← België

Arrest 196499 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 29/09/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.499 Rolnummer: Zaak: Arrest 196499 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 29/09/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-10-12 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 03:37 Fiche Arrest nr 196.499 van 29 september 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Samenvoeging afvoering Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 196.499 van 29 september 2009 in de zaken A. 175.066/X-12.948 (I) 175.067/X-12.949 (II). In zake : I.

  1. Monique de BRIEY (overleden),
  2. Thierry de HEMRICOURT de GRUNNE, II. de v.z.w. NATUURBESCHERMINGSACTIE LIMBURG, thans de v.z.w. LIMBURGSE MILIEUKOEPEL, die woonplaats kiezen bij advocaten D. RYCKBOST en E. RYCKBOST, kantoor houdende te 8400 OOSTENDE, E. Beernaertstraat 80 tegen : I. + II. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat P. AERTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure
  3. tussenkomende partijen : I.
  4. de n.v. STRABAG BELGIUM, die woonplaats kiest bij advocaten D. CAESTECKER en E. EMPEREUR, kantoor houdende te 2600 ANTWERPEN, Uitbreidingstraat 2,
  5. de n.v. PLINIUS, die woonplaats kiest bij advocaat S. VAN GEETERUYEN, kantoor houdende te 1080 BRUSSEL, Leopold II-laan
  6. II.
  7. de n.v. PLINIUS,
  8. de n.v. PLINIUS VASTGOED, die woonplaats kiezen bij advocaat S. VAN GEETERUYEN, kantoor houdende te 1080 BRUSSEL, Leopold II-laan 180,
  9. de n.v. STRABAG BELGIUM, die woonplaats kiest bij advocaten D. CAESTECKER en E. EMPEREUR, kantoor houdende te 2600 ANTWERPEN, Uitbreidingstraat
  10. X-12.948-12.949-1/29 D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Monique de BRIEY en Thierry de HEMRICOURT de GRUNNE op 18 juli 2006 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 23 mei 2006 van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar waarbij aan de n.v. STRABAG BELGIUM de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het bouwen van een themapark “Land van Ooit” aan de Hasseltsesteenweg en de Mulkerstraat te Tongeren (zaak A. 175.066); Gezien het verzoekschrift dat de v.z.w. NATUURBESCHER- MINGSACTIE LIMBURG, thans de v.z.w. LIMBURGSE MILIEUKOEPEL op 18 juli 2006 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 23 mei 2006 van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar waarbij aan de n.v. STRABAG BELGIUM de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het bouwen van een themapark “Land van Ooit” aan de Hasseltsesteenweg en de Mulkerstraat te Tongeren (zaak A. 175.067); Gelet op het arrest nr. 166.512 van 10 januari 2007 waarbij de zaken A. 175.066, A. 175.067, A. 175.068, A. 175.069, A. 175.213 en A. 175.214 worden gevoegd en waarbij de vorderingen tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen worden verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 1 maart 2007 ingediend door Monique de BRIEY en Thierry de HEMRICOURT de GRUNNE in de zaak A. 175.066; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 1 maart 2007 ingediend door de v.z.w. NATUURBESCHERMINGSACTIE LIMBURG, thans de v.z.w. LIMBURGSE MILIEUKOEPEL in de zaak A. 175.067; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 5 april 2007 ingediend door de n.v. PLINIUS in de zaak A. 175.066; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 6 april 2007 ingediend door de n.v. STRABAG BELGIUM in de zaak A. 175.066; X-12.948-12.949-2/29 Gelet op de beschikking van 20 juni 2007 die de tussenkomsten van de n.v. PLINIUS en de n.v. STRABAG BELGIUM toelaat in de zaak A. 175.066; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 6 april 2007 ingediend door de n.v. STRABAG BELGIUM in de zaak A. 175.067; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 15 maart 2007 ingediend door de n.v. PLINIUS in de zaak A. 175.067; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 15 maart 2007 ingediend door de n.v. PLINIUS VASTGOED in de zaak A. 175.067; Gelet op de beschikking van 3 augustus 2007 die de tussen- komsten van de n.v. STRABAG BELGIUM, de n.v. PLINIUS en de n.v. PLINIUS VASTGOED toelaat in de zaak A. 175.067; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord in de beide zaken; Gezien de memories van de tussenkomende partijen in de beide zaken; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. EYLENBOSCH in de beide zaken; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories van de tweede verzoeker, van de verwerende partij en van de tweede tussenkomende partij in de zaak A. 175.066; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories in de zaak A. 175.067; Gelet op de beschikkingen van 12 juni 2009 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 4 september 2009 in de beide zaken; X-12.948-12.949-3/29 Gelet op het uittreksel uit het register der overlijdensakten van de stad Tongeren, waaruit blijkt dat de eerste verzoekster is overleden op 17 februari 2008; Gehoord het verslag van staatsraad P. LEFRANC in de beide zaken; Gehoord de opmerkingen van advocaat D. RYCKBOST, die verschijnt voor de verzoekende partijen in de beide zaken, van advocaat P. AERTS, die verschijnt voor de verwerende partij in de beide zaken, en van advocaat I. VAN GIEL, die loco advocaten D. CAESTECKER en E. EMPEREUR verschijnt voor de eerste tussenkomende partij in de zaak A. 175.066 en voor de derde tussenkomende partij in de zaak A. 175.067; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. EYLENBOSCH in de beide zaken; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : I. Rechtspleging Er is grond om de zaken samen te voegen. II. Feiten 2.
  11. De provincieraad van Limburg heeft bij besluit van 19 oktober 2005 het ontwerp van provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan toeristisch hefboomproject “Plinius” voorlopig vastgesteld. Een openbaar onderzoek heeft plaatsgevonden van 8 november 2005 tot 6 januari
  12. De Vlaamse minister bevoegd inzake ruimtelijke ordening heeft op 5 januari 2006 een voorwaardelijk gunstig advies gegeven. De provinciale commissie voor ruimtelijke ordening heeft op 22 februari 2006 een gunstig advies verleend. De provincieraad heeft bij besluit van 15 maart 2006 het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan “Plinius” definitief vastgesteld. De Vlaamse minister bevoegd inzake ruimtelijke ordening heeft dit plan X-12.948-12.949-4/29 bij besluit van 18 mei 2006 goedgekeurd. Over de door de verzoekende partijen in de voorliggende zaak ingestelde beroepen tot vernietiging van de genoemde besluiten van 15 maart 2006 en 18 mei 2006 wordt bij arrest nr. 196.498 van heden uitspraak gedaan. 2.
  13. De eerste tussenkomende partij had ondertussen een aanvraag ingediend, ontvangen op 24 februari 2006, strekkende tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van een themapark “Land van Ooit” (fase I) op een perceel dat gelegen is te Tongeren, aan de Hasseltsesteenweg en de Mulkerstraat, binnen het gebied dat het voorwerp uitmaakt van het genoemde provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan, en dat kadastraal bekend is onder Tongeren, 7de afdeling, sectie A, nrs. 612/h, 618/a, 656/e, 656/d, 655/a, 657/c, 657/e, 658/p, 658/m, 654/c, 653/m, 651/e/2, 651/d/2, 660/d, 652/e, 650, 649/a, 648/d, 642/g, 620/p, 620/n, 620/c, 620/k, 620/l, 620/m en 621/a. De gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar verleent bij het thans bestreden besluit van 23 mei 2006 de gevraagde vergunning op grond van volgende overwegingen: “(...) De aanvraag is volledig in overeenstemming met het PRUP-Plinius, dat definitief werd vastgesteld door de Provincieraad van Limburg dd. 15.03.2006 en goedgekeurd door de Vlaamse regering op 18/05/
  14. Het ontwerp voldoet immers -mits opvolging van de onderscheidene voornoemde adviezen- aan de ruimtelijke en landschappelijke randvoorwaarden zoals ze zijn vastgelegd in het verordenend grafisch plan en bijhorende stedenbouwkundige voorschriften. De landschappelijke inkleding en buffering naar de omgeving toe kaderen volledig in het landschappelijk afwegingskader dat n.a.v. het PRUP is opgemaakt. De aangegeven materialen voor de gebouwen en de verhardingen zijn aanvaardbaar daar voldoende evenwicht is gevonden tussen de specifieke opties van het project en de globale ruimtelijke en landschappelijke context. De aanvraag werd getoetst aan de bepalingen van het milieueffectenrapport. Mits opvolging van de voorwaarden, zoals gesteld in de adviezen van de verschillende diensten, wordt hieraan voldoende voldaan. (...)”. 2.
