id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.377 Rolnummer: A. 192485/IX-6351 Zaak: Arrest 196377 - Accountants en Belastingconsulenten - 24/09/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-09-28 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-30 03:35 Fiche Arrest nr 196.377 van 24 september 2009 Beroepen - Accountants en Belastingconsulenten Beslissing : Bevolen bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 196.377 van 24 september 2009 in de zaak A. 192.485/IX-
- In zake : Roland SMETS, die woonplaats kiest bij advocaten S. RONSE en D. VAN HEUVEN, kantoor houdende te KORTRIJK, President Kennedypark 6/24 tegen : het Beroepsinstituut voor Erkende Boekhouders en Fiscalisten (BIBF), dat woonplaats kiest bij advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te BRUSSEL, Keizerslaan
- ----------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Roland SMETS op 7 mei 2009 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de Nationale Raad van het Beroepsinstituut voor Erkende Boekhouders en Fiscalisten (BIBF) van 24 april 2009 waarbij Etienne Verbraeken als Voorzitter van het BIBF wordt verkozen; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 16 juli 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 september 2009; IX-6351-1/12 Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. BELEYN die, loco advocaat S. RONSE, verschijnt voor de verzoeker, en van advocaten D. LINDEMANS en L. WYNANT, die verschijnen voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT :
- Feiten 1.
- Op 16 maart 2007 wordt verzoeker verkozen tot lid van de Nationale Raad van het Beroepsinstituut voor Erkende Boekhouders en Fiscalisten (hierna: BIBF). Op 4 mei 2007 wordt hij verkozen tot voorzitter van de Nationale Raad. Blijkens de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van 11 mei 2007 gaat het om een mandaat van vier jaar dat aanvangt op 17 mei
- 1.
- Op 23 januari 2009 wordt verzoeker door de Nationale Raad van het BIBF als voorzitter van het BIBF afgezet. 1.
- Op 2 maart 2009 dient verzoeker bij de Raad van State een beroep tot nietigverklaring met een vordering tot schorsing in, tegen de beslissing van 23 januari 2009 van de Nationale Raad van het BIBF waarbij hij als voorzitter wordt afgezet (zaak A.191.662/IX-6254). 1.
- Op 24 april 2009 wordt Etienne Verbraeken tot nieuwe voorzitter van het BIBF verkozen. Dit is de thans bestreden beslissing. IX-6351-2/12 1.
- Bij arrest nr. 194.327 van 18 juni 2009 wordt op vordering van verzoeker de schorsing van de tenuitvoerlegging bevolen van de beslissing van de Nationale Raad van het BIBF van 23 januari 2009 om verzoeker als voorzitter van het BIBF af te zetten. De Raad van State oordeelt dat het middel waarin de schending van de hoorplicht werd aangevoerd, ernstig is om de volgende motieven: “4.3.
- De hoorplicht is een beginsel van behoorlijk bestuur op grond waarvan, in afwezigheid van enige wettelijke bepaling terzake, tegen niemand een maatregel kan worden genomen die is gegrond op zijn persoonlijk gedrag en die zijn belangen zwaar kan treffen, zonder dat hem vooraf de gelegenheid wordt gegeven zijn standpunt uiteen te zetten en op nuttige wijze voor zijn belangen op te komen. In dergelijk geval moet de betrokkene de gelegenheid krijgen zich uit te spreken, niet alleen over het bestaan en de ernst van de feiten die aan de basis liggen van de voorgenomen maatregel, maar ook over de noodzaak om die maatregel te nemen. Dit impliceert dat aan de betrokkene vooraf wordt medegedeeld welke maatregel tegen hem wordt overwogen en welke feiten en grieven tegen hem worden ingebracht. Daarenboven moet aan de betrokkene een redelijke termijn worden verleend om zijn verweer voor te bereiden. 4.3.
- De verwerende partij betwist niet dat de bestreden beslissing een maatregel is die onder de hoorplicht valt. Het gaat inderdaad om een maatregel die genomen werd op grond van feiten die verzoeker als een tekortkoming worden aangerekend en die hem een ernstig nadeel kan berokkenen. 4.3.
