id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.325 Rolnummer: A. 177453/IX-5445 Zaak: Arrest 196325 - Wegverkeer van goederen - 24/09/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-09-30 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-30 03:36 Fiche Arrest nr 196.325 van 24 september 2009 Economische zaken - Wegverkeer van goederen Beslissing : heropening debatten prejudiciële vraag Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 196.325 van 24 september 2009 in de zaak A. 177.453/IX-
- In zake : Maurits LOOTENS, die woonplaats kiest bij advocaat D. COOL, kantoor houdende te KORTEMARK, Torhoutstraat 10 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, dat woonplaats kiest bij advocaat P. AERTS, kantoor houdende te GENT, Coupure
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Maurits LOOTENS op 5 oktober 2006 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 9 augustus 2006 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur waarbij het beroep tegen de beslissing van 18 april 2006 van de wegeninspecteur-controleur om aan de verzoeker een administratieve geldboete van 1.100 euro op te leggen, ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard; Gezien de toelichtende memorie van de verzoekende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 28 november 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 januari 2009; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; IX-5445-1/16 Gehoord de opmerkingen van advocaat F. VAN DEN BOGAERDE, die loco advocaat D. COOL verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat K. DE MULDER, die loco advocaat P. AERTS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten 1.
- De verzoeker is zaakvoerder van de BVBA Lootens M & Co. 1.
- Op 9 november 2005 wordt een vrachtwagen bestuurd door verzoeker door de wegeninspectie gecontroleerd op de autoweg E17 te Waregem. Bij weging wordt een overlading vastgesteld van 18 % op de eerste as. Er wordt proces-verbaal opgesteld wegens inbreuk op artikel 56, eerste lid, van het decreet van 19 december 1998 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1999 (hierna afgekort : “Aslastendecreet”). 1.
- Op 1 december 2005 wordt het proces-verbaal overgemaakt aan de procureur des Konings te Kortrijk met het verzoek om overeenkomstig artikel 59 van het Aslastendecreet binnen een termijn van 90 dagen (eventueel verlengbaar met 30 dagen) mee te delen welk gevolg aan de zaak zal worden gegeven. Daarop wordt medegedeeld dat het parket geen vervolging instelt. 1.
- Op 15 februari 2006 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de verzoeker een administratieve geldboete van 1.100 euro op te leggen en de BVBA Lootens M & Co burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van deze administratieve geldboete. IX-5445-2/16 1.
- Op 22 februari 2006 tekent de raadsman van de verzoeker, die tevens de BVBA Lootens M & Co vertegenwoordigt, verzet aan tegen die beslissing. 1.
- Op 29 maart 2006 worden de verzoeker en de BVBA Lootens M & Co, vertegenwoordigd door hun raadsman, door de wegeninspecteur-controleur gehoord. Zij dienen ook een nota in. 1.
- Op 18 april 2006 beslist de wegeninspecteur-controleur aan verzoeker een administratieve geldboete van 1100 euro op te leggen en de BVBA Lootens M & Co burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van deze administratieve geldboete. Die beslissing wordt dezelfde dag met een aangetekende brief aan de verzoeker ter kennis gebracht. 1.
- Met een aangetekende brief van 27 april 2006 stellen de verzoeker en de BVBA Lootens M & Co beroep in bij de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur. Op 31 mei 2006 vindt een hoorzitting plaats waarbij namens de appellanten een verweernota wordt ingediend die steunt op volgende argumenten : - artikel 56 van het Aslastendecreet schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, artikel 6.2 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden en artikel 14.2 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten; - het materieel constitutief element van het misdrijf is niet bewezen nu de weging niet is gebeurd met een daartoe geschikte weegbrug; - het moreel constitutief element van het misdrijf is niet bewezen; - de BVBA Lootens M & Co kan niet burgerrechtelijk aansprakelijk worden gesteld nu verzoeker geen aangestelde is; - de opgelegde geldboete is overdreven. 1.