  15. Het college van burgemeester en schepenen van de stad Tongeren had ondertussen, bij besluit van 31 januari 2006, een milieuvergunning verleend aan de n.v. DEA DIA voor het exploiteren van het dagrecreatiepark “Land van Ooit”. Het administratief beroep van onder meer de verzoekende partijen in de voor- liggende zaken is verworpen door de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg, bij besluit van 8 juni
  16. De verzoekende partijen in de voorliggende zaken hebben tegen het laatstgenoemde besluit een beroep tot nietigverklaring X-12.948-12.949-5/29 ingesteld dat nog hangende is. De n.v. DEA DIA werd bij vonnis van 30 augustus 2007 van de rechtbank van koophandel van Antwerpen failliet verklaard.
  17. Ontvankelijkheid Zaak I 3.
  18. De tweede verzoeker betoogt dat hij naakte eigenaar is van de percelen nrs. 819/A, 837/C en 614/E die gelegen zijn nabij het projectgebied. Het project zal onder meer tot gevolg hebben dat de natuur en parkgebieden in zijn onmiddellijke omgeving plaats zullen moeten maken voor een toeristisch recreatiegebied bestaande uit een themapark, een hotel, een parking, een baden- complex met thermen, feestzalen, en dergelijke meer. Hij wordt benadeeld in de uitoefening van zijn eigendomsrecht en zal ernstige hinder ondervinden. Er is geen enkele waarborg voor het behoud van het cultureel en historisch patrimonium, met name het kasteel Betho en het omliggende parkgebied, het landelijk karakter van het nabijgelegen gehucht Mulkem, de historische en esthetische waarde van de kapel Sint-Gillis en de beleving ervan. 3.
  19. De verwerende partij stelt dat nergens in het verzoekschrift enige verduidelijking wordt gegeven over de juiste ligging, de afstand ten opzichte van het plangebied en de grootte van de respectievelijke percelen. Bovendien blijkt uit de kadastrale plannen dat het perceel 614/E gelegen zou zijn binnen het plangebied. 3.
  20. De n.v. PLINIUS en de n.v. PLINIUS VASTGOED formuleren een gelijkluidende exceptie. De tweede verzoeker is woonachtig te Bilzen. De n.v. STRABAG BELGIUM betoogt dat de tweede verzoeker geen afdoende bewijs van eigendom voorlegt, het onduidelijk is waar de percelen van de tweede verzoeker gelegen zijn, de tweede verzoeker niet woont in de omgeving van de site, de oprichting van het themapark voortvloeit uit de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan Sint-Truiden - Tongeren en het RUP Plinius. 3.
  21. Het komt aan de tweede verzoeker toe het bestaan aan te tonen van het belang dat de openbare orde raakt en dat moet blijven bestaan gedurende de gehele procedure. Dit is des te meer het geval wanneer het belang ernstig wordt betwist door de andere partijen in het geding en wanneer de auditeur-verslaggever X-12.948-12.949-6/29 dit belang in vraag stelt. Te dezen slaagt de tweede verzoeker er niet in de twijfel weg te nemen die omtrent zijn belang is gerezen. Het beroep van de tweede verzoeker is niet ontvankelijk. Zaak II 3.
  22. De verzoekende partij stelt dat zij een v.z.w. is die fungeert als koepelorganisatie voor een 43-tal belangengroepen. Haar statutair maatschappelijk doel bestaat onder meer in het behoud, de bescherming en verbetering van het menselijk en het natuurlijk leefmilieu kaderend in een duurzame ontwikkeling van de samenleving, waarbij voldaan wordt aan de behoeften van de huidige generatie, zonder dat daarbij de behoeften van de volgende generaties in het gedrang komen. De verzoekende partij schetst waarin haar hoofdactiviteiten bestaan. Haar werkings- gebied is niet beperkt tot een bepaald lokaal doel zodat zij kan opkomen voor de belangen die in haar werkingssfeer liggen. Uit het jaarverslag 2005 blijkt dat zij actief is. Ter staving van haar daadwerkelijke werking legt zij ook haar ledenlijst neer. De bestreden beslissingen houden een aantasting in van haar doelstellingen. Er zal sprake zijn van een aanzienlijk biotoopverlies, de relatie met het natuurinrichtingsproject van de provincie Limburg zal worden verstoord, en er dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van een grote eenheid natuur (GEN) volgens het VEN. Het gaat met name om de Mombeek op een afstand van 500 meter en de aanwezigheid van een habitatrichtlijngebied, zijnde bossen en kalkgraslanden. In het gebied komt de kamsalamander voor. Het rust- en foerageergebied van de speciale beschermingszone ligt gesitueerd in het open gebied waar het park zal worden geëxploiteerd. Bepaalde delen binnen het recreatiegebied zijn aangeduid als biologisch waardevol. Ook in de onmiddellijke nabijheid liggen biologisch waardevolle gebieden. 3.
  23. De verwerende partij werpt op dat de doelstellingen van de verzoekende partij gelijk staan met het algemeen belang waardoor haar optreden gelijk staat met een actio popularis. Bovendien stelt de verzoekende partij te fungeren als koepelorganisatie voor een 43-tal belangengroepen. De verzoekende partij beschikt dan ook niet over het rechtens vereiste belang en over de vereiste hoedanigheid om de vordering in te stellen. 3.
  24. De n.v. PLINIUS en n.v. PLINIUS VASTGOED werpen het gebrek aan procesbevoegdheid op. Stuk 35 bijgebracht door de verzoekende partij X-12.948-12.949-7/29 machtigt haar raadslieden enkel haar rechten te verdedigen in het kader van de eerste bestreden beslissing. Voorts betwisten zij het voorhanden zijn van het rechtens vereiste belang in hoofde van de verzoekende partij. Artikel 6 van haar statuten geeft een bijzonder ruime omschrijving van het statutair doel. Bovendien erkent de verzoekende partij dat haar werkingsgebied niet beperkt is tot een bepaald lokaal doel, terwijl de bestreden beslissingen enkel een weerslag hebben op een welbepaalde plaats. De vordering van de verzoekende partij staat gelijk met een actio popularis. 3.
  25. De n.v. STRABAG BELGIUM betoogt dat het maatschappelijk doel van de verzoekende partij niet precies en bijzonder is en evenmin in het gedrang kan worden gebracht door de bestreden beslissing. Het doel kan niet worden onderscheiden van het collectieve belang van de duurzame ontwikkeling van onze omgeving zoals nagestreefd onder meer door artikel 4 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna: DRO) en het stand-still beginsel uit de milieuwetgeving. Het maatschappelijk doel van de vereniging bestrijkt in die zin alle facetten van een duurzaam leven. Wegens de absoluut algemene draagwijdte van die doelstelling in de statuten van de verzoekende partij staat het optreden van de verzoekende partij gelijk met een actio popularis. Dit geldt des te meer nu de bestreden beslissing geen algemene draagwijdte heeft, maar een specifieke strekking, namelijk welbepaalde werken en handelingen op een welbepaalde plaats. Tevens is het geografisch gebied van de verzoekende partij onvoldoende specifiek. Het behelst immers de gehele provincie Limburg. Het maatschappelijk doel wordt geenszins in concreto in verband gebracht met de site waarvoor de bestreden beslissing werd verleend. Tot slot kan uit het door de verzoekende partij meegedeelde jaarverslag onvoldoende worden afgeleid dat de verzoekende partij concrete acties heeft ondernomen op basis waarvan zou kunnen blijken dat zij haar maatschappelijk doel ook daadwerkelijk nastreeft. 3.
