id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.332 Rolnummer: A. 143934/X-11638 Zaak: Arrest 196332 - Monumenten en Landschappen - 24/09/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-10-02 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 03:35 Fiche Arrest nr 196.332 van 24 september 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Monumenten en Landschappen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 196.332 van 24 september 2009 in de zaak A. 143.934/X-11.
- In zake : Etienne VEKEMAN, die woonplaats kiest bij advocaten D. LINDEMANS en T. EYSKENS, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan 3 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te 8000 BRUGGE, Gerard Davidstraat 46 bus
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Etienne VEKEMAN op 14 november 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 21 augustus 2003 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken waarbij de Vierkanthoeve gelegen te Roosdaal (Borchtlombeek), Kerkplein 12, kadastraal bekend sectie A, nr. 42/b als monument wordt beschermd wegens de historische waarde; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op de beschikking van 8 mei 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 18 juni 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 september 2009; X-11.638-1/13 Gehoord het verslag van staatsraad P. LEFRANC; Gehoord de opmerkingen van advocaat T. EYSKENS, die verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat N. DE CLERCQ, die loco advocaat B. STAELENS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- Feiten 1.
- Met een motiveringsnota van 25 november 2002 stelt het bestuur Monumenten en Landschappen voor vier gebouwen in de dorpskern van Borchtlombeek als monument te beschermen, zijnde de Sint-Amanduskerk, een hoeve op het Kerkplein, een pastorie en een andere hoeve in de Pastoriestraat. De verzoeker is eigenaar van één van de voornoemde gebouwen, meer bepaald van de hoeve gelegen aan het Kerkplein
- Aangaande deze hoeve stelt het gemotiveerd advies het volgende: “Hoeve Kerkplein 12 Vlak tegenover de kerk bevindt zich een grote, minstens tot de 18de eeuw opklimmende, semi-gesloten vierkanthoeve die gans de hoek gevormd door Kerkplein-Knoddelstraat-Kerkweg belijnd. Alhoewel omvang en inplanting naast de kerk een mogelijke origine als kerkgoed en dus bezit van de abdij van Ninove suggereren is vooralsnog niets bekend omtrent oorsprong of bouwheer. De Ferrariskaart (ca. 1777) toont een nog steeds met de huidige toestand overeenstemmende, semi-gesloten bebouwing met achterliggend een grote boomgaard aansluitende op de beemden langs de Lombeek. Momenteel zijn de aangrenzende gronden volledig bebouwd. Het deels wit geschilderd complex met boeiend volumespel is opgetrokken in baksteen met pannen (mechanische en handvorm) zadeldaken en bestaat uit een woonhuis, diverse stallingen en een langsschuur die een gekasseid erf omsluiten. Het woonhuis dat de hoek vormt met de Kerkweg is opgevat als een eenlaags, L-vormig breedhuis met zadeldak (recent vernieuwde bedaking) met houten dakkapellen en fraai geprofileerde houten daklijstbalkjes, links afgewerkt met aandak met vlechtingen, top- en schouderstukken, rechts met een dakschild. X-11.638-2/13 De tot voor kort gecementeerde en witgeschilderde voorgevel werd recent vernieuwd met een bakstenen ‘voorzetwand’. De beluikte rechthoekige vensters met houten latei bleven bewaard, de eveneens rechthoekige deur werd vervangen door een rondboogdeurtje hierbij refererend aan de voorheen bewaarde sporen van natuurstenen posten en booglatei. De binnenkoergevel is opengewerkt met kleine rechthoekige vensters met houten latei terwijl de beide gevels van het aan Kerkweg grenzende woongedeelte zijn opengewerkt met lichtgetoogde vensters in een omlijsting van gesinterde baksteen, aan de binnenkoer beluikt, aan de straatzijde voorzien van diefijzers; Opmerkelijk is het bewaarde hekwerk met aarvormige staven in één van de keldergaten. Links in het verlengde van het woonhuis bevindt zich een L-vormige, aan de straatzijde afgeronde vleugel met pannen zadeldak op geprofileerde daklijstbalkjes. De straatgevel van het stalgedeelte is op enkele kleine openingen na vrijwel blind terwijl de overdekte toegang ter hoogte van de Knoddelstraat is opengewerkt met twee rechthoekige poorten met houten latei. Aan de binnenkoerzijde is de stalvleugel opengewerkt met rechthoekige poortjes en laadvensters met daarnaast vier beluikte verluchtingsvensters met houten kozijnen en staven. De dragende structuur met vijf moerbalken en kapspanten bleef bewaard. De dwars op de Knoddelstraat ingeplante driebeukige langsschuur met 19de eeuws bakstenen parement is opengewerkt met een poort met houten latei onder een blinde rondboog. De houten draagstructuur met drie spanten en stijlen rustend op een onderbouw in metselwerk wijst op een oudere kern. Dit geldt eveneens voor de langs de Kerkweg ingeplante stalvleugel met karakteristiek afgeronde hoeken en aansluitende tuinmuur waarbij de oudere kern eveneens wordt gemaskeerd door 19de eeuws metselwerk. Het interieur kon niet worden bezocht. (...)
