id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.453 Rolnummer: A. 184925/IX-5739 Zaak: Arrest 196453 - Tucht (openbaar ambt) - 28/09/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-10-07 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 03:36 Fiche Arrest nr 196.453 van 28 september 2009 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Vernietiging Afstand Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 196.453 van 28 september 2009 in de zaak A. 184.925/IX-
- In zake : Gisèle LAMBRECHT, wonend te LOCHRISTI, Bosdreef 67 tegen : VENECO, dienstverlenende vereniging voor ruimtelijke ordening en economische ontwikkeling, die woonplaats kiest bij advocaat T. MESSIAEN, kantoor houdende te DRONGEN, Baarledorpstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Gisèle LAMBRECHT op 21 augustus 2007 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van: - de beslissing van de raad van bestuur van de dienstverlenende vereniging voor ruimtelijke ordening en economische ontwikkeling Veneco van 20 maart 2007 om over te gaan tot onmiddellijk ambtshalve ontslag van de verzoekster; - de beslissing van de raad van bestuur van Veneco van 12 juni 2007 tot handhaving van de voornoemde beslissing van 20 maart 2007; Gelet op het arrest nr. 177.962 van 18 december 2007 waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging van de eerste bestreden beslissingen wordt bevolen en de vordering wordt verworpen voor het overige; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 23 januari 2009 door de verwerende partij; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. DE SOMERE; IX-5739-1/19 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 10 december 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 maart 2009; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat N. SWARTENBROECKX die, loco advocaat I. MARTENS, verschijnt voor de verzoekster, en van advocaat L. DE SCHRIJVER die, loco advocaat T. MESSIAEN, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. DE SOMERE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten
- De verzoekster is sinds 1979 in dienst van de verwerende partij, een dienstverlenende vereniging voor ruimtelijke ordening en economische ontwikkeling, in de zin van het decreet van 6 juli 2001 houdende de inter- gemeentelijke samenwerking. Op het ogenblik van de bestreden beslissing oefent de verzoekster de functie uit van administratief medewerker.
- Naar aanleiding van de uitwerking van een administratief statuut, dat uiteindelijk op 7 september 2006 is goedgekeurd door de raad van bestuur van de verwerende partij, ontstaan er spanningen tussen de verzoekster, gesteund door haar vakorganisatie, en de verwerende partij. De verzoekster kan in het bijzonder niet akkoord gaan met de nieuwe vakantieregeling. Die spanningen lopen dermate op dat de verzoekster op 27 oktober 2006 klacht indient tegen H.V., directeur bij de verwerende partij, wegens pesterijen op het werk. Die klacht wordt ontvangen door een preventie- IX-5739-2/19 adviseur bij een externe dienst voor preventie en bescherming op het werk. Die dienst beveelt een aantal maatregelen aan. Op 20 maart 2007 zou de raad van bestuur beslissen dat de directeur de klachten afdoende en duidelijk heeft weerlegd, en dat er geen reden is om enige maatregel te nemen.
- Op 9 november 2006 heeft het directiecomité een uitvoerige bespreking gewijd aan de houding van de verzoekster in haar conflict met de directeur. Aan het einde van de vergadering maakt de voorzitter melding van de genoemde klacht inzake pesten op het werk, die haar door de hiervóór genoemde externe dienst is overgemaakt. Het directiecomité beslist vervolgens om te laten onderzoeken welke tuchtstraffen kunnen worden getroffen tegen de verzoekster, en dringt aan op haar ontslag. Aan de directeur wordt opdracht gegeven om het dossier aan de raad van bestuur voor te leggen. Op 7 december 2006 beslist de raad van bestuur een tuchtonderzoek op te starten. Er wordt delegatie verleend aan het directiecomité “om alle nodige en nuttige maatregelen te nemen teneinde een duidelijke inventaris te bekomen van de gestelde problematiek zodat een gemotiveerd dossier kan worden samengesteld”. Ter uitvoering van deze opdracht nodigt het directiecomité de personeelsleden uit voor een gesprek met ieder van hen op 3 januari
- Vier van de vijf personeelsleden gaan op de uitnodiging in; de verzoekster, die met ziekteverlof is, blijft afwezig. Tijdens de gesprekken gaan de personeelsleden uitvoerig in op de werksfeer bij de verwerende partij en op de houding van de verzoekster. Bij schrijven van 15 februari 2007 van de drie ondervoorzitters, optredend “namens de raad van bestuur”, wordt de verzoekster ervan in kennis gesteld dat tegen haar een tuchtdossier is samengesteld, dat de raad van bestuur beslist heeft een tuchtprocedure in te leiden en dat een tuchtstraf wordt overwogen met betrekking tot acht feiten die in dat schrijven worden opgesomd. De verzoekster wordt verzocht te verschijnen “voor de raad”, die haar wenst te horen op 7 maart