- Op 9 augustus 2006 beslist de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur dat het beroep ontvankelijk doch ongegrond is en dat aan de verzoeker een administratieve geldboete van 1.100 euro wordt opgelegd. IX-5445-3/16 Er wordt eveneens beslist dat de BVBA Lootens M & Co niet burgerrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld voor de betaling van de administratieve geldboete, aangezien de verzoeker de zaakvoerder is en geen aangestelde van de onderneming. Dit is de bestreden beslissing. Zij wordt bij aangetekende brief van 11 augustus 2006 aan de verzoeker toegezonden. Rechtspleging
- De verwerende partij heeft geen memorie van antwoord ingediend. Evenmin heeft zij binnen de vastgestelde termijn een administratief dossier aan de Raad van State toegestuurd. Overeenkomstig artikel 21, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State worden in dat geval de door de verzoekende partij aangehaalde feiten als bewezen beschouwd, tenzij deze feiten kennelijk onjuist zijn. De verwerende partij heeft wel een laatste memorie neergelegd. Behoudens eventuele elementen die de openbare orde raken kan de Raad van State echter geen rekening houden met argumenten uit de laatste memorie die de verwerende partij reeds zinvol in een memorie van antwoord had kunnen aanvoeren. Immers, de verzoeker heeft niet schriftelijk op die argumenten kunnen repliceren en het auditoraatsverslag heeft zich daarover evenmin kunnen uitspreken. De betrokken laatste memorie wordt dan ook enkel als inlichting in aanmerking genomen. Gegrondheid van het beroep Eerste middel Uiteenzetting van het middel 3.
- De verzoeker roept een eerste middel in, afgeleid uit de schending van artikel 60, § 3, van het Aslastendecreet. IX-5445-4/16 Hij voert aan dat nu de uitnodiging tot de hoorzitting in beroep op 5 mei 2006 verstuurd is, de hoorzitting overeenkomstig artikel 60, § 3, van het Aslastendecreet ten vroegste op 5 juni 2006 had mogen doorgaan. Aangezien de hoorzitting echter op 31 mei 2006 doorging zijn voormeld artikel 60, § 3, en de rechten van de verdediging van de verzoeker geschonden. 3.
- In zijn laatste memorie verklaart de verzoeker dat hij, gelet op de inhoud van het auditoraatsverslag, niet langer in het middel volhardt.
- De Raad van State begrijpt deze verklaring als een afstand van het middel. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoeker roept een tweede middel in, afgeleid uit de onbevoegdheid van de wegeninspecteur-controleur. Hij voert aan dat de aanstelling van een wegeninspecteur- controleur bij ministerieel besluit dient te gebeuren en dat, vermits een dergelijke aanstelling een belang heeft voor de meerderheid van de burgers of minstens een openbaar nut heeft, die aanstelling in het Belgisch Staatsblad moet worden bekendgemaakt. De verzoeker betoogt dat nu de aanstelling van de wegeninspecteur-controleur niet in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt is, deze ook niet tegenstelbaar is.
- In zijn laatste memorie bestrijdt de verzoeker de stelling van de auditeur-verslaggever dat de onregelmatigheden van de procedure in eerste aanleg gedekt worden door de beslissing in beroep. De verzoeker betoogt dat vermits de wegeninspecteur-controleur niet bevoegd is om een beslissing te nemen, er ook geen tijdige beslissing genomen is, hetgeen overeenkomstig artikel 60, § 2, van het Aslastendecreet voor gevolg heeft dat de mogelijkheid vervalt om een administratieve geldboete op te leggen. De verzoeker meent dat deze onregelmatigheid geenszins gedekt kan worden door het louter bestaan van een beroepsprocedure en de devolutieve werking daarvan. Dit IX-5445-5/16 geldt volgens de verzoeker des te meer nu hij deze onregelmatigheid in het kader van de beroepsprocedure heeft opgeworpen en dat ter weerlegging hiervan niet louter is verwezen naar de devolutieve werking van het beroep, maar wel volledig inhoudelijk is geantwoord. Hij stelt dat in de mate dat de bestreden beslissing zich niet op enige devolutieve werking beroept maar inhoudelijk antwoordt op het middel, dit middel wel degelijk ook gericht is tegen de bestreden beslissing. Beoordeling 7.