  26. De verzoekende partij herneemt in de memorie van weder- antwoord grotendeels haar inleidend betoog met die toevoeging dat geenszins een actio popularis wordt nagestreefd. Enkel wanneer de bescherming van andere belangen dan omschreven in de statutaire doelstellingen, worden nagestreefd, beschikt de vereniging niet over het rechtens vereiste belang. Vervolgens vraagt de verzoekende partij zich af of in het licht van de Conventie van Aarhus wel de nodige garanties worden geboden aan milieuverenigingen met betrekking tot de rechts- ingang. De verzoekende partij meent dat de criteria voor milieuverenigingen X-12.948-12.949-8/29 teneinde aan te tonen dat zij over het rechtens vereiste belang beschikken, te weten het geografisch en het sociaal criterium, in het licht van het oordeel van het Aarhus Compliance Committee, moeten worden genuanceerd om de rechtsingang te garanderen. Voorts stelt de verzoekende partij dat in haar volmachtverlening van 4 juli 2006 niet moet worden gesteld dat enkel een volmacht voor de annulatieprocedure zou zijn bedoeld. 3.
  27. De verzoekende partij betoogt verder in de laatste memorie wat volgt: “1.- In het kader van de vernietigingsprocedure van het besluit van 8 juni 2006 van de Bestendige Deputatie van de Provincieraad van Limburg tot bevestiging van 31 januari 2006 van het College van Burgemeester en Schepenen van Tongeren waarbij aan de DEA DIA NV een milieuvergunning werd verleend voor het exploiteren van een dagrecreatiepark ‘Het Land van Ooit’ gekend bij Uw Raad onder het nummer A. 175.072/VII-36.325, werd eveneens geoordeeld over het al dan niet voorhanden zijn van het belang in hoofde van verzoekende partij. Het belang in beide zaken is grotendeels gelijklopend aangezien het ingestelde annulatieberoep door verzoekende partij, enerzijds de bouwvergunning en anderzijds de milieuvergunning betreffen van hetzelfde project, zijnde het dagrecreatiepark ‘Het Land van Ooit’. In het kader van het vernietigingsberoep van de milieuvergunning stelde de Heer Eerste Auditeur in zijn Auditoraatsverslag van 22 februari 2008, zoals betekend aan verzoekende partij op 10 april 2008, dat het ingestelde beroep valt onder het maatschappelijk doel van verzoekster, vermits uit de middelen blijkt dat onder meer de bescherming van een Habitatrichtlijngebied, een grote eenheid natuur en biologisch waardevolle gebieden wordt beoogd, wat perfect aansluit bij verzoeksters doel. Aangaande de toegang van de milieuverenigingen tot de Raad van State in het licht van het Verdrag van Aarhus, verwees de Heer Auditeur naar artikel 9.2 van het Verdrag alsook naar artikel 2.
  28. Uit de samenlezing van deze artikelen, zo stelt de Heer Auditeur, blijkt dat niet-gouvernementele organisaties zoals verzoekster toegang moeten hebben tot de rechter. Het ligt voor de hand dat dit een effectieve toegang moet zijn, en niet een louter formele. Niet-gouvernementele organisaties kunnen vanzelfsprekend altijd een beroep indienen bij de Raad van State, maar wanneer dit beroep stelselmatig onontvankelijk zou worden verklaard, zo stelt de Heer Auditeur, kan men moeilijk stellen dat er echt toegang tot de rechter was. Bovendien vereist artikel 9.2 een ruime toegang tot de rechter. De Heer Auditeur wijst er verder op dat de rechtspraak van de Raad van State betreffende het belang waarvan milieuverenigingen moeten doen blijken in de rechtsleer op felle kritiek is onthaald wat betreft de verenigbaarheid met artikel 9.2.van het Verdrag. Ch. LARSSEN schrijft desbetreffend dat: ‘De draconische voorwaarden waaraan de raad van State het belang van de verenigingen voor milieubescherming onderwerpt, waarborgen geen ‘ruime toegang tot de rechter’ en nemen a fortiori evenmin het vermoeden van belang in acht van NGO’s die zich inzetten voor milieubescherming en die krachtens artikel 2 § 5 aan de eisen van nationaal recht’ (voldoen). En verder: ‘Om zich naar het Verdrag van Aarhus te schikken, zal de Raad van State zijn rechtspraak X-12.948-12.949-9/29 betreffende het belang om in rechte te treden inzake milieuaangelegenheden absoluut ‘naar boven toe’ moeten herzien, zowel voor de individuen als voor de verenigingen voor milieubescherming’ (Ch. LARSSEN, ‘Het Verdrag van Aarhus en de toepassing ervan in het Belgisch recht - deel 1, T.M.R. 2005,

(244), 246). De Heer Auditeur geeft nog aan dat niet alleen de doctrine bezwaren heeft aangaande de rechtspraak van de Raad van State, doch ook door het Comité voor Toezicht van de naleving van de bepalingen van het Verdrag. Het Comité kwam in een aanbeveling van 28 juni 2006 (...) na een uitvoerig en genuanceerd onderzoek tot de conclusie dat de rechtspraak van de Raad van State inzake de toegang van milieuverenigingen tot de rechter in bepaalde gevallen onverenigbaar is met artikel 9 van het Verdrag van Aarhus. (...) De Heer Auditeur stelt dat in het licht van het Verdrag van Aarhus, het duidelijk is dat niet kan aanvaard worden dat milieuverenigingen zeer moeilijk toegang hebben tot de Raad van State. Men zou er kunnen inkomen, zo stelt de Heer Auditeur, dat het belang van de vereniging verschillend moet zijn van de individuele belangen van haar leden, en evenzeer kan men aannemen dat verenigingen niet moeten opkomen voor het algemeen belang in de brede betekenis van het woord, want dat zou neerkomen op een actio popularis, maar de rechtspraak mag deze beide uitersten niet zo breed gaan interpreteren dat het vinden van een weg ertussen in de praktijk een onmogelijke opgave wordt. In casu, zo stelde de Heer Auditeur, komt verzoekster niet op voor de individuele belangen van haar leden noch voor het algemeen belang, maar voor de bescherming van welbepaalde waarden, met name natuurwaarden. In het licht van wat voorafgaat meende de Heer Auditeur in zijn verslag van 22 februari 2008 dat verzoekster doet blijken van het vereiste belang tot het instellen van een annulatieberoep tegen het Besluit van 8 juni 2006 van de Bestendige Deputatie van de Provincieraad van Limburg tot bevestiging van (het besluit van) 31 januari 2006 van het College van Burgemeester en Schepenen van Tongeren waarbij aan de DEA DIA NV een milieuvergunning werd verleend voor het exploiteren van een dagrecreatiepark ‘Het Land van Ooit’ gekend bij Uw Raad onder het nummer A. 175.072/VII-36.325. 2.- Uit het bovenstaande blijkt dat het Auditoraat enerzijds het belang van verzoekende partij erkent in het annulatieberoep tegen de verleende milieuvergunning, zulks gelet op het gegeven dat het ingestelde beroep valt onder het maatschappelijk doel van verzoekster, uit de middelen blijkt dat onder meer de bescherming van een Habitatrichtlijngebied, een grote eenheid natuur en biologisch waardevolle gebieden wordt beoogd, wat perfect aansluit bij verzoeksters doel en dat verzoekster niet opkomt voor het algemeen belang maar voor de bescherming van bepaalde waarden, met name natuurwaarden, en anderzijds het belang van verzoekende partij wordt ontkend in het kader van het annulatieberoep voor de stedenbouwkundige vergunning, niettegenstaande beide annulatieberoepen betrekking hebben op een identiek project en niettegenstaande de doelstellingen van verzoekende partijen niet werden gewijzigd en zij in zowel het annulatieberoep tegen de milieuvergunning als in het annulatieberoep tegen de stedenbouwkundige vergunning een middel opwerpt waarbij de bescherming van een Habitatrichtlijngebied, een grote eenheid natuur en biologisch waardevolle gebieden wordt beoogd, wat perfect aansluit bij verzoeksters doel. Dat Mevrouw de Auditeur bijgevolg niet kan worden bijgetreden waar zij stelt dat verzoekende partij niet over het rechtens vereiste belang zou beschikken tot het bestrijden van de bestreden beslissing. Verzoekende partij doet bijgevolg blijken van het rechtens vereiste belang bij het verzoekschrift tot vernietiging van het bestreden besluit”. X-12.948-12.949-10/29 3.11. De verenigingen zonder winstoogmerk kunnen krachtens de v.z.w.