id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.369 Rolnummer: A. 192551/VII-37367 Zaak: Arrest 196369 - Milieuvergunningen - 24/09/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-10-02 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 03:35 Fiche Arrest nr 196.369 van 24 september 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 196.369 van 24 september 2009 in de zaak A. 192.551/VII-37.367 In zake: Jan LAENEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Dael kantoor houdend te Antwerpen Amerikalei 122, bus 14 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te Brugge Stockhouderskasteel Gerard Davidstraat 46, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: Kris DE BRUYN wonende te Nijlen Boshoek 48 --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering De vordering, ingesteld op 11 mei 2009, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 2 maart 2009 waarbij de beroepen tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Antwerpen van 20 december 2007, houdende enerzijds het verlenen van de milieuvergunning aan Kris DE BRUYN om een veebedrijf en biogasinstallatie, gelegen aan de Boshoek 48 te Nijlen, te veranderen door toevoeging en uitbreiding en anderzijds aktename van de in klasse 3 ingedeelde onderdelen van de inrichting, gedeeltelijk gegrond worden verklaard. VII-37.367-1/15 II. Verloop van de rechtspleging De verwerende partij heeft de nota en het administratief dossier ingediend. Eerste auditeur Eric Lancksweerdt heeft op 17 juni 2009 een verslag opgesteld. Het verslag werd aan de partijen ter kennis gegeven. Met een beschikking van 30 juni 2009 is de datum van de terechtzitting vastgesteld op 17 september
- Staatsraad Pierre Barra heeft verslag uitgebracht. Advocaat Chr. Dael, die verschijnt voor de verzoeker, advocaat S. Callens, die loco advocaat B. Staelens verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat A. Bergmans, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Eric Lancksweerdt heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, en van de artikelen 17 en 18 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Tussenkomst Met een verzoekschrift van 30 mei 2009 vraagt Kris DE BRUYN, begunstigde van de bestreden vergunning, om in de debatten tussen te komen. Dit verzoek kan worden ingewilligd. VII-37.367-2/15 IV. Feiten
- De tussenkomende partij beoogt zijn veeteeltinrichting, gelegen aan de Boshoek 48 te Nijlen, uit te breiden met een biogasinstallatie. De verzoeker is omwonende van de inrichting.
- Op 6 maart 2006 dient de tussenkomende partij een milieuvergun- ningsaanvraag in voor de door haar beoogde uitbreiding van haar inrichting, doch op 7 september 2006 weigert de deputatie van de provincie Antwerpen de vergunning voor wat betreft het onderdeel biogasinstallatie. De aanvrager stelt tegen dit deputatiebesluit een administratief beroep in, doch met een ministerieel besluit van 13 maart 2007 wordt dit beroep ongegrond verklaard en het deputatiebesluit bevestigd. De weigering van de vergunning is in essentie gesteund op de overwe- ging dat de transporten van en naar het bedrijf voor een onaanvaardbare hinder zouden zorgen voor de nabijgelegen woonwijk.
- Op 28 november 2007 dient de tussenkomende partij een aanvraag in voor het bekomen van een stedenbouwkundige vergunning tot het oprichten van een vergistingsinstallatie, gelegen aan de Boshoek 48 te Nijlen, doch op 30 juni 2008 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Nijlen deze vergunning. Ook in deze beslissing wordt gewezen op de problematiek van het bijkomend vrachtverkeer dat door een nabijgelegen woonwijk zal moeten passeren.
- Op 27 augustus 2007 dient de tussenkomende partij bij de deputatie van de provincie Antwerpen andermaal een milieuvergunningsaanvraag in voor de uitbreiding van haar inrichting met een biogasinstallatie; de deputatie verleent op 20 december 2007 de gevraagde vergunning.
- Tegen dit vergunningsbesluit worden twee administratieve beroepen ingesteld : - door de afdeling Toezicht Volksgezondheid Antwerpen; - door buurtbewoners.
- In het raam van deze beroepsprocedure wordt een reeks adviezen uitgebracht : - op 13 maart 2008 en 18 april 2008 adviseert de Openbare Vlaamse Afvalstoffen- maatschappij gunstig; VII-37.367-3/15 - op 17 maart 2008 en 25 april 2008 adviseert de afdeling Stedenbouwkundig Beleid en Onroerend Erfgoedbeleid voorwaardelijk gunstig; - op 18 maart 2008 adviseert de afdeling Toezicht Volksgezondheid ongunstig; - op 19 maart 2008 en 15 april 2008 adviseert de Vlaamse Milieumaatschappij voorwaardelijk gunstig; - op 24 maart 2008 adviseert de afdeling Milieuvergunningen voorwaardelijk gunstig; - op 27 maart 2008 adviseert de afdeling Duurzame Landbouwontwikkeling voorwaardelijk gunstig; - op 1 april 2008 adviseert de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie voorwaardelijk gunstig.