- De hoorzitting vindt plaats op 7 maart 2007, voor het directiecomité. Het standpunt van de verzoekster, afwezig wegens ziekteverlof, IX-5739-3/19 wordt door haar raadsvrouw uiteengezet. Aan het begin van haar uiteenzetting vraagt laatstgenoemde waarom zij niet door de raad van bestuur wordt gehoord, zoals vermeld in de oproeping. Daarop wordt geantwoord “dat de aanwezige leden hiertoe mandaat van de raad van bestuur hebben gekregen”. De raadsvrouw wijst er in haar uiteenzetting onder meer op dat vele van de ten laste gelegde feiten dateren van een lange tijd geleden. Zij besluit dat de tuchtprocedure opgestart blijkt te zijn nadat de verzoekster tegen de directeur klacht heeft ingediend, en dat de verwerende partij aldus misbruik maakt van de tuchtprocedure. Na afloop van de hoorzitting en na beraadslaging beslist het directiecomité om aan de raad van bestuur het advies te geven de verzoekster van ambtswege te ontslaan. Op 20 maart 2007 vergadert de raad van bestuur. Het is de laatste vergadering in de bestuursperiode 2001-
- Zoals hiervóór reeds is vermeld, verwerpt de raad de klacht van de verzoekster tegen de directeur, ingediend wegens pesten op het werk. Vervolgens onderzoekt de raad de tegen de verzoekster ingestelde tuchtvordering. De raad stelt vast dat het directiecomité, “in het kader van het verleende mandaat en als emanatie van de raad van bestuur”, een hoorzitting heeft gehouden. Op de vraag van de voorzitter of de raad van bestuur de verzoekster of haar raadsvrouw niet moet horen, wordt geantwoord dat de hoorzitting voor het directiecomité volstaat. Na beraadslaging beslist de raad van bestuur ten slotte om het advies van het directiecomité te volgen en over te gaan tot het ambtshalve ontslag van de verzoekster. Aan de raadsman van de verwerende partij wordt mandaat gegeven om het notificatiebesluit op te stellen, en aan de voorzitter en de ondervoorzitters wordt mandaat verleend om deze notificatie te ondertekenen namens de raad van bestuur. Deze beslissing wordt met een schrijven van 26 maart 2007 ter kennis van de verzoekster gebracht. In dat schrijven wordt gepreciseerd dat “minstens de punten 6, 7 en 8 zoals vermeld in de oproepingsbrief kunnen beschouwd worden als ernstige tekortkomingen die voor tuchtrechtelijke sanctionering in aanmerking komen”. De beslissing van 20 maart 2007 vormt het eerste voorwerp van het voorliggende beroep. IX-5739-4/19
- Bij schrijven van 24 april 2007 dient de verzoekster tegen deze beslissing een bezwaar in bij de commissaris van de Vlaamse regering, in het kader van diens algemeen toezicht op de dienstverlenende en opdrachthoudende verenigingen, met verzoek de beslissing te schorsen. Bij schrijven van 10 mei 2007 deelt de commissaris van de Vlaamse regering aan de verwerende partij mede dat hij de beslissing van de raad van bestuur van 20 maart 2007 schorst, op grond van door hem vastgestelde procedurefouten en de miskenning van het evenredigheidsbeginsel. De zaak wordt vervolgens op 12 juni 2007 besproken door de raad van bestuur, die inmiddels vernieuwd is. De raad handhaaft de beslissing van 20 maart 2007 om de verzoekster ambtshalve te ontslaan. Deze beslissing wordt met een schrijven van dezelfde dag ter kennis van de verzoekster gebracht. De beslissing van 12 juni 2007 vormt het tweede voorwerp van de voorliggende vordering. Op 18 juni 2007 deelt de verwerende partij een dossier over de zaak aan de regeringscommissaris mee. Met een schrijven van 5 juli 2007 deelt de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur aan de verzoekster mee dat hij, na onderzoek van het dossier, onvoldoende redenen ziet om de beslissing van de raad van bestuur van 20 maart 2007 te vernietigen. Hij schaart zich integendeel achter het oordeel van de raad van bestuur, zoals dit op 12 juni 2007 is bevestigd. Gedeeltelijke afstand van het beroep
- Bij arrest nr. 177.962 van 18 december 2007 is de schorsing bevolen van de tenuitvoerlegging van de eerste bestreden beslissing, zijnde de beslissing van 20 maart
- De vordering is daarentegen onontvankelijk verklaard, in zoverre zij strekte tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de tweede bestreden beslissing, zijnde de beslissing van 12 juni
- IX-5739-5/19 De verzoekster heeft niet de voortzetting van de rechtspleging gevraagd, in zoverre die betrekking heeft op het beroep tegen de tweede bestreden beslissing. In haar memorie van wederantwoord schrijft zij uitdrukkelijk dat zij zich op dit punt neerlegt bij de beslissing van de Raad van State. De houding van de verzoekster moet uitgelegd worden als een afstand van haar beroep tegen de tweede bestreden beslissing. Niets verzet zich tegen het decreteren van die afstand. De in het verzoekschrift ingeroepen middelen en de in de memorie van antwoord opgeworpen excepties worden hierna slechts onderzocht in zoverre zij betrekking hebben op de eerste bestreden beslissing. Ontvankelijkheid van het beroep 6.