- De hoeve, Kerkplein 12 te Roosdaal (Borchtlombeek) dient te worden beschermd als monument omwille van het algemeen belang gevormd door de historische, meer bepaald de architectuurhistorische waarde : imposant, straatbelijnend en door proporties en volumespel de dorpskern determinerend, minstens tot het derde kwart van de 18de eeuw opklimmende semi-gesloten vierkantshoeve, ingeplant vlak tegenover de kerk, op de zuidgrens van het beemdengebied langsheen de Lombeek. Architecturaal wordt het deels witgeschilderde bakstenen complex met pannen zadeldaken en bestaande uit een L-vormig, eenlaags woonhuis, twee stalvleugels, overdekte poortingang en tweebeukige langsschuur gekarakteriseerd door een sobere baksteenarchitectuur met minimaal gebruik van natuursteen uit het derde kwart van de 18de eeuw met deels vernieuwd parement en muuropeningen uit de 19de eeuw. Karakteriserend voor de 18de eeuwse bouwfase zijn naast de bewaarde structuur van moerbalken en kapspanten, de beluikte en/of diefijzers voorziene lichtgetoogde vensters met omlijsting in gesinterde baksteen, de fraai geprofileerde daklijstbalkjes, de beluikte houten getraliede vensterkozijnen in de stalvleugel en een decoratief uitgewerkt traliewerk in een keldergat”. 1.
- Op 20 december 2002 beslist de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken om onder meer de bovenvermelde vierkanthoeve als monument op een ontwerp van lijst te plaatsen van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten wegens de historische, meer bepaald de architectuurhistorische waarde. X-11.638-3/13 Een afschrift van dat voorlopig beschermingsbesluit wordt bij aangetekende brief van 14 januari 2003 naar onder meer de verzoeker verzonden. 1.
- Op 12 februari 2003 dient de verzoeker een bezwaarschrift in. Hij laat vooreerst gelden dat het begrip monument restrictief dient geïnterpreteerd te worden en dat geen enkele toelichting gegeven wordt waarom de bescherming van het goed het algemeen belang zou dienen. Voorts stelt hij dat de bescherming “volstrekt ongeloofwaardig” is aangezien “gedurende 30 jaar (...) geen enkele bevoegde overheid ook maar enigszins gewezen (heeft) op enige monumentwaarde van deze gebouwen”. Hij verwijst naar een verkavelingsvergunning uit 1984 en een vernieuwing van de gevel die in 1987 heeft plaatsgevonden, wat volgens hem “betekent dat toelating is gegeven om de bestaande gevel van het boerenburgerhuis te verwijderen”. Aldus betwist de verzoeker in zijn bezwaarschrift de historische waarde van de vierkanthoeve. 1.
- Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Roosdaal brengt op 3 maart 2003 een gunstig advies uit. Ook de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant verleent op 13 maart 2003 een gunstig advies. 1.
- Het bestuur Monumenten en Landschappen maakt op 2 april 2003 een verslag op “adviezen en bezwaren”. De bezwaren van de verzoeker worden daarin als volgt weerlegd: “6.
- Zoals blijkt uit de toelichtingsnota en meer bepaald evaluatie en gemotiveerd advies wordt het begrip monument wel degelijk restrictief geïnterpreteerd en wordt het algemeen vanuit de architectuurhistorische waarde afdoende gemotiveerd. 6.1.
- In stricto senso is de hoeve effectief eerder veelhoekig dan vierkant. De vakterm ‘vierkanthoeve’ wordt gebruikt als omschrijving van de algemene typologie met name verschillende rechthoekige volumes (woonhuis, schuur en stallingen) die een binnenkoer belijnen en dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld een langgevelhoeve. ‘Semi-gesloten’ eveneens een vakterm wijst op een deels open en deels aaneengesloten bebouwing. 6.1.