- Op 2 maart 2009 wordt de bestreden beslissing genomen; deze luidt als volgt : "Gelet op de ligging van de inrichting in agrarisch gebied volgens het gewestplan Mechelen goedgekeurd bij koninklijk besluit van 5 augustus 1976; Gelet op het feit dat de inrichting gelegen is op een afstand van: - circa 130 meter van een woongebied ander dan een woongebied met landelijk karakter; - circa 350 meter van een woonuitbreidingsgebied; - circa 800 meter van een parkgebied; - circa 300 meter van een bosgebied; - circa 1.500 meter van een recreatiegebied; Overwegende dat de milieuvergunningsaanvraag gekoppeld is aan een leefbaar en volwaardig melkveebedrijf; dat bij toetsing aan de omzendbrief RO/2006/01 inzake inplantingen van installaties voor mestbehandeling en vergisting de geplande installatie van beperkte schaal in agrarisch gebied aan volgende voorwaarden voldoet: - het ruimtebeslag is zo beperkt mogelijk; de installaties worden bij het bestaande landbouwbedrijf ingeplant en de gebouwen en infrastructuren vormen een fysisch geheel met het bedrijf; - het bedrijf en de betrokken percelen liggen niet in ruimtelijk kwetsbare gebieden; - de mestverwerkingsinstallatie in agrarisch gebied is gebonden aan een aantal landbouwbedrijven; - de maximale capaciteit voor mestverwerking in agrarisch gebied is 60.000 ton per jaar; de aangevraagde installatie zou jaarlijks 14.000 ton verwerken, dat de exploitatie bijgevolg verenigbaar is met de toepasselijke ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; Overwegende dat er beroep is ingediend door de afdeling Toezicht Volksgezondheid en omwonenden tegen het verlenen van de vergunning met als voorwerp in hoofdzaak de verandering van een vergunde rundveehouderij door uitbreiding en toevoeging van een covergistingsinstallatie; dat het meer bepaald een covergisting van 14.000 ton per jaar biomassa betreft bestaande uit mest (minimaal 33%), energieteelten en/of landbouwrestproducten (minimaal 27%) en organisch biologische afvalstoffen (OBA's, maximaal 40%), met de productie van biogas; dat de beroepsargumenten mogelijke geurhinder, VII-37.367-4/15 geluidshinder, verkeershinder, veiligheid, de argumentatie van de beslissing van de deputatie en de formulering van de extra voorwaarden in deze beslissing omvatten; Overwegende dat de mestverwerking de volgende procédés omvat: - het verpompen van mest; - de menging van de biomassa in een voormengput van 300 m³; - de pasteurisatie van de biomassa (1 uur op 70/C) in 2 pasteurisatieketels van 10 m³ elk; - de anaërobe vergisting van de biomassa in 2 stappen (voor- en navergisting, verblijftijd telkens ongeveer 25 dagen); - de aërobe ontzwaveling van het geproduceerde biogas door luchtinjectie; - de verbranding van het biogas in 2 gasmotoren (WKK) met de productie van warmte en elektriciteit; - het indikken van het digestaat tot ongeveer 18% droge stof; Overwegende dat de geproduceerde elektriciteit aan een elektriciteitsmaat- schappij zal verkocht worden; dat de geproduceerde warmte gebruikt zal worden voor pasteurisatie van de biomassa, opwarmen van de vergisters en indampen van het digestaat; Overwegende dat, qua infrastructuur, de mestverwerkingsinstallatie hoofdzakelijk bestaat uit 2 vergisters, zijnde ronde bekkens met een diameter van 15 meter en een inhoud van 1000 m³; dat de energieteelten en groenvoeders worden opgeslagen in een sleufsilo van 3000 m³ en 450 m³; dat er een afgesloten foliebassin komt voor opslag van digestaat met een inhoud van 1.000 m³; dat de andere installaties zullen opgesteld worden in een nieuwe loods, die zal worden aangebouwd achteraan de bestaande loods; Overwegende dat het te vergisten materiaal zal bestaan uit minimaal 33% dierlijke mest (waarvan 1800 ton afkomstig van het eigen bedrijf, 1000 ton afkomstig van een landbouwer aan de overzijde van de straat en de overige aanvoer afkomstig van derden), minimaal 27% energieteelten en/of landbouw- restproducten (aanvoer van 3800 ton maïs) en maximaal 40% organisch-biologische afvalstoffen (OBA), met opslag van 3 maal 100 ton vloeibaar OBA in een kelder, 100 ton categorie 3-materiaal, als bedoeld in de Europese Verordening nr. 1774/2002, eveneens in een kelder en 100 ton vast OBA in een afgedekte sleufsilo; Overwegende dat deze inrichting moet voldoen aan de strenge voorschriften van de Europese Verordening nr. 1774/2002 van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten, omdat