- De verwerende partij werpt een eerste exceptie van onontvankelijkheid op, afgeleid uit het ontbreken van het rechtens vereiste belang in hoofde van de verzoekster bij de door haar gevorderde vernietiging. Zij laat gelden dat de verzoekster inmiddels contractueel tewerkgesteld is bij een andere werkgever, zodat haar actueel belang minstens in twijfel dient te worden getrokken, aangezien de verzoekster schijnbaar geen herstel in natura meer nastreeft. 6.
- In haar memorie van wederantwoord antwoordt de verzoekster dat het logisch is dat zij naar aanleiding van haar ontslag een andere betrekking heeft gezocht, teneinde niet zonder inkomen te vallen. Zij benadrukt dat dit geenszins impliceert dat zij geen herstel in natura beoogt. Na het arrest van de Raad van State van 18 december 2007 waarbij de schorsing van de bestreden beslissingen is bevolen, hebben zij en haar vakorganisatie op 4 en 22 januari 2008 trouwens brieven gestuurd aan de verwerende partij, waarin zij de uitvoering van dat arrest hebben gevraagd. De verzoekster wijst erop dat zij thans minder verdient dan toen zij in dienst was bij de verwerende partij, dat haar pensioenrechten zijn verminderd, en dat zij niet meer tewerkgesteld is als statutair personeelslid. Bij schrijven van 22 januari 2008 heeft de verwerende partij geantwoord dat zij, in afwachting van de uitspraak ten gronde, haar financiële verplichtingen ten aanzien van de verzoekster vanaf de datum van betekening van IX-5739-6/19 het schorsingsarrest zal nakomen en dat zij de verzoekster “tot nader order” vrijstelt van prestaties. Het is juist dat de verzoekster bij schrijven van 24 januari 2008 verlof zonder wedde gevraagd heeft voor een periode van één jaar, zodat de onzekere situatie die tussen beide partijen bestaat kan worden uitgeklaard. De verzoekster voert aan dat deze aanvraag haar niet kan worden tegengeworpen, om daaruit af te leiden dat zij geen actueel belang meer zou hebben. Volledigheidshalve wijst de verzoekster er nog op dat de verwerende partij haar financiële verplichtingen ter uitvoering van het arrest niet correct nakomt. Voor de periode vanaf 18 december 2007 ontvangt de verzoekster haar loon slechts a rato van 4/5 in plaats van haar volledig loon. Ook de betaling van het loon voor de periode van 1 april 2007 tot 18 december 2007 werd nog niet volledig vereffend. 6.3.
- In haar laatste memorie repliceert de verwerende partij dat zij op de vraag van de verzoekster tot het verkrijgen van verlof zonder wedde niet is ingegaan. Ingevolge het schorsingsarrest betaalt de verwerende partij de verzoekster verder de wedde uit, terwijl haar vrijstelling van prestaties is verleend. De verwerende partij werpt op dat de verzoekster bijgevolg nog steeds in dienst is bij Veneco, en dat zij dan ook de statutaire bepalingen moet naleven. Het feit dat de verzoekster een aanvullende tewerkstelling heeft, wat nochtans door de statuten wordt uitgesloten, en dat zij de twee weddes cumuleert, toont volgens de verwerende partij aan dat de verzoekster geen rechtsherstel in natura nastreeft. De verzoekster zal daarenboven desgevallend de contractuele voorwaarden dienen voor te leggen, zodat kan worden nagegaan of zij bij haar nieuwe werkgever zonder opzeg kan vertrekken teneinde haar tewerkstelling bij Veneco te hervatten. 6.3.
- De verwerende partij erkent voorts dat de verzoekster eventueel een moreel belang zou kunnen laten gelden. Zij zal dan echter in concreto moeten aantonen welk moreel nadeel zij geleden zou hebben. Het bestaan van een dergelijk nadeel lijkt de verwerende partij niet evident, aangezien de verzoekster bijna onmiddellijk een andere tewerkstelling heeft gevonden en zij bovendien, in strijd met de bepalingen van het personeelsstatuut, twee inkomens cumuleert. IX-5739-7/19 Bovendien kan een moreel nadeel enkel ontstaan voor zover inhoudelijk zou worden geoordeeld dat de bestreden beslissing ten onrechte werd genomen, quod non. 6.