- Ingevolge de devolutieve werking van het administratief beroep is de bestreden beslissing volledig in de plaats gekomen van de beslissing die in eerste aanleg werd genomen door de wegeninspecteur-controleur, waardoor laatstgenoemde beslissing niet langer rechtsgevolgen sorteert. Er moet derhalve geen acht worden geslagen op onregelmatigheden waarmee de beslissing van de wegeninspecteur-controleur zou zijn behept, aangezien eventuele onregelmatigheden in de procedure in eerste aanleg worden gedekt door de beslissing in beroep. 7.
- In zijn laatste memorie stelt de verzoeker dat ingevolge de onbevoegdheid van de wegeninspecteur-controleur, er in eerste aanleg geen tijdige beslissing genomen is zodat de mogelijkheid om een administratieve geldboete op te leggen vervallen is. 7.
- Deze stelling kan niet worden bijgevallen. Overeenkomstig artikel 60, § 1, tweede lid, van het Aslastendecreet vervalt de mogelijkheid om een administratieve geldboete op te leggen wanneer de wegeninspecteur-controleur zijn beslissing niet tijdig, dit wil zeggen binnen de negentig dagen na de ontvangst van de beslissing van de procureur des Konings, aan de overtreder meedeelt. Deze bepaling vereist niet dat de wegeninspecteur-controleur een wettige beslissing neemt, enkel wordt vereist dat de beslissing tijdig aan de overtreder wordt meegedeeld. De eventuele onbevoegdheid van de wegeninspecteur-controleur kan derhalve niet leiden tot de vaststelling dat de mogelijkheid om een administratieve geldboete op te leggen vervallen is. Bovendien dient te worden vastgesteld dat noch uit zijn conclusie in beroep noch uit enig ander stuk van het administratief dossier blijkt dat de verzoeker in het kader van de beroepsprocedure zou hebben opgeworpen dat de IX-5445-6/16 wegeninspecteur-controleur onbevoegd was wegens de niet-bekendmaking van diens aanstelling in het Belgisch Staatsblad. Evenmin blijkt uit de bestreden beslissing of uit enig ander stuk van het administratief dossier dat de minister enige opmerking heeft geformuleerd met betrekking tot die onbevoegdheid, laat staan deze inhoudelijk heeft weerlegd. De verzoeker kan dan ook niet worden bijgevallen waar hij stelt dat het middel gericht is tegen de motivering van de bestreden beslissing. 7.
- Het middel kan niet worden aangenomen. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- In een derde middel voert de verzoeker aan dat artikel 56 van het Aslastendecreet strijdig is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en met artikel 6.2 van het Europees Verdrag over de Rechten van de mens (hierna: EVRM). De verzoeker wijst erop dat artikel 56 van het Aslastendecreet, in de versie zoals van toepassing vóór 3 september 2005, een vermoeden van wegbeschadiging heeft ingevoerd, met name het vermoeden dat wegbeschadiging veroorzaakt werd door overlading in de zin van artikel 18, §§1 en 2, of artikel 32 bis van het technisch reglement (koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto’s, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen). Hij merkt op dat het Arbitragehof (thans en hierna: het Grondwettelijk Hof) in het arrest nr. 81/2003 van 11 juni 2003 geoordeeld heeft dat dit artikel 56, in de interpretatie dat het een onweerlegbaar vermoeden van wegdekbeschadiging instelt, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 6.2 van het EVRM en artikel 14.2 van het Internationaal Verdrag inzake burgerlijke en politieke rechten, schendt en dat dit artikel 56, in de interpretatie dat het geen onweerlegbaar vermoeden van wegdekbeschadiging instelt, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 6.2 van het EVRM en artikel 14.2 van het Internationaal Verdrag inzake burgerlijke en politieke rechten, niet schendt. Het Grondwettelijk Hof ging daarbij uit van het principe dat wettelijke vermoedens in beginsel niet in strijd zijn met voormelde verdragsbepalingen maar dat vereist is dat zij een redelijk verband van evenredigheid vertonen met het wettig nagestreefde doel en dat indien de wetgever aan een wettelijk vermoeden een onweerlegbaar karakter verleent, hij IX-5445-7/16 