niet te spreken van de 300 reeds bestaande woningen in de Vrombautstraat-Kriekmoerstraat; de inplanting van het nieuwe bedrijf voldoet aan de verbods- en afstandsregels van het Vlarem; verder is het steeds mogelijk om in het agrarisch gebied een aanvraag in te dienen met betrekking tot de exploitatie van een agrarische aktiviteit; - In de aanvraag is enkel sprake van een nieuw op te richten varkensstal voor 871 dieren daar waar er een herlocalisering van een bestaand bedrijf is. Wordt er hier dan een stal geplaatst zonder bijhorende woonst? Gaan die varkens zichzelf verzorgen? het is niet abnormaal dat de inplanting van een nieuw bedrijf in de agrarische zone start met enkel een stal; de woning volgt meestal later; De verzorging van de varkens is op een modern bedrijf verregaand geautomatiseerd en vergt niet noodzakelijk de permanente aanwezigheid van een exploitant; - Voor zover gezien is er in de aanvraag nergens sprake van opslag van energie of stallen van landbouwvoertuigen, al dan niet vergezeld van schadelij- ke en gevaarlijke goederen. Is er ook soms waterwinning voorzien? dergelijke activiteiten zijn niet aangevraagd en voor de exploitatie van een varkensstal ook geen vereiste; de exploitant zou in een later stadium wel een grondwaterwinning wensen aan te vragen; VII-37.053-9/20 - Bijkomend verkeer langs de smalle toegangsweg van zware vrachtwagens met varkens en veevoeder zal het hierop niet berekend wegdek verder vernielen dan het normaal hier voorzien verkeer op deze betonweg. de betonweg en een weg uitgerust voor landbouwverkeer volstaat dan ook voor het verkeer naar en van het landbouwbedrijf; - Niet enkel het zware verkeer zal voor bijkomende geluidshinder zorgen ook de dieren kunnen voor de nodige decibels zorgen; de gebruikte ventilatoren zijn van een geluidsarm type en voldoen volgens de informatie bij het beroepsschrift aan de geluidsnormen; eventuele geluidshinder van de dieren zal beperkt zijn; - Geurhinder is er bij dergelijke bedrijven. En gezien de regelmatig uit die hoek komende winden is er zekerheid voor ons dat wij zullen geconfronteerd worden met bijkomende beperkingen voor het openzetten van ramen en deuren om dan niet te spreken van het buiten drogen van de was. Nu reeds bij wind en mist ruiken we de bedrijven van de Vrombautstraat. de inrichting is eerder kleinschalig en wordt gebouwd volgens het ammoniak- emissiearme principe, wat ook naar geurhinder toe een positieve invloed heeft; - Wat voor ongedierte en insecten brengt dergelijk bedrijf mee? de exploitant is er steeds toe gehouden ongedierte te bestrijden; de ervaring leert dat dit op moderne bedrijven, mits een degelijke bedrijfsvoering, geen problemen met zich meebrengt; - Welke zekerheid kan er gegeven worden dat deze aanvraag niet de start is van een nieuwe mastodont in deze branche? de uitbreiding van een bedrijf is steeds gekoppeld aan een vergunningsaan- vraag, die op dat moment zal worden beoordeeld; - Wat bij eventuele lekkages op dit bedrijf en de nabijheid van waterlopen naar het waterwinningsgebied? Het gaat om een nieuwe stal met mestkelders die gebouwd zullen worden volgens de code van goede praktijk; mits een degelijke exploitatie is de kans op verontreiniging van de aanpalende waterlopen en indirect het waterwinningsge- bied beperkt tot het aanvaardbare; - Waarom moet deze aanvraag gebeuren voor herlocalisering van een bestaand bedrijf uit de Peperstraat waarvoor nog een vergunning loopt tot 2011 en waarvan de uitbater reeds een behoorlijke ouderdom heeft? De wetgeving laat in bepaalde gevallen bedrijfsverplaatsingen toe; voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden kan de verplaatsing doorgaan; de leeftijd van de exploitant, noch de looptijd van de vergunning van de te verplaatsen inrichting zijn daarbij een beperkende factor; - We stellen ons de vraag of het hier gaat om een verdoken aanvraag ten einde een reeds eerder