het categorie 3-materiaal verwerkt, dat de toepassing van deze verordening een hoop gezondheids- en veiligheidsni- veau garandeert; Overwegende dat in de bestreden beslissing als bijzondere voorwaarde wordt opgelegd dat de exploitant ter informatie vóór de inwerkingtreding van de covergisting aan de vergunningverlenende overheid een lijst van aangewende OBA moet voorleggen; dat deze OBA lokaal geproduceerd moeten zijn en enkel stoffen mogen bevatten die voorkomen op een in de bestreden beslissing vastgestelde lijst; dat de exploitant van elk van de opgegeven stoffen de herkomst, de aard, de hoeveelheid en de vorm (vast of vloeibaar) moet opgeven; dat telkens als de exploitant andere OBA-stromen wil aanwenden, hij dat moet melden aan de vergunningverlenende overheid, die deze ter informatie/evaluatie overmaakt aan de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij, de Vlaamse Landmaatschappij, de afdeling Ruimtelijke Ordening en de afdeling Milieu-inspectie; Overwegende dat het bedrijfsafvalwater enerzijds afkomstig is van het reinigen van de buitenkant van voertuigen; dat dit afvalwater geleid wordt over een koolwaterstofafscheider en geloosd wordt in oppervlaktewater (gracht); dat het anderzijds afkomstig is van het reinigen van de stallen; dat dit afvalwater VII-37.367-5/15 opgevangen wordt in de mestkelders en nadien, samen met de mest behandeld wordt in de vergistingsinstallatie; dat het vervuilde run-off water van de werkzone zal toegevoegd worden aan de vergisting; dat het vervuilde run-off water van de lege sleufsilo's via een opvang van dit effluent eveneens zal toegevoegd worden aan de vergisting; Overwegende dat het hemelwater wordt opgevangen in een infiltratievoorziening; Overwegende dat in de bestreden beslissing een waterparagraaf staat waarin voldoende is gemotiveerd dat de vergunningsplichtige activiteit geen schadelijke effecten veroorzaakt op het watersysteem en er bijgevolg voldaan wordt aan artikel 8 van het decreet betreffende het integraal waterbeleid, meer bepaald de watertoets; Overwegende dat de pasteurisatie en de vergisting in volledig gesloten reactoren plaatsvinden; dat alle grondstoffen en eindproducten in gesloten recipiënten zullen worden opgeslagen; dat de meeste producten vloeibaar zijn en verpompt worden vanuit gesloten silo's; dat uit de BBT-studie 'Composteer- en vergistingsinstallaties (juni 2005)' blijkt dat deze manier van werken BBT (Best Beschikbare Technologie) is; Overwegende dat het geproduceerde biogas ontdaan wordt van zwavel in een aërobe bacteriologische ontzwavelingsinstallatie; dat er nauwelijks vluchtige organische stoffen gevormd worden bij de productie van biogas; dat de kleine hoeveelheid die toch gevormd wordt, zal verbrand worden in de motoren; dat er nauwelijks ammoniak gevormd wordt bij de productie van biogas; dat de kleine hoeveelheid die toch gevormd wordt, zal gecondenseerd worden samen met het water dat zich in het biogas bevindt; dat het gecondenseerde water met ammoniak terug naar de vergister geleid wordt; Overwegende dat in de bestreden beslissing als bijzondere voorwaarde wordt opgelegd dat tenzij in uitvoering van artikel 5.28.3.2.2, § 2 en §3 van titel II van het VLAREM een geurstudie is opgenomen in het meetprotocol, de exploitant binnen één jaar na ingebruikname van de covergistingsinstallatie een geurstudie moet laten uitvoeren door een erkend deskundige lucht; dat aanbevelingen van deze deskundige onverwijld moeten worden opgevolgd; dat het uitvoeren van een geurstudie onvoorwaardelijk als bijzondere voorwaarde moet opgelegd worden; dat deze voorwaarde in die zin moet geherformuleerd worden; Overwegende dat de opslag van vaste afvalstoffen doeltreffend moet afgedekt worden; Overwegende dat het aangewezen is dat de exploitant zich laat begeleiden door een erkend deskundige lucht en dit zowel voor de start van de werkzaamheden, tijdens de bouwwerken, als bij het opstarten; Overwegende dat in de bestreden beslissing als bijzondere voorwaarde wordt opgelegd dat de ventilatielucht afkomstig van de indikker moet worden afgezogen en behandeld met een zure wasser, biobed en actiefkoolfilter zoals omschreven in de aanvraag; Overwegende dat de uitlaatgassen van de 2 biogasmotoren en de motor op pure plantaardige olie (PPO), zijnde koolstofdioxide, stikstofoxiden en resten van onverbrand biogas, afgevoerd worden langs een schouw; dat de emissies van deze motoren moeten