aan de essentie zelf van het vermoeden van onschuld afbreuk zou doen en derhalve op discriminerende wijze inbreuk zou plegen op de voormelde verdragsbepalingen. Volgens een grondwetsconforme interpretatie van de vroegere versie van artikel 56 van het Aslastendecreet werd aldus een weerlegbaar vermoeden van wegdekbeschadiging ingesteld. Omdat, zo stelt de verzoeker, het oorzakelijk verband tussen overlading en wegdekbeschadiging problematisch bleef, heeft de wetgever ingegrepen met een wijziging van het Aslastendecreet door het decreet van 22 juni 2005 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting
- In de parlementaire voorbereiding van dit decreet is gesteld dat het niet langer houdbaar was om een oorzakelijk verband te weerhouden tussen wegdekbeschadiging en overlading over het totaal gewicht van het voertuig, nu eigenlijk gebleken was dat wegbeschadiging enkel werd toegebracht door de overlading op de assen. De verzoeker besluit hieruit dat het oorzakelijk verband dat vóór 3 september 2005 bepaald was tussen overlading en wegbeschadiging helemaal niet opging, en dat er eigenlijk helemaal geen vermoeden van wegbeschadiging geformuleerd kon worden tussen overlading op het totaal gewicht van een voertuig en wegbeschadiging. De verzoeker merkt op dat het arrest van het Grondwettelijk Hof dan ook met de nodige voorzichtigheid benaderd dient te worden. Het decreet is thans gebaseerd op de veronderstelling dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen de overlading op de assen en de wegdek- beschadiging. De verzoeker wijst er evenwel op dat de mate waarin door een overlading wegbeschadiging wordt toegebracht, niet enkel afhankelijk is van de mate van overlading. Uit de publicaties van de administratie zelf, onder meer de “Catalogus Schade aan Wegverhardingen”, blijkt immers dat de invloed van zwaar verkeer op de schade aan het wegdek sterk afhankelijk is van de aard en de aanleg van het wegdek. De verzoeker meent dan ook dat het oorzakelijk verband tussen overlading en wegbeschadiging genuanceerd moet worden, in de zin dat er wel een oorzakelijk verband bestaat, doch dat er in dit oorzakelijk verband veel meer factoren meespelen dan de loutere overlading op zich. Volgens de verzoeker moet dan ook worden nagegaan of het wettelijk vermoeden van wegdekbeschadiging dat gesteld wordt in artikel 56 van het Aslastendecreet niet ingaat tegen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, artikel 6.2 EVRM en artikel 14.2 van het Internationaal Verdrag inzake burgerlijke en politieke rechten. Onder verwijzing naar de redenering van het Grondwettelijk Hof in het arrest nr. 81/2003 van 11 juni 2003 IX-5445-8/16 stelt de verzoeker dat nu aangetoond is dat het oorzakelijk verband tussen overlading en wegbeschadiging niet zo rechtstreeks is als in het Aslastendecreet gesteld, het door het Grondwettelijk Hof vereiste redelijk verband van evenredigheid zoek is geraakt. Er bestaat volgens hem dan ook reden om met betrekking tot het nieuw artikel 56 van het Aslastendecreet de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen: “Is artikel 56 van het Aslastendecreet, onder meer in samenhang gelezen met artikel 57 e.v. van het Aslastendecreet, strijdig met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het een weerlegbaar vermoeden van wegdekbeschadiging afleidt uit een overlading van meer dan 5% op de assen onder een voertuig, terwijl de mate van wegdekbeschadiging eigenlijk tevens afhankelijk is van andere factoren dan de overlading?”. De verzoeker vraagt dat de verwerende partij desbetreffend de nodige stukken zou voorleggen inzake het onderzoek door het Opzoekingscentrum van de Wegenbouw en dat, indien de verwerende partij niet op dat verzoek zou ingaan, een deskundig onderzoek zou worden bevolen in verband met de diverse factoren die meespelen bij het tot stand komen van wegdekbeschadiging door overlading. Beoordeling
- In verband met de bevoegdheid van het Grondwettelijk Hof om te antwoorden op prejudiciële vragen, luiden de ter zake relevante bepalingen van artikel 26 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof thans als volgt : “§