afgekeurd mestverwerkingsbedrijf toch in te planten. In de voorliggende aanvraag is hiervan geen sprake; een eventuele uitbreiding met een mestverwerkingsinstallatie zal het voorwerp moeten uitmaken van een nieuwe milieuvergunningsaanvraag. - Opmerkingen informatievergadering: de presentatie door FAST heeft geen objectieve versie van de feiten weergegeven; de presentatoren van FAST waren onvoldoende geïnformeerd; vaak werden de aanwezigen uitgelachen en belachelijk gemaakt; de aanwezigen kregen niet de kans om al hun vragen te stellen; als er al antwoorden gegeven werden, waren die niet bevredigend; de aanwezigen kregen niet de kans om uit te spreken of om hun mening te uiten. De onafhankelijkheid van FAST mag sterk in vraag worden gesteld gezien zij deel uitmaken van de groep lnteragri-Dumoulin, een veevoederproducent, die de belangen van de landbouw dient. Op een informatievergadering wordt uitleg gegeven over de aanvraag door de exploitant of zijn vertegenwoordiger(s); het studiebureau FAST heeft de milieuvergunningsaanvraag opgemaakt, het is dan ook logisch dat zij de toelichting verzorgden; de moderatie van de vraagstelling en de antwoorden op VII-37.053-10/20 deze vragen gebeurt best door de gemeente/stad; het is niet altijd eenvoudig om dat op een serene manier te laten gebeuren; het belangrijkste is en blijft evenwel de correcte informatieverschaffing en het bieden van de mogelijkheid om tijdens het openbaar onderzoek bezwaren te uiten; dit is in het voorliggend dossier zeker het geval; - Dhr. Stuyvaert is geen eigenaar van de grond en zou optreden als stroman voor dhr. Poppe uit de Bus die blijkbaar op zijn naam de nodige vergunningen niet kan bekomen. Dit doet ons vermoeden dat deze laatste de voorgenoemde vergunning later zal afkopen en aldus de bedoeling heeft om verder uit te breiden. Dit zou reeds bekend zijn bij sommige Eeklose politieke gezaghebbers sedert oktober 2006. Dit is inderdaad een mogelijke optie, en wettelijk niet verboden; het dossier bevat hierover evenwel geen enkele informatie; bij het plaatsbezoek bleek evenwel dat dhr. Poppe inderdaad de toekomstige exploitant zou kunnen zijn; - Belangenmenging binnen het nieuwe College van Burgemeester en schepenen. Dit is een opmerking die in het kader van deze milieuvergunningsaanvraag niet kan worden nagegaan; - Een dergelijk varkensbedrijf hoort op een industriezone en niet in een woonwijk. Deze opmerking is onterecht, een varkenshouderij hoort thuis in het agrarisch gebied; Overwegende dat wat betreft de argumenten van de beroeper het volgende kan gesteld worden: - De eigenlijke stallen zijn wel degelijk deels gelegen in het woongebied, dit wordt gestaafd door de opmetingen van een expertlandmeter. Deze gegevens konden worden nagegaan doordat de aanvrager op de zitting van 5 juni 2007 van de PMVC een aanvullend opmetingsplan heeft neergelegd van een beëdigde landmeter. Hieruit blijkt wel degelijk dat een gedeelte van de stallen gelegen is in woongebied met landelijk karakter. - Dit argument is gegrond. - Er zullen geen bijkomende transporten gebeuren ten opzichte van de huidige situatie. Dit is gedeeltelijk juist, er werd door de eigenaar van het te bebouwen perceel (= de toekomstige eigenaar) alleen grond ter beschikking gesteld voor het bouwen van een stal. Zolang deze nieuwe inrichting op naam van de huidige exploitant vergund blijft, zullen er dus in principe wel mesttransporten gebeuren. - Er zal geen geurhinder zijn door de toepassing van een ammoniakemissiearm systeem, namelijk een biologische luchtwasser. Het is uiteraard wel zo dat er op de nieuwe lokatie varkens zullen worden gehouden en dat er op dit ogenblik geen dieren aanwezig zijn, waardoor er onvermijdelijk meer geurhinder zal zijn; De geurhinder zal door de biologische luchtwasser evenwel zeer sterk beperkt worden; - Er zal geen afvalwater geloosd worden, er werd ook geen bijkomende informatie gevraagd