id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.386 Rolnummer: A. 193956/XII-5950 Zaak: Arrest 196386 - Examens (onderwijs) - 24/09/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-09-25 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 03:36 Fiche Arrest nr 196.386 van 24 september 2009 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 196.386 van 24 september 2009 in de zaak A. 193.956/XII-
- In zake : Florine DECONINCK, die woonplaats kiest bij advocaat E. Rentmeesters, kantoor houdende te Sint-Niklaas, Vijfstraten 57 tegen : de VZW INRICHTENDE MACHT ONDERWIJSINSTELLING- EN BROEDERS HIËRONYMIETEN die woonplaats kiest bij advocaat J. Hendrickx, kantoor houdende te Antwerpen, Lange Lozanastraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Florine Deconinck, minderjarige leerling vertegenwoordigd door haar ouders Claire Nelissen en Raf Deconinck op 15 september 2009 heeft ingediend waarin bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing wordt gevorderd van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 3 september 2009 van de delibererende klassenraad van 4LOS van het Technisch Instituut Sint-Isidorus te Sint-Niklaas om haar een oriënteringsattest B te geven; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 16 september 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 september 2009, om 11.00 uur; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. Rentmeesters, die verschijnt voor verzoekster, en van advocaat Ch. Vangeel, die loco advocaat J. Hendrickx verschijnt voor verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur D. Mareen; XII-5950-1\15 Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feitelijke gegevens van de zaak 1.
- Verzoekster volgt tijdens het schooljaar 2008-2009 de lessen in het tweede jaar van de tweede graad lichamelijke opvoeding-sport (TSO) in het Technisch Instituut Sint-Isidorus te Sint-Niklaas. 1.
- De delibererende klassenraad beslist op het einde van het schooljaar om aan verzoekster een oriënteringsattest B te geven met clausulering voor biotechnische wetenschappen, industriële wetenschappen, techniek-weten- schappen en lichamelijke opvoeding-sport. Het individueel syntheseblad vermeldt wiskunde en aardrijkskunde als vakken waarvoor “onvoldoende” werd gepresteerd en Frans, Engels, geschiedenis en chemie als vakken waarvoor “zeer zwak” gepresteerd werd. Opgemerkt wordt voorts : “Je hebt dit schooljaar echt je best gedaan. Ondanks deze inzet behaal je slechts 58% van je studievakken... Je hebt moeite met inzichtsvragen. Een 3e graad LOS zal voor jou te moeilijk zijn”. Op 1 juli 2009 hebben de ouders van verzoekster een onderhoud met de afgevaardigde van het schoolbestuur over deze beslissing. Op 2 juli 2009 tekenen zij bezwaar aan bij de beroepscommissie. Zij herinneren er aan dat zij in de loop van het eerste jaar van de tweede graad een medisch attest hadden bezorgd dat verzocht rekening te houden met de ontwikke- lingsstoornis van verzoekster voor rekenen en ruimtelijke functies, dat verzoekster niettemin slaagde voor wiskunde en een klein tekort had voor biologie en fysica, dat verzoekster dit jaar spontaan bijlessen heeft gevolgd, dat de cijfers aantonen dat de vakken lichamelijke opvoeding en sport haar zeer goed liggen, dat zij het tekort voor wiskunde in de loop van het jaar heeft weggewerkt, dat de leraar wiskunde blijkens zijn commentaar voor de toekomst geen probleem ziet, dat aardrijkskunde slechts een éénuursvak is, dat op het lesniveau van dit vak aanmerkingen te maken zijn wat ook aangetoond wordt door het lage klasgemiddelde, dat verzoekster een jaartotaal heeft van 64% en positief evolueert en in staat is te blijven evolueren, dat XII-5950-2\15 verzoekster in deze opleiding is open gebloeid, ze fantastisch vindt en heel gelukkig is op school, dat die motivatie ook een element is waarmee rekening te houden is. Op 10 augustus 2009 deelt de voorzitter van de beroepscommissie mee dat de raad van beheer op advies van de beroepscommissie beslist heeft om de delibererende klassenraad opnieuw samen te roepen om op 18 augustus 2009 te beraadslagen. 1.