voldoen aan de bepaling van hoofdstuk 5.31 van titel II van het VLAREM; dat in de bestreden beslissing als bijzondere voorwaarde wordt opgelegd dat binnen een termijn van 4 maanden na ingebruikname van de WKK-installatie met PPO-motor, de exploitant de analyseresultaten verkregen, conform artikel 5.31.1.4 van titel II van het VLAREM, in 3-voud moet bezorgen aan de vergunningverlenende overheid, die deze ter evaluatie voorlegt aan de afdeling Milieuvergunningen en de afdeling Milieu-inspectie; dat het aangewezen is dat als de analyseresultaten niet aan de luchtemissiegrenswaarden voldoen, de exploitant onmiddellijk een voorstel van saneringsmaatregelen moet uitwerken, dat moet worden VII-37.367-6/15 gerealiseerd binnen een aanvaardbare uitvoeringstermijn; dat de in de bestreden beslissing opgelegde bijzondere voorwaarde in die zin moet aangepast en opgelegd worden; Overwegende dat de aanvraag stelt dat alle toestellen die geluidsbronnen zijn, in het gebouw worden ondergebracht en waar nodig van geluidswerende beschermingen voorzien en/of in een afzonderlijke geïsoleerde ruimte geplaatst; dat als bijzondere voorwaarde wordt opgelegd dat de aanzuig van ventilatoren van geluidsabsorbers worden voorzien; dat de mechanische bewerkingsinstallaties en andere geluidsproducerende onderdelen in een loods geplaatst worden en dat de motoren van de roerders van de vergisters van een geluidsomkasting worden voorzien; Overwegende dat de mestverwerkingsinstallatie zich in agrarisch gebied bevindt; dat de geluidsnormen voor nieuwe inrichtingen van toepassing zijn; dat volgens artikel 5.2.1.6, §4, van titel II van het VLAREM rustverstorende werkzaamheden verboden zijn vóór 7 uur en na 19 uur, en op zon- en feestdagen; Overwegende dat kan worden geconcludeerd dat mits naleving van de voormelde bijzondere voorwaarden de geluidshinder tot een aanvaardbaar niveau kan worden beperkt; Overwegende dat de biogasopslag alleen zal gebeuren boven de 2 vergisters en het overdekte foliebassin; dat het materiaal van de gasballonnen biogas- en weersbestendig is; dat bijlage 11 van de aanvraag een veiligheidsrapport van een EPDM-membraan dat gebruikt kan worden als afsluitende membraan voor de vergisters, bevat; dat hieruit blijkt dat dit membraan geschikt is voor de gasopslag zonder gevaar voor explosie of mechanische schade; dat het in de praktijk toegepaste systeem voor biogasopslag (met enkele of dubbele membraan) minstens even veilig moet zijn als het voormelde EPDM-membraan; dat de exploitant als bewijs hiervan een verslag van op het toepaste membraan uitgevoerde brandproeven moet overleggen aan de afdeling Milieuvergunningen en de afdeling Milieu-inspectie, dat laatste wordt opgelegd als bijzondere voorwaarde; Overwegende dat volgens de aanvrager het biogas permanent zal gemonitord worden op hoeveelheid zuurstof, waterstofsulfide, koolstofdioxide en methaan; dat ingeval van problemen er een alarmsignaal naar de GSM van de exploitant gestuurd wordt; dat het aangewezen is dat de exploitant of een aangestelde steeds bereikbaar is bij alarm of oproep van de opvolging van de biogasinstallatie; dat dit als bijzondere voorwaarde wordt opgelegd; Overwegende dat de bedrijfsdruk voor de gasopslag zo'n 20 mbar zal zijn; dat bij een te grote gasproductie het extra gas wordt opgeslagen in het bassin boven het digestaat (capaciteit 500 m³); dat er een fakkel voorzien is om overtollig gas of gas met slechte kwaliteit te verbranden; dat wanneer al deze mechanismen een eventuele overdruk niet kunnen tegenhouden, als laatste veiligheid een waterslot het gas doorlaat; Overwegende dat volgens het document 'Effect- en risicoafstanden bij de opslag van biogas' van het Nederlandse Centrum Externe Veiligheid blijkt dat voor een vergistingsinstallatie met een opslagcapaciteit van 500 m³, een werkingsdruk van maximaal 30 mbar en een gassamenstelling van 80% methaan en 20% koolstofdioxide, de afstand tot de 10-6 isorisicontour zo'n 30 meter bedraagt; dat deze isorisicocontour niet over woongebied gaat; Overwegende dat in de bestreden beslissing is vermeld dat naar schatting door de exploitatie zo'n 2,8 transporten per dag zullen bijkomen; dat er naar schatting van de aanvrager door de exploitatie zo'n 1,7 transporten per dag zullen bijkomen, waarvan 0,53 door woonzone en 1,16 door landbouwgebied; dat de schattingen van verschillende partijen een grootte-orde aangeven; Overwegende dat bij