← België

Arrest 196374 - Examens (onderwijs) - 24/09/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.374 Rolnummer: A. 193999/XII-5952 Zaak: Arrest 196374 - Examens (onderwijs) - 24/09/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-09-25 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-30 03:35 Fiche Arrest nr 196.374 van 24 september 2009 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 196.374 van 24 september 2009 in de zaak A. 193.999/XII-

  1. In zake : Lucie SLEECKX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten F. Vandendriessche en J. Roets kantoor houdend te Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de VZW COMITE VOOR ONDERWIJS ZUSTERS ANNUNTIATEN HEVERLEE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat J. Bergé kantoor houdend te Leuven Naamsestraat 165 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  2. De vordering, ingesteld op 18 september 2009, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van “de beslissing van 28 augustus 2009 van de delibererende klassenraad van het zesde jaar Vrije beeldende kunst van het Heilig Hartinstituut te Heverlee, waarbij de klassenraad een oriënteringsattest C toekent aan Lucie Sleeckx”. II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 september 2009, om 13.30 uur. Staatsraad J. Lust heeft verslag uitgebracht. XII-5952-1/8 Advocaten F. Vandendriessche en J. Roets, die verschijnen voor verzoekster, en advocaat J. Bergé, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur J. Neuts, bij beslissing van 31 oktober 2008 van de auditeur-generaal gemachtigd om ter openbare terechtzitting advies te verlenen, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven; Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten
  5. Verzoekster is tijdens het schooljaar 2008-2009 leerlinge aan het Heilig-Hartinstituut te Heverlee, in het tweede jaar van de derde graad Vrije beeldende kunst. In de loop van het schooljaar dient, in het kader van een geïntegreerde proef vrije beeldende kunst, een artistiek kunstwerk gerealiseerd te worden. De juryleden kennen verzoekster voor de geïntegreerde proef op 29 mei 2009 45 punten op 100 toe. De uitslag wordt haar nog dezelfde dag meegedeeld. Tijdens de daaropvolgende examens van juni scoort zij voor vier vakken (godsdienst, geschiedenis, Nederlands en Engels) minder dan 50 %. Op 26 juni 2009 beslist de delibererende klassenraad, met een verwijzing naar onder meer de onvoldoende voor de geïntegreerde proef, naar een zwak jaargemiddelde van 59,1 % en jaartekorten voor godsdienst (48 %), geschiedenis (47 %), Nederlands (48 %) en Engels (49 %), om haar een oriënteringsattest-C uit te reiken. Na overleg rond die beslissing met verzoeksters vader, beslist de directie de klassenraad terug samen te roepen. De klassenraad blijft op 30 juni 2009 bij het oordeel dat aan verzoekster een C-attest wordt uitgereikt. XII-5952-2/8 Op beroep tegen die beslissing geeft de interne beroepscommissie op 9 juli 2009 het advies om de delibererende klassenraad niet opnieuw samen te roepen. Niettemin beslist de inrichtende macht dat de delibererende klassenraad dat wel moet doen. Zulks geschiedt op 28 augustus
  6. Besloten wordt dat verzoekster niet heeft voldaan aan het geheel van de vorming zoals geformuleerd in de doelstellingen van het zesde jaar Vrije beeldende kunst en dat haar daarom een C-attest wordt toegekend. IV. Grondvoorwaarden voor de schorsing
  7. Wat er van de ontvankelijkheid van de vordering ook zij, tot een schorsing kan -gelet op artikel 17, §§ 1 en 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State- hoe dan ook slechts worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen, en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is.
  8. Wat de eerste grondvoorwaarde betreft, voert verzoekster drie middelen aan.
  9. Een eerste middel is afgeleid uit de schending van artikel 56 van het besluit van 19 juli 2002 van de Vlaamse regering betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder in het bijzonder het beginsel van behoorlijke besluitvorming en het rechtsbeginsel dat de administratieve overheid bij individuele beslissing niet mag afwijken van de algemene regeling die zij zelf heeft uitgevaardigd. Volgens een eerste onderdeel moest, met betrekking tot de geïntegreerde proef, de tussentijdse procesevaluatie van 26 januari 2009 gebeuren door alle betrokken interne juryleden, terwijl uit het document “Tussentijdse evaluatie geïntegreerde proef vrije beeldende kunst” blijkt dat die tussentijdse procesevaluatie enkel en alleen is uitgevoerd door de mentor, met wie verzoekster een negatieve relatie had. Deze tussentijdse procesevaluatie is goed voor 30 % van de punten van de geïntegreerde proef; verzoekster kreeg er 15 op 30 voor. XII-5952-3/8 In een tweede onderdeel doet verzoekster gelden dat de vakjury zich bij de beoordeling van het eindwerk heeft beperkt tot een beoordeling van het “product”, niettegenstaande de beoordeling ook betrekking moest hebben op de presentatie.