- De delibererende klassenraad besluit vervolgens om zijn eerdere beslissing niet te wijzigen omdat verzoekster weinig slaagkansen zou hebben in 5LOS : “Zij voldoet voor de sportvakken, maar de bagage voor de algemene theoretische vakken is zwak. Leerstofinhoudelijk en inzichtelijk is Florine niet sterk. Zelfstandig verwerken van nieuwe leerstof vormt een probleem, en dat zal in de derde graad nog toenemen. Ook de moeilijkheidsgraad en het tempo nemen toe in die derde graad. Florine kan overwegen het vierde jaar over te zitten, en op die manier de nodige reserve op te bouwen, waardoor ze wellicht meer succeservaring zal hebben in de derde graad. Een garantie is dit vanzelfsprekend niet. De delibererende klassenraad vond ook geen nieuwe elementen waardoor [zijn] oorspronkelijke beslissing zou kunnen wijzigen”. Van deze beslissing vordert verzoekster bij de Raad van State de schorsing van tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Nog voor de Raad zich over die vordering uitspreekt, deelt verwerende partij al mee dat de klassenraad voor het dossier van verzoekster opnieuw zal samenkomen. De vordering wordt alsdan verworpen bij arrest nr. 195.655 van 31 augustus
- 1.
- Op 3 september 2009 handhaaft de delibererende klassenraad het B-attest. Hij notuleert en motiveert zijn beslissing als volgt : “Deze klassenraad werd samengeroepen naar aanleiding van een ‘verzoekschrift tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid’, ingediend bij De Raad van State door de ouders van betreffende leerling en waarvan de Inrichtende macht op de hoogte werd gesteld per fax op 26 augustus door Mr. Erika Rentmeesters, advocaat van de ouders. De Inrichtende macht heeft op 28 augustus 2009 de beslissing genomen om op eigen initiatief de klassenraad opnieuw samen te roepen. Ten gevolge van die beslissing heeft De Raad van State op 31 augustus 2009 volgende beslissing genomen: ‘De vordering tot schorsing bij uiterst dringend noodzakelijkheid wordt verworpen’, Voorafgaand wil de klassenraad stellen dat er werd beoordeeld in het licht van de aanbevelingen van het VVKSO: APR3,(M-VVKSO-2003-033). XII-5950-3\15 Dit betekent dat er een toekomstgerichte, prospectieve deliberatie heeft plaatsgevonden welke gesteund is op de vaststellingen die de klassenraad kon doen doorheen de voorbije periodes. De leerling wordt als geslaagd beschouwd indien deze in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen heeft bereikt en aldus bekwaam wordt geacht zijn studies voort te zetten in het volgende leerjaar, Of een leerling een leerjaar ‘met vrucht’ beëindigt, wordt dus in hoofdzaak bepaald door de kansen die, naar het oordeel van de delibererende klassenraad, de leerling heeft om in het volgende leerjaar (al dan niet van dezelfde onderwijsvorm en/of studierichting) te slagen. De klassenraad steunt zich daarbij niet op één element van het dossier (in casu de twee tekorten). De delibererende klassenraad weegt bij zijn beraadslaging de andere concrete gegevens van het dossier - en in het bijzonder de studieresultaten voor de andere proeven, toetsen of examens of het globale jaarresultaat tegenover deze twee tekorten. Het gehele teerlingendossier ligt dus aan de basis van deze beslissing. Uitgebreide motivering van KR:
- De school is op de hoogte van de problematiek van Florine en houdt hiermee wel degelijk rekening. Aan leerlingen met moeilijkheden (van diverse aard) wordt de gelegenheid geboden om bijgewerkt te worden door vakleerkrachten [bijlessen: hetgeen de ouders zelf aanhalen] Het inrichten van inhaallessen door de school en het volgen van die inhaallessen door de leerling biedt echter geen garantie tot slagen. Dat de school rekening houdt met deze problematiek blijkt onder meer uit het rapport van de laatste doorlichting het luik leerlingenbegeleiding als sterk en goed uitgebouwd werd beoordeeld. Bovendien dient de KR vast te stellen dat op veel van de georganiseerde bijlessen de leerling niet kwam opdagen. Florinne was nooit aanwezig in de bijles Frans en Engels, dit ondanks de lage cijfers (52% en 58%) dit werd ook op een oudercontact gemeld. Bovendien hebben de door de KR gedane vaststellingen (cfr. infra) geen uitstaans met de stoornissen die voorhanden zouden zijn en weegt een mogelijke 'verschoning' welke zou voortvloeien uit een eventuele stoornis niet op tegen deze vaststellingen.
- De KR neemt ook de positieve evolutie voor de vakken (biologie - fysica) waar zij vorig jaar zwak scoorde (38% - 40%) meer in aanmerking : deze tekorten zijn niet meer te zien in het 4de jaar. Dit was het resultaat van (bijzonder !) grote inspanningen, hetgeen de ouders beamen. Deze extra inspanningen gingen spijtig genoeg ten koste van andere vakken. In het 4 de jaar zijn er tekorten en/of lage scores voor andere vakken.