- Uit de brieven die de verzoekster en haar vakorganisatie na de schorsing van de bestreden beslissing aan de verwerende partij gestuurd hebben, blijkt dat de verzoekster wel degelijk een rechtsherstel “in natura” nastreeft, in die zin dat zij opnieuw in haar functie bij de verwerende partij wenst te worden aangesteld. De verzoekster voert trouwens aan, zonder op dit punt door de verwerende partij te worden tegengesproken, dat zij ingevolge het ambtshalve ontslag minder verdient dan voorheen, dat haar pensioenrechten verminderd zijn, en dat zij thans tewerkgesteld is als contractueel en niet meer als statutair personeelslid. De omstandigheid dat zij intussen een ander werk heeft en het feit dat zij in die context aan de verwerende partij een verlof zonder wedde heeft gevraagd, kunnen niet tegen haar worden ingeroepen. De verzoekster heeft bovendien een moreel belang bij de nietigverklaring van het ambtshalve ontslag. De bestreden tuchtbeslissing houdt immers een afkeuring in van de wijze waarop zij haar functie heeft uitgeoefend. Een dergelijke beslissing kan door de verzoekster als moreel krenkend worden ervaren. De omstandigheid dat zij intussen elders werk heeft gevonden, doet daaraan geen afbreuk. De exceptie kan niet worden aangenomen. 7.
- De verwerende partij werpt een tweede exceptie van onontvankelijkheid op, afgeleid uit de laattijdigheid van het beroep. Zij voert aan dat de verzoekster van de eerste bestreden beslissing kennis heeft gekregen bij aangetekende brief van 26 maart
- Het beroep, ingesteld bij verzoekschrift van 16 augustus 2007, is dan ook laattijdig. In het arrest nr. 177.962 van 18 december 2007 over de vordering tot schorsing wordt deze exceptie verworpen, met een verwijzing naar het arrest van 13 februari 2001, Van Middel, nr. 93.
- De verwerende partij merkt op dat dit arrest betrekking heeft op de stuiting van de termijn in het geval dat een bezwaar is ingediend bij de toezichthoudende overheid. De leer van dat arrest is terzake niet dienend, omdat er te dezen geen sprake is van een georganiseerd administratief IX-5739-8/19 beroep dat moet worden uitgeput voordat op ontvankelijke wijze een beroep kan worden ingesteld bij de Raad van State. 7.
- De verzoekster stelt dat het beroep dat zij tegen de beslissing van 20 maart 2007 bij de commissaris van de Vlaamse regering heeft ingesteld, geen georganiseerd administratief beroep betreft, doch een beroep in het kader van het algemeen administratief toezicht dat de toezichthoudende overheid uitoefent op grond van de artikelen 72 en 74 van het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking. In het arrest van 13 februari 2001, Van Middel, nr. 93.290, heeft de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwogen dat de termijn om een annulatieberoep in te stellen wordt gestuit ten voordele van degene die een bezwaar indient bij de toezichthoudende overheid die bevoegd is om het algemeen administratief toezicht uit te oefenen, op voorwaarde dat dit bezwaar wordt ingediend vóór het verstrijken van de beroepstermijn en vóór het verstrijken van de termijn waarover de toezichthoudende overheid voor de uitoefening van haar schorsings- en vernietigingsbevoegdheid beschikt. De stuiting van de termijn duurt voort tot aan de mededeling van het gevolg dat aan zijn bezwaar is gegeven. De verzoekster stelt dat te dezen aan al deze voorwaarden is voldaan. Zij wijst erop dat de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur bij schrijven van 5 juli 2007 heeft meegedeeld dat hij de beslissing van 20 maart 2007 niet zou vernietigen. Het voorliggende beroep, ingesteld met een op 21 augustus 2007 ter post aangetekend verzoekschrift, is dan ook ingesteld binnen de termijn van zestig dagen. 7.
- Het genoemde arrest van 13 februari 2001, Van Middel, nr. 93.290, betreft de stuiting van de termijn om een annulatieberoep in te stellen ten voordele van degene die een bezwaar indient bij de toezichthoudende overheid die bevoegd is om het algemeen administratief toezicht uit te oefenen. De verzoekster heeft op 24 april 2007 een bezwaar ingediend bij de commissaris van de Vlaamse regering. Het bezwaar is aldus ingesteld binnen de termijn die normaal zou gelden voor een beroep bij de Raad van State. Zoals de verzoekster terecht aanvoert, is dit een bezwaar in het kader van het algemeen toezicht dat de commissaris van de Vlaamse regering en de Vlaamse regering zelf uitoefenen op de dienstverlenende verenigingen, overeenkomstig de artikelen 72 en IX-5739-9/19 74 van het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking. Bij schrijven van 5 juli 2007 heeft de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur aan de verzoekster meegedeeld dat hij de beslissing van 20 maart 2007 niet zou vernietigen. De termijn is tot aan de kennisgeving van die beslissing gestuit. Het voorliggende beroep, dat bij de Raad van State is ingesteld met een op 21 augustus 2007 ter post aangerekend verzoekschrift, is dan ook binnen de termijn ingesteld. De exceptie kan niet worden aangenomen. Onderzoek van de middelen Standpunt van de partijen