én het dossier werd volledig en ontvankelijk verklaard. Dit is gedeeltelijk juist, de beperkte hoeveelheid sanitair afvalwater kan echter ook naar de mestkelder afgevoerd worden en is dan niet ingedeeld; - De watervoorziening voor de dieren zal gebeuren d.m.v. een grondwaterwin- ning die later zal aangevraagd worden. Dit is inderdaad mogelijk, maar was beter ineens mee aangevraagd in het kader van dit dossier; - De nieuwe locatie beantwoordt volledig aan de wetgeving m.b.t. de ruimtelijke ordening. De inplanting in het agrarisch gebied is planologisch in orde; bij de verlening van de stedenbouwkundige vergunning dient evenwel de afweging worden VII-37.053-11/20 gemaakt in hoeverre de open ruimte niet wordt aangetast; de stal wordt ingeplant in een nu groot aaneengesloten gebied vrij van gebouwen; - De geluidshinder zal ruim onder de toepasselijke normen liggen. Voor zover de voorgestelde ventilatoren gebruikt worden is dat argument gegrond; - Elektriciteitsvoorziening kan aangelegd worden en wordt bewezen d.m.v. een offerte. Dit argument is gegrond; Overwegende dat de beroepsargumenten aangevoerd door de exploitant deels gegrond zijn; Overwegende dat de exploitant, overeenkomstig artikel 43 §2. van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning steeds alle maatregelen dient te nemen om schade en hinder te voorkomen; Overwegende dat de vergunningverlenende overheid, overeenkomstig artikel 20 van het milieuvergunningsdecreet, onverminderd de bepalingen van dezelfde wetten, decreten en uitvoeringsbesluiten bij het verlenen van een vergunning bijzondere voorwaarden kan opleggen, met het oog op de bescherming van de mens en het leefmilieu; Overwegende dat, wat voorafgaat in acht genomen, kan gesteld worden dat de risico's voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting, mits naleving van de in onderhavig besluit opgelegde milieuvoorwaarden tot een aanvaard- baar niveau kunnen worden beperkt". 2. De ontvankelijkheid 2.1.1. De tussenkomende partijen betwisten het belang van de verzoekende partij. Zij stellen dat de verzoekende partij haar belang vindt in de aantasting van een beweerde open ruimte en de doorkruising van haar ruimtelijk beleid, maar dat het bestreden besluit op zich echter geen aantasting oplevert van de plaatselijke ruimtelijke ordening, nu het enkel gaat om het toestaan van een milieuvergunning onder voorwaarden. Zij wijzen er ook op dat de verzoekende partij in 2007 nog steeds niet over een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan beschikt en dat de middelen die de verzoekende partij aanhaalt eigenlijk allemaal gericht zijn tegen de bouw van een varkensstal. 2.1.2. De verzoekende partij repliceert dat de aanvraag betrekking heeft op een perceel dat gelegen is op haar grondgebied en dat het geplande project het planologische beleid van de verzoekende partij doorkruist. Dat zij de open ruimte wil behouden en dat uit het ontwerp structuurplan van Eeklo van 30 juni 2006, waarvan de definitieve vaststelling voorzien is voor 2008, duidelijk blijkt dat de uitbreiding van agrarische bedrijven enkel kan binnen de agrarische clusters mits aan een landschappelijke inpassing wordt voldaan. VII-37.053-12/20 2.1.3. Een overheid die in eerste aanleg een milieuvergunning heeft geweigerd heeft er persoonlijk belang bij de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van de beroepsinstantie die wel de vergunning verleent wanneer zij meent dat die laatste beslissing haar milieubeleid doorkruist en zij heeft er ook persoonlijk belang bij haar in eerste aanleg genomen beslissing gehandhaafd te zien. Te dezen heeft de verzoekende partij de vergunning in eerste aanleg geweigerd om steden- bouwkundige redenen, terwijl de verwerende partij ze in beroep heeft verleend. Milieuvergunningsaanvragen moeten worden getoetst aan de geldende ruimtelijke en planologische voorschriften. De vernietiging van een beslissing over een milieuvergunningsaanvraag kan dan ook worden gevorderd op grond van middelen die zich in de stedenbouwkundige sfeer bevinden. Het feit dat de milieuvergunning niet het eigenlijke bouwen of oprichten van de constructies tot voorwerp heeft, doet daar niets aan af. De omstandigheid dat de verzoekende partij ten tijde van het nemen van het bestreden besluit nog steeds geen gemeentelijk ruimtelijk structuur- plan had opgemaakt, is niet van aard het belang bij voorliggend beroep te ontnemen. De exceptie wordt verworpen. 