- Ook de goede punten voor de sportvakken en het jaarpercentage zijn niet aan het oog van de KR ontsnapt. Men mag echter niet uit het oog verliezen dat deze goede sportscores het totaal percentage fors naar boven drijven. Zonder deze vakken in rekening te brengen is het cijfer voor studievakken alleen een stuk lager, zoals blijkt uit onderstaand cijfermateriaal: ENKEL STUDIEVAKKEN: DW1: 59% EX1: 53,5% SEM1: 55,6% DW2: 67,4% EX2: 57,7% SEM2: 60,9% DWjaar: 64,4% EXjaar: 58% TOTJAAR: 58% ENKEL SPORTVAKKEN: DW1: 76,1% EX1: 75% SEM1: 75,5% DW2: 70,4% EX2: 70% SEM2: 70% DWjaar: 72,7% EXjaar: 71,9% TOTJAAR: 72,2% ALLE VAKKEN SAMEN: DWI: 65,4% EX1: 61,1% SEM1: 62,5% XII-5950-4\15 DW2:68,4% EX2: 61,9% SEM2: 64,1% DWjaar: 67% EXjaar: 61,5% TOTJAAR: 64%
- De KR baseert haar beslissing niet enkel op het cijfermatig tekort voor 2 vakken. Naast deze tekorten behaalt Florine voor nog 4 andere ‘studievakken’ (Frans, Engels, Geschiedenis, Chemie) zwakke cijfers: tussen 50%en 58%. Dat enkel uit het tekort voor Aardrijkskunde geconcludeerd wordt dat Florine niet inzichtelijk kan werken, is de mening van de ouders. Meerdere leerkrachten traden deze stelling bij: ook in andere vakken was duidelijk zichtbaar dat minder punten waren verdiend met inzichtsvragen dan met louter weetvragen. De leerkracht maakt ook duidelijk dat de punten voor het vak Aardrijkskunde bij de 2 examenperiodes konden worden verdiend op 2 vlakken : I. open boek - II. ‘studeer’ vragen. De behaalde punten worden hier voor de 2 examenperiodes opgelijst: EX1: I.: 13,5/25 II.: 22/55 tot: 35,5/80 herrekend: 8,87/20 EX2: I.: 3,5/17 II.: 12/43 tot: 15,5/60 herrekend: 7,75/30 Het vak aardrijkskunde is dan ook exemplarisch en bijna symptomatisch voor de problematiek die zich aftekent : bij de verwerking van grotere gehelen dient de leerling af te haken of slaagt deze enkel mits zeer grote inspanningen die ten koste gaan van andere vakken en de leefkwaliteit en het zelfbeeld van de leerling.
- Het aangehaalde lage KG (klasgemiddelde) voor het vak aardrijkskunde kan ook in een ander kader geplaatst worden. De ouders hebben geen kennis van dit cijfermateriaal en kunnen daarom ook geen correcte conclusie trekken. a. Ondanks dit lage KG zijn er slechts 4 leerlingen met een vaktekort b. Het vak Aardrijkskunde wordt in alle klassen van het 4de jaar, op TSO niveau, in onze school door dezelfde leerkracht gegeven en op dezelfde manier geëvalueerd met sterk variërende KG: 4LT: 67% - 4TT: 58% - 4BW: 68% - 4LOSa: 60% - 4LOSb: 58% Deze cijfers maken duidelijk dat de toevallige sterkte of zwakte van de klasgroep hier een belangrijke rol speelt. Bovendien, het weze herhaald, is de beoordeling van de klassenraad niet gebaseerd op dit loutere tekort, maar is dit tekort wel veel betekenend.
- Het feit dat er niet steeds punten voor het vak Aardrijkskunde op maandrapporten te vinden zijn, is eenvoudig te verklaren : het is voor ‘éénuursvakken’ quasi onmogelijk om alle leerstof te behandelen indien er voortdurend zou geëvalueerd worden. De evaluatieperiode (meestal 1 maand ) bedraagt slechts 4 lesmomenten - in sommige gevallen nog opgeschort omdat andere, culturele, sportieve of educatieve evenementen de normale lesprogrammatie doorkruisten. Het is dan ook logisch dat er slechts sporadisch wordt geëvalueerd. Het feit dat er voor het vak aardrijkskunde niet maandelijks is geëvalueerd, toont nu net de kern van het probleem des te meer aan : als de leerling niet bij de hand wordt gehouden en op zelfstandige basis de leerstof dient te verwerken en op grotere pakketten wordt ondervraagd, blijken de resultaten bijzonder laag uit te vallen.