- Op 14 januari 2009 heeft de regeringscommissaris aan verzoeker een kopie toegestuurd van zijn brief van dezelfde datum, waarbij hij bij de procureur des Konings te Brussel klacht indient in verband met het voorstel van verzoeker om in de maand december 2008 zitpenningen in te schrijven voor prestaties die in de maanden januari, februari en maart 2009 zouden worden geleverd. Verzoeker had daardoor vooraf kennis van de grieven die daaromtrent tijdens de vergadering van de Nationale Raad van 23 januari 2009 tegen hem worden ingebracht. Tijdens voornoemde vergadering worden tegen verzoeker nog een aantal andere feiten aangevoerd ‘die het disfunctioneren van de Voorzitter aantonen’ en waaruit zou blijken ‘dat er niet meer verder gewerkt kan worden met R. Smets als Voorzitter’. De penningmeester maakt aldus melding van het feit dat verzoeker zijn ledenbijdrage en verzekeringspremie laattijdig heeft betaald en dat hij op een ‘zwarte lijst’ van de banken staat. Er blijkt niet dat verzoeker vooraf van die grieven op de hoogte was. 4.3.
- Tijdens de vergadering van de Nationale Raad deelt verzoeker mee ‘dat hij 6 pagina’s had voorbereid over moties die hij op voorhand verwachtte’. Uit die verklaring kan evenwel niet worden afgeleid dat verzoeker in de mogelijkheid was om zich nuttig tegen zijn afzetting als voorzitter te verweren. De afzetting van verzoeker als voorzitter was immers niet vooraf geagendeerd, maar werd slechts tijdens de vergadering aan de dagorde toegevoegd. Uit niets IX-6351-3/12 blijkt dat verzoeker wist of kon weten dat hij tijdens de vergadering met een voorstel om hem als voorzitter af te zetten zou worden geconfronteerd. 4.3.
- Uit de notulen van de vergadering van de Nationale Raad blijkt dat tijdens de behandeling van het punt over zijn afzetting als voorzitter op voorstel van verzoeker een pauze van vijfenveertig minuten wordt ingelast. Daarna wordt de vergadering verdergezet. De notulen van de vergadering vermelden daarover : ‘Na de pauze deelt de Voorzitter mee dat hij de vergadering verder zet onder voorbehoud. De Voorzitter stelt voor om over te gaan tot het agendapunt dat door de Raad op de dagorde werd toegevoegd : ‘afzetting van de Voorzitter R. Smets’. Dit zal gebeuren via een geheime stemming.’ Een pauze van vijfenveertig minuten kan op het eerste gezicht niet beschouwd worden als een redelijke termijn om een nuttig verweer voor te bereiden. Verzoeker heeft overigens slechts ‘onder voorbehoud’ beslist en blijkt dus niet met een dergelijke uiterst korte voorbereidingstijd te hebben ingestemd om de vergadering voort te zetten. Verzoeker verkoos om niets meer te zeggen, omdat alles wat hij zou zeggen, tegen hem gebruikt zou kunnen worden. Het middel is ernstig.” 1.
- Op 28 augustus 2009 trekt de verwerende partij de beslissing van 23 januari 2009 in, waarbij verzoeker door de Nationale Raad van het BIBF als voorzitter wordt afgezet. 1.
- Op dezelfde datum wordt een nieuwe beslissing tot afzetting genomen, nadat de verzoeker werd gehoord.
- Rechtsmacht van de raad van state 2.