2.2.1. In hun laatste memorie melden de tussenkomende partijen dat het college van burgemeester en schepenen van de stad Eeklo op 9 december 2008 akte heeft genomen van de overname van de bestaande inrichting aan de Kruiskenstraat te Eeklo door de tweede tussenkomende partij. De tussenkomende partijen stellen dat in elk geval het actueel belang van de tweede tussenkomende partij vaststaat gelet op het besluit van de verzoekende partij tot aktename van overname van de milieuvergunning door de tweede tussenkomende partij. De eerste tussenkomende partij heeft contractuele verplichtingen opgenomen ten opzichte van de tweede tussenkomende partij, zodat ook de eerste tussenkomende partij nog steeds een actueel belang heeft om het beroep tot nietigverklaring te zien verwerpen. 2.2.2. De tweede tussenkomende partij is als gevolg van de overname de exploitant die zich beroept op de milieuvergunning. De eerste tussenkomende partij heeft bijgevolg geen hoedanigheid meer om zich op die vergunning te beroepen. Mogelijke contractuele verplichtingen, die overigens niet worden geëxpliciteerd, kunnen aan het verlies van hoedanigheid als gevolg van de overlating van de inrichting, niet verhelpen. Er wordt immers niet ingezien hoe de eerste VII-37.053-13/20 tussenkomende partij nog kan opkomen voor een vergunning van een inrichting die haar niet meer toebehoort. De tussenkomst van de eerste tussenkomende partij is bijgevolg niet meer ontvankelijk en moet worden afgewezen. Waar voorts de tussenkomende partij wordt vermeld, wordt de tweede tussenkomende partij bedoeld. 3. Ten gronde 3.1. In een derde middel voert de verzoekende partij de schending aan van de artikelen 1.1.2 en 1.2.1 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, van de artikelen 30, § 1, 5/, en 50 van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna : Vlarem I), van het zorgvuldig- heidsbeginsel en de materiële en formele motiveringsplicht en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurhandelingen (hierna : motiveringswet). Zij citeert het ongunstige advies van de Provinciale Milieuvergun- ningscommissie van 5 juni 2007 en vervolgens het bestreden besluit en stelt dat er in het bestreden besluit geen enkele overweging gemaakt wordt omtrent de al dan niet aantasting van de open ruimte. In het bestreden besluit wordt deze problematiek doorgeschoven naar de overwegingen die zullen moeten worden gemaakt bij de aflevering van de stedenbouwkundige vergunning. Zulks is volgens de verzoekende partij onjuist. Zij stelt verder dat wanneer afgeweken wordt van een advies er een strengere motiveringsplicht van toepassing is, waarbij duidelijk moet worden gemaakt waarom het advies niet wordt gevolgd. Te dezen werd geen enkel motief gegeven waarom werd afgeweken van het advies van de Provinciale Milieuvergun- ningscommissie. 