-wet in rechte optreden ter verdediging van het doel of de doeleinden waarvoor ze zijn opgericht. Voor de Raad van State kunnen die verenigingen in rechte optreden op voorwaarde dat ze de rechtspersoonlijkheid bezitten en mits te voldoen aan de voorwaarden die gelden voor alle andere fysieke en rechtspersonen, te weten doen blijken van een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en geoorloofd belang alsmede van de vereiste hoedanigheid. Een vereniging getuigt van de vereiste hoedanigheid wanneer de ingestelde vordering kan worden ingepast in het doel dat ze zich heeft gesteld, dit doel niet samenvalt met de behartiging van het algemeen belang zelf en evenmin samenvalt met het persoonlijk belang van de leden van de vereniging, en er een band van evenredigheid bestaat tussen het materieel en territoriaal actieterrein van de verzoekende partij enerzijds en de draagwijdte van het bestreden besluit anderzijds. 3.12. Uit de statuten van de verzoekende partij blijkt dat haar werkingsgebied de provincie Limburg is. Daarbinnen streeft ze blijkens artikel 6 van de statuten het volgende doel na: “§ 2. Deze doelstelling omvat : - een verantwoord en efficiënt gebruik van de natuurlijke rijkdommen, ruimte en energiebronnen. Dit impliceert productie- en consumptiepatronen die de beschikbare milieugebruiksruimte en de draagkracht van het ecosysteem respecteren; - de bescherming van de open ruimten, de landschappen, de monumenten, het cultureel erfgoed en het stedenschoon; - de bescherming van de biodiversiteit, de natuur en de natuurwaarden; - het bereiken van een algemene basismilieukwaliteit voor de milieucompartimenten water, aarde en lucht en het bereiken van een bijzondere milieukwaliteit in specifieke omstandigheden of gebieden; - de bescherming van het stedelijk leefmilieu en van een leefbare woonomgeving. Dit impliceert het beperken van alle vormen van milieuhinder, waaronder geluidshinder, verkeersoverlast, geurhinder, lichthinder,...; - het bereiken van een beleid gericht op de bescherming van de gezondheid van de mens; - het bereiken van een beleid dat berust op het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden en het beginsel dat de vervuiler betaalt; - het bereiken van een beleid dat gestoeld is op een volwaardige participatie van burgers en natuur- en milieuverenigingen en dat de toegang tot het gerecht voor deze garandeert. § 3. De vereniging wil dit doel verwezenlijken door : - het uitbouwen van een koepelwerking van de natuur- en milieuverenigingen op provinciaal niveau; X-12.948-12.949-11/29 - het oprichten van of meewerken aan thematische netwerken, platformen en ad hoc samenwerkingsverbanden; - samenwerking met andere verenigingen en koepels; - ondersteuning van en belangenbehartiging voor de Werkende Leden en de Toegetreden Leden; - het uitgeven van tijdschriften, studies en publicaties; - het realiseren van projecten en campagnes; § 4. De vereniging kan met alle wettelijke middelen de nuttige initiatieven nemen, steunen en coördineren, onder meer door: - het vertegenwoordigen in rechte en in feite van zijn aangesloten leden; - de deelname aan beleidsadvisering; - rechtstreekse tussenkomsten bij officiële instanties en particulieren; - het inrichten en beheren van gemeenschappelijke instellingen en diensten; - het voeren van perscampagnes; - het organiseren van of meewerken aan openbare manifestaties; - de vrijwaring van het doel langs gerechtelijke weg; - het informeren en sensibiliseren van het brede publiek of van specifieke doelgroepen”. Gelet op deze doelstellingen, kan niet worden gesteld dat het maatschappelijk doel van de verzoekende partij samenvalt met de behartiging van het algemeen belang zelf. Evenmin blijkt het doel samen te vallen met het persoonlijk belang van de leden van de vereniging. Uit de gegevens van het dossier, waaronder de volmachtverlening van 13 juli 2006 “om de rechten van de vereniging te verdedigen”, blijkt bovendien dat de verzoekende partij in rechte is getreden ter behartiging van haar eigen collectief belang en niet ter behartiging van de belangen van haar leden. 3.13. Gelet op de omvang van het in het bestreden besluit beoogde projectgebied, in totaal 27 ha 27 a 68 ca, de ligging van dit gebied op 500 meter van een habitatrichtlijngebied (bossen en kalkgraslanden van Haspengouw) en van de als Grote Eenheid Natuur (GEN) afgebakende Mombeek, en de aanduiding van kleine gedeelten binnen dat gebied als biologisch waardevol, kan de ingestelde vordering worden ingepast in het doel dat de verzoekende partij zich heeft gesteld. 3.14. De aanduiding van het nabijgelegen habitatrichtlijngebied, zoals in casu, gebeurt op grond van de door de Europese wetgever aangereikte en opgelegde wetenschappelijke criteria, die de betrokken lidstaat verplichten om de beschermingszone af te bakenen. Deze speciale beschermingszone werd te dezen blijkens de gegevens van het dossier aangewezen tot bescherming en instandhouding van de kamsalamander. Vanuit het Europese beleidsniveau wordt de bescherming van deze soort en het behoud en de instandhouding van dit gebied X-12.948-12.949-12/29 derhalve van primordiaal belang geacht, waarmee meteen ook vaststaat dat hetgeen in de nabijheid van deze aangeduide speciale beschermingszone wordt gepland het louter lokaal belang overstijgt. Mede gelet op de hierboven reeds vermelde omvang van het door het bestreden besluit beoogde projectgebied bestaat er dan ook een voldoende band van evenredigheid tussen het -weliswaar ruime- materieel en territoriaal actieterrein van de verzoekende partij enerzijds en de draagwijdte van het bestreden besluit anderzijds. 3.15. De verzoekende partij geeft blijk van een duurzame en effectieve werking overeenkomstig het vooropgestelde doel in haar statuten. Uit de door de verzoekende partij verstrekte gegevens blijkt dat zij haar maatschappelijk doel daadwerkelijk nastreeft. De argumentatie van de eerste verwerende partij met betrekking tot de “representativiteit” van de verzoekende partij kan dan ook niet worden aangenomen. 3.16. De excepties worden verworpen. 3.17. Gelet op het voorliggende annulatieberoep van de verzoekende partij heeft de stelling van de tussenkomende partij over het voorwerp van deze volmachtverlening van 13 juli 2006 thans geen enkele relevantie. Deze exceptie van de tussenkomende partij wordt eveneens verworpen. 4. Ten gronde Zaak II 4.1.1. De verzoekende partij roept een eerste middel in bestaande uit twee onderdelen, in essentie geredigeerd als volgt: “Eerste onderdeel Schending van artikel 2, lid 1, en de artikelen 5 tot 10, juncto Bijlage I, punt 11,
  1. a)(sic), van Richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/11/EG, juncto de artikelen 4.3.1, 4.3.2 en 4.3.7, § 1 (van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen van het milieubeleid, zoals ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002), juncto artikel 104 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, (...), doordat voorafgaandelijk aan de bestreden beslissing een afdoende project-MER diende te worden opgesteld conform de bepalingen van artikel 2, X-12.948-12.949-13/29 lid 1, en de artikelen 5 tot 10, juncto bijlage I, punt 7,