- Het Arbitragehof doet, bij wijze van prejudiciële beslissing, uitspraak bij wege van arrest op vragen omtrent : [...] 3/ de schending door een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel van de artikelen van titel II ‘De Belgen en hun rechten’, en de artikelen 170, 172 en 191 van de Grondwet. [...] §
- Indien een vraag te dien aanzien wordt opgeworpen voor een rechts- college, dan moet dit college het Arbitragehof verzoeken op deze vraag uitspraak te doen. Het rechtscollege is daartoe echter niet gehouden : 1/ wanneer de zaak niet door het betrokken rechtscollege kan worden behandeld om redenen van onbevoegdheid of niet-ontvankelijkheid, tenzij wanneer die redenen ontleend zijn aan normen die zelf het onderwerp uitmaken van het verzoek tot het stellen van de prejudiciële vraag; IX-5445-9/16 2/ wanneer het Arbitragehof reeds uitspraak heeft gedaan op een vraag of een beroep met een identiek onderwerp. [...]. §
- Wanneer voor een rechtscollege wordt opgeworpen dat een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel een grondrecht schendt dat op geheel of gedeeltelijk analoge wijze is gewaarborgd in een bepaling uit titel II van de Grondwet en in een bepaling van Europees of internationaal recht, stelt het rechtscollege eerst aan het Grondwettelijk Hof de prejudiciële vraag over de verenigbaarheid met de bepaling uit titel II van de Grondwet. In afwijking van het eerste lid geldt de verplichting een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof niet : 1/ in de gevallen bedoeld in de paragrafen 2 en 3; 2/ wanneer het rechtscollege oordeelt dat de bepaling uit titel II van de Grondwet klaarblijkelijk niet geschonden is; 3/ wanneer het rechtscollege oordeelt dat uit een arrest van een internationaal rechtscollege blijkt dat de bepaling uit het Europees of internationaal recht klaarblijkelijk geschonden is; 4/ wanneer het rechtscollege oordeelt dat uit een arrest van het Grondwettelijk Hof blijkt dat de bepaling uit titel II van de Grondwet klaarblijkelijk geschonden is.” Bij arrest nr. 81/2003 van 11 juni 2003 heeft het Grondwettelijk Hof in verband met het toenmalig artikel 56 van het Aslastendecreet geoordeeld dat, aangezien kan worden aangenomen dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de overschrijding van de federale aslastenbeperkingen en de beschadiging van het wegdek, de gewichtsoverschrijding van het voertuig die wordt gemeten aan de hand van criteria die door de federale overheid zijn vastgesteld, een verantwoorde aanwijzing is dat het misdrijf, namelijk de schade die is veroorzaakt aan het wegdek, is gepleegd. Daarbij nam het Hof aan dat, om verenigbaar te zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 6.2 EVRM, het om een weerlegbaar vermoeden van wegdekbeschadiging moet gaan. Het arrest nr. 81/2003 betreft geen uitspraak over een vraag of een beroep met een identiek onderwerp, in de zin van artikel 26, § 2, tweede lid, 2/, van de bijzondere wet van 6 januari
- Vooreerst kan er immers op gewezen worden dat artikel 56 van het Aslastendecreet bij decreet van 24 juni 2005 is gewijzigd, in die zin dat voortaan alleen rekening wordt gehouden met een gewichtsoverschrijding op de assen en niet met de totale overlading. Bovendien is de door de verzoeker opgeworpen prejudiciële vraag niet identiek met die welke in het arrest nr. 81/2003 beantwoord is. De verzoeker IX-5445-10/16 betwist immers niet het oorzakelijk verband tussen de gewichtsoverschrijding en de wegdekbeschadiging, maar hij vraagt zich wel af of de decreetgever geen rekening moest houden met andere oorzaken van wegdekbeschadiging, zoals de aard en de aanleg van het wegdek. De Raad van State ziet te dezen ook geen reden om toepassing te maken van artikel 26, § 4, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari
- Er bestaat dan ook aanleiding om in te gaan op het verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof. De door de verzoeker voorgestelde vraag wordt evenwel geherformuleerd in het dispositief van het voorliggende arrest.