- Om de beslissing van de KR en de motiverende aanmoedigingen van de leerkracht(en), de klastitularis en de leerkracht wiskunde, gegeven bij maandrapporten en partiële Paasexamens (= evaluaties over kleine leerstof gehelen) in het 'juiste kader' te plaatsen lijsten wij voor de 2 semesters het verschil op tussen behaalde resultaten Dagelijks Werken Examens: DW1: 65,4% EXI: 61,4 TOTI: 62,5% DW2: 68,4% EX2: 61,9% TOT2:64,1% Jaar DW: 67,2% jaar EX: 61,7% jaar TOT: 63,5% Voor de partiële Paasexamens werden 5 vakken geëxamineerd (Nederlands, Frans, Engels, Wiskunde, Chemie, Fysica) waarvan de punten werden verwerkt in de examenuitslag 2de semester (EX2) XII-5950-5\15 Daarbij vermelden we de resultaten van examen semester 2 , voor de vakken waarvoor geen partieel Paasexamen was afgelegd, deze zijn alles behalve schitterend: Godsdienst: 38/60 Geschiedenis: 15/30 Aardrijkskunde: 8/30 Biologie: 21/30 Sportmap: 15/30 Uit dit cijfermateriaal wordt duidelijk dat examens afleggen over grotere leerstof gehelen, voor om het even welk vak, voor Florine een struikelblok zal zijn. Het is dan ook logisch dat de bemoedigende commentaren vooral voorkomen bij vakken die meermaals en continue werden geëvalueerd. Deze aanmoedigingen doen dan ook geen afbreuk aan de vaststelling dat er wel degelijk een probleem zich aftekent voor deze en andere vakken. Hierbij dient vermeld dat in onze TSO-richtingen: • dubbel zoveel punten kunnen worden verdiend bij het EX t.o.v. DW • dat er, voor zowel EX als DW, in het grotere 2 de semester eveneens meer (X 1,5) punten kunnen worden behaald Vanaf de 3de graad worden in onze TSO-richtingen wordt enkel nog semesterieel geëxamineerd. Dus geen partiële Paasexamens meer. M.a.w. er wordt enkel nog geëxamineerd over grote leerstofpakketten. Het is dus vanuit dit toekomstperspectief dat de zwakke resultaten bij de verwerking van grotere gehelen door de KR is bekeken.
- Hoewel elke KR autonoom oordeelt, dient te worden vastgesteld dat de KR in het 3de jaar LOS reeds oordeelde dat het verder zetten van de opleiding waarschijnlijk te moeilijk zou worden voor Florine. Ook toen behaalde Florine een B-attest met clausulering (besluit 24/06/2008), maar werd op vraag van de ouders, na overleg met de directie, op 27/06/2009 extra KR gehouden waarbij dit attest omgevormd naar voorlopig uitgesteld met bijkomende proef in een 2 de zittijd. De tegemoetkoming, tot bijkomende proeven, was eigenlijk overbodig. Het besluit van de KR was gebaseerd op waarnemingen en evaluaties over het gehele schooljaar (een volledig dossier in beoordelingstermen). Toch oordeelde de KR bij herdeliberatie om Florine deze kans te geven. Met enkel de focus op deze 2 vakken haalde Florine meer dan de helft van de punten op deze uitgestelde proeven en werd bij deliberatie toegelaten tot het 4 de jaar LOS. (met waarschuwing en advies om te veranderen) Er dient dus te worden vastgesteld dat het probleem van dit jaar geen accident de parcours is, maar wel degelijk een structureel probleem dat alleen exponentieel zal toenemen gelet op de aard van de 3/ graad.
- Op verschillende KR gedurende het 4de jaar was de KR duidelijk: Florine zou het lastig hebben om te slagen; grote leerstof pakketten zorgen voor meer problemen; doorverwezen naar bijlessen; de haalbaarheid van een 3de graad LOS werd in vraag gesteld; toch werd haar inzet en werkijver geprezen en werd zij verder aangemoedigd, hetgeen maar logisch is : een leerling verdient de kans en de mogelijkheid om zich te bewijzen in de beste omstandigheden.