- De karakteristieken ‘imposant’ en ‘straatbelijnend’ zijn relevant als vorm- en inplantingskarakteristieken, uiteraard gerelateerd aan de specifieke architecturale kenmerken. ‘Sobere baksteenarchitectuur met minimale toepassing van natuursteen’ is een stijltypering en is gebaseerd op de voormalige sporen van natuurstenen deurstijlen. 6.1.
- De uitspraak dat het boerenburgerhuis voor monumentenzorg doorslaggevend is (was) voor de bescherming is niet correct en evenmin gegrond. Blijkbaar lag de meer uitgebreidere beschrijving van het woonhuis in de inventaris van 1975 aan de basis van deze misvatting. Uit de ‘lengte’ van een X-11.638-4/13 beschrijving kan echter geen waardeoordeel worden afgeleid. Bovendien is het logisch dat bij een bespreking van een hoevecomplex, dat één organisch geheel vormt, meer aandacht uitgaat naar het woonhuis aangezien het, als gevolg van zijn functie, in tegenstelling tot schuur en stallingen architecturaal doorgaans meer verzorgd is en bijgevolg biezonder relevant voor datering en typering. Dat het uitzicht van het woonhuis in 1987 integraal werd vernieuwd is evenmin correct aangezien enkel de straatgevel werd vernieuwd wat als een reversibele ingreep kan worden beschouwd. Bovendien is een gebouw méér dan enkel een voorgevel. 6.1.
- De vrij gesloten en sobere zijgevel langs de Kerkweg is precies typerend voor deze sobere, 18de eeuwse baksteenarchitectuur. Er is geen enkele misleiding gemoeid met de vermelding van de vensters met diefijzers. Of het schrijnwerk al dan niet werd vervangen en de karakteristieke diefijzers al dan niet dienen hersteld of vervangen doet geen afbreuk aan de monumentwaarde. Zoals de diefijzers vormen ook de geprofileerde daklijstbalkjes typische kenmerken van deze 18de eeuwse landelijke architectuur. Of ook deze op termijn dienen hersteld of vervangen doet evenmin afbreuk aan de monumentwaarde. 6.1.
- Vooreerst dient duidelijk gesteld dat dit voorstel geen bescherming van gevels beoogt, evenmin van afzonderlijke gebouwen maar van een historisch gegroeid hoevecomplex met karakteristieke bouwonderdelen zijnde een woonhuis, schuur en verschillende stalvleugels. De ‘vermeende’ totaal verrotte toestand van de -nog uitzonderlijk bewaarde - houten raamkozijnen en deuren in de stal - verkeerdelijk als schuur betiteld - doet geen afbreuk aan de monumentwaarde. 6.1.
- Dat een onderhouds- en instandhoudingsverplichting een goed in redelijke staat veronderstelt is niet correct, zoals ondermeer blijkt uit het feit dat ook ruïnes worden beschermd. Bovendien is deze opmerking hier niet ter zake want gebaseerd op een vermeende bouwvallige toestand. Ondermeer fotomateriaal alsook het feit dat de voorgevel in 1984 en de daken in 1990 werden vernieuwd bewijzen het tegendeel. Slijtage aan bepaalde karakteristieke elementen zoals de eerder vermelde houten kozijnen, diefijzers, daklijstbalkjes kan worden gerestaureerd. 6.1.
- De bewaarde structuur van moer- en kinderbalken en kapspanten kon in één van de kamers worden vastgesteld en wordt bevestigd door de gevelverankering. Ook in stallingen en schuur bleef trouwens de houten dragende structuur bewaard. Effectief gaat het niet om een driebeukige maar wel een asymmetrische, tweebeukige Brabantse schuur. Deze onnauwkeurigheid wordt rechtgezet. De bescherming van de schuur wordt afdoende gemotiveerd als essentieel onderdeel van dit semi-gesloten hoevecomplex. 6.1.