- De verzoekster roept onder meer een tweede middel in, afgeleid uit de schending van de artikelen 157ter en 157septies van het administratief statuut van Veneco, en van de rechten van de verdediging. Zij voert aan dat uit artikel 157ter van het administratief statuut volgt dat het ontslag van ambtswege een tuchtstraf is die wordt opgelegd door de raad van bestuur, en dat de raad van bestuur de betrokkene dan ook moet horen. De verzoekster is evenwel niet gehoord door de raad van bestuur, maar door het directiecomité. Hierdoor is niet enkel de genoemde bepaling geschonden, maar zijn ook de rechten van verdediging van de verzoekster geschonden, vermits de verzoekster niet de kans heeft gehad zich te verdedigen voor het orgaan dat de tuchtsanctie zelf uitspreekt. De verzoekster voert voorts aan dat artikel 157septies van het administratief statuut bepaalt dat de werknemer moet worden gehoord door de raad van bestuur, vooraleer deze een straf uitspreekt, zelfs wanneer de werknemer het voorwerp heeft uitgemaakt van een bestuurlijk onderzoek. Ook die bepaling is geschonden. De verzoekster merkt ten slotte op dat de raad van bestuur op 12 juni 2007 geoordeeld heeft dat de hoorzitting, georganiseerd door het directiecomité, gebaseerd was op een uitdrukkelijk mandaat door de raad van bestuur zelf, en dat de raadsvrouw van de verzoekster de samenstelling op dat ogenblik niet heeft betwist. Hiertegen voert de verzoekster aan, enerzijds, dat IX-5739-10/19 nergens in het tuchtstatuut wordt voorzien in de mogelijkheid om de bevoegdheid tot verhoor in het kader van de tuchtprocedure te delegeren, zodat de raad van bestuur geen mandaat kon geven, en anderzijds, dat dit element tijdens de hoorzitting wel degelijk opgeworpen is door de raadsvrouw van de verzoekster, zoals trouwens blijkt uit het schrijven van de verwerende partij van 26 maart 2007 waarbij aan de verzoekster de eerste bestreden beslissing wordt meegedeeld. In haar memorie van wederantwoord preciseert de verzoekster dat haar raadsvrouw bij de aanvang van de hoorzitting opgemerkt heeft dat de raad van bestuur niet correct was samengesteld, daar het ging om de samenstelling van het directiecomité en niet om die van de raad van bestuur. 9.
- De verwerende partij antwoordt vooreerst dat artikel 157ter, laatste lid, van het administratief statuut bepaalt dat het bevoegde orgaan het personeelslid oproept om gehoord te worden in zijn of haar verdediging. Aan die bepaling is voldaan. Uit de oproepingsbrief voor de hoorzitting blijkt zeer duidelijk dat deze uitgaat van de raad van bestuur zelf, en niet van het directiecomité. De verwerende partij voert voorts aan dat de hoorzitting zelf werd voorgezeten en geleid door het bureau van de raad van bestuur, bestaande uit de voorzitter en de ondervoorzitters, wat ook uitdrukkelijk geacteerd is. Het is ook enkel het bureau geweest dat tijdens de hoorzitting is tussengekomen. Aangezien de hoorzitting doorging onder leiding van het bureau van de raad van bestuur, was de directeur van Veneco, die lid is van het directiecomité, niet aanwezig. Alleen de voorzitter van de raad van bestuur bleek op de dag van de hoorzitting zelf niet aanwezig te zijn, zonder dat zij zich vooraf had laten verontschuldigen. Dit doet echter geen afbreuk aan het feit dat de hoorzitting gehouden is door het bureau van de raad van bestuur. In haar laatste memorie benadrukt de verwerende partij dat de hoorzitting is gehouden onder leiding van personen die allen de hoedanigheid hadden van lid van de raad van bestuur. Zij merkt ook op dat geen enkele bepaling voorschrijft dat de hoorzitting dient gehouden te worden door de voltallige raad van bestuur of minstens door een raad van bestuur die in voldoende aantal is. In elk geval is er geen enkele bepaling die een dergelijke interne delegatie zou uitsluiten of verhinderen. Het wetboek van vennootschappen voorziet in een zodanige mogelijkheid, en geen enkele bepaling van het statuut sluit uit dat de raad van bestuur uit praktische overwegingen bevoegdheden delegeert aan het bureau of aan IX-5739-11/19 door hem aangestelde leden. Gelet op de uitgebreide samenstelling van de raad van bestuur is dit overigens een courante praktijk voor tal van aangelegenheden omdat het praktisch niet mogelijk is om voor elke tussenkomst een volledige raad van bestuur samen te krijgen. 9.