- De positieve evolutie die de leerling heeft doorgemaakt heeft de KR ook in acht genomen, maar er dient te worden vastgesteld dat deze evolutie niet in verhouding is tot de (massaal) geleverde inspanningen, er desondanks toch nog tekorten blijven bestaan en dat deze evolutie vaak (bijvoorbeeld voor Wiskunde) meer te maken hebben met de aard van de leerstof (die in het eerste semester 'moeilijker' - i.e. inzichtelijker - was dan in het tweede). Deze evolutie heeft dan ook zijn maximale punt bereikt. XII-5950-6\15 BESLUIT: De KR komt op basis van al deze gegevens en niet enkel door de zichtbare tekorten op het jaarrapport tot het besluit dat de kansen voor Florine om te slagen in een 5e jaar LOS te beperkt zijn. De KR waardeert de inspanningen van Florine en oordeelt dat zij met vrucht het 4de jaar heeft afgewerkt met daarbij een clausulering voor biotechnische wetenschappen tso, industriële wetenschappen tso, techniekwetenschappen tso en lichamelijke opvoeding en sport tso. Dit biedt ruimte om alsnog een ‘minder zware’ tso studierichting in een 5e jaar aan te vatten. Het overzitten van 4 LOS behoort ook tot de mogelijkheden, echter zonder daarbij de garantie te kunnen geven dat zij met de aldus verworven stevigere basiskennis zonder verdere problemen een derde graad LOS tot een goed einde kan brengen”. Deze beslissing werd op vrijdag 4 september 2009 aan verzoekster verstuurd, maar blijkens de op de omslag aangebrachte klever pas op dinsdag 8 september 2009 door de Post aan haar adres aangeboden. De schorsingsvoorwaarden
- Luidens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Beoordeling van de eerste en de derde schorsingsvoorwaarde
- Verzoekster doet als nadeel gelden zeer bewust voor de richting lichamelijke opvoeding en sport gekozen te hebben, na het tweede schooljaar is zij hiervoor zelfs van school veranderd. Zij wenst deze studie in ieder geval verder te zetten en volgt thans -noodgedwongen en naar zij hoopt voorlopig- opnieuw het tweede jaar van de tweede graad, liever dan van richting te veranderen. Zij herinnert dan, in verband met het nadeel en met de uiterst dringende noodzakelijkheid, aan de vaste rechtspraak van de Raad van State met betrekking tot het verlies -of dreigend verlies- van een schooljaar. Verwerende partij verklaart ter terechtzitting hierover geen verweer te voeren; dat deed zij overigens ook niet in haar nota met opmerkingen. XII-5950-7\15
- Verzoekster mag zich terecht op de vaste rechtspraak van de Raad van State terzake beroepen. De beide voorwaarden zijn vervuld. Beoordeling van de tweede schorsingsvoorwaarde Standpunt van de partijen
- Het enig middel is geput uit de schending van artikel 74 van het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs (het organisatiebesluit), van de motiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel. Volgens verzoekster is het attest niet afdoende gemotiveerd. Zij brengt in herinnering welke vragen zij in haar bezwaarschrift bij de beroepscommissie had aangebracht, inzonderheid over aardrijkskunde als éénuursvak, het ontbreken van opmerkingen tijdens het jaar voor dit vak, het lage klasgemiddelde voor dit vak. Zij begrijpt nog steeds niet de beoordeling dat scores tussen 50% en 60% op algemene studievakken betekent dat zij niet zal kunnen slagen in het volgende jaar, mede in acht genomen haar inzet tijdens het jaar, de evolutie die zij heeft doorgemaakt en het behaalde eindresultaat van 64%. Al wordt volgens haar in de beslissing van 3 september 2009 wel meer ingegaan op deze argumenten, nog steeds zijn ze niet allemaal en in ieder geval niet afdoende weerlegd. Verzoekster onderkent als wezenlijk motief voor de clausulering dat zij geen slaagkansen heeft voor het vijfde jaar omdat zij over te weinig inzicht beschikt en onvoldoende zelfstandig kan werken. Volgens haar vertrekt verwerende partij wel van objectieve gegevens, maar geeft zij hieraan een subjectieve en onredelijke interpretatie en negeert zij de argumenten die in het voordeel van verzoekster spelen. Dat zij beter scoort voor de sportvakken is volgens haar, gelet op de gekozen richting, niet meer dan normaal en zal wel voor alle leerlingen zo het geval zijn. Relevanter noemt verzoekster het dat zij over het hele jaar gunstig is geëvolueerd en dat dit enkel het gevolg is van de punten voor de studievakken aan- gezien haar punten voor de sportvakken daalden na het eerste semester van 75,5% naar 70%. Het globaal resultaat voor de studievakken steeg van 55,6% naar 60,9%. XII-5950-8\15 Dit lijkt verzoekster een essentieel gegeven in de beoordeling van haar toekomstige slaagkansen, waarmee verwerende partij onvoldoende rekening houdt. Dat de leerstof in het eerste semester “inzichtelijker” zou zijn geweest noemt verzoekster een loutere bewering die op geen enkele manier objectief wordt aangetoond en is in tegenspraak met de bewering van verwerende partij dat de leerstof altijd moeilijker wordt naarmate de tijd vordert. Verzoekster vergelijkt dan haar resultaten met het derde jaar : ook zo is zij een procentpunt gestegen, alhoewel de klassenraad van het derde jaar ook een B-attest had uitgereikt om uiteindelijk, na het afleggen van bijkomende proeven, een A-attest gegeven te hebben. Het vermoeden van de klassenraad van het derde jaar over de slaagkansen van verzoekster is verkeerd gebleken, net zo is dat nu het geval met de klassenraad van het vierde jaar. Verzoekster noemt het nog steeds niet duidelijk waarom precies een tekort voor aardrijkskunde “veelbetekenend” is om te beslissen tot clausulering en waarom een globaal resultaat van 64%, niet veel lager dan het klasgemiddelde, niet zou volstaan om verder de gekozen studierichting te volgen.