- Nergens wordt beweerd dat de karakterloze loods enige waarde heeft. De stallingen in het verlengde van het woonhuis met oude kern en latere aanpassingen vormen een essentieel onderdeel van dit historisch gegroeid hoevecomplex. (...) Dat er de afgelopen 30 jaar niet werd gewezen op de monumentwaarde is evenmin correct. Reeds in de inventaris van 1975 werd de hoeve met een • gemarkeerd als voor bescherming vatbaar. Tevens werd reeds in 1984 een, weliswaar niet definitief afgesloten, beschermingsprocedure opgestart. Zoals eerder gesteld kan uit de ‘lengte’ van een beschrijving geen waardeoordeel worden afgeleid. Bovendien is het logisch dat bij een bespreking van een hoevecomplex, dat één organisch geheel vormt, meer aandacht uitgaat naar het woonhuis aangezien het, als gevolg van zijn functie, in tegenstelling tot schuur en stallingen architecturaal doorgaans meer verzorgd is en bijgevolg biezonder relevant voor datering en typering. X-11.638-5/13 Voor de beschrijving van de hoeve werd gebruik gemaakt van een geactualiserde en uitgebreide versie van de inventaristekst uit 1975 met duidelijke vermelding van recente aanpassingen. Dat de hoeve niet wordt vermeld in geschiedkundige publicaties vormt geen criterium in verband met de monumentwaarde”. 1.
- Op 5 juni 2003 brengt de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen eenparig een gemotiveerd gunstig advies uit. 1.
- Met het bestreden besluit van 21 augustus 2003 beslist de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken onder meer de vierkanthoeve gelegen aan het Kerkplein 12 te Roosdaal (Borchtlombeek) als monument te beschermen wegens de historische, meer bepaald de architectuurhistorische waarde die als volgt wordt omschreven: “Historische, meer bepaald de architectuurhistorische waarde van de vierkanthoeve, Kerkplein 12: imposant, straatbelijnend en door proporties en volumespel de dorpskern determinerend, minstens tot het derde kwart van de 18de eeuw opklimmende semi-gesloten vierkanthoeve, ingeplant vlak tegenover de kerk, op de zuidgrens van het beemdengebied langsheen de Lombeek. Architecturaal wordt het deels witgeschilderde bakstenen complex met pannen zadeldaken en bestaande uit een L-vormig, eenlaags woonhuis, twee stalvleugels, overdekte poortingang en tweebeukige langsschuur gekarakteriseerd door een sobere baksteenarchitectuur met minimaal gebruik van natuursteen uit het derde kwart van de 18de eeuw met deels vernieuwd parement en muuropeningen uit de 19de eeuw. Karakteriserend voor de 18de eeuwse bouwfase zijn naast de bewaarde structuur van moerbalken en kapspanten, de beluikte en/of van diefijzers voorziene lichtgetoogde vensters met omlijsting in gesinterde baksteen, de fraai geprofileerde daklijstbalkjes, de beluikte houten getraliede vensterkozijnen in de stalvleugel en een decoratief uitgewerkt traliewerk in een keldergat”.
- Ten gronde 2.
- Eerste middel 2.1.
- Een eerste middel is genomen uit de schending van artikel 2, 3/ van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten (hierna: het monumentendecreet), de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen (hierna: de motiveringswet) en de materiële motiveringsplicht als beginsel van behoorlijk bestuur. De verzoeker stelt dat het bestreden besluit vier onderscheiden onroerende goederen als één geheel beschouwt en betwist dat dergelijk geheel van onroerende goederen als één monument kan worden beschermd, vermits een X-11.638-6/13 monument een onroerend goed is, en geen groepering van onroerende goederen. Hij meent dat zoiets eerder dient te vallen onder het begrip dorpsgezicht. Bovendien wordt de monumentwaarde van elk individueel samenstellend gedeelte hierdoor uit het oog verloren, minstens niet op afdoende wijze gemotiveerd. Verzoeker betoogt voorts dat, voor zover een beschermingsmotief gelegen in de onderlinge samenhang van onderscheiden onroerende goederen al wettig mogelijk zou zijn, een onwettige motivering voor de individuele bescherming van één van de onderscheiden onroerende goederen meteen de onwettigheid van het geheel met zich meebrengt. 2.1.