transport via de Herenthoutsesteenweg, de Looystraat en de Boshoek ten zuiden van het woongebied aan de Boshoek en de spoorweg VII-37.367-7/15 deze route niet langs de woonwijk in de Boshoek noch langs traject van de meeste schoolgaande kinderen in de nabijgelegen scholen in Nijlen loopt; dat deze weg wel degelijk voldoende breed is, zodat wagens en vrachtwagens elkaar kunnen kruisen; dat de weg voldoende uitgerust is; dat het opportuun is deze route van de transporten op te leggen als bijzondere voorwaarde; dat deze route wel een fietsroute kruist; dat het daarom aangewezen is dat deze weg niet wordt gebruikt voor bedoelde transporten tijdens het weekend; Overwegende dat de aanvrager stelt dat bij de aanvoer van mest er telkens digestaat zal afgevoerd worden; dat het digestaat ingedikt wordt van 6% droge stof naar 18% droge stof zodat de totale hoeveelheid af te voeren digestaat verminderd wordt; Overwegende dat het aantal extra transporten per dag door de exploitatie dus beperkt blijven; Overwegende dat gesteld kan worden dat de risico's voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde exploitatie mits strikte naleving van de aangepaste milieuvergunningsvoorwaarden tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat de beroepen gedeeltelijk gegrond te verklaren en de bestreden beslissing te wijzigen; BESLUIT: Artikel
- De ontvankelijk bevonden beroepen van: - de afdeling Toezicht Volksgezondheid van het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid, Lange Kievitstraat 111-113, bus 31, 2018 Antwerpen; - Danny en Griet Luyten-Bossaerts (namens 438 ondertekenaars), Boshoek 15, 2560 Nijlen, aangetekend tegen het besluit met kenmerk MLAV1/0700000303/kh van 20 december 2007 van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen, houdende: 1) het verlenen van de milieuvergunning, voor een termijn verstrijkend op 7 september 2026, aan de heer Kris De Bruyn, Boshoek 48, 2560 Nijlen, om een veebedrijf en biogasinstallatie, gelegen op hetzelfde adres, kadastergegevens, afdeling 1, sectie C, perceelnrs. 84f en 86 te veranderen door toevoeging en uitbreiding, omvattende: - toevoeging met perceel l-C-86; - uitbreiding met: • de covergisting van maximaal 14.000 ton/jaar biomassa, bestaande uit minimaal 33% dierlijke mest, minimaal 27% energieteelten en/of landbouwrestproducten en maximaal 40% organisch-biologische afvalstoffen (OBA), met opslag van 400 ton vloeibaar OBA en 100 ton vast OBA, en de productie van biogas met een opslagcapaciteit van 1.500 m³; • de opslag en bewerking van 200 ton categorie 3-materiaal; • 3 WKK's bestaande uit: - 2 biogasmotoren met elk een nominaal vermogen van 400 kW en bijhorende generatoren met elk een elektrisch vermogen van 400 kW; - een PPO motor met een nominaal vermogen van 250 kW en een bijhorende generator met een elektrisch vermogen van 250 kW; • een gasproductie van 400 m³/uur; • de uitbreiding met de opslag van 9.150 kg zwavelzuur in een bovengrondse houder met een inhoudsvermogen van 5.000 1 tot in totaal de opslag van 9.150 kg zwavelzuur en 200 kg antivries (totaal 9.350 kg); • 2 warmtewisselaars van elk 10 m³ (totaal 20.000 1); • de opslag van 20 ton koolzaadolie in een bovengrondse houder; VII-37.367-8/15 • de copslag van 3.000 m³ energiegewassen en 450 m³ groenvoeders in sleufsilo's; 2) de aktename van volgende in klasse 3 ingedeelde onderdelen van de inrichting: - het lozen van 1 m³/uur, 2 m³/dag en 400 m³/jaar bedrijfsafvalwater in de gracht; - 3 transformatoren van 1 x 250 kVA en 2 x 400 kVA; - het wassen van maximaal 3 voertuigen per dag; - compressoren en koelinstallaties met een totaal geïnstalleerde drijfkracht van 28 kW; - installatie voor het op druk brengen van het biogas van 10 kW; - uitbreiding met de opslag van 2.000 1 mazout tot in totaal de opslag van 1.000 1 afvalolie in een bovengrondse tank en 2.000 1 mazout in een bovengrondse tank; - opslag van 1.000 kg/l gevaarlijke producten in kleine verpakkingen; - labo; - uitbreiding met de opslag van 1.600 m³ vloeibaar digestaat tot een totale mestopslag van 3.563 m³; - metaalwerkplaats met een totale geïnstalleerde drijfkracht van 5 kW; - inrichting voor het behandelen van plantaardige oliën met een geïnstalleerde totale drijfkracht van 9 kW; 3) het zonder voorwerp verklaren van het verzoek tot afwijking van de bepalingen van artikel 5.2.1.5, §2 van titel II van het VLAREM; worden gedeeltelijk gegrond verklaard. Art.