- “Volledigheidshalve” merkt de verwerende partij op dat de raad van bestuur op 7 december 2006, overeenkomstig artikel 157sexies van het administratief statuut, aan het directiecomité een duidelijk mandaat heeft gegeven voor een bestuurlijk onderzoek. Het directiecomité, als emanatie van de raad van bestuur, kan door de raad van bestuur gemandateerd worden met specifieke opdrachten, ook in het kader van tuchtprocedures. In het statuut wordt deze mogelijkheid niet uitgesloten. Hiertegen zou niet opgeworpen kunnen worden dat in het administratief statuut niet uitdrukkelijk voorzien is in de mogelijkheid van een dergelijke delegatie, met als gevolg dat de raad van bestuur deze bevoegdheid dan niet zou kunnen delegeren. Dit zou immers betekenen dat de delegatiebevoegdheid verder beperkt wordt dan mogelijk volgens het wetboek van vennootschappen. Voornoemd wetboek voorziet immers wel in een dergelijke mogelijkheid van delegatie. Ook de ratio legis van de bepaling dat het orgaan dat zich uiteindelijk dient uit te spreken over de tuchtsanctie, dit dient te kunnen doen met voldoende kennis van zaken, is volledig gerespecteerd. Dit blijkt volgens de verwerende partij uit de omstandigheid dat het bureau van de raad van bestuur aanwezig was en de hoorzitting heeft voorgezeten, en uit het feit dat de raad van bestuur in volledige samenstelling een uitvoerig verslag heeft ontvangen van de hoorzitting. De verzoekster zelf heeft trouwens geen opmerking gemaakt op dit verslag, hoewel zij de mogelijkheid had om na de hoorzitting nog schriftelijk verweer te voeren voor de raad van bestuur. De verwerende partij wijst ook op artikel 23 van haar statuten. Dat artikel bepaalt uitdrukkelijk dat de raad van bestuur weliswaar bevoegd is voor alle personeelsaangelegenheden, maar dat het individueel personeelsbeheer gedelegeerd kan worden aan het directiecomité. IX-5739-12/19 Het bedoelde mandaat is overigens bevestigd in de zitting van de raad van bestuur van 20 maart
- 9.
- Het feit dat de hoorzitting samenviel met een zitting van het directiecomité was ingegeven door redenen van praktische aard. Het directiecomité diende over het tuchtdossier een advies op te stellen, zodat het alleszins aangewezen was dat zij dit met kennis van alle elementen kon doen. De hoorzitting zelf werd echter, zoals hiervóór gesteld, voorgezeten en geleid door het bureau van de raad van bestuur. 9.
- Op de hoorzitting werd de verzoekster vertegenwoordigd door haar raadsvrouw, die de samenstelling van de hoorzitting geenszins heeft betwist. Het is niet omdat zij naar de samenstelling “van de hoorzitting” heeft geïnformeerd, dat zij de geldigheid ervan betwist zou hebben. 9.
- De verwerende partij besluit, gelet op het aan het directiecomité verleende mandaat, op de samenstelling “van de hoorzitting” die werd gehouden onder leiding van het bureau van de raad van bestuur, alsmede op de uitvoerige en objectieve verslaggeving door dit bureau aan de voltallige raad van bestuur van 20 maart 2007, dat de raad van bestuur met voldoende kennis van zaken en met eerbiediging van de rechten van verdediging en de artikelen 157ter en 157septies van het administratief statuut, de bestreden tuchtstraf heeft kunnen uitspreken. Beoordeling 10.
- Volgens artikel 14 van de statuten van de verwerende partij, gecoördineerd op 15 december 2005, wordt de vereniging bestuurd door de raad van bestuur, waarvan de leden worden benoemd door de algemene vergadering. Artikel 19 van de statuten bepaalt onder meer dat de raad van bestuur de voorzitter aanstelt, en dat hij uit de leden van het directiecomité drie ondervoorzitters kiest. Artikel 23 van de statuten luidt als volgt: “De Raad van Bestuur laat zich bijstaan door de directeur die de functie van secretaris uitoefent. De Raad van Bestuur bepaalt de vergoeding van de secretaris in de bestuursorganen. IX-5739-13/19 De Raad van Bestuur beslist over de benoeming of het ontslag van het personeel, bepaalt hun bevoegdheid, hun statuut, hun wedde of vergoeding en in voorkomend geval hun borgstelling. De Raad van Bestuur van de dienstverlenende vereniging is bevoegd voor alle personeelsaangelegenheden. Het individueel personeelsbeheer kan gedelegeerd worden aan het Directiecomité.” Volgens artikel 31 van de statuten stelt de raad van bestuur in zijn midden een directiecomité aan, waarvan het totaal aantal leden ten hoogste één derde bedraagt van dat van de raad van bestuur. De voorzitter van de raad van bestuur is tevens voorzitter van het directiecomité. 10.
- Deel VI van het administratief statuut van de verwerende partij, goedgekeurd door de raad van bestuur op 7 september 2006, en bestaande uit de artikelen 157 tot 157septies, bevat bepalingen in verband met tuchtmaatregelen. Artikel 157ter luidt als volgt: “§
- De waarschuwing en de berisping wordt (sic) uitgesproken door het directiecomité, na voorstel van de directie. §
- De overige tuchtstraffen worden uitgesproken door de Raad van Bestuur, op voorstel van de directie en na advies van het directiecomité. Het bevoegde orgaan voor het uitspreken van de tuchtstraf roept, binnen dertig kalenderdagen volgend op de datum van het voorstel, het personeelslid op om gehoord te worden in zijn verdediging.” Artikel 157sexies bepaalt voorts het volgende: “Er bestaat een onderzoekscommissie, samengesteld uit leden van de Raad van Bestuur met een minimum van 5 leden, voor het houden der bestuurlijke onderzoeken waarmede zij belast wordt door de Raad van Bestuur.” Artikel 157septies ten slotte luidt als volgt: “Zelfs dan wanneer de werknemer het voorwerp heeft uitgemaakt van een bestuurlijk onderzoek, spreekt de Raad van Bestuur geen straf uit zonder de belanghebbende gehoord te hebben in zijn verweer.” 10.