- Het middel gaat uit van een verkeerde lezing van artikel 2, 2/ van het monumentendecreet waar de verzoeker meent dat een monument niet zou kunnen bestaan uit verschillende onderdelen. Naar luid van artikel 2, 2/ van het monumentendecreet is een monument “een onroerend goed, werk van de mens of van de natuur of van beide samen, dat van algemeen belang is omwille van zijn artistieke, wetenschappelijke, historische, volkskundige, industrieel-archeologische of andere sociaal-culturele waarde, met inbegrip van de cultuurgoederen die er integrerend deel van uitmaken, inzonderheid de bijhorende uitrusting en de decoratieve elementen”. Deze begripsomschrijving is zeer ruim en kan inzonderheid ieder onroerend goed omvatten dat het werk is van de mens of van de natuur of van beide samen dat voldoet aan de in het decreet bepaalde beschermingsgronden. Deze bepaling maakt het wel degelijk mogelijk een onroerend goed dat bestaat uit meerdere onderdelen of meerdere onroerende goederen in hun geheel als monument te beschermen. In casu is het trouwens dit geheel van gebouwen dat het mogelijk maakt om van een “vierkanthoeve” te spreken, dat als monument beschermd wordt. Anders dan de verzoeker stelt, is niet vereist dat de bescherming van elk onderdeel van het monument verantwoord wordt door alle in het bestreden besluit aangenomen waarden. Het volstaat dat die afzonderlijke waarden van die onderdelen samen de bescherming van het monument in zijn geheel verantwoorden. Het eerste middel is niet gegrond. 2.
- Tweede middel 2.2.
- Het tweede middel is afgeleid uit de schending van artikel 2, 3/ van het monumentendecreet, van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, van de materiële motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur. X-11.638-7/13 In het eerste onderdeel betoogt de verzoeker dat het woonhuis, de schuur en de twee stallingen niet kunnen omschreven worden als een “semi-gesloten vierkanthoeve” aangezien ze zijn opgericht op een vijfhoekig grondplan en ze bovendien geen gesloten gebouwencomplex vormen. De bescherming van de gebouwen als “een vierkanthoeve” is enkel mogelijk indien men het begrip “vierkanthoeve” ruim interpreteert, hetgeen in strijd is met de restrictieve interpretatie van het begrip “monument”. Voorts stelt de verzoeker dat er in de jaren ’50 wel een gesloten hoeve bestond, doch dat de gebouwen die toen de zuidgrens afbakenden inmiddels deels zijn afgebroken en onder meer recent werden vervangen door een buiten de bescherming gehouden loods. In de laatste memorie voegt de verzoeker nog toe dat het bestuur het begrip vierkanthoeve heeft overgenomen uit de literatuur uit de jaren ’50, zonder onderzoek te hebben uitgevoerd naar de talloze bouwtechnische wijzigingen. Hierdoor is het bestuur voorbijgegaan aan het feit dat de origineel samenstellende delen van de hoeve niet meer bestaan en er thans geen sprake meer kan zijn van de vorm van een vierkanthoeve. Ten slotte voert de verzoeker in de laatste memorie nog de schending aan van het legaliteitsbeginsel “zoals dit geldt voor gebruiksregelingen inzake het eigendomsrecht bepaald in het Eerste Aanvullend Protocol bij het EVRM”. In het tweede middelonderdeel laat de verzoeker gelden dat de beschermingsmotieven inzake het woonhuis essentieel teruggaan op een meer dan 50 jaar oude beschrijving van het hoevecomplex, daarbij abstractie makend van de intussen door de mens of natuur gerealiseerde feitelijke wijzigingen, die het uitzicht van de panden essentieel hebben gewijzigd. In dat opzicht verwijst hij naar het vernieuwen van de ganse gevel langs het Kerkplein, het dak en de schoorsteen. Hij stelt dat er nieuwe ramen, nieuwe luiken en een nieuwe deur in de gevel zijn aangebracht, dat er nieuwe baksteen is aangewend en dat ook de dakkapellen nieuw zijn. Voorts betwist de verzoeker de beschermingswaardigheid van de gevel van het woonhuis aan de Kerkweg met diefijzers, de waarde van deze diefijzers, de beschermingswaardigheid van de gevel van het woonhuis aan de binnenkoer en de beschermingswaardigheid van stal B. De verzoeker besluit dit middelonderdeel met het betoog dat “de zuivere vaststelling dat de bescherming wat betreft het woonhuis mank is, (...) meteen de integrale onwettigheid van het besluit met zich mee (brengt)” vermits “het woonhuis (...) de essentie (vormt) van de beschermingsmaatregel omdat het omwille van zijn functie en architectuur bijzonder relevant zou zijn”. De verzoeker voert in het derde middelonderdeel aan dat de bescherming van stal A essentieel gegrond is op de realisatie van het rechtsgevolg X-11.638-8/13 van een beschermingsmaatregel, namelijk op vernieuwingsmotieven en voor het overige op een louter objectieve beschrijving. Vooreerst betwist de verzoeker de beschermingswaardigheid van de gewitte gevel met zadeldak en de poortopening. Wat betreft de dakbalklijstjes stelt de verzoeker dat deze ofwel reeds vervangen werden ofwel in slechte staat zijn, zodat zij onmogelijk een beschermingsbesluit kunnen wettigen. Voorts voert de verzoeker aan dat voor de houten ramen, deuren en houten traliewerk bezwaarlijk nog van enig houtwerk kan gesproken worden. In het vierde onderdeel betoogt de verzoeker ten slotte dat de beschermingsmotieven inzake de schuur incoherent en onduidelijk zijn en kennelijk niet beantwoorden aan de werkelijkheid. De verzoeker betwist de beschermingswaardige kwaliteiten van de schuur: volgens hem gaat het niet om een “driebeukige” schuur, maar om een schuur met een vlakke zoldering met in het midden twee steunbalken. 2.2.
