id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.371 Rolnummer: A. 136049/IX-3778 Zaak: Arrest 196371 - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) - 24/09/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-10-02 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 03:35 Fiche Arrest nr 196.371 van 24 september 2009 Sociale zaken en volksgezondheid - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 196.371 van 24 september 2009 in de zaak A. 136.049/IX-3778 In zake : de ALGEMENE CENTRALE DER OPENBARE DIENSTEN gevestigd te Brussel Fontainasplein 9-11 tegen : het UNIVERSITAIR ZIEKENHUIS ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ingrid Opdebeek kantoor houdende te Aartselaar Karel van de Woestijnelaan 7 en door advocaat Ann Coolsaet kantoor houdende te Antwerpen Arthur Goemaerelei 69 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het beheersorgaan van het Universitair Ziekenhuis Antwerpen van 10 februari 2003 waarbij de aanpassingen aan de arbeidsvoorwaardenregeling voor de artsen van het Universitair Ziekenhuis Antwerpen worden goedgekeurd. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft laattijdig een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van toelichting ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Rudi Van Der Gucht heeft op 22 september 2005 een verslag neergelegd. IX-3778-1/7 De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting die heeft plaatsgevonden op 9 maart
- Kamervoorzitter Paul Lemmens heeft verslag uitgebracht. Advocaat Nathalie Swartebroeckx die, loco advocaat Ingrid Martens, verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Kristof De Mulder die, loco advocaten Ann Coolsaet en Ingrid Opdebeek, verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Rudi Van Der Gucht heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Op vraag van de Medische Raad van het Universitair Ziekenhuis Antwerpen (UZA) worden in 2001 en 2002 aanpassingen voorbereid van de zogenaamde “Arbeidsvoorwaardenregeling UZA-artsen”. Op 18 december 2002 keurt de Medische Raad een voorstel van aanpassingen goed. Dit voorstel wordt op 13 januari 2003 voorgelegd aan het beheersorgaan van het UZA. Aan het beheersorgaan wordt uitgelegd dat de wijzigingen betrekking hebben op de pensioenopbouw via een groepsverzekering, de aanrekening van supplementen op een eenpersoonskamer en bij een privé- raadpleging, de vergoeding voor onregelmatige prestaties, voor het uitvoeren van zware pathologie en voor het verrichten van klinische studies, het verrichten van nevenactiviteiten, en de vakantie en het wetenschappelijk verlof. Na bespreking keurt het beheersorgaan de aanpassingen goed. IX-3778-2/7 Deze beslissing maakt het voorwerp uit van het voorliggende beroep. Van de arbeidsvoorwaardenregeling wordt nadien een gecoördineerde tekst gemaakt. Die tekst is vervat in een nota BO-UZ/13.01.03/236- 5.b. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
- De memorie van antwoord is niet binnen de reglementair bepaalde termijn ingediend. Overeenkomstig artikel 21, vijfde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State wordt zij uit de debatten geweerd. V. Ontvankelijkheid van het beroep
- De verzoekende partij is een representatieve vakorganisatie in de zin van artikel 8 van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. Zij vordert de nietigverklaring van een beslissing van het beheersorgaan van het UZA van 13 januari 2003 waarbij de arbeidsvoorwaardenregeling voor de UZA-artsen wordt aangepast. Zij voert aan dat deze beslissing genomen werd met miskenning van de plicht tot voorafgaande onderhandeling of overleg met de representatieve vakorganisaties. Zij voert daartoe een enig middel aan, afgeleid uit de schending van de voormelde wet van 19 december 1974 en de besluiten genomen ter uitvoering van die wet. Uit het verzoekschrift van de verzoekster blijkt dat zij zich beroept op een functioneel belang, afgeleid uit het feit dat haar prerogatieven als representatieve vakorganisatie zijn miskend.