- De verwerende partij werpt op als exceptie, dat het mandaat van voorzitter van de Nationale Raad een contract is: de leden van de Nationale Raad kiezen een persoon waaraan zij de opdracht geven (“contract van lastgeving”) namens de Raad handelingen te stellen die het koninklijk besluit van 27 november 1985 toevertrouwt aan de voorzitter, al dan niet samen met de ondervoorzitter en de penningmeester, verenigd in het bureau van de Raad. De verwerende partij voegt daaraan toe dat de functie van voorzitter niet in de wet zelf is bepaald. Het voormeld koninklijk besluit voorziet in de functie van voorzitter van de Nationale Raad en niet in die van voorzitter van het instituut. De functie van voorzitter is geen benoeming door een externe overheid, IX-6351-4/12 maar is te begeven via een verkiezing door de Raad. De kwalificatie als een contract is dan ook onontkoombaar. Contractuele geschillen aldus de verwerende partij, behoren tot de exclusieve bevoegdheid van hoven en rechtbanken, met uitsluiting van de Raad van State. De verwerende partij werpt bovendien op dat verzoeker niet uitlegt hoe de schorsing van een beslissing van de verwerende partij als rechtsgevolg zou kunnen hebben dat het contract van lastgeving tussen hem en de leden van de Nationale Raad volgens de regels van het Burgerlijk Wetboek zou herleven. Verzoeker heeft dan ook geen belang bij zijn vordering. 2.
- De verwerende partij besluit dat verzoeker reeds een vordering tot schorsing heeft voorgelegd aan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg. De Voorzitter heeft geoordeeld dat de burgerlijke rechtbanken rechtsmacht hebben om de geschillen met betrekking tot de afzetting en aanstelling van de voorzitter van de Nationale Raad te beoordelen, aangezien het geschillen betreft over subjectieve rechten. De Voorzitter heeft de vordering verworpen omdat verzoeker had nagelaten om te vorderen dat de beslissing waarbij hij als Voorzitter werd afgezet, op te schorten. Om die reden kon de Voorzitter, die uiteraard geen uitspraak kon doen ultra petita, niet anders dan de vordering afwijzen als ongegrond, bij gebrek aan hoogdringendheid. 2.3.
- In het arrest Joye, nr. 59.902, van 5 juni 1996 oordeelde de Raad van State als volgt in verband met het onderzoek van excepties inzake de ontvankelijkheid of bevoegdheid in het kader van de schorsingsprocedure: “Overwegende dat in een kort geding de Raad van State maar een beperkt onderzoek kan wijden aan excepties van onbevoegdheid of van onontvankelijkheid; dat echter vooral de verzoekende partij er zich minder behoorlijk tegen in bescherming kan nemen dan in de procedure ten gronde; dat het aan de verzoekende partij is dat de wetgever het recht op een kort geding heeft verleend; dat het dan ook past dat, tenzij wanneer zijn beperkt onderzoek uitwijst dat de exceptie een hoge graad van ernst vertoont, de Raad van State de exceptie veeleer zou verwerpen dan aannemen; dat daarbij komt dat de schade die de Raad van State toebrengt door in de fase van het kort geding een beroep onontvankelijk te verklaren dat achteraf, in de definitieve fase van het proces, toch ontvankelijk blijkt te zijn, groter is dan de schade die hij berokkent in het tegenovergestelde geval : in het eerste geval kan het moeilijk te herstellen ernstig nadeel zich voltrokken hebben, in het tweede geval zal ten hoogste voor zes maanden een administratieve beslissing zonder reden geschorst zijn.” IX-6351-5/12 In casu wordt nagegaan of de ingeroepen exceptie van gebrek aan rechtsmacht voor de Raad van State een zo hoge graad van ernst vertoont dat de Raad er gevolg moet aan geven. 2.3.