  10. Verzoekster baseert zich voor het eerste onderdeel van het middel op haar stuk 4, zijnde een verslag van de tussentijdse evaluatie van 26 januari 2009, ondertekend door de mentor en de directeur. Vooralsnog valt de Raad van State niet bij dat daaruit kan worden afgeleid dat de tussentijdse evaluatie alleen het werk van de mentor zou zijn en niet ook van de drie andere “betrokken interne juryleden”. Er lijkt geen voorschrift te bestaan dat vereist dat alle juryleden die aan de beoordeling ter gelegenheid van de tussentijdse evaluatie deelnamen, ook het verslag over die evaluatie moeten ondertekenen. Bovendien wordt vastgesteld dat het formulier meerdere aanbevelingen door de mentor en de hulpmentoren bevat, wijl juist twee van de voormelde drie andere interne juryleden ook hulpmentor zijn (stuk 3 van verzoekster). In de huidige stand van de procedure lijkt er geen reden toe om te betwijfelen dat, zoals verwerende partij met klem betoogt, de tussentijdse evaluatie door alle betrokken interne juryleden is gebeurd. Het eerste onderdeel is niet ernstig.
  11. De feitelijke grondslag voor het tweede onderdeel vindt verzoekster in het verslag van de jury van 29 mei 2009 over de geïntegreerde proef. Dit verslag maakt er nochtans uitdrukkelijk melding van dat de gegeven cijfers voor “Het Logboek” (18 op 30) en “Het artistieke eindproduct” (12 op 40) zowel de productevaluatie als de presentatie betreffen. Dat de presentatie niet méér in de motivering van de punten ter sprake komt, lijkt overigens hierdoor te verklaren dat het niet op dát stuk was dat verzoekster volgens de jury tekortschoot, maar dat verzoeksters cijfers wezenlijk worden verantwoord door de minder gesmaakte inhoud van het logboek en van het eindproduct. In dit licht lijkt het begrijpelijk dat de motivering zich op die inhoud toespitst. Daaruit dan concluderen dat de jury zonder meer aan de presentatie is voorbijgegaan, komt op het eerste gezicht onjuist voor. XII-5952-4/8 Ook het tweede onderdeel van het eerste middel is niet ernstig.
  12. Een tweede middel is afgeleid uit de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, doordat het resultaat van de geïntegreerde proef is meegedeeld op 29 mei 2009, hetzij vlak voor de examenperiode van juni, wat, zoals redelijkerwijze te voorzien was, voor verzoekster bijzonder demotiverend was.
  13. Zoals sub III gezien, heeft verzoekster in de examens van juni voor vier vakken minder dan 50 % behaald. Voorlopig gaat de Raad van State met de verwerende partij mee waar zij in de nota stelt “dat er geen oorzakelijk verband is tussen de mededeling van het resultaat GIP en de tekorten op de kennisvakken”. Stukken 1 en 5 van het administratief dossier doen in de huidige stand van zaken immers aannemen dat verzoekster ook al vóór 29 mei 2009 niet bijster gemotiveerd was. Aldus scoorde zij blijkens haar dagelijks-werkrapport van 25 mei 2009 voor Nederlands 36 op 100, voor Frans 0 op 100, voor Engels 45 op 100, voor aardrijkskunde 30 op 100 en voor kunstgeschiedenis 20 op
  14. De commentaren luidden respectievelijk: “Studeren!”, “Geen taak ingeleverd! Wees aandachtig in de les. Lever een extra inspanning voor je examen. [...]”, “Studeren is de boodschap!”, “Grondiger studeren Lucie!”, en “Studeer dit stuk opnieuw, nog voor de examenreeks begint”. Het tweede middel is niet ernstig.