3.2. De verwerende partij antwoordt dat de verzoekende partij voorbijgaat aan het gegeven dat de Provinciale Milieuvergunningscommissie weliswaar een ongunstig advies heeft gegeven, doch dat er twee andere adviesverle- nende instanties zijn die wel degelijk een omstandig gemotiveerd gunstig advies hebben gegeven, met name het IVA-RO en de provinciale milieudeskundige. Het VII-37.053-14/20 IVA-RO is bij uitstek geplaatst om een advies te verlenen wanneer het een eventuele planologische onverenigbaarheid betreft. Voorts stelt de verwerende partij dat teneinde de visuele hinder te beperken één van voornoemde milieuvergunningsvoorwaarden het opleggen van een groenscherm is. Ook blijkt uit de adviezen van het IVA-RO en van de provinciale milieudeskundige dat de verwerende partij wel degelijk rekening heeft gehouden met het planologische aspect van de aanvraag en dat zij, gelet op de koppeling tussen de bouwvergunning en de milieuvergunning, niet gehouden is om verregaande stedenbouwkundige afwegingen te maken. Bij de beoordeling van de aanvraag is gezocht naar een evenwicht tussen de effecten op mens en milieu en de specifieke en praktische haalbaarheid. Wat de planologische en stedenbouwkundige aspecten betreft, verwijst de verwerende partij naar de koppeling tussen de stedenbouwkundige vergunning en de milieuvergunning en stelt zij voorts dat het onjuist is te beweren dat "de aflevering van de stedenbouwkundige vergunning enkel betrekking heeft op de inplanting, de vorm en de materialen van het op te richten gebouw". Ook de open ruimte is een belangrijk aspect dat in het kader van de aanvraag van de stedenbouw- kundige vergunning in overweging moet worden genomen, en dit zelfs in meerdere mate dan bij de afweging van een milieuvergunning het geval is. 3.3. De verzoekende partij repliceert, onder verwijzing naar rechtspraak van de Raad van State, dat een onderzoek naar de stedenbouwkundige verenigbaarheid door de milieuvergunningverlenende overheid zich niet enkel beperkt tot een toetsing aan de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan, hetgeen ook blijkt uit artikel 21, § 2, van Vlarem I dat onder meer een gemotiveerde beslissing van de verenigbaarheid van de inrichting waarvoor de vergunning wordt gevraagd met de omgeving en de goede plaatselijke ruimtelijke ordening vereist. Zelfs wanneer een vergunningsaanvraag voldoet aan de verbods- en afstandsregels van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna : Vlarem II), moet de vergunning- verlenende overheid gebruik maken van haar discretionaire bevoegdheid en moet zij overgaan tot de beoordeling van de aanvraag rekening houdend met alle feitelijke gegevens. Wanneer een aanvraag voldoet aan alle eisen op het vlak van de ruimtelijke ordening en de voorwaarden van Vlarem II kan een vergunning worden geweigerd indien zulks rust op in redelijkheid aanvaardbare motieven. Te dezen moest er een duidelijke toetsing en afweging worden gemaakt van de "open ruimte". VII-37.053-15/20 De verzoekende partij stelt ook dat zij belang heeft om het beleid en de ruimtelijke ordening van haar stad te bepalen en dat wanneer aan belangenaf- weging wordt gedaan, er moet worden vastgesteld dat de schending van de open ruimte veel ernstiger is dan het niet uitvoeren van de milieuvergunning. Het algemeen belang primeert op het privaat belang. Een motivering dat de aanvraag in overeenstemming is met de geldende bestemming en voorschriften betekent niet dat de inrichting verenigbaar is met de omgeving en de goede plaatselijke ruimtelijke ordening. 3.4. De tussenkomende partij stelt in eerste instantie het belang bij het middel in vraag met als argument dat een mogelijke inbreuk op de goede ruimtelijke ordening door de aantasting van de open ruimte zal worden beoordeeld in het kader van de aanvraag tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning. Voorts herhaalt zij dat de verzoekende partij geen belang heeft bij de nietigverklaring van het bestreden besluit aangezien deze van rechtswege geschorst blijft zolang de stedenbouwkundige vergunning niet is verleend. Vervolgens stelt zij dat de verzoekende partij ten onrechte voorhoudt dat in het bestreden besluit geen overweging zou staan die het advies van de Provinciale Milieuvergunningscommissie weerlegt. Het bestreden besluit overweegt waarom de milieuvergunning kon worden verleend op de specifieke plaats van inplanting en herneemt deels het advies van de Provinciale