- De verwerende partij verwijst voor haar stelling dat het mandaat van de voorzitter van de Nationale Raad een contractuele relatie zou doen ontstaan naar de rechtsleer die de bestuurdersfunctie in een vennootschap als een contract van lastgeving kwalificeert. Aldus heeft B. Tilleman in zijn proefschrift de stelling verdedigd dat de rechtsbetrekking die bestaat tussen een bestuurder en een vennootschap een overeen-komst (“bestuurdersovereenkomst”) is waarop in beginsel de burger- rechtelijke regels van de lastgeving van toepassing zijn. Deze stelling wordt evenwel door andere auteurs betwist. Volgens D. Willermain ontleent een bestuurder van een vennootschap zijn bevoegdheden niet aan een overeenkomst en is een bestuurder geen lasthebber van de vennootschap. Bovendien is de verwerende partij geen vennootschap, maar een publiekrechtelijke rechtspersoon. Het gaat meer bepaald om een publiekrechtelijke beroepscorporatie, dit is “een met rechtspersoonlijkheid bekleed organisme waarvan zij die een bepaald beroep uitoefenen moeten deel uitmaken en dat tot taak heeft degenen die daartoe de wettelijk gestelde voorwaarden vervullen tot de uitoefening van het beroep toe te laten, hun beroepsplichten te bepalen en de nakoming ervan te verzekeren door het opleggen van tuchtstraffen.” Dergelijke instellingen zijn onderworpen aan het administratief recht. Zo oordeelde de Raad van State in het arrest nr. 167.203, van 29 januari 2007, De Handschutter, dat de verkiezing door de algemene vergadering van het Instituut der Accountants en Belastingconsulenten van een ondervoorzitter een beslissing van een administratieve overheid is. IX-6351-6/12 Niets wijst erop dat ingevolge die verkiezing een contractuele band ontstaat. 2.3.
- De omstandigheid dat de Voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel zich bevoegd verklaarde om van de reeds vermelde vordering van verzoeker kennis te nemen, leidt niet tot een andere conclusie. In zijn beschikking van 24 maart 2009 oordeelde de voorzitter van de rechtbank, na de principes betreffende de bevoegdheid van de hoven en rechtbanken inzake geschillen over subjectieve rechten te hebben toegelicht, als volgt : “In de mate de heer Smets volgens de gedinginleidende dagvaarding zijn vordering steunt op een beweerde onrechtmatige aantasting van zijn subjectieve rechten, onder meer de rechten van verdediging en het recht gehoord te worden, heeft de burgerlijke rechter rechtsmacht.” De Voorzitter van de Rechtbank oordeelde evenwel dat de vordering niet hoogdringend was, omdat verzoeker niet de schorsing vorderde van de beslissing waarbij hij als voorzitter werd afgezet, en hij ook niet vroeg dat de vergadering waarbij een nieuwe voorzitter zou worden verkozen, zou worden opgeschort. Desbetreffend overwoog de voorzitter : “Deze eventuele benoeming laat nog altijd aan de heer Smets de mogelijkheid open om voor de bevoegde rechtsinstanties de schorsing en/of vernietiging te vragen van de beslissing tot afzetting en/of van de latere beslissing tot benoeming van een nieuwe voorzitter.” De Voorzitter blijkt dus geenszins uitspraak te hebben gedaan over de vraag welk rechtscollege bevoegd is om de beslissing tot afzetting van verzoeker en de verkiezing van een nieuwe voorzitter te schorsen en te vernietigen. En evenmin heeft de Voorzitter van de Rechtbank vastgesteld dat het daarbij om een geschil over een contract zou gaan. De exceptie berust bijgevolg op een verkeerde lezing van de beschikking van de Voorzitter van 24 maart
- 2.3.
- Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat de exceptie niet de hoge graad van ernst vertoont die zou maken dat zij in de huidige stand van het geding kan worden aanvaard. De bestreden beslissing lijkt integendeel te moeten worden aangemerkt als een akte die door de verwerende partij als administratieve overheid is genomen in de uitoefening van haar publiekrechtelijke opdracht, die aldus met IX-6351-7/12 toepassing van artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State door de Raad van State kan worden nietigverklaard en waarvan bijgevolg ook de tenuitvoerlegging kan worden geschorst. 2.3.
- De exceptie wordt in de huidige stand van de procedure verworpen.
- Onderzoek van de vordering tot schorsing 3.
- Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 3.1.
- Wat de eerste voorwaarde betreft, voert verzoeker in een tweede middel aan dat bij zijn afzetting zijn recht om zijn standpunt naar voor te brengen, de hoorplicht, en, in ondergeschikte orde, de rechten van verdediging geschonden werden. Nu vaststaat dat de benoeming van een nieuwe voorzitter er enkel is kunnen komen door de onwettige afzetting staat meteen vast dat ook de bestreden beslissing behept is met een flagrante onwettigheid. 3.1.