- Er is daarentegen geen reden om in de huidige stand van het geding in te gaan op de vraag van de verzoeker tot het voorbrengen van de terzake relevante documenten of tot het bevelen van een deskundigenonderzoek. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
- In een vierde middel voert de verzoeker aan dat de inbreuk werd vastgesteld met een asdrukweger die moet beschouwd worden als een niet- automatisch weegwerktuig in de zin van artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 4 augustus 1992 houdende een nieuwe regeling betreffende de niet-automatische weegwerktuigen. Voor de bediening van de asdrukweger is immers de tussenkomst van een operator noodzakelijk. De asdrukwegers behoren tot de categorie niet- automatische weegwerktuigen vermeld in artikel 1, § 2, eerste lid, a, van dit besluit en moeten derhalve voldoen aan de artikelen 3, 4, 5, 8, 9, §§ 1 en 3, 11 en 14 van dit besluit en aan de EG-typekeuring. Volgens de verzoeker zijn de asdrukwegers die door de Vlaamse overheid gebruikt worden echter niet geschikt voor gerechtelijke doeleinden en kan de bestreden beslissing niet steunen op vaststellingen die met dergelijke asdrukwegers zijn gedaan. Beoordeling
- In de bestreden beslissing staat onder meer het volgende te lezen : IX-5445-11/16 “Overwegende dat de aswegers gebruikt door het Vlaamse Gewest, in hun gebruik als dynamische weegbruggen, automatisch werkende weegwerktuigen zijn, en geen niet-automatisch werkende weegwerktuigen zoals appellante meent; dat het koninklijk besluit van 4 augustus 1992 dan ook niet van toepassing is; Overwegende dat er voor automatisch werkende meetwerktuigen, tot op heden, geen Koninklijk Besluit werd uitgevaardigd waarin voorwaarden vervat zitten waaraan voldaan moest worden; Overwegende dat de aswegers van het Vlaams Gewest om die reden niet onderworpen zijn aan de bepalingen inzake de ijk en de herijk, zoals bepaald in voornoemd Koninklijk Besluit, doch enkel aan een metrologische controle; dat dit in feite hetzelfde is; Overwegende dat de aswegers, op vrijwillige basis en zoals aangeraden wordt in het verslag van metrologische controle, om de twee jaar opnieuw worden onderworpen aan een metrologische controle; Overwegende dat de aswegers over een EG-type-goedkeuringscertificaat [...] beschikken en voldoen aan de vereisten uiteengezet in richtlijn 90/384/EEG voor niet-automatische weegtoestellen.” In het proces-verbaal van 9 november 2005 wordt bovendien vermeld: “De asweger werd door de metrologische dienst van het Ministerie van Economische Zaken op zijn juistheid getest op 17-06-2004.” De verzoeker betwist niet dat, zoals in de aangehaalde overwegingen van de bestreden beslissing wordt gesteld, de bedoelde metrologische controle “in feite dezelfde is” als de ijk en herijk die geldt voor niet-automatische weegwerktuigen. De vraag of de gebruikte asweger een automatisch dan wel een niet-automatisch weegwerktuig is, is bijgevolg niet relevant. Het middel is dan ook onontvankelijk, bij gebrek aan belang. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel
- In een vijfde middel voert de verzoeker de schending aan van artikel 6.2 EVRM, van artikel 56 van het Aslastendecreet en van de motiveringsplicht, doordat het moreel bestanddeel van de inbreuk niet bewezen is. IX-5445-12/16 Uit een arrest van 2 november 2004 van het Hof van Cassatie leidt de verzoeker af “dat het feit dat men overladen was, er niet noodzakelijk op wijst dat men nalatig was, daar waar het Hof stelt dat blijkbaar niet in alle omstandigheden van een bestuurder kan worden verwacht dat hij het gewicht van zijn voertuig naging”. Volgens de verzoeker moet derhalve in concreto worden nagegaan of de bestuurder