- In antwoord op het bezwaar van de verzoeker dat de hoeve geen vierkanthoeve zou zijn, stelt het verslag “adviezen en bezwaren” van 2 april 2003: “In stricto senso is de hoeve effectief eerder veelhoekig dan vierkant. De vakterm “vierkanthoeve” wordt gebruikt als omschrijving van de algemene typologie met name verschillende rechthoekige volumes (woonhuis, schuur en stallingen) die een binnenkoer belijnen en dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld een langgevelhoeve. ‘Semi-gesloten’ -eveneens een vakterm- wijst op een deels open en deels aaneengesloten bebouwing”. Deze uiteenzetting, die in se niet door de verzoeker wordt betwist, verantwoordt het gebruik van de terminologie “vierkanthoeve”. Voorts dient uit de stukken van het dossier te worden afgeleid dat het bestuur op dit vlak op geen enkel ogenblik is uitgegaan van onjuiste feitelijke gegevens en wel degelijk van in het begin op de hoogte was van de configuratie van het perceel en dus van het feit dat er een open zijde bestond. Derhalve kon de vierkanthoeve wel degelijk onder die omschrijving en rekening houdend met de omschrijving van de historische waarde als monument beschermd worden. De verzoeker maakt niet aannemelijk dat de verwerende partij door “een vierkanthoeve” te beschermen, iets beschermt dat er de facto niet zou zijn. In de mate dat de verzoeker in zijn laatste memorie nog de schending aanvoert van het legaliteitsbeginsel, ontwikkelt hij een nieuw middel dat niet op ontvankelijke wijze voor het eerst in de laatste memorie kan worden aangevoerd. X-11.638-9/13 Het eerste middelonderdeel is niet gegrond. 2.2.
- Als annulatierechter is de Raad van State belast met een wettigheidstoezicht. Het komt de Raad van State niet toe het feitenonderzoek in de behandelde zaak over te doen en in de plaats van het bestuur te appreciëren of een goed wel als monument en/of stads- of dorpsgezicht beschermingswaard is. De Raad vermag wel na te gaan of de administratieve overheid rechtmatig tot haar voorstelling van de feiten is kunnen komen. Hij kan dus nagaan of de feiten die de overheid als uitgangspunt heeft genomen, vaststaan in het licht van de bewijselementen die beschikbaar waren. Vooreerst gaat het tweede middelonderdeel uit van de verkeerde veronderstelling dat het woonhuis de essentie van het beschermingsbesluit zou vormen. Uit het bestreden besluit, evenals de motiveringsnota, het ontwerp van lijst en de weerlegging van de bezwaren dient te worden afgeleid dat het het hoevecomplex in zijn totaliteit is, dat beschermingswaardig wordt geacht. Voorts blijkt uit deze stukken dat bij de totstandkoming van het bestreden besluit wel degelijk rekening werd gehouden met het feit dat de voorgevel van het woonhuis evenals het dak ervan recent vernieuwd werd. Bovendien werden de in dit middelonderdeel uiteengezette argumenten, die door de verzoeker tevens werden aangevoerd in zijn bezwaarschrift, uitvoerig besproken in het verslag van 2 april
- De verzoeker toont niet aan dat de verwerende partij is uitgegaan van onjuiste feitelijke of juridische gegevens. Gelet op het marginale toezicht terzake, dient te worden vastgesteld dat het betoog van de verzoeker weliswaar blijk geeft van een andere feitelijke beoordeling van de gegevens van de zaak dan de beslissende overheid, maar dat de verzoeker niet aannemelijk maakt dat het bevoegde bestuur in verband met de beoordeling van de vierkanthoeve als monument, tot een conclusie is gekomen die de grenzen van de redelijkheid te buiten zou gaan. De verzoeker toont niet aan dat het bevoegde bestuur bij de beoordeling van de vierkanthoeve als monument, de grenzen van de hem wettelijk toegekende appreciatiebevoegdheid zou hebben overschreden. Het tweede middelonderdeel is ongegrond. 2.2.