  2. a)(sic), van richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffect- beoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/11 /EG, juncto de artikelen 4.3.1, 4.3.2 en 4.3.7, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen van het milieubeleid, juncto artikel 104 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, terwijl de bestreden beslissing geen afdoende project-MER bevatte en kan worden aangetoond dat het voorliggende project-MER significante leemten bevat en bijgevolg een schending inhoudt van artikel 2, lid 1, en de artikelen 5 tot 10, juncto bijlage I, punt 11,
  3. a)(sic), van richtlijn 85/337/EEG, juncto de artikelen 4.3.1, 4.3.2 en 4.3.7, § 1, van het decreet van 5 april 1995, juncto artikel 104 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening. Tweede onderdeel Schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en de materiële motiveringsplicht en de artikelen 2 en 3 van de formele motiveringswet van 29 juli 1991, doordat aan de bestreden beslissingen geen afdoende project-MER werd toegevoegd, terwijl uit het redelijkheidsbeginsel volgt dat de administratie de toepasselijke rechtsregels op alle relevante feiten toepast en na een behoorlijke afweging van alle ter zake dienende gegevens en belangen beslist en dat de kern van elke discretionaire bestuursbeslissing bestaat uit de belangenafweging die het bestuur dient te doen, en terwijl een zorgvuldige besluitvorming inhoudt dat de administratie de toepasselijke rechtsregels op alle relevante feiten toepast en na een behoorlijke afweging van alle ter zake dienende gegevens en belangen beslist, en terwijl de materiële motiveringsplicht impliceert dat beslissingen gedragen worden door motieven die rechtens en feitelijk aanvaardbaar zijn en ingevolge de formele of uitdrukkelijke motiveringsverplichting zoals bepaald in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen de juridische en feitelijke overwegingen die aan de beslissingen ten grondslag liggen in de beslissingen zelf moeten terug te vinden zijn”. 4.1.2. De tussenkomende partijen werpen een exceptie van onont- vankelijkheid van het middel op, afgeleid uit het feit dat het niet gericht is tegen het bestreden besluit, maar tegen het project-milieueffectrapport dat te dezen is opgesteld, en dat dit milieueffectrapport bovendien is goedgekeurd door de cel MER van de administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer, bij een beslissing waartegen de verzoekende partij niet is opgekomen. De tussenkomende partijen betwisten niet dat een project- milieueffectrapport vereist was voor de regelmatigheid van de bestreden stedenbouwkundige vergunning. De verzoekende partij kan de wettigheid van dat besluit dan ook betwisten door te wijzen op gebreken in het milieueffectrapport. Geen bepaling verplichtte haar om een afzonderlijk beroep in te stellen tegen de X-12.948-12.949-14/29 beslissing waarbij dat milieueffectrapport door de bevoegde overheid werd goedgekeurd De exceptie is dan ook ongegrond. 4.1.3. Wat betreft het eerste onderdeel, verwijt de verzoekende partij niet aan het bestreden besluit dat het is genomen zonder dat voorafgaandelijk een project-milieueffectrapport is opgesteld, maar enkel dat het project-milieu- effectrapport dat te dezen is opgesteld, niet “afdoende” is. Het onderdeel, in zoverre het de schending aanvoert van bepalingen die enkel voorzien in een verplichting tot milieueffectrapportage over projecten, is onontvankelijk bij gebrek aan belang. Het onderdeel preciseert voor het overige niet waarin de schending van richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/11/EG, juncto, bestaat, en is mitsdien ook in zoverre onontvankelijk. Het onderdeel is aldus slechts ontvankelijk in zoverre het de schending aanvoert van artikel 4.3.7, § 1 van het decreet van 5 april 2005 houdende algemene bepalingen van het milieubeleid (hierna: het decreet van 5 april 2005). 4.1.4. Uit artikel 4.3.8, § 2 van het decreet van 5 april 1995 volgt dat de cel MER van de administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer het project-milieueffectrapport moet toetsen aan onder meer de overeenkomstig artikel 4.3.7 van hetzelfde decreet vereiste gegevens, alvorens hij kan beslissen tot goedkeuring van dit milieueffectrapport. De cel MER heeft die toetsing te dezen uitgevoerd, en heeft in zijn verslag van 3 november 2005 over het milieueffectrapport in verband met het recreatiepark Plinius geoordeeld dat dit project-milieueffectrapport “voldoende invulling (heeft) gegeven aan de richtlijnen die overeenkomstig artikel 4.3.5, § 1, van het decreet (van 5 april 1995) werden vastgesteld, alsook aan de opmerkingen geformuleerd naar aanleiding van de ontwerptekstbespreking”, en dat “het MER ... voldoende informatie (bevat) om het aspect milieu een volwaardige plaats te geven bij de besluitvorming”. De cel MER heeft, na vastgesteld te hebben dat het milieueffectrapport voldoet aan alle vereisten van artikel 4.3.7, § 1 van het decreet van 5 april 1995, dienvolgens dat rapport goedgekeurd. De Raad van State, bevoegd voor de toetsing van de wettigheid van een stedenbouwkundige vergunning, kan zijn beoordeling op het punt van de intrinsieke degelijkheid van het milieueffectrapport niet in de plaats stellen van die van de cel MER. Hij kan enkel nagaan of de cel MER wettig tot zijn beslissing is kunnen komen. X-12.948-12.949-15/29 4.1.5. De verzoekende partij voert in haar toelichting bij het eerste onderdeel aan dat het milieueffectrapport op een aantal specifieke punten niet beantwoordt aan de vereisten van artikel 4.3.7, § 1 van het decreet van 5 april 1995, waarvan de relevante bepalingen luiden als volgt: “Tenzij anders bepaald in de beslissing, bedoeld in artikel 4.3.5, § 1, bestaat het project-MER uit ten minste volgende onderdelen : 1/ een algemeen deel dat de volgende informatie bevat :
  4. a)(...);
  5. b)(...);
  6. c)een beschrijving van de krachtlijnen van het voorgenomen project waarbij in voorkomend geval het begrip milieutechnische eenheid het uitgangspunt vormt en met in het bijzonder; 1) een beschrijving van de fysieke kenmerken van het hele project en de vereisten met betrekking tot het gebruik van grond en terrein tijdens de constructie en bedrijfsfasen alsook de aard en hoeveelheden van de gebruikte materialen; 2) (...); 3) (...);
  7. d)een schets van de beschikbare alternatieven voor het project of onderdelen ervan; onder meer inzake doelstellingen, locaties en wijze van uitvoering of inzake de bescherming van het milieu;
  8. e)een vergelijking tussen het voorgenomen project en de beschikbare alternatieven die redelijkerwijze onderzocht kunnen worden, alsmede de redenen voor de selectie van de te onderzoeken alternatieven;
  9. f)(...);
  10. g)(...); 2/ een deel betreffende de milieueffecten dat de volgende informatie bevat:
  11. a)(...);
  12. b)een beschrijving en onderbouwde beoordeling van de waarschijnlijk aanzienlijke milieueffecten van het voorgenomen project en van de onderzochte alternatieven op of inzake, in voorkomend geval, de gezondheid en veiligheid van de mens, de ruimtelijke ontwikkeling, de biodiversiteit, de fauna en flora, de energie- en grondstoffenvoorraden, de bodem, het water, de atmosfeer, de klimatologische factoren, het geluid, het licht, de stoffelijke goederen, het cultureel erfgoed met inbegrip van het architectonisch en archeologisch erfgoed, het landschap, de mobiliteit en de samenhang tussen de genoemde factoren; deze beschrijving van de milieueffecten omvat de directe, en in voorkomend geval de indirecte, secundaire, cumulatieve en synergetische effecten, permanent en tijdelijk, positief en negatief, op korte, middellange en lange termijn van het project; De beoordeling van de aanzienlijke milieueffecten gebeurt onder meer in het licht van de overeenkomstig Hoofdstuk II van Titel II van dit decreet vastgestelde milieukwaliteitsnormen;