- De verwerende partij schrijft in haar nota met opmerkingen dat er geen twijfel bestaat dat de beginselen van de hoorplicht en het recht van verdediging werden nageleefd. 4.
- Zoals reeds vermeld, heeft de Raad van State in het arrest nr. 194.327 van 18 juni 2009 geoordeeld dat het middel waarin door verzoeker wordt aangevoerd dat bij zijn afzetting als voorzitter de hoorplicht werd geschonden, ernstig is. 4.
- Aangezien de verkiezing van de nieuwe voorzitter er slechts is kunnen komen ingevolge de op het eerste gezicht onwettige beslissing tot afzetting van verzoeker, wat bevestigd wordt door voornoemde intrekkingsbeslissing, is die verkiezing in de huidige stand van zaken op het eerste gezicht eveneens onwettig. IX-6351-8/12 De intrekking van de beslissing tot afzetting van verzoeker van 23 januari 2009 doet daaraan niets af, vermits E. Verbraeken voorzitter was van 24 april 2009 tot op de datum van uitspraak van huidig arrest. 4.
- Het tweede middel is ernstig, zodat is voldaan aan de eerste cumulatieve voorwaarde van voornoemd artikel 17, §
- 5.
- Wat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft, dat verzoeker vreest te ondergaan, schrijft hij het volgende : “
- De tweede schorsingsvoorwaarde houdt in dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel (hierna 'MTHEN') moet berokkenen. De Raad van State gaat in elk dossier afzonderlijk na of aan de hand van de concrete gegevens sprake kan zijn van een MTHEN. Het is noodzakelijk dat de aangevochten akte hem individueel en specifiek treft. Het nadeel moet ernstig zijn en de schorsing moet de realisatie van het nadeel kunnen verhinderen.
- In casu is verzoeker van oordeel dat hij wel degelijk over een MTHEN beschikt. Eerst en vooral kan worden gewezen op het MTHEN dat hij heeft ingeroepen tegen zijn ‘afzetting’. Dit werd als volgt verwoord in zijn verzoekschrift van 5 maart 2009 : ‘Door de bestreden beslissing wordt verzoeker immers ‘afgezet’ als Voorzitter van het BIBF, en zulks op basis van een aantal tenlasteleggingen (poging tot fraude, zwarte lijst banken en onbetaalde lidmaatschappen). Deze tenlasteleggingen zijn bijzonder grievend voor hem en houden ontegensprekelijk een verdachtmaking in. Zulks volstaat om het MTHEN in hoofde van verzoeker te erkennen. (...) Maar er is meer. Verzoeker stond als Voorzitter aan het hoofd van het BIBF. In casu ziet het BIBF toe op de bescherming van de beroepstitel en de (beroeps)uitoefening van zijn leden (boekhouders-fiscalisten). Zulks is op zich niet alleen bijzonder prestigieus, maar houdt ook een voorbeeldfunctie in naar alle leden toe. Door verzoeker thans af te zetten, en meer specifiek op de hierboven aangegeven grievende tenlasteleggingen, wordt aan verzoeker een bijzonder zware morele schade toegebracht die gepaard gaat met een groot prestige- en reputatieverlies. Alle leden van het BIBF zullen er inderdaad kennis kunnen van nemen (en genomen hebben) dat hun voorzitter is afgezet (om de redenen hierboven uiteengezet). Dit is op zich eveneens een MTHEN. (...) Ook moet rekening gehouden worden met de professionele gevolgen voor verzoeker als boekhouder-fiscalist. Een voorzitter van het BIBF die werd afgezet op basis van o.m. een poging tot fraude en het zich bevinden op de zgn. zwarte lijst van banken - weliswaar zonder het recht te hebben gehad om zijn standpunt IX-6351-9/12 naar voor te brengen - boezemt geen enkel vertrouwen meer in naar klanten toe die net op een boekhouder-fiscalist een beroep doen omwille van zijn integriteit en onafhankelijkheid. Minstens gaat de relatie klant-boekhouder gepaard met een vertrouwensrelatie, die ernstig in het gedrang wordt gebracht door de verwijten die in de bestreden beslissing aan bod komen ten aanzien van verzoeker. De afzetting als Voorzitter, door een publiekrechtelijk orgaan, omwille van bv. een poging tot fraude, zal cliënten en potentiële cliënten de (terechte) vraag doen stellen of zij wel vertrouwen mogen stellen in verzoeker als ‘hun’ boekhouder-fiscalist. Ook dit vormt een MTHEN in hoofde van verzoeker.’