door het niet controleren van het gewicht nalatig is geweest. De verzoeker wijst erop dat in de onderhavige zaak hij op de plaats van lading het totaal gewicht van zijn voertuig heeft laten nagaan en dat hierbij bleek dat het niet overladen was en dat er zelfs nog een veiligheidsmarge was. Hij meent dat hem niet kan worden verweten dat hij niet het gewicht onder de assen heeft nagegaan, aangezien dat enkel mogelijk is met de asdrukwegers van de Vlaamse overheid en deze niet voor het publiek toegankelijk zijn. Bovendien betwist hij de bestreden beslissing waar wordt gesteld dat hij de asoverlading van 18 % als beroepschauffeur had moeten opmerken, nu deze zelfs voor een beroepschauffeur niet zichtbaar was en ook de wegeninspecteurs in hun proces-verbaal niet genoteerd hebben dat die overlading visueel vast te stellen was. Bijgevolg kan hem niet worden verweten dat hij nalatig zou zijn geweest, nu hij alle voorzorgen had genomen om overlading te vermijden. Beoordeling
- In verband met het moreel bestanddeel van een misdrijf heeft het Hof van Cassatie in een arrest van 8 oktober 2002 het volgende gesteld : “Overwegende dat wanneer de wet van de delictsomschrijving geen schuldvorm vermeldt, zoals hier bij verkeersovertredingen, de schuld bestaat uit het feit dat de dader de inbreuk wetens en willens heeft gepleegd, hetzij onachtzaam handelde, tenzij de wetgever deze laatste schuldvorm uitgesloten heeft wat hij niet deed bij verkeersovertredingen; Dat in dit geval de rechter de schuld kan afleiden uit het materiële feit van de overtreding voor zover de overtreder geen grond van rechtvaardiging of enige andere schulduitsluitingsgrond aannemelijk maakt.” Het Hof van Cassatie neemt derhalve aan dat wanneer de wet van de delictsomschrijving geen schuldvorm vermeldt, de rechter de schuld kan afleiden uit het materiële feit van de overtreding, voor zover de overtreder geen grond van rechtvaardiging of enige andere schulduitsluitingsgrond aannemelijk maakt. IX-5445-13/16 In een arrest van 2 november 2004 oordeelde het Hof van Cassatie met betrekking tot de misdrijven bedoeld in de artikelen 18, §§ 1 en 2, en 26 van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan auto’s, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen : “[...] dat die bepalingen inhouden dat eenieder die een voertuig gebruikt, zich ervan moet vergewissen dat het gewicht in beladen toestand ervan niet meer bedraagt dan het hoogst toegelaten gewicht, ook al heeft hij zelf het voertuig niet geladen; dat het verzuim daaraan te voldoen het opzet of de schuldige nalatigheid kan uitmaken vereist opdat het morele bestanddeel van het misdrijf zou bestaan.” De bestreden beslissing bevat, wat het moreel bestanddeel van de inbreuk betreft, de volgende motivering : “Nopens het moreel constitutief element Het misdrijf omschreven in artikel 56 van voornoemd decreet bestaat, net als andere misdrijven, uit een materieel en een moreel element. Het Hof van Cassatie verwerpt het bestaan van misdrijven zonder moreel element (Cass., 12 mei 1987, R.W, 1987-88, 538; Cass., 13 december 1994, R.W, 1994-95, 533). Wanneer de wet van de delictsomschrijving geen schuldvorm vermeldt, zoals in casu het geval, bestaat de schuld uit het feit dat de dader de inbreuk wetens en willens heeft gepleegd, hetzij onachtzaam handelde, tenzij de wetgever deze laatste schuldvorm heeft uitgesloten, wat hij in casu niet deed (Cass., 8 oktober 2002, www.cass.be). De ondergrens inzake het moreel element bestaat dus uit onachtzaamheid. Niet weten dat het voertuig overladen was is dus geen voldoende argument vermits de inbreuk niet opzettelijk moet zijn gepleegd om toch strafbaar te zijn. De strafrechtelijk sanctioneerbare