  13. c)een beschrijving en evaluatie van de mogelijke maatregelen om de aanzienlijke nadelige milieueffecten van het voorgenomen project op een samenhangende wijze te vermijden, te beperken, te verhelpen of te compenseren;
  14. d)(...);
  15. e)een globale evaluatie van het voorgenomen project en de onderzochte alternatieven. 3/ (...); 4/ (...); 5/ (...)”. X-12.948-12.949-16/29 De verzoekende partij voert in de eerste plaats aan dat het hele project recreatiepark Plinius bestaat uit twee fasen, waarvan de eerste fase bestaat uit de oprichting van het themapark en de tweede fase uit de oprichting van verblijfswoningen en een zwembad aan de rand van het themapark, en dat het milieueffectrapport, bij gebrek aan definitieve en gedetailleerde inrichtingsplannen voor de tweede fase, geen evaluatie van die fase bevat, terwijl die fase aanleiding geeft tot belangrijke ingrepen binnen landschappelijk waardevolle landschapseenheden. Zij voert aan dat het milieueffectrapport aldus niet voldoet aan artikel 4.3.7, § 1, 1/, c, 1) van het decreet van 5 april 1995. In het verslag van de cel MER van 3 november 2005 over het milieueffectrapport wordt opgemerkt dat “waar mogelijk ... bij elke discipline de impact van de tweede fase van het Pliniusproject (werd) beoordeeld”, ook al werd dit “zeer kort beschreven wegens het ontbreken van concrete informatie voor deze tweede fase”. De verzoekende partij geeft niet concreet aan op welke punten de informatie vervat in het milieueffectrapport onvoldoende zou zijn, in het licht van de vereisten die daaraan bij artikel 4.3.7, § 1, 1/, c, 1) van het decreet van 5 april 1995 gesteld worden. Zij maakt niet aannemelijk dat de vaststelling door de cel MER dat de informatie voldoende is, op dit punt kennelijk onredelijk is. De verzoekende partij oefent vervolgens kritiek uit op twee soorten alternatieven die in het milieueffectrapport worden besproken, met name de inrichtingsalternatieven (die een subtype vormen van de uitvoeringsalternatieven) en de locatiealternatieven. Zij voert aan dat voor de keuze van de inrichting zoals die in het project is beschreven, is uitgegaan van een bezoekersaantal dat vijf maal kleiner is dan de capaciteit waarvoor het recreatiepark zal worden opgericht, dat de voorziene buffering ontoereikend is en het voor een minimale aantasting van het landschappelijk uitzicht en het behoud van de eigenheid van de omgeving nodig is het hoofdgebouw elders in te planten, en dat voor fase 2 van het project alternatieven worden opengelaten, maar het juist nodig is dat die fase nu reeds geëvalueerd wordt. Zij voert voorts aan dat de conclusie dat de gekozen locatie voor de inplanting van het recreatiepark de meest geschikte is, steunt op het onderzoek van een aantal alternatieve locaties die op een heel summiere manier en aan de hand van een confuus vergelijkingssysteem, gebaseerd op enkele parameters worden aangereikt, terwijl er in de ruimere omgeving heel wat meer alternatieven aanwezig zijn, waarvan ten onrechte geen melding is gemaakt in het milieueffectrapport. De verzoekende partij voert aan dat het milieueffectrapport aldus niet voldoet aan artikel 4.3.7, § 1, 1/, d en e, en 2/, e van het decreet van 5 april 1995. X-12.948-12.949-17/29 In het verslag van de cel MER van 3 november 2005 over het milieueffectrapport wordt geen kritiek uitgeoefend op de keuze van de alternatieven en op de beoordeling ervan. In verband met de inrichtingsalternatieven wordt uiteengezet dat die in een voorafgaande fase zijn onderzocht, in functie van onder meer buffergebieden, landschappelijke randvoorwaarden en wijze van parkeren, en dat het tot stand komen van dit proces aan bod komt in het eerste deel van het milieueffectrapport. In verband met de locatiekeuze voor de Pliniussite wordt uiteengezet dat die in het milieueffectrapport wordt weergegeven in tabelvorm, waarin zeven mogelijke locaties in of aan de rand van het kleinstedelijk gebied Tongeren worden getoetst aan acht parameters (planologische randvoorwaarden, bereikbaarheidsprofiel, landschappelijke inpasbaarheid, relatie omringende bebouwing, aanwezige natuurwaarden, belang voor de landbouw en cultuur- historische elementen), en dat blijkens een synthesetabel wordt besloten dat de zone Plinius op basis van de geselecteerde criteria als meest geschikt wordt beschouwd. In het milieueffectrapport wordt opgemerkt dat geen andere inrichtingsalternatieven worden bestudeerd voor fase 1, maar dat tijdens het proces van opstellen van het milieueffectrapport in overleg met de initiatiefnemer inrichtingsalternatieven zijn bepaald, die elders in het milieueffectrapport worden besproken. Een dergelijke bijsturing beantwoordt aan de doelstellingen die met een milieueffectrapportage nagestreefd worden. De kritiek van de verzoekende partij op bepaalde aspecten van de inrichting zoals die in het milieueffectrapport in aanmerking worden genomen, zijn niet van die aard dat ze blijk geeft van een kennelijk onredelijke beoordeling van het milieueffectrapport door de cel MER. In het milieueffectrapport wordt voorts opgemerkt dat het voor fase 2 mogelijk is dat de verblijfsaccomodatie anders wordt ingericht en dat er in plaats van bungalows een hotelaccomodatie komt, maar dat de meeste milieueffecten vergelijkbaar zullen zijn of niet erg zullen verschillen. Hieruit blijkt dat wel degelijk rekening is gehouden met inrichtingsalternatieven voor die fase, en dat daarvan ook een milieubeoordeling, hoe summier ook, is gegeven. Gelet op het nog onzekere karakter van fase 2, is die werkwijze niet kennelijk onredelijk. In het milieurapport worden zeven locatiealternatieven besproken, waarvan de zone Pliniusbron (Pliniussite) uiteindelijk als de meest geschikte wordt beschouwd. De kritiek van de verzoekende partij op de gekozen alternatieven is niet van die aard dat ze tot de conclusie leidt dat die keuze kennelijk onredelijk is. De verzoekende partij noemt weliswaar een aantal locaties in de omgeving op die eveneens in acht genomen en geëvalueerd hadden kunnen worden, maar zij maakt niet aannemelijk dat het gaat om “beschikbare alternatieven die redelijkerwijze X-12.948-12.949-18/29 onderzocht kunnen worden”, in de zin van artikel 4.3.7, § 1, 1/, e van het decreet van 5 april 2005. De verzoekende partij voert voorts aan dat in het milieueffect- rapport verscheidene milderende maatregelen worden voorgesteld, maar dat de schematische voorstelling van de milderende effecten niet kan volstaan om voor de omwonenden te kunnen garanderen dat de hinder tot een minimum zal worden herleid. De verzoekende partij voert aan dat het milieueffectrapport aldus niet voldoet aan artikel 4.3.7, § 1, 2/, c van het decreet van 5 april 1995. In deel 8 van het milieueffectrapport wordt voor elk milieu- onderdeel onderzocht welke milderende maatregelen genomen zouden kunnen worden. In deel 9 wordt per onderdeel een schematisch overzicht gegeven van de relevante milieueffecten en de overeenstemmende milderende maatregelen. De