- In de bestreden beslissing nr. MLAV1/0700000303/kh van 20 december 2007 van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen, houdende enerzijds het verlenen van bovenvermelde milieuvergunning, aan de heer Kris De Bruyn, Boshoek 48, 2560 Nijlen, om een veebedrijf en biogasinstallatie, gelegen op hetzelfde adres, te veranderen door toevoeging en uitbreiding, in artikel 3, §3, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1/ de derde bijzondere voorwaarde wordt vervangen door wat volgt: 'de exploitant laat binnen één jaar na ingebruikname van de covergistingsinstallatie een geurstudie uitvoeren door een erkend deskundige in de discipline lucht; aanbevelingen van deze deskundige dienen onverwijld te worden opgevolgd; de geurstudie dient ten laatste 18 maanden na ingebruikname in 4 exemplaren aan de vergunningverlenende overheid te worden bezorgd die het rapport ter kennisgeving/evaluatie zal overmaken aan de vergunningverlenende overheid en de afdeling Milieu-inspectie'; 2/ de vijfde bijzondere voorwaarde wordt vervangen door wat volgt: 'de exploitant dient naast de algemene luchtemissiegrenswaarden te voldoen aan de luchtemissiegrenswaarden van art 5.31.1.2.2 van titel II van het VLAREM; binnen een termijn van 4 maanden na ingebruikname van de WKK-installatie met PPO-motor, dient de exploitant de analyseresultaten verkregen conform artikel 5.31.1.4 van titel II van het VLAREM in 3-voud te bezorgen aan de vergunningverlenende overheid en aan de afdeling Milieu-inspectie; indien uit de analyseresultaten zou blijken dat de installatie niet aan de luchtemissiegrenswaarden van artikel 5.31.1.2.2 van titel II van het VLAREM voldoet, maakt men een document op met een voorstel van saneringsmaatregelen en bijhorende uitvoeringstermijnen; dit document voegt men bij de analyseresultaten'; 3/ bijzondere voorwaarden worden toegevoegd die luiden als volgt: '- alle transporten verbonden aan de exploitatie van de biogasinstallatie worden steeds via de Herenthoutsesteenweg, de Looystraat en de Boshoek aangevoerd en afgevoerd; VII-37.367-9/15 - de transporten verbonden aan de exploitatie van de biogasinstallatie zijn verboden op zaterdag en zondag; - het systeem voor biogasopslag (met enkele of dubbele membraan) moet minstens even veilig zijn als het EPDM-membraan waarvan in de aanvraag een veiligheidsrapport werd opgenomen; de exploitant moet dit kunnen staven aan de hand van een verslag van brandproeven die op het toegepaste membraan of membranen werden uitgevoerd, dit verslag wordt aan de vergunningverlenende overheid en de Milieu-inspectie overgelegd; - de exploitant of een aangestelde is steeds bereikbaar ingeval er een alarm of oproep van de opvolging van de biogasinstallatie gegenereerd wordt; de alarmberichten van de installatie worden naar de GSM van 4 personen met kennis van de installatie in cascade gestuurd; minstens 1 van deze 4 personen is een externe persoon; de exploitant, zijn echtgenote of zijn broer worden niet als externe persoon beschouwd; - het is verboden te roken in de inrichting; - de aanzuigzijde van ventilatoren moeten uitgerust zijn met geluidsabsorbers; - mechanische bewerkingsinstallaties en andere geluidsproducerende onderdelen worden in een loods geplaatst; dit is niet van toepassing op de motoren van de roerders van de vergisters; - de motoren van de roerders van de vergisters worden van een geluidsomkasting voorzien of in een gebouw geplaatst'. Art.
- De overige bepalingen van het beroepen besluit worden bevestigd. Art.