- Verwerende partij antwoordt in de nota met opmerkingen dat de beslissing tot toekenning van een B-attest “de enig juiste was en bijgevolg allesbehalve kennelijk onredelijk”. Volgens haar kan de motivering voor het toegekende attest reeds worden gevonden in de vaststelling van de twee tekorten die verzoekster liet optekenen en de uitermate zwakke score op diverse examenonderdelen. Toch heeft de klassenraad een beslissing genomen die tevens gesteund is op de prospectieve analyse van de door de leerling verworven kennis en vaardigheden. Verzoekster toelaten tot een volgend jaar in dezelfde richting, dan nog wel in een nieuwe graad, zou een waar sneeuwbaleffect veroorzaken omdat zij manifest onvermogen toont om grote delen leerstof zelfstandig te verwerken en essentiële kennis en vaardigheden mist op verschillende vakgebieden. Het toegekende B-attest geeft de overtuiging weer van de klassenraad dat verzoekster op het ogenblik van de beslissing geen kans op slagen heeft in een volgend leerjaar van een aansluitende richting. In casu is er een duidelijk probleem met de verwerking van grotere gehelen en ligt de motivering in de bijzonder slechte resultaten voor het merendeel van de studievakken en twee XII-5950-9\15 tekorten in het bijzonder, dit alles gekoppeld aan het profiel van de leerling en het advies in het voorgaande jaar. Die tekorten op de studievakken geven namelijk aan dat verzoekster moeilijkheden heeft met een bepaalde essentie van de opleiding en dat zij de nodige basisvaardigheden en kennis mist om met een kans op slagen een volgend jaar binnen dezelfde richting aan te vatten. Daarbij heeft de klassenraad ook rekening gehouden met het feit dat over verzoekster reeds in het verleden meermaals werd gedelibereerd en zij het sterke advies kreeg om over te schakelen. Tot slot dient volgens verwerende partij te worden opgemerkt dat de motivering van de examenuitslag in de punten zelf gelegen kan zijn en dat de klassenraad niet op elk mogelijk detail dient te antwoorden. Volgens verwerende partij wenst verzoekster het voornaamste argument dat in de beslissing meermaals terugkeert niet onder ogen te zien, met name het wezenlijke verschil tussen de tweede en de derde graad en de analyse van de vaardigheden die een slagen in deze derde graad mogelijk maken, met als belangrijkste component het verwerken van grotere gehelen op zelfstandige basis. Die beslissing is niet eens streng, laat staan zo buitenissig dat ze tegen alle redelijkheid zou ingaan. Verwerende partij gaat nog in op een aantal aspecten van verzoeksters grieven. Zij merkt op dat de zogenaamde evolutie tussen het derde en vierde jaar quasi onbestaande is, dat er eerder de gelijkenis is dat verzoekster telkens twee tekorten laat optekenen en dat de klassenraad heeft gesteld dat de inspanningen ten koste gaan van andere vakken wat op een structureel probleem wijst. De evolutie in het vierde jaar is wel degelijk in aanmerking genomen en ontleed, door het onderscheid te maken met de partiële examens en de juni-examens. Wat aardrijkskunde betreft herhaalt verwerende partij dat het vak geen voortdurende evaluatie toelaat en bijgevolg wordt de leerling geëxamineerd over grotere hoeveelheden leerstof die de leerling bovendien zelfstandig dient te verwerken. Dezelfde problematiek zien we terug in andere vakken, “maar subtieler”. Het vak aardrijkskunde is dan ook exemplarisch en dus in die zin “veelbetekenend”. Beoordeling
- Vooreerst wenst de Raad van State op te merken dat verzoekster weliswaar ook de schending van het redelijkheidsbeginsel aanbrengt, maar dat het XII-5950-10\15 middel in de eerste plaats is toegelicht vanuit de invalshoek van de motiveringsplicht, zoals die ook is opgelegd door artikel 74 van het organisatiebesluit. De eerste vraag die rijst is dan ook niet of de klassenraad een beslissing heeft genomen die al dan niet in redelijkheid verdedigd kan worden, maar wel of die beslissing voldoet aan de eisen gesteld door de -formele en materiële- motiveringsplicht. Om die vraag te beantwoorden moet de Raad van State ook aandacht hebben voor de grieven die verzoekster in de beroepsprocedure aan verwerende partij had voorgelegd, omdat het bestaan en het nut van die procedure meebrengt dat zij er aanspraak op mag maken dat haar bezwaren worden onderzocht en in de nieuwe beslissing worden betrokken, wat dan weer formeel tot uiting moet worden gebracht.