Milieuvergun- ningscommissie en de argumenten van de tussenkomende partij in verband met de inplanting en bevindt de argumenten van die partij deels gegrond. Het bestreden besluit heeft ook vastgesteld dat de risico's voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting, mits naleving van de opgelegde milieuvoorwaarden, tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt. De verwerende partij heeft wel degelijk het aspect goede ruimtelijke ordening terdege onderzocht en besproken en de redenering die zij heeft opgebouwd in het bestreden besluit is zeer duidelijk terug te vinden zodat er geen sprake kan zijn van een schending van de uitdrukkelijke motiveringsplicht zoals vastgelegd in de motiveringswet. Er is geen sprake van een schending van de formele motiveringsplicht. Ook is de motivering om af te wijken van het negatief advies van de Provinciale Milieuvergunningscommissie wel degelijk gegeven door bij de bespreking van de beroepsargumenten van de tussenkomende partij VII-37.053-16/20 uitdrukkelijk te vermelden dat met betrekking tot de inplanting van het gebouw een afweging moet worden gemaakt bij het verlenen van de stedenbouwkundige vergunning. Daarnaast hebben zowel de provinciale milieudeskundige als het IVA- RO een gemotiveerd gunstig advies verleend. 3.5. De verzoekende partij deelt in haar laatste memorie nog mee dat zij de stedenbouwkundige vergunning geweigerd heeft met een beslissing van 22 april 2008, dat er beroep zou zijn aangetekend, maar dat haar geen beslissing betekend is geworden. 3.6.1. De tussenkomende partij stelt in haar laatste memorie dat de verzoekende partij in de zitting van 9 december 2008 akte genomen heeft van haar overname van de bestaande inrichting aan de Kruiskenstraat te Eeklo, dat de overgenomen milieuvergunning het bestreden besluit betreft, en dat daarnaast de verwerende partij bij beslissing van 12 maart 2009 ook de stedenbouwkundige vergunning verleend heeft voor de bouw van de varkensstal aan de Kruiskenstraat te Eeklo. 3.6.2. De tussenkomende partij betoogt voorts dat heden er wel een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan opgemaakt is in de stad Eeklo, doch geen enkel ruimtelijk uitvoeringsplan voor de locatie rond de Kruiskenstraat. Zij verwijst hierbij naar een bericht in het Belgisch Staatsblad van 19 maart 2009. Zij meldt ook dat in het betrokken gebied een gebouw blijkt te bestaan dat dienst doet voor de plaatselijke modelvliegtuigenclub, zodat de verzoekende partij volgens haar dan ook weinig consequent is met betrekking tot haar zogenaamde "openruimtebeleid", en bijgevolg niet beschikt over het vereiste belang. 3.6.3. De tussenkomende partij betoogt ten slotte dat de verwijzing naar de stedenbouwkundige vergunningsprocedure een bijkomende waarborg is voor de verzoekende partij. 3.7.1. In haar ongunstig advies in het kader van de beroepsprocedure heeft de Provinciale Milieuvergunningscommissie herhaaldelijk gewezen op het feit dat de nieuwe inrichting zal worden ingeplant in een onbebouwd, open en ongeschonden gebied, "waarvoor in de stedenbouwkundige vergunning zal moeten worden afgewogen of op die lokatie een nieuwe inrichting kan worden ingeplant". VII-37.053-17/20 3.7.2. In het bestreden besluit wordt niet tegengesproken dat de inrichting gepland wordt in een "ongeschonden deel open ruimte". Bij de bespreking van de tijdens het openbaar onderzoek ingediende bezwaren, wordt bevestigd dat de inplanting van een nieuwe inrichting het open karakter van het landschap zal "verstoren". De verwerende partij treedt het advies van de Provinciale Milieuvergunningscommissie niet bij omdat, volgens haar, de nieuwe locatie volledig beantwoordt aan de wetgeving met betrekking tot de ruimtelijke ordening en omdat de inplanting in het agrarisch gebied planologisch in orde is. Zij wijst er wel op dat bij de verlening van de stedenbouwkundige vergunning de afweging moet worden gemaakt in hoeverre de open ruimte niet wordt aangetast omdat de stal wordt ingeplant in een thans groot aaneengesloten gebied, vrij van gebouwen. 