- Op het ogenblik van de bestreden beslissing beschikte het UZA niet over een eigen rechtspersoonlijkheid, maar maakte zij deel uit van de Universitaire Instelling Antwerpen (UIA). Ingevolge het decreet van 4 april 2003 houdende bepalingen tot de oprichting van een Universiteit Antwerpen en tot wijziging van het decreet van IX-3778-3/7 22 december 1995 houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot de Universiteit Antwerpen, heeft de UIA met ingang van 1 oktober 2003 opgehouden te bestaan als afzonderlijke rechtspersoon. De UIA is samen met de twee andere Antwerpse universiteiten, namelijk het Universitair Centrum Antwerpen en de Universitaire Faculteiten Sint-Ignatius te Antwerpen, opgegaan in de Universiteit Antwerpen (hierna: UA). Artikel 9 van het decreet van 4 april 2003, vervangen bij het decreet van 7 mei 2004, bepaalt dat het UZA een instelling zonder winstoogmerk wordt, met aparte rechtspersoonlijkheid, van zodra de UA de beslissing tot afsplitsing van het UZA neemt. Ter uitvoering van voormeld artikel 9 van het decreet van 4 april 2003, besluit de raad van bestuur van de UA op 4 november 2004 om het UZA met ingang van 1 januari 2005 af te splitsen in een afzonderlijke instelling zonder winstoogmerk met rechtspersoonlijkheid. In dit verband wordt gesteld dat het UZA voortaan een private rechtspersoon zal zijn.
- Deze wijzigingen in de organisatie van het UZA doen de vraag rijzen naar het actueel belang dat de verzoekende partij thans nog bij haar beroep heeft. In zijn verslag heeft de auditeur-verslaggever de partijen uitgenodigd om daaromtrent nadere toelichting te verschaffen.
- In haar laatste memorie, ingediend met een op 10 oktober 2005 aangetekend schrijven, wijst de verzoekende partij erop dat zij op 16 maart 2005 bij het Arbitragehof (thans het Grondwettelijk Hof) een beroep heeft ingesteld tegen het decreet van 7 mei 2004 houdende wijziging van het decreet van 4 april 2003 houdende bepalingen tot de oprichting van een Universiteit Antwerpen en tot wijziging van het decreet van 22 december 1995 houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot de Universiteit Antwerpen. Zij stelt dat haar actueel belang afhankelijk zal zijn van het resultaat van deze procedure. Als het Grondwettelijk Hof het aangevochten decreet vernietigt, zal de oude situatie herleven, zal het UZA terug deel uitmaken van de UA en zal de genoemde wet van 19 december 1974 van toepassing zijn. Voorts voert zij aan dat het ook mogelijk is dat het Grondwettelijk Hof tot de conclusie komt dat het UZA niet een private instelling, maar wel een openbare instelling is; ook in dat geval zal het UZA onder de toepassing van de wet van 19 december 1974 vallen. IX-3778-4/7
- In haar laatste memorie meent de verwerende partij dat de verzoekende partij niet langer over het vereiste actueel belang bij het beroep beschikt. Zij voert aan dat ingevolge de verzelfstandiging van het UZA een aparte rechtspersoon is opgericht, met name een instelling sui generis zonder winstoogmerk, die niet onderwerpen is aan de wet van 19 december
- Een eventuele nietigverklaring van de bestreden beslissing zou de verzoekende partij dan ook niet dienen in haar streven om het UZA aan het syndicaal statuut te onderwerpen.