  15. In een derde middel worden de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder in het bijzonder het redelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiële en formele motiveringsplicht geschonden genoemd. Toegelicht wordt dat de delibererende klassenraad in zijn beslissing in gebreke is gebleven “twee bijzonder essentiële bezwaren” te beantwoorden die in een e-mail van 23 augustus 2009 waren opgeworpen. Tevens wordt aangevoerd dat de aangevochten beslissing gebrekkig is in zoverre zij steunt op de eindevaluatie van de jury van de geïntegreerde proef, welke eindevaluatie geen objectieve en evenwichtige beoordeling inhoudt. Tenslotte bevat de beslissing van de delibererende klassenraad in verband met de eindevaluatie van de geïntegreerde proef “verschillende zaken” die niet stroken met het betrokken juryverslag. XII-5952-5/8
  16. Nadat de interne beroepscommissie op 9 juli 2009 het advies gaf om de delibererende klassenraad niet opnieuw samen te roepen en nadat de inrichtende macht toch tot samenroeping ervan besloot, delen verzoeksters ouders met een e-mail van 23 augustus 2009 “nog 2 belangrijke elementen” mee: het eerste slaat op het foutenmarge bij examenbeoordelingen waardoor “er dus statistisch geen enkele zekerheid [bestaat] dat de onvoldoendes effectief wijzen op een echt tekort”; het tweede element heeft betrekking op het advies van de klassenraad aan verzoekster om haar diploma te behalen via de centrale examencommissie. De bestreden beslissing schuift de e-mail terzijde “omdat hij niet pertinent is”. De artikelen 68 tot en 74 van het besluit van 19 juli 2002 van de Vlaamse regering betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs voorzien voor “de betrokken personen” in twee mogelijkheden om de redenen te doen kennen waarom zij een beslissing van de delibererende klassenraad betwisten: in het kader van een overleg met de afgevaardigde van de inrichtende macht of de voorzitter van de delibererende klassenraad of zijn afgevaardigde, en in het kader van het beroep bij de beroepscommissie. In het licht van die bepalingen lijken de betrokken personen te mogen verwachten dat zij finaal een antwoord krijgen, zo niet op ieder afzonderlijk bezwaar dat zij bij die gelegenheden deden gelden, dan toch op de essentiële bezwaren. Dat is daarentegen niet het geval wanneer de bezwaren pas voor het eerst ter sprake worden gebracht nadat de interne beroepscommissie haar onderzoek beëindigde en advies uitbracht. Nog daargelaten of de bezwaren van 23 augustus 2009 -gezien de meerderjarigheid van verzoekster- van een “betrokken” persoon uitgaan en of ze wel het predikaat “essentieel” verdienen, bestond er op het eerste gezicht voor de klassenraad dan ook geen reden toe om de verwerping ervan uitvoerig met motieven te omkleden.
  17. In de mate waarin verzoekster de eindevaluatie van de geïntegreerde proef verwijt geen objectieve en evenwichtige beoordeling in te houden, wordt vastgesteld dat zij die grief alleen staaft met de affirmatie dat de motivering door de jury niet van aard is om de negatieve beoordeling te verantwoorden. XII-5952-6/8 De Raad van State deelt die zienswijze niet. De gegeven punten lijken voldoende onderbouwd door de commentaar die ter verantwoording ervan wordt gegeven. Wat inzonderheid het tekort van 12 op 40 met betrekking tot “Het artistieke eindproduct” betreft, wordt gemotiveerd, zonder dat verzoekster dat concreet op de korrel neemt: “thema werd niet duidelijk weergegeven, de schilderijen waren zeer zwak zowel op technisch, schilderkundig als beeldend artistiek gebied”, “Wat voor sommige lln een start is, is bij haar het eindproduct”, “geen samenhang, het thema [‘Binnen/buiten’] is niet onderzocht, is niet voldoende aanwezig in het artistieke eindproduct”, “Lucie luisterde niet naar kritiek van mentor, heeft geen rekening gehouden met de tips vd tussentijdse evaluatie”, “Lucie behaalt niet het niveau van een 6 VBK”.
  18. Wat tenslotte de kritiek betreft dat de delibererende klassenraad het verslag van de jury kwaliteiten toemeet die het niet bezit, lijkt die kritiek in wezen overtollige motieven van de bestreden beslissing te betreffen en is ze dus niet-ontvankelijk. Met de bedoelde motieven poogt de klassenraad ervan te overtuigen dat de jury voor het artistieke eindproduct terecht slechts 12 op 40 heeft gegeven. Het zijn motieven die niet terzake lijken te doen vermits, zoals hiervoor voorlopig werd aangenomen, de argumentatie die de jury zelf hanteerde kan volstaan, en nu vooralsnog niet genoegzaam blijkt dat de motieven toevoegingen zijn waarmee een noodzakelijk antwoord wordt verschaft ten aanzien van regelmatig geuite (essentiële) bezwaren van verzoekster, ten aanzien van het advies van de interne beroepscommissie of ten aanzien van de beslissing van 13 juli 2009 van de inrichtende macht “dat de delibererende klassenraad opnieuw dient samen te komen”.
  19. Het derde middel is niet ernstig.
  20. De conclusie is dat verzoekster geen ernstige middelen aanvoert en dat alvast één van de cumulatieve grondvoorwaarden voor de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid niet is vervuld. Deze vaststelling volstaat om de vordering te verwerpen. XII-5952-7/8 BESLISSING
  21. De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid.
  22. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 24 september 2009, door : Johan Lust, staatsraad, wnd. voorzitter, met bijstand van Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Johan Lust XII-5952-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.374 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.