verzoekende partij maakt niet duidelijk in welk opzicht die beschrijvingen niet beantwoorden aan hetgeen in verband met de beschrijving en de evaluatie van de mogelijke milderende maatregelen op grond van artikel 4.3.7, § 1, 2/, c van het decreet van 5 april 1995 is vereist. Het onderdeel is in dit opzicht bij gebrek aan nauwkeurigheid onontvankelijk. De verzoekende partij voert ook nog aan dat het milieueffect- rapport geen concreet onderzoek bevat naar de effecten van de inplanting van het project op de luchtverontreiniging ten aanzien van de stad Tongeren, dat de luchtverontreiniging onlosmakelijk verbonden is met de stijging van de verkeers- drukte, welke zijn weerslag vooral heeft op de ozonconcentraties in de lucht, dat in het milieueffectrapport zelf wordt erkend dat door toename van de verkeersdrukte een lichte verslechtering van de luchtkwaliteit is te verwachten, dat het milieueffectrapport voorts wijst op een gebrek aan kennis van de bestaande luchtkwaliteit in de omgeving van het project, maar dat dit gebrek aan kennis verholpen had kunnen worden door het aanwerven van een expert terzake. De verzoekende partij voert aan dat het milieueffectrapport door het ontbreken van een afdoende analyse van de te verwachten luchtverontreiniging niet voldoet aan artikel 4.3.7, § 1, 2/, b van het decreet van 5 april 1995. In het verslag van de cel MER van 3 november 2005 over het milieueffectrapport wordt opgemerkt: “Binnen de discipline ‘Lucht’ wordt besloten dat de toename van emissies ten gevolge van de verkeerstoename niet onbelangrijk zijn, maar kaderend binnen de huidige verkeerstoestand toch als relatief beperkt kunnen worden beschouwd. Er wordt ingeschat dat in het studiegebied normoverschrijdingen zullen voorkomen in de toekomst met een beperkte negatieve invloed van het Pliniusproject”. Gelet op de analyse die het milieueffectrapport in X-12.948-12.949-19/29 verband met het aspect lucht bevat, maakt de verzoekende partij niet aannemelijk dat die beoordeling kennelijk onredelijk is. Artikel 4.3.7, § 1, 2/, b van het decreet van 5 april 1995 vereist slechts dat de “waarschijnlijk aanzienlijke” milieueffecten van het voorgenomen project worden beschreven en beoordeeld. De verzoekende partij maakt niet aannemelijk dat het milieueffectrapport verzuimd heeft om “waarschijnlijk aanzienlijke” effecten van het project bedoeld in de bestreden stedenbouwkundige vergunning op de kwaliteit van de lucht te beschrijven en te beoordelen. De verzoekende partij voert voorts aan dat het milieueffectrapport de te verwachten aanzienlijke en ondraaglijke hinder ten gevolge van het Pliniusproject en ten gevolge van de onderzochte alternatieven niet op afdoende wijze analyseert, en evenmin concreet weergeeft hoe aan de hinder ten gevolge van het genoemde project kan worden tegemoet gekomen. Zij wijst met name op de verkeershinder die door het exploiteren van het dagrecreatiepark zal worden veroorzaakt. Zij voert aan dat het milieueffectrapport aldus niet voldoet aan artikel 4.3.7, § 1, 2/, b en c van het decreet van 5 april 1995. Het milieueffectrapport analyseert de effecten op onder meer het verkeer. Zoals wordt opgemerkt in het verslag van de cel MER van 3 november 2005, wordt daarbij onder meer vastgesteld dat de verhouding intensiteit/capaciteit ten gevolge van het Pliniusproject voor sommige wegen tot meer dan 80 % zal toenemen, en dat ook voor een aantal kruispunten de capaciteit sterk gereduceerd zal worden. Bij het onderzoek van de alternatieven is eveneens rekening gehouden met de effecten op het verkeer. De verzoekende partij maakt niet aannemelijk dat de informatie vervat in het milieueffectrapport onvoldoende zou zijn, in het licht van de vereisten die daaraan bij artikel 4.3.7, § 1, 2/, b en c van het decreet van 5 april 1995 gesteld worden. De verzoekende partij voert ten slotte aan dat uit de bij de vergunningsaanvraag gevoegde plannen niet kan worden afgeleid hoe een afdoende buffering zal worden gegarandeerd, dat hieruit volgt dat de impact van het inplanten van het recreatiepark niet op afdoende wijze werd geanalyseerd. De verzoekende partij voert aan dat het milieueffectrapport aldus niet voldoet aan artikel 4.3.7, § 1, 2/, b van het decreet van 5 april 1995. De verzoekende partij oefent op dit punt wel kritiek uit op de bestreden stedenbouwkundige vergunning, maar zij maakt niet duidelijk in welk opzicht het milieueffectrapport niet beantwoordt aan hetgeen in verband met de beschrijving en de beoordeling van de milieueffecten op grond van artikel 4.3.7, § 1, X-12.948-12.949-20/29 2/, b van het decreet van 5 april 1995 is vereist. Het onderdeel is in dit opzicht bij gebrek aan nauwkeurigheid onontvankelijk. 4.1.6. Het eerste onderdeel is niet gegrond. 4.1.7. Uit de toelichting blijkt, wat het tweede onderdeel betreft, dat de verzoekende partij in essentie aanvoert dat de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar gehandeld heeft met schending van een aantal algemene rechtsbeginselen en van de formele motiveringsplicht, op grond dat hij de bestreden stedenbouw- kundige vergunning heeft verleend zonder dat vooraf een afdoend project- milieueffectrapport is opgesteld. Uit het antwoord op het eerste onderdeel blijkt dat de grieven in verband met het afdoend karakter van het milieueffectrapport niet gegrond zijn. Het tweede onderdeel gaat dan ook uit van premissen die niet aannemelijk zijn. Het tweede onderdeel is niet gegrond. 4.2. De verzoekende partij roept een tweede middel in afgeleid uit de schending van de artikelen 4, lid 1, en 6, leden 2, 3 en 4 van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde fauna en flora (hierna : de habitatrichtlijn), “doordat artikel 4, lid 1, van de habitatrichtlijn bepaalt dat de lidstaten op basis van de criteria van bijlage III (fase 1) en van de relevante wetenschappelijke gegevens een lijst van gebieden voorstellen waarop staat aangegeven welke typen natuurlijke habitats van bijlage I en welke inheemse soorten van bijlage II in die gebieden voorkomen, en artikel 6 voorziet in de communautaire bescherming van de door de Commissie, op basis van de door de lidstaten op grond van artikel 4 van de habitatrichtlijn aangemelde gebieden, uiteindelijk aangewezen beschermingszones, terwijl de niet-aanmelding van het projectgebied door het Vlaamse Gewest conform artikel 4, lid 1, van de habitatrichtlijn tot gevolg heeft dat het betrokken projectgebied werd onttrokken aan de communautaire rechtsbescherming zoals geformuleerd in artikel 6 van de habitatrichtlijn, met inbegrip van de verplichting tot het opstellen van een passende beoordeling; aan de habitatrichtlijn aldus directe werking dient te worden toegekend en de bestreden beslissing bijgevolg een schending inhoudt van artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn daar er geen passende beoordeling heeft plaatsgevonden bij het opmaken van het milieueffectrapport”. Uit de gegevens van het dossier blijkt dat het gebied waarop de bestreden stedenbouwkundige vergunning betrekking heeft, niet gelegen is in een gebied dat de Vlaamse regering met toepassing van artikel 4, lid 1 van de habitatrichtlijn bij het hierna genoemde besluit van 24 mei 2002 als speciale X-12.948-12.949-21/29 beschermingszone heeft voorgesteld, en dat het evenmin opgenomen is in de lijst van gebieden van communautair belang, door de Europese Commissie vastgesteld bij beschikking 2004/813/EG van 7 december 2004. Op ongeveer 550 meter van het projectgebied bevindt zich wel een gebied van