- Van het tussendoor door de beroepscommissie gegeven advies is in het administratief dossier geen spoor, verzoekster lijkt het nooit ontvangen te hebben en verwerende partij brengt het niet in het debat. Aangenomen wordt dan ook dat alvast dit advies geen elementen bevat die in aanmerking komen als antwoord op het bezwaarschrift van verzoekster, zodat alle aandacht moet uitgaan naar de motivering van de bestreden eindbeslissing.
- Zelfs als met verwerende partij wordt aangenomen dat in het kader van de (formele) motiveringsplicht de delibererende klassenraad niet verplicht is te antwoorden op élk voor haar aangevoerd argument, dan moet uit de beslissing toch blijken dat de bezwaren van de leerling daadwerkelijk in de nieuwe beoordeling werden betrokken en waarom de argumenten welke van aard zijn, mochten ze gegrond zijn, aan de leerling een kans te geven op een gunstiger resultaat, niet werden aanvaard. Verwerende partij verliest daarbij uit het oog, wat de draagwijdte van de op haar rustende motiveringsplicht betreft, dat hier een geval voorligt waarin de delibererende klassenraad na advies van de beroepscommissie op vraag van het schoolbestuur opnieuw moest samenkomen nadat zijn oorspronkelijke beslissing binnen het raam van de in het organisatiebesluit geregelde beroepsprocedure door de leerling met een gemotiveerd bezwaarschrift is aangevochten, en dat hij vervolgens voor een derde keer werd samengeroepen door het schoolbestuur nadat verzoekster een procedure bij de Raad van State had opgestart. XII-5950-11\15 Dan moet die klassenraad er extra zorgvuldig op toezien hoe hij in de veruitwendigde motieven van zijn eindbeslissing de door hem gemaakte afweging doet blijken.
- Zoals verzoekster het ook opmerkt op de terechtzitting, betwist zij niet de algemene uitgangspunten en principes die bij een deliberatie vooropstaan, in het bijzonder dat de delibererende klassenraad een “prospectieve” beslissing moet nemen die gesteund moet zijn op objectieve gegevens. Ook bestrijdt zij niet, zo lijkt, de vaststelling dat een leerling in de derde graad in staat moet zijn om grotere inspanningen te leveren bij het verwerken van grotere gehelen. Beide partijen lijken het er ook over eens dat de clausulering essentieel onderbouwd wordt vanuit de overtuiging van de delibererende klassenraad dat verzoekster na het tweede jaar van de tweede graad niet beschikt over die noodzakelijke kennis en competenties om met enige kans op slagen tot dezelfde studierichting in de derde graad te worden toegelaten.
- Welnu, in de huidige stand van de procedure laat ook de Raad van State zich er niet van overtuigen of de door de klassenraad aangehaalde argumenten de clausulering kunnen verantwoorden. Verwerende partij merkt zelf op dat in de punten zelf een belangrijk deel van de motivering besloten ligt. De Raad stelt daarenboven vast dat in de bestreden beslissing zélf wordt opgemerkt dat “dubbel zoveel punten kunnen worden verdiend bij het EX t.o.v. DW” en “dat er, voor zowel EX als DW, in het grotere 2de semester eveneens meer (X 1,5) punten kunnen worden behaald”. Het lijkt er dan ook op dat reeds in deze bijzondere weging van de punten groter belang wordt gehecht aan de evaluatiemomenten die op grotere gehelen betrekking hebben. Bovendien meent de Raad van State te mogen aannemen dat het belang dat bij die beoordelingsmomenten uitgaat naar inzichtsvragen, tegenover “louter weetvragen”, weerspiegeld moet worden -en werd- in de vraagstelling op de toetsen en de examens en dat dit bijgevolg ook tot uiting moet komen -en komt- in de toegekende quoteringen. XII-5950-12\15 Nu mag verwerende partij resultaten voor de zogenaamde studievakken tussen 50% en 60% “zeer zwak” noemen, of in haar nota zelfs “bijzonder slecht”, de Raad van State kan er moeilijk omheen dat deze in rechte wél slaagcijfers zijn. Beide vaststellingen samen genomen, verwerpt de Raad van State dan ook voorlopig de negatieve gevolgtrekkingen die de delibererende klassenraad meent te mogen maken uit de loutere vaststelling van de slaagcijfers van verzoekster voor de studievakken in het algemeen -en dit dan nog spijts de gunstige evolutie tijdens het schooljaar voor die vakken- als overtuigende analyse van de vaardigheden die een slagen in de derde graad mogelijk maken. Er blijft dan als vaststelling nog de twee tekorten. Voor wat het vak wiskunde betreft, waar verzoekster 3 punten op 225 te kort komt om een voldoende