- Nergens uit het monumentendecreet kan worden afgeleid dat slechts in goede bouwfysische toestand verkerende gebouwen in aanmerking komen voor bescherming als monument. Het behoort tot de discretionaire beoordelingsbevoegdheid van de administratieve overheid om uit te maken of X-11.638-10/13 ondanks de slechte bouwfysische toestand van een gebouw of onderdelen ervan, de bescherming ervan wegens zijn historische waarde van algemeen belang is. Het bezwaar van de verzoeker inzake de bouwfysische toestand van bepaalde onderdelen van de hoeve werd in de loop van de beschermingsprocedure onderzocht en beantwoord. De verzoeker toont niet aan dat het bevoegde bestuur de grenzen van de hem wettelijk toegekende appreciatiebevoegdheid zou hebben overschreden. Het derde middelonderdeel is niet gegrond. 2.2.
- Naar aanleiding van het bezwaar van de verzoeker met betrekking tot de schuur werd een onnauwkeurigheid als volgt rechtgezet: “Effectief gaat het niet om een driebeukige maar wel om een asymmetrische, tweebeukige Brabantse schuur. Deze onnauwkeurigheid wordt rechtgezet. De bescherming van de schuur wordt afdoende gemotiveerd als essentieel onderdeel van dit semi-gesloten hoevecomplex”. Ook de in het vierde middelonderdeel ontwikkelde kritiek is niet van aard de onwettigheid van het bestreden besluit aan te tonen. Het vierde middelonderdeel is ongegrond. 2.
- Derde middel 2.3.
- In een derde middel voert de verzoeker de schending aan van het vertrouwensbeginsel, van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, en van de materiële motiveringsplicht als beginsel van behoorlijk bestuur. De verzoeker betoogt dat het beschermingsbesluit een plotse afwijking van de vaste gedragslijn van het bestuur terzake inhoudt, zonder dat hiervoor een deugdelijke motivering wordt gegeven. Meer bepaald verwijst de verzoeker naar een beschermingsprocedure die destijds werd opgestart, maar niet werd beëindigd en naar een verkavelings- en een bouwvergunning die destijds met betrekking tot het betrokken perceel werden verleend. Uit dit alles meent de verzoeker een vaste gedragslijn van het bestuur te kunnen afleiden die erin bestond de panden niet als beschermingswaardig te beschouwen. Door nu plots een beschermingsbesluit te nemen, meent de verzoeker dat de verwerende partij het vertrouwensbeginsel heeft geschonden. X-11.638-11/13 2.3.
- Het vertrouwensbeginsel is een beginsel van behoorlijk bestuur dat moet vermijden dat de rechtmatige verwachtingen die de burger uit het bestuursoptreden put, te kort worden gedaan. Dit houdt in dat de burger moet kunnen vertrouwen op een vaste gedragslijn van de overheid of op toezeggingen of beloften die de overheid in een concreet geval heeft gedaan. Noch het feit dat een destijds opgestarte beschermingsprocedure niet werd beëindigd, noch het bekomen van een stedenbouwkundige of verkavelingsvergunning betreffende het betrokken perceel, kon bij de verzoeker de rechtmatige verwachting doen ontstaan dat zijn pand nooit beschermd zou worden. Integendeel, zoals de verwerende partij terecht opmerkt, het destijds in overweging nemen om het pand te beschermen, kon bij de verzoeker juist de verwachting wekken dat zijn pand misschien ooit wel eens beschermd zou worden. Het derde middel is niet gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoeker. X-11.638-12/13 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig september 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, P. LEFRANC, staatsraad, S. DE TAEYE, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-11.638-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.332 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div