- Met een brief van 20 februari 2009 antwoordt de verzoekende partij op de vraag van de staatsraad-verslaggever van 28 januari 2009 naar eventuele nieuwe feitelijke of juridische ontwikkelingen die een weerslag kunnen hebben op de verdere behandeling van het dossier. Zij stelt vooreerst dat het Grondwettelijk Hof op 7 december 2005 een arrest gewezen heeft over het door haar ingestelde beroep tegen het decreet van 4 april
- Volgens de verwerende partij heeft dit arrest echter geen duidelijkheid gebracht over het al dan niet openbaar karakter van het UZA. Weliswaar wordt met betrekking tot de ontvankelijkheid van het beroep in het arrest gesteld dat “ten gevolge van het bestreden decreet [...] het UZA een privaatrechtelijk karakter [krijgt] waardoor niet langer de voormelde wet van 19 december 1974 maar de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités toepasselijk is”, maar in de overwegingen ten gronde neemt het Hof geen standpunt in met betrekking tot het het al dan niet privaat karakter van het UZA. De verzoekende partij wijst er voorts op dat er op dat ogenblik nog een beroep hangende is bij de Raad van State, ingesteld door de Christelijke Centrale van de Openbare Diensten (CCOD), tegen: - de beslissing van de raad van bestuur van de UA van 4 november 2004 betreffende de verzelfstandiging van het UZA, die als private rechtspersoon wordt aangeduid; - een nota van 4 november 2004, opgesteld door de raad van bestuur van de UA, betreffende de rechtspersoonlijkheid van het UZA; IX-3778-5/7 - een nota van de afgevaardigd bestuurder van het UZA, betreffende de toepasselijke wetgeving op het vlak van de collectieve arbeidsverhoudingen, welke aan het personeel werd medegedeeld op 9 november
- De verzoekende partij stelt dat in die zaak uitspraak gedaan zal moeten worden over het al dan niet openbaar karakter van het UZA, en dat bij een eventuele vernietiging de oude situatie zal herleven. Dat laatste betekent dat het UZA terug deel uitmaakt van de Universiteit Antwerpen, dat het geen afzonderlijke rechtspersoonlijkheid meer bezit en dat het bijgevolg onderworpen zal zijn aan de wet van 19 december
- 11.
- Het Grondwettelijk Hof heeft met het arrest nr. 182/2005 van 7 december 2005 uitspraak gedaan over het beroep van de verzoekende partij tegen het decreet van 4 april
- In overweging B.2.3 heeft het Grondwettelijk Hof vastgesteld, in verband met de juridische aard van het UZA: “Ten gevolge van het bestreden decreet krijgt het U.Z.A. een privaatrechtelijk karakter, waardoor niet langer de voormelde wet van 19 december 1974, maar de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités toepasselijk is.” Ten gronde heeft het Grondwettelijk Hof het beroep verworpen. Bij arrest nr. 191.234 van 10 maart 2009 heeft de Raad van State het voormelde beroep van de CCOD, dat onder meer gericht was tegen de afsplitsing van het UZA, als onontvankelijk verworpen. 11.
- Zoals door het Grondwettelijk Hof is vastgesteld, blijkt uit artikel 9 van het decreet van van 4 april 2003, vervangen bij het decreet van 7 mei 2004, dat het UZA beschouwd moet worden als een rechtspersoon van privaatrechtelijke aard, waarop de wet van 19 december 1974 niet meer van toepassing is. De beroepen gericht tegen de genoemde decreetsbepaling en tegen de ter uitvoering daarvan genomen beslissing tot verzelfstandiging van het UZA zijn door het Grondwettelijk Hof respectievelijk de Raad van State verworpen. Daaruit volgt dat de “oude situatie” waarnaar de verzoekende partij verwijst, niet herleeft en niet meer zal herleven. Nu het UZA niet onderworpen is aan de wet 19 december 1974, heeft de verzoekende partij thans geen actueel belang meer bij haar beroep. In de IX-3778-6/7 veronderstelling dat de bestreden beslissing vernietigd zou worden, zou de verwerende partij immers geen nieuwe beslissing moeten nemen met inachtneming van de bepalingen die de verzoekende partij geschonden acht. Ambtshalve moet dan ook vastgesteld worden dat het beroep onontvankelijk is. Kosten
- Nu blijkt dat de onontvankelijkheid van het beroep niet te wijten is aan het toedoen van de verzoekende partij, past het om de verwerende partij in de kosten te verwijzen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 24 september 2009, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Paul Lemmens, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, met bijstand van Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts Paul Lemmens IX-3778-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.371 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.