jaarresultaat te behalen, wordt nog aanvullend gemotiveerd dat de -toch wel opmerkelijke- evolutie van verzoekster niet relevant is omdat de aard van de leerstof in het eerste semester “‘moeilijker -i.e. inzichtelijker- was dan in het tweede”. Waarop dit steunt wordt niet nader geëxpliciteerd en blijkt op het eerste gezicht evenmin uit het dossier. Vooralsnog neemt de Raad van State dit argument dan ook niet aan, eensdeels, omdat hem niet de gegevens werden aangereikt om dit argument te controleren en, anderdeels, omdat het argument ook op het eerste gezicht faalt ten opzichte van de zo-even gemaakte vaststelling over de puntenverhouding. Ook lijkt nergens aan verzoekster een antwoord te zijn gegeven, hoewel relevant in het licht van de bestreden clausulering, dat zij uit de opmerkingen van de vakleerkracht op het rapport meent te mogen afleiden dat die leerkracht alvast voor dit vak geen obstakels ziet in het vijfde jaar. En opnieuw de vaststelling dat verzoekster voor de overige vakken geslaagd is, ondergraaft prima facie de zienswijze van de delibererende klassenraad dat het falen van verzoekster voor aardrijkskunde (jaarresultaat 44%) “exemplarisch”, “bijna symptomatisch” en “veel betekenend” is om haar onkunde bij de verwerking van grotere gehelen in de derde graad voldoende overtuigingskracht te verlenen. Meer nog. Dat het vak aardrijkskunde “slechts” een éénuursvak is, wordt door de klassenraad aangegrepen om zijn visie te onderbouwen: om die reden wordt er volgens de klassenraad maar een maal per XII-5950-13\15 maand en dus over grotere gehelen ondervraagd. Maar dit argument geldt allicht ook de andere éénuursvakken, waarvoor als gezien verzoekster wél is geslaagd. Bovendien ziet de Raad van State niet goed hoe na één maand, dus na vier uren les, voor een éénuursvak een relatief groter lesgeheel getoetst wordt dan bij voorbeeld bij twee- of drie-uursvakken die bij voorbeeld reeds om na twee weken (en dus ook na vier of zelfs zes uren les) ondervraging houden. De Raad accepteert vooralsnog wél dat het klasgemiddelde voor dit vak het argument van verzoekster niet bijkomend ondersteunt en dat de klassenraad dit heeft mogen afleiden uit de vaststelling dat veeleer de relatieve sterkte van de klas dit lage gemiddelde verklaart, in vergelijking met andere klassen waar dezelfde leerkracht dezelfde examens heeft afgenomen. Nu verwerende partij voorts zélf de resultaten van het vorige schooljaar en het toenmalig advies te berde brengt en dus relevant acht voor de beoordeling van de slaagkansen voor het volgende studiejaar, lijkt verzoekster een punt te hebben dat zij dit advies heeft weten te ontkrachten door thans wél het leerjaar met vrucht te hebben beëindigd. Ten overvloede merkt de Raad van State nog op dat in de beslissing geen reactie lijkt te komen op het voor verzoekster toch ook belangrijke, weze het niet doorslaggevend argument dat haar positieve keuze voor deze richting en haar motivatie ook een gunstige invloed zouden hebben op haar slaagkansen voor volgend jaar. Ook ten overvloede bespeurt de Raad een tegenstrijdigheid tussen het argument dat verzoekster “massale inspanningen” heeft gedaan en de opmerking dat zij onvoldoende gebruik zou hebben gemaakt van de aangeboden inhaallessen. Verzoekster wordt ook niet tegengesproken als zij opmerkt zich wel degelijk te hebben ingespannen, onder meer met bijles wiskunde, maar dat dit niet zo “massaal” is dat zij bij voorbeeld niet in staat zou zijn geweest intensief volleybal te spelen buiten de school.
- Om al deze redenen meent de Raad van State in de huidige stand van de procedure dat de gegevens waarop de delibererende klassenraad in zijn beslissing steunt en de interpretatie die hij aan die gegevens geeft niet afdoende zijn om de clausulering te motiveren. XII-5950-14\15
- Het middel is ernstig. Er is voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Bevolen wordt de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 3 september 2009 van de delibererende klassenraad van 4LOS van het Technisch Instituut Sint-Isidorus te Sint-Niklaas om Florine Deconinck een oriënteringsattest B te geven. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig september 2009, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-5950-15\15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.386 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.199.200 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.