onachtzaamheid is de onachtzaamheid die de normale, voorzichtige en redelijke persoon niet zou hebben begaan in dezelfde omstandigheden. Eenieder die een voertuig gebruikt, moet zich ervan vergewissen dat de massa en de massa onder de assen niet meer bedraagt dan de maximaal toegelaten massa, ook al heeft hij zelf het voertuig niet geladen. Het verzuim daaraan te voldoen kan het opzet of de schuldige nalatigheid uitmaken vereist opdat het morele element van het misdrijf zou bestaan (Cass., 2 november 2004, www.cass.be). Het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen [...], bepaalt de maximaal toegelaten massa en asdruk voor voertuigen. IX-5445-14/16 Het betreft met andere woorden een absolute bovengrens die niet mag overschreden worden. Uit de vaststellingen in het proces-verbaal blijkt dat de overtreder een geleed voertuig bestuurde dat bestond uit een tweeassige vrachtwagen. Uit het resultaat van de weging blijkt dat het voertuig, na correctie, 17.186 kg woog, terwijl de maximaal toegelaten massa 19.000 kg bedraagt. Uit de vaststellingen blijkt bovendien dat de overtreder het voertuig, alvorens er zich mee op de openbare weg te begeven, onderworpen had aan een weging. Hierbij werd echter enkel de totale massa en niet de massa onder de assen gecontroleerd. Er dient evenwel te worden opgemerkt dat de vastgestelde overlading onder de eerste as van de vrachtwagen maar liefst 18 % bedraagt. Een dergelijke overlading kan moeilijk onopgemerkt blijven voor de ervaren beroepschauffeur, temeer daar het hier gaat om een lading vezelplaten, waardoor de verdeling van de massa redelijk correct kan worden ingeschat door de chauffeur. In casu blijkt dat de overtreder zich niet gedragen heeft zoals van een normale, voorzichtige en redelijke beroepschauffeur in dezelfde feitelijke omstandigheden verwacht wordt. Het moreel element van het misdrijf is bewezen.” Nu de verzoeker geen grond van rechtvaardiging of enige andere schulduitsluitingsgrond aannemelijk heeft gemaakt, heeft de verwerende partij wettig geoordeeld dat niet alleen het materieel, maar ook het moreel bestanddeel van het misdrijf bewezen is. Het middel faalt naar recht. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- De debatten worden heropend. IX-5445-15/16 Artikel
- Aan het Grondwettelijk Hof wordt de volgende prejudiciële vraag gesteld: “Schendt artikel 56 van het decreet van 19 december 1998 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1999 (Aslastendecreet), gewijzigd bij de decreten van 29 december 1999, 19 december 2003 en 24 juni 2005, gelezen in samenhang met de artikelen 57 en volgende van het Aslastendecreet, geïnterpreteerd in die zin dat de overschrijding door de massa op de grond onder één van de assen van het bij de goedkeuring vastgestelde maximum met meer dan vijf procent een wettelijk vermoeden van verboden wegdekbeschadiging inhoudt, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 6.2 van het Europees Verdrag over de rechten van de mens en artikel 14.2 van het Internationaal Verdrag inzake burgerlijke en politieke rechten, doordat het voor een categorie van burgers afwijkt van het beginsel volgens hetwelk de bewijslast op de vervolgende partij rust ?” Artikel
- Het door de auditeur-generaal aan te stellen lid van het auditoraat wordt belast met het verder onderzoek van de zaak na ontvangst van de uitspraak van het Grondwettelijk Hof. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 24 september 2009, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-5445-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.325 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.315 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.