3.7.3. Een onderzoek naar de stedenbouwkundige verenigbaarheid door de milieuvergunningverlenende overheid beperkt zich niet enkel tot een toetsing aan de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan, zelfs al zijn de stedenbouwwetge- ving en de milieuvergunningswetgeving van elkaar te onderscheiden. Luidens artikel 21, § 2, van Vlarem I moet het advies van het bestuur ruimtelijke ordening onder meer een gemotiveerde beoordeling bevatten van de verenigbaarheid van de inrichting waarvoor een vergunning wordt gevraagd met de omgeving en de goede plaatselijke ruimtelijke ordening. De milieuvergunningverlenende overheid moet dan ook de stedenbouwkundige verenigbaarheid met de omgeving in overweging nemen. Bijgevolg kon de verwerende partij niet volstaan met een loutere verwijzing naar de beoordeling van de nog in te dienen stedenbouwkundige vergunningsaanvraag, maar moest ze zelf het aspect van de verenigbaarheid met de omgeving en de goede plaatselijke ruimtelijke ordening bij haar beoordeling betrekken, temeer omdat het advies van de Provinciale Milieuvergunningscommissie ongunstig was wegens de onverenigbaarheid van de aanvraag met de omgeving en de goede plaatselijke ruimtelijke ordening. 3.7.4. Het bestreden besluit kan ook niet op afdoende wijze steunen op de, volgens de verwerende partij "omstandig gemotiveerde", gunstige adviezen van het IVA-RO en van de provinciale milieudeskundige. VII-37.053-18/20 In het advies van het IVA-RO wordt immers alleen gesteld dat "de bedrijvigheid (...) vanuit stedenbouwkundig oogpunt verenigbaar (
- is)met de bestemmingsvoorschriften volgens het gewestplan, zodat in het kader van de milieuvergunningsaanvraag een gunstig advies kan worden verleend, mits het bekomen van de benodigde stedenbouwkundige vergunning(en)". Over het open landschap en de mogelijke aantasting ervan blijft het advies in gebreke. De provinciale milieudeskundige van zijn kant betwist niet dat de inrichting in een "groot open ruimte gebied" zal worden ingeplant, maar beperkt zich vervolgens tot de verwijzing naar de "evaluatie van de stedenbouwkundige vergunningsaanvraag". De laatste overweging van het bestreden besluit waarin wordt gesteld dat de "risico's voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting, mits naleving van de in onderhavig besluit opgelegde milieuvoorwaarden tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt", is evenmin afdoende en is niets meer dan een loutere stijlconclusie. De mogelijke aantasting van de open ruimte vormt een relevant aspect bij de beoordeling van een milieuvergunningsaanvraag, zodat de verzoeken- de partij belang heeft bij het middel. Het derde middel is gegrond, OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het verzoek tot tussenkomst van Roger STUYVAERT wordt afgewezen. VII-37.053-19/20 Artikel 2. Vernietigd wordt het besluit van de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen van 12 juli 2007 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Eeklo van 13 februari 2007, houdende weigering aan Roger STUYVAERT van de milieuvergunning voor het exploiteren van een varkenshouderij, gelegen aan de Kruiskenstraat te Eeklo, wordt ingewilligd, de beroepen beslissing wordt opgeheven en aan Roger STUYVAERT de gevraagde vergunning wordt verleend. Artikel 3. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel 4. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig september tweeduizend en negen, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, E. BREWAEYS, staatsraad, P. BARRA, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-37.053-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.323 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.178.894 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div