- Dit besluit wordt genoteerd in de rand van het notulenboek van de deputatie tegenover de notulering van de bestreden beslissing". V. Het moeilijk te herstellen ernstig nadeel
- In zijn inleidend verzoekschrift voert de verzoeker het volgende moeilijk te herstellen ernstig nadeel aan : "Uit hogervermelde argumentatie blijkt duidelijk dat verzoeker een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zal moeten ondergaan indien de bestreden beslissing niet geschorst wordt. Zonder schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit, zal de heer Kris De Bruyn uiteraard overgaan tot exploitatie van een biomassavergistingsinstallatie. Zoals reeds werd gesteld woont verzoekende partij in de onmiddellijke omgeving van de percelen waarop de aanvraag betrekking heeft. Het spreekt voor zich dat deze exploitatie hinder zal veroorzaken voor de verzoekende partij als voor alle omwonenden van diens buurt die zich op circa 130 meter bevinden van de exploitatie (...). Ten eerste is er het aspect van de verkeershinder en de geurhinder. Dit risico op verkeershinder en geurhinder is afdoende bewezen nu soortgelijke aanvragen tot het bekomen van een milieuvergunning en stedenbouwkundige vergunning om die redenen zijn afgekeurd. Verzoekende partij verwijst hierbij tevens naar de gespecialiseerde adviezen die allemaal aanwijzen dat er een zeer groot risico is op verkeershinder en geurhinder. In het bestreden besluit worden wel maatregelen getroffen om deze verkeershinder te minimaliseren. Maar zoals blijkt uit het advies van de VII-37.367-10/15 gemeentelijke mobiliteitsambtenaar is deze maatregel volledig vreemd aan de realiteit en dan ook niet afdoende om dit risico op verkeershinder te bezweren. Tevens is er visuele hinder nu verzoekende partij rechtstreeks zicht zal krijgen op een grote vergistingsinstallatie. Tevens is er een ernstig gezondheidsrisico. Het volstaat hierbij te verwijzen naar het negatief advies van TOVO naar aanleiding van de tweede aanvraag bij de Bestendige Deputatie van de Provincie Antwerpen: 'Milieutechnische evaluatie Het ToVo verleent een ongunstig advies om volgende redenen: • De aan- en afvoer naar en van het bedrijf zullen voor overlast zorgen in de woonwijk. Mede door de aanwezigheid van scholen moet zwaar verkeer door de woonwijk zoveel mogelijk vermeden worden. De wegen in de landbouwgebieden zijn evenmin aangepast voor een toename van het zware transport. • Ondanks de testen die reeds zijn uitgevoerd rond de veiligheid van opslag van biogas onder lage druk en de toepassing van de BBT hierbij kan geen garantie geboden worden op het niet voorkomen van calamiteiten. Zo zijn er dit jaar al enkele incidenten geweest bij gelijkaardige installaties in Nederland. Het bedrijf is bovendien gelegen naast een spoorweg wat mogelijk(e) een bijkomend risico inhoudt in geval van calamiteiten. Het ToVo merkt tevens het volgende op: • er is geen nageschakelde katalytische reductie voorzien om de emissies (vnl. stikstofoxiden) die vrijkomen bij het verbranden van pure plant- aardige oliën; • ToVo merkt op dat het doorsijpeleffluent van de opgeslagen vaste OBA ook apart dient opgevangen en mee vergist te worden of via een waterzuiveringsinstallatie geloosd te worden. In het dossier staat niet vermeld wat hiermee zal gebeuren; • gezien de kleine afstand tot de bewoning dienen maatregelen overwogen te worden ter voorkoming van geluid (BBT mestverwerking)'. De hinder die de gevraagde exploitatie met zich zal meebrengen, treft de verzoekende partij dan ook persoonlijk en rechtstreeks en is onaanvaardbaar. In geen geval kan zij achteraf na een nietigverklaring worden hersteld zodat aan alle voorwaarden is voldaan om tot schorsing van de tenuitvoerlegging over te gaan. Verzoeker doet dan ook genoegzaam blijken van een ernstig niet te herstellen nadeel".
- De verwerende partij merkt op dat de door de verzoeker aangevoerde geurhinder niet wordt aangetoond. Inzake de aangevoerde verkeershinder merkt zij op dat zij wel degelijk in de bestreden beslissing aandacht heeft besteed aan het mobiliteitsaspect en dat ze maatregelen heeft opgenomen in de bijzondere voorwaarden van de vergunning. Wat de visuele hinder betreft wijst zij er op dat dit in eerste instantie zal dienen beoordeeld te worden in het kader van de aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning. Wat ten slotte het aangevoerde gezondheidsrisico betreft wijst de verwerende partij er op dat de afdeling Toezicht Volksgezondheid inderdaad een ongunstig advies heeft uitgebracht. VII-37.367-11/15 VII-37.367-12/15 Beoordeling
- De verzoeker betoogt dat er sprake zal zijn van verkeershinder, geurhinder, visuele hinder en gezondheidsrisico's.