- Artikel 23, vierde lid, van de statuten van de verwerende partij draagt de personeelsaangelegenheden aan de raad van bestuur op. Ter uitvoering van die opdracht heeft de raad van bestuur op 7 september 2006 het administratief IX-5739-14/19 statuut aangenomen, dat blijkens artikel 1 van toepassing is op alle leden van het statutair personeel. Artikel 157ter, tweede lid, bepaalt dat het orgaan dat bevoegd is om een tuchtstraf uit te spreken, het betrokken personeelslid oproept om in zijn verdediging gehoord te worden. Uit het eerste lid, § 2, blijkt dat de raad van bestuur het bevoegde orgaan is voor onder meer het ontslag van ambtswege. Artikel 157sexies voorziet in de mogelijkheid voor de raad van bestuur om een onderzoekscommissie, bestaande uit leden van de raad van bestuur, met een “bestuurlijk onderzoek” te belasten. Artikel 157septies bepaalt dat, zelfs indien de werknemer het voorwerp heeft uitgemaakt van een bestuurlijk onderzoek, de raad van bestuur hem moet horen in zijn verweer. Het administratief statuut voorziet niet in de mogelijkheid voor de raad van bestuur om die bevoegdheid tot het horen van de betrokkene op te dragen aan een ander orgaan. Het gebruik van de woorden “zelfs dan” wijst er integendeel op dat het de bedoeling is dat de raad van bestuur zelf de betrokkene zou horen. Weliswaar bepaalt artikel 23, vierde lid, van de statuten, zoals gezegd, dat het individueel personeelsbeheer door de raad van bestuur gedelegeerd kan worden aan het directiecomité. De raad van bestuur kan van die mogelijkheid echter geen gebruik maken buiten de grenzen die hij zelf, onder meer ter waarborging van de rechten van de personeelsleden, in het administratief statuut heeft vastgesteld. Bij gebreke van een algemene bepaling in het statuut die in tuchtzaken voorziet in de mogelijkheid van delegatie van bevoegdheden aan het directiecomité, kan de raad van bestuur het directiecomité in een individueel geval dan ook geen van zijn bevoegdheden opdragen. 10.
- Te dezen blijkt dat de raad van bestuur op 7 december 2006 aan het directiecomité opdracht heeft gegeven “om alle nodige en nuttige maatregelen te nemen teneinde een duidelijke inventaris te bekomen van de gestelde problematiek zodat een gemotiveerd dossier kan worden samengesteld”. Ter uitvoering van die opdracht kon het directiecomité de verzoekster horen, zo het dit nuttig achtte. Het directiecomité diende trouwens, zoals de verwerende partij terecht opmerkt, overeenkomstig artikel 157ter, eerste lid, § 2, van het administratief statuut, over de voorgestelde tuchtstraf in elk geval een advies aan de raad van bestuur te geven. De raad van bestuur heeft het directiecomité echter niet IX-5739-15/19 opgedragen om de verzoekster in de plaats van de raad van bestuur te horen, wat de raad trouwens, bij gebreke van een machtiging daartoe in het administratief statuut, ook niet zou kunnen. Overigens heeft de raad van bestuur ook geen opdracht gegeven aan een onderzoekscommissie, als bedoeld in artikel 157sexies van het administratief statuut. De omstandigheid dat het directiecomité, zoals een onderzoekscommissie, is samengesteld uit leden van de raad van bestuur, doet aan die vaststelling geen afbreuk. De enige hoorzitting die te dezen heeft plaatsgevonden is die van 7 maart
- Volgens de verwerende partij zou die hoorzitting geleid zijn door het bureau van de raad van bestuur, een orgaan dat bestaat uit de voorzitter en de drie ondervoorzitters van de raad van bestuur. Die stelling wordt echter tegengesproken door de stukken van het dossier. Ook al is de verzoekster bij schrijven van 15 februari 2007 opgeroepen om te verschijnen “voor de Raad (van bestuur)”, uit het verslag van de zitting van 7 maart 2007 blijkt dat de hoorzitting plaatsvond vóór het directiecomité. Volgens dat verslag waren in totaal immers acht leden van de raad van bestuur, tevens lid van het directiecomité, aanwezig: de drie ondervoorzitters en vijf andere leden. Het feit dat enkel de ondervoorzitters tijdens de hoorzitting zijn “tussengekomen”, doet aan die vaststelling geen afbreuk. Overigens heeft het orgaan waarvóór de hoorzitting heeft plaatsgevonden, bestaande uit de acht genoemde leden, onmiddellijk na de hoorzitting het advies geformuleerd dat het directiecomité overeenkomstig artikel 157ter, eerste lid, § 2, van het administratief statuut aan de raad van bestuur moet geven. Anders dan de verwerende partij beweert, is op de hoorzitting door de raadsvrouw van de verzoekster wel degelijk de vraag gesteld waarom zij niet gehoord werd door de raad van bestuur. Op de vergadering van de raad van bestuur