← België

Arrest 196372 - Tucht (openbaar ambt) - 24/09/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.372 Rolnummer: A. 75171/IX-60 Zaak: Arrest 196372 - Tucht (openbaar ambt) - 24/09/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-10-02 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 03:35 Fiche Arrest nr 196.372 van 24 september 2009 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 196.372 van 24 september 2009 in de zaak A. 75.171/IX-

  1. In zake : Joris DE CONINCK, die woonplaats kiest bij advocaten W. VAN DER GUCHT en F. DIEU, kantoor houdende te GENT, Sint-Denijslaan 201 tegen : de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen, die woonplaats kiest bij advocaat D. D’HOOGHE, kantoor houdende te BRUSSEL, Loksumstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Joris DE CONINCK op 24 juli 1997 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 26 mei 1997 van het directiecomité van de NMBS waarbij hij wordt gestraft met de tuchtsanctie van een schorsing in de bediening gedurende 15 dagen; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 9 mei 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 23 maart 2009 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 4 mei 2009; Gehoord het verslag van staatsraad B. THYS; IX-60-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat F. DIEU, die verschijnt voor de verzoeker, en van inspecteur J. DE VLEESCHOUWER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten 1.
  3. De verzoeker is op het ogenblik van het bestreden besluit tewerk- gesteld als politieofficier in de Eurostar-terminal van het Brusselse Zuidstation. 1.
  4. Op dinsdag 28 mei 1996 beëindigt hij zijn dienst in de overtuiging dat hij pas op maandag 3 juni 1996 opnieuw moet gaan werken. Volgens de verzoeker was dat zo aangegeven op de diensttabel. Twee collega’s getuigen echter dat op 28 mei 1996, ’s avonds, de verzoeker op de diensttabel was ingeschreven om op vrijdag 31 mei 1996 de dienst van 6u tot 14u te verzekeren. Wanneer de verzoeker op 31 mei 1996 niet op het werk verschijnt, probeert een collega hem omstreeks 6.20u telefonisch thuis te bereiken, maar die krijgt alleen de moeder van de verzoeker aan de telefoon, omdat de verzoeker zelf niet thuis is. De collega brengt de moeder ervan op de hoogte dat de verzoeker op de diensttabel is ingeschreven om die dag de dienst van 6u tot 14u te vervullen. Hij verzoekt haar om aan haar zoon te vragen zich naar zijn werk te begeven. Omstreeks 9.35u belt de collega van de verzoeker opnieuw en hij krijgt nu de verzoeker zelf aan de telefoon. Op zijn vraag om naar het werk te komen, antwoordt de verzoeker dat hij niet kan komen, omdat hij een belangrijke afspraak heeft. De verzoeker herhaalt dat ook tegen zijn chef die eveneens aan de telefoon komt. Verzoekers chef verklaart over dit telefoongesprek later dat hij aan de verzoeker heeft gezegd dat indien hij niet naar het werk zou komen, hij als afwezig zou worden genoteerd. IX-60-2/6 1.
  5. Op 4 juni 1996 wordt tegen de verzoeker een tuchtvoorstel opgemaakt om hem te straffen met een terechtwijzing wegens afwezigheid op 31 mei
  6. 1.
  7. Op 8 juli 1996 volgt een nieuw tuchtvoorstel, dat volgens de verwerende partij tot stand komt op grond van een compromis met de verzoeker. Er wordt nu voorgesteld de verzoeker een strenge vermaning te geven wegens: 1) het niet verzekeren van de op de diensttabel voorziene prestatie op 31 mei 1996; 2) het feit dat hij op 31 mei 1996 geen contact nam met zijn onmiddellijke chef ondanks twee telefonische oproepen bij hem thuis. 1.
  8. Ondertussen heeft zich een nieuw feit voorgedaan dat aan de verzoeker als een tuchtfeit zal worden aangerekend. Op 2 juli 1996 wordt namelijk vastgesteld dat de verzoeker samen met twee collega’s een opdracht niet naar behoren vervult. Zijn twee collega’s krijgen daarvoor een terechtwijzing. Voor de verzoeker volgt een derde tuchtvoorstel, dat het vorige vervangt, en waarin nu een afhouding van 1/5 dagwedde wordt voorgesteld, voor drie feiten: 1) het niet verzekeren van de op de diensttabel voorziene prestatie op 31 mei 1996; 2) het feit dat hij op 31 mei 1996 geen contact nam met zijn onmiddellijke chef ondanks twee telefonische oproepen bij hem thuis; 3) de niet stipte uitvoering van de opgelegde taken op 2 juli
  9. Omwille van het derde feit wordt 211 frank afgehouden van verzoekers productiviteitspremie. 1.
  10. Er volgt dan, op vraag van de verzoeker, een administratief onderzoek. In het kader van dat onderzoek wijst de personeelsdienst erop dat de feiten van 31 mei 1996 moeten worden gekwalificeerd als dienstweigering, aangezien de verzoeker tot twee keer toe thuis werd opgebeld om zijn dienst te vervullen, maar hij weigerde daaraan gevolg te geven. De onderzoekscommissie stelt uiteindelijk voor de verzoeker voor de drie feiten samen te straffen met een schorsing van één maand. 1.