- De verzoeker geeft niet concreet aan welke verkeershinder hij persoonlijk zal lijden ingevolge de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. De verzoeker woont in de Paterstraat, op het eerste gezicht zelfs in een doodlopend deel van die straat. Het is niet duidelijk hoeveel bijkomend vrachtverkeer de exploitatie van de biogasinstallatie zal genereren in de straat waar hij woont. De verzoeker verschaft hieromtrent geen gegevens. In de bestreden beslissing wordt als milieuvergunningsvoorwaarde opgelegd dat alle transporten verbonden aan de exploitatie van de biogasinstallatie steeds via de Herenthoutsesteenweg, de Looystraat en de Boshoek worden aangevoerd en afgevoerd, straten die niet in de nabijheid van de woning van de verzoeker liggen. Ook wordt als voorwaarde opgelegd dat de transporten verbonden aan de exploitatie van de biogasinstallatie verboden zijn op zaterdag en zondag. De verzoeker stelt dat in vorige beslissingen de verkeershinder onaanvaardbaar werd geacht. Deze weigeringsbesluiten hebben het echter op een algemene wijze over de verkeershinder ten opzichte van de woonwijk; er kan niet zomaar uit worden afgeleid dat de verzoeker stellig een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zou hebben geleden door het toekennen van de vergunning. Voorts verschilt de tweede aanvraag die aanleiding gaf tot de thans bestreden beslissing, van de eerdere aanvraag; thans maakt de aanvrager een uitsplitsing tussen transportstromen door landbouwgebied en door woongebied. Ter zitting betoogt de verzoeker dat er hinder zal zijn voor zijn dochter op weg naar haar school. Deze aanvulling kon aangevoerd worden in het inleidend verzoekschrift en is dan ook laattijdig. De als zijn stuk 10 bijgebrachte verklaring nopens deze problematiek dient uit de debatten geweerd te worden.
- Wat betreft de geurhinder verwijst de verzoeker op algemene wijze naar eerdere beslissingen en gespecialiseerde adviezen. VII-37.367-13/15 In de beslissingen van 7 september 2006 en 13 maart 2007 was vooral de verkeersproblematiek aan de orde. Het blijkt niet dat de geurhinder een (doorslaggevend) weigeringsmotief was. De verzoeker verduidelijkt ook niet in welke gespecialiseerde adviezen de geurhinder als onaanvaardbaar werd gekwalificeerd. Alle uitgebrachte adviezen waren gunstig -ook al werden bepaalde voorwaarden vooropgesteld die nodig zijn om de hinder te beperken- behalve het advies van de afdeling Toezicht Volksgezondheid uitgebracht op 18 maart 2008; in de "overwegingen en besluit van de afdeling Toezicht Volksgezondheid" wordt echter niet stilgestaan bij de geurhinder. Uit de overwegingen van de bestreden beslissing blijkt dat er diverse elementen zijn die er op wijzen dat de geurhinder niet onaanvaardbaar is. Ook dient te worden onderstreept dat de bestreden beslissing een aantal voorwaarden oplegt die er op gericht zijn de geurhinder binnen aanvaardbare perken te houden; inzonderheid moet een geurstudie worden uitgevoerd, die aanleiding kan geven tot verdere aanbevelingen.
- Wat de aangevoerde visuele hinder betreft moet worden vastgesteld dat deze voortvloeit uit de eventueel te verlenen stedenbouwkundige vergunning; voorts preciseert de verzoeker niet wat die visuele hinder voor hem precies inhoudt.
- Wat het gezondheidsrisico betreft volstaat de verzoeker ermee steun te zoeken bij het standpunt van de afdeling Toezicht Volksgezondheid. Voorzover deze afdeling stilstaat bij het verkeersaspect, toont de verzoeker niet aan dat hij op dit punt een moeilijk te herstellen ernstig nadeel lijdt (zie randnummer 11). Voorts betekent de omstandigheid dat er geen absolute garanties zijn dat er zich geen calamiteiten voordoen, geenszins dat er een ernstig risico bestaat op calamiteiten.
- Aan de schorsingsvoorwaarde van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is niet voldaan. VII-37.367-14/15 BESLISSING
- Het verzoek van Kris DE BRUYN tot tussenkomst in het administratief kort geding wordt ingewilligd.
- De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing.
- De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 125 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vierentwintig september tweeduizend en negen, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit : Pierre Barra, staatsraad, wnd. voorzitter, met bijstand van Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Pierre Barra VII-37.367-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.369 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.215.593 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div