van 20 maart 2007, waarop over het voorstel van tuchtstraf is beraadslaagd, is door de voorzitter uitdrukkelijk de vraag gesteld of de raad van bestuur de verzoekster niet moest horen. Daarop is geantwoord “dat er reeds een formele hoorzitting is gehouden en dat sinds de hoorzitting en de samenstelling van het tuchtdossier geen nieuwe elementen aan het dossier werden toegevoegd. Het directiecomité heeft een zeer duidelijk mandaat gekregen vanwege de Raad van Bestuur en heeft conform de IX-5739-16/19 bepalingen van het statuut een bestuurlijk onderzoek gevoerd. De hoorzitting is doorgegaan in aanwezigheid van minstens twee ondervoorzitters. Het is bovendien duidelijk dat het Directiecomité fungeert als emanatie van de Raad van Bestuur en volledig binnen het (hem) verleend mandaat heeft gehandeld”. Zoals uit het voorgaande blijkt, is die uitleg niet deugdelijk: de raad van bestuur kan niet steunen op een algemene bepaling van de statuten om voorbij te gaan aan de specifieke verplichting om, ter waarborging van het recht van verdediging van het betrokken personeelslid, zelf die persoon te horen. 10.
- Volgens de verwerende partij zou die conclusie niet stroken met het wetboek van vennootschappen. Zij voert aan dat het wetboek voorziet in een delegatiebevoegdheid van de raad van bestuur, en dat die bevoegdheid niet kan worden beperkt op grond dat de statuten niet uitdrukkelijk in een delegatiebevoegdheid voorzien. Het is juist dat artikel 524bis, eerste lid, van het wetboek van vennootschappen bepaalt dat de statuten de raad van bestuur kunnen toestaan zijn bestuursbevoegdheden over te dragen aan een directiecomité, zonder dat deze overdracht betrekking kan hebben op het algemeen beleid van de vennootschap of op handelingen die op grond van andere bepalingen van de wet aan de raad van bestuur zijn voorbehouden. Luidens artikel 524bis, vijfde lid, kan deze overdraagbare bestuursbevoegdheid door de statuten of door een beslissing van de raad van bestuur worden beperkt, zij het dat een dergelijke beperking niet kan worden tegengeworpen aan derden. De niet-tegenwerpelijkheid van beperkingen is te dezen echter niet in het geding. Met toepassing van de genoemde wetsbepalingen bepaalt artikel 23, vierde lid, van de statuten van de verwerende partij dat de raad van bestuur, die bevoegd is inzake de personeelsaangelegenheden, het individueel personeelsbeheer kan delegeren aan het directiecomité. Ter uitvoering van die machtiging voorziet het administratief statuut, aangenomen door de raad van bestuur op 7 september 2006, in bepaalde opdrachten aan het directiecomité, in het bijzonder in verband met tuchtmaatregelen. Het individueel personeelsbeheer, daarin begrepen de tuchtmaatregelen, is aldus aan het directiecomité overgedragen, doch enkel in zoverre de raad van bestuur dit in zijn administratief statuut heeft voorzien. Welnu, IX-5739-17/19 geen bepaling van het administratief statuut voorziet in de mogelijkheid voor de raad van bestuur om zijn bevoegdheid tot het horen van de betrokkene, met het oog op het uitspreken van een tuchtstraf, op te dragen aan een ander orgaan. Integendeel, zoals hiervóór is uiteengezet, artikel 157septies van het administratief statuut bepaalt dat de raad van bestuur de betrokkene zelf moet horen, “zelfs dan wanneer de werknemer het voorwerp heeft uitgemaakt van een bestuurlijk onderzoek”. De raad van bestuur kon, in overeenstemming met het wetboek van vennootschappen, de grenzen bepalen van de bevoegdheden die hij aan het directiecomité delegeerde. De conclusie dat het directiecomité niet gemachtigd was om de verzoekster in de plaats van de raad van bestuur te horen, is dan ook niet strijdig met de aangehaalde bepalingen van het wetboek van vennootschappen. 10.
- Het middel is gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van de raad van bestuur van de dienstverlenende vereniging Veneco van 20 maart 2007 waarbij aan Gisèle Lambrecht de tuchtstraf van het ambtshalve ontslag wordt opgelegd. Artikel
- De afstand van het geding wordt ingewilligd, in zoverre het beroep strekt tot de vernietiging van de beslissing van de raad van bestuur van Veneco van 12 juni 2007 tot handhaving van de voornoemde beslissing van 20 maart
- Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verwerende partij. IX-5739-18/19 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 28 september 2009, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-5739-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.453 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.962 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.