- In casu moet worden vastgesteld dat dit MTHEN tegen zijn afzetting ook geldt ten aanzien van de bestreden beslissing. Immers is deze beslissing niet alleen het vervolg op de afzettingsbeslissing - maar daarenboven maakt de bestreden beslissing dat verzoekers afzetting wordt bezegeld met de aanduiding van een nieuwe voorzitter hetgeen op zich al een MTHEN vormt in zijn hoofde. Door de bestreden beslissing wordt het voor verzoeker immers onmogelijk om ingeval van een schorsing en nietigverklaring van zijn afzetting effectief terug te keren als voorzitter. Dit alles vormt een MTHEN.” 5.
- In voormeld arrest nr. 194.327 van 18 juni 2009 heeft de Raad van State wat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft, als volgt geoordeeld : “5.3.
- Verzoeker roept in essentie een moreel nadeel in. Een dergelijk nadeel kan in de regel worden hersteld door de morele genoegdoening die een vernietigingsarrest verschaft. Uitzonderlijk wordt evenwel aangenomen dat het moreel nadeel enkel door een schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden handeling kan worden weggenomen of worden vermeden, wanneer daarvoor specifieke redenen gelden, zoals het feit dat de verzoeker het voorwerp is van verdachtmaking, afkeuring of minachting. Dit is in casu het geval, vermits verzoeker verdacht wordt door verwerende partij van een poging tot het plegen van valsheid in geschriften, van het niet- betalen van zijn ledenbijdrage en van het laattijdig betalen van zijn verzekeringspremie. Bovendien wordt hij ervan verdacht dat hij op een ‘zwarte lijst’ van de banken zou staan, wat zou kunnen betekenen dat hij zijn schulden niet of niet tijdig aflost. Het is op het eerste gezicht niet voor betwisting vatbaar dat voornoemde aantijgingen en verdachtmakingen een odium werpen op de professionele loopbaan en op het privé-leven van verzoeker, zodat zijn morele integriteit in aanzienlijke mate wordt aangetast door de bestreden beslissing, niet in het minst door de niet-betwiste omstandigheid dat een strafklacht werd ingediend. 5.3.
- Verzoeker blijkt aldus een nadeel te lijden dat ernstig en moeilijk te herstellen is.” IX-6351-10/12 5.
- In casu is een identiek moeilijk te herstellen ernstig nadeel voorhanden, omdat ingevolge de afzetting van verzoeker een nieuwe voorzitter werd verkozen. Minstens staat vast dat het moreel nadeel heeft bestaan van 24 april 2009, datum waarop de nieuwe voorzitter werd verkozen, tot op de datum van uitspraak van huidig arrest. 5.
- Bijgevolg is voldaan aan de tweede voorwaarde van voornoemd artikel 17, §§ 1 en
- OM DIE REDENEN BESLIST DE Wnd. VOORZITTER : Artikel
- Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de Nationale Raad van het Beroepsinstituut voor Erkende Boekhouders en Fiscalisten (BIBF) van 24 april 2009 waarbij Etienne Verbraeken als Voorzitter van het BIBF wordt verkozen. Artikel
- Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het geschorste besluit. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. IX-6351-11/12 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 24 september 2009, door : de HH. D. MOONS, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. D. MOONS. IX-6351-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.377 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.863 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.