  11. Op 13 december 1996 dient de verzoeker daartegen beroep in bij de raad van beroep. IX-60-3/6 1.
  12. Op 23 april 1997 adviseert de raad van beroep, na de verzoeker en zijn raadsman te hebben gehoord, dat het niet uitgesloten is dat de diensttabel buiten het medeweten van de verzoeker werd gewijzigd, zodat het eerste ten laste gelegde tuchtfeit betreffende het niet verzekeren van de op die diensttabel voorgeschreven prestaties op 31 mei 1996 niet bewezen is. Het tweede tuchtfeit betreffende de dienstweigering wordt wel bewezen geacht, evenals het derde tuchtfeit betreffende de slechte uitvoering van een opdracht op 2 juli
  13. Wat de strafmaat betreft, oordeelt de raad van beroep dat de voorgestelde straf te zwaar is en stelt hij voor de verzoeker een schorsing van vijftien dagen in de plaats van één maand op te leggen. 1.
  14. Op 26 mei 1997 besluit het directiecomité het advies van de raad van beroep te volgen en de verzoeker de tuchtschorsing van vijftien dagen op te leggen voor het tweede en het derde hem ten laste gelegde tuchtfeit. Dit is het bestreden besluit. Het wordt op 27 mei 1997 met een aangetekende brief aan de verzoeker betekend. Ontvankelijkheid 2.
  15. Met een brief van 30 juni 2008 deelt de verwerende partij aan de staatsraad-verslaggever mede dat de verzoeker op 1 september 2002 op pensioen is gesteld en dat zij in die omstandigheden ter zitting zal vragen het beroep te verwerpen wegens gebrek aan actueel belang in hoofde van de verzoeker. 2.
  16. Met een brief van 13 januari 2009 informeert de staatsraad- verslaggever bij de raadsman op wiens adres de verzoeker woonplaatskeuze heeft gedaan, naar de belangstelling van de verzoeker voor de verdere afhandeling van het dossier. Hij vermeldt dat indien de verzoeker de zaak wenst verder te zetten, hij verzocht wordt mede te delen of hij nog over een actueel belang bij de zaak meent te beschikken, in het bijzonder gelet op zijn oppensioenstelling op 1 september 2002, en waarin dat belang dan concreet gelegen is. De verzoeker wordt erop gewezen dat indien bij het verstrijken van een termijn van dertig dagen na de ontvangst van die brief geen antwoord wordt ontvangen, de Raad van State daaruit IX-60-4/6 een gebrek aan belangstelling en belang kan afleiden. Tevens wordt vermeld dat de gevraagde informatie nodig is met het oog op een vlotte afwikkeling van de zitting. De verzoeker heeft deze brief niet beantwoord. 2.
  17. Ter zitting is de verzoeker vertegenwoordigd door zijn raadsman, die onder meer stelt vanwege zijn cliënt niets vernomen te hebben met betrekking tot diens belangstelling voor de verdere afhandeling van de zaak en diens actueel belang bij de nietigverklaring van het bestreden besluit. 2.
  18. Een verzoeker dient, wil hij zijn belang bij het ingestelde beroep bewaren, een voortdurende en ononderbroken belangstelling voor zijn zaak te tonen. Zijn houding mag voorts het behoorlijke verloop van het proces, waartoe ook hij moet bijdragen, niet verstoren. Om die reden is de verzoeker verplicht zijn medewerking aan de rechter te verlenen telkens wanneer hij daartoe wordt uitgenodigd. Uit het verzuim van de verzoeker om te antwoorden op de voormelde brief van de staatsraad-verslaggever en uit het feit dat ter terechtzitting geen elementen worden aangevoerd waaruit de volgehouden belangstelling van de verzoeker voor zijn zaak blijkt, kan worden afgeleid dat de verzoeker zijn belangstelling voor het geding niet heeft volgehouden en derhalve zelf van oordeel is dat hij geen belang meer heeft bij de nietigverklaring van het bestreden besluit. De verzoeker geeft aldus niet langer blijk van het door de wet vereiste actueel belang. Ambtshalve moet dan ook worden vastgesteld dat het beroep niet ontvankelijk is. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  19. Het beroep wordt verworpen. IX-60-5/6 Artikel
  20. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 24 september 2009, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-60-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.372 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.