communautair belang, met name de “bossen en kalkgraslanden van Haspengouw”. In het middel wordt geen grief aangevoerd tegen de beoordeling van de effecten voor het bedoelde habitat- richtlijngebied. In het middel wordt wel aangevoerd dat de Vlaamse regering het projectgebied zelf niet heeft voorgesteld als speciale beschermingszone, ook al vertoont het alle kenmerken ervan, waardoor het ten onrechte niet onderworpen is aan de verplichting tot het opmaken van een passende beoordeling, in de zin van artikel 6, lid 3 van de habitatrichtlijn. De verzoekende partij voert aldus in wezen de onwettigheid aan van het besluit van de Vlaamse regering van 24 mei 2002 tot vaststelling van de gebieden die in uitvoering van artikel 4, lid 1 van de habitatrichtlijn aan de Europese Commissie zijn voorgesteld als speciale beschermingszones. Artikel 4 van de habitatrichtlijn van 21 mei 1992 luidt als volgt: “1. Op basis van de criteria van bijlage III (fase 1) en van de relevante wetenschappelijke gegevens stelt elke Lidstaat een lijst van gebieden voor, waarop staat aangegeven welke typen natuurlijke habitats van bijlage I en welke inheemse soorten van bijlage II in die gebieden voorkomen. Voor diersoorten met een zeer groot territorium komen deze gebieden overeen met de plaatsen, binnen het natuurlijke verspreidingsgebied van die soorten, die de fysische en biologische elementen vertonen welke voor hun leven en voortplanting essentieel zijn. Voor aquatische soorten met een groot territorium worden deze gebieden alleen voorgesteld indien het mogelijk is een zone duidelijk af te bakenen die de fysische en biologische elementen vertoont welke voor hun leven en voortplanting essentieel zijn. Zo nodig stellen de Lidstaten aanpassingen van de lijst voor in het licht van de resultaten van het in artikel 11 bedoelde toezicht. De lijst wordt binnen drie jaar na kennisgeving van de richtlijn aan de Commissie toegezonden met informatie over elk gebied. Deze informatie omvat een kaart, de naam, de ligging en de oppervlakte van het gebied, alsmede de gegevens die zijn verkregen uit toepassing van de in bijlage III (fase 1) vermelde criteria, en wordt verstrekt op basis van een door de Commissie volgens de procedure van artikel 21 opgesteld formulier. 2. Op basis van de in bijlage III (fase 2) vermelde criteria werkt de Commissie met instemming van iedere Lidstaat voor elk van de vijf in artikel 1, letter
  16. c)onder iii), genoemde biogeografische regio's en voor het gehele in artikel 2, lid 1, bedoelde grondgebied aan de hand van de lijsten van de Lidstaten een ontwerp-lijst van de gebieden van communautair belang uit, waarop staat aangegeven in welke gebieden een of meer prioritaire typen natuurlijke habitats of een of meer prioritaire soorten voorkomen. De Lidstaten waar de gebieden met een of meer prioritaire typen natuurlijke habitats en een of meer prioritaire soorten in oppervlakte meer dan 5 % van het nationale grondgebied beslaan, kunnen, met instemming van de Commissie, X-12.948-12.949-22/29 verzoeken dat de criteria van bijlage III (fase 2) voor de selectie van alle gebieden van communautair belang op hun grondgebied flexibeler worden toegepast. De lijst van gebieden van communautair belang, waarop de gebieden met een of meer prioritaire typen natuurlijke habitats of een of meer prioritaire soorten staan aangegeven, wordt door de Commissie vastgesteld volgens de procedure van artikel 21. 3. De in lid 2 genoemde lijst wordt binnen zes jaar na de kennisgeving van deze richtlijn vastgesteld. 4. Wanneer een gebied volgens de procedure van lid 2 tot een gebied van communautair belang is verklaard, wijst de betrokken Lidstaat dat gebied zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes jaar, aan als speciale beschermingszone en stelt hij tevens de prioriteiten vast gelet op het belang van de gebieden voor het in een gunstige staat van instandhouding behouden of herstellen van een type natuurlijke habitat van bijlage I of van een soort van bijlage II alsmede voor de coherentie van Natura 2000 en gelet op de voor dat gebied bestaande dreiging van achteruitgang en vernietiging. 5. Zodra een gebied op de in lid 2, derde alinea, bedoelde lijst is geplaatst, gelden voor dat gebied de bepalingen van artikel 6, leden 2, 3 en 4”. Bijlage III bij de habitatrichtlijn omvat een reeks “criteria voor de selectie van gebieden die kunnen worden aangewezen als gebieden van communautair belang en als speciale beschermingszones”. Blijkens de punten A en B van fase 1 van deze bijlage gaat het om “criteria voor de beoordeling” van gebieden. Zoals het Hof van Justitie in zijn arresten van 11 september 2001, in de zaken C-67/99, Commissie/Ierland, C-71/99, Commissie/Duitsland, en C-220/99, Commissie/Frankrijk, heeft overwogen, beschikken de lidstaten bij het voorstellen van gebieden die voor aanwijzing als speciale beschermingszone in aanmerking komen, over “een zekere beoordelingsmarge”, ook al dienen zij daarbij de in de richtlijn bepaalde criteria in acht te nemen. De verzoekende partij betwist het niet-aanmelden van het projectgebied als gebied dat in aanmerking komt voor aanwijzing als speciale beschermingszone, gelet op de criteria bepaald in bijlage I van de habitatrichtlijn. Zij verwijst niet specifiek naar een bepaald type van natuurlijke habitat, vermeld in die bijlage I, noch naar een bepaald daarmee verband houdend criterium, vermeld in bijlage III, fase 1, punt A. Zij beperkt zich tot de algemene opmerking dat bepaalde delen “binnen het recreatiepark (zijn) aangeduid als biologisch waardevol, enerzijds aansluitend op het parkgebied van het kasteel van Betho, anderzijds in het verlengde van het natuurpark van het kasteel van Rooi”. Zij voert ook nog aan dat het rust- en foerageergebied van de speciale beschermingszone “Bossen en kalkgraslanden van Haspengouw” gesitueerd ligt in het open gebied waar het project zal worden uitgevoerd. X-12.948-12.949-23/29 De door de verzoekende partij aangevoerde gegevens maken geenszins aannemelijk dat de Vlaamse regering haar beoordelingsmarge overschreden heeft door het projectgebied niet op te nemen in de opsomming van gebieden in het besluit van de Vlaamse regering van 24 mei 2002. Het bedoelde besluit is dan ook niet genomen met schending van artikel 4, lid 1 van de habitatrichtlijn. Gelet op die conclusie is de vraag naar de mogelijke directe werking van artikel 6, lid 3 van de habitatrichtlijn ten aanzien van het projectgebied niet relevant. Het middel is niet gegrond. 4.3.1. De verzoekende partij roept een derde middel in afgeleid uit de schending van artikel 4 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en van de beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel, “doordat artikel 4 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening bepaalt dat een duurzame ruimtelijke ontwikkeling inhoudt dat de ruimte wordt beheerd ten behoeve van de huidige generatie, zonder dat dit de behoeften van de toekomstige generaties in het gedrang brengt, waarbij de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar worden afgewogen, terwijl bij het opstellen van de bestreden beslissing geenszins rekening werd gehouden met een duurzame ruimtelijke ontwikkeling, afhankelijk van de behoeften van de toekomstige generaties, waarbij de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig worden afgewogen, rekening houdend met de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen op lange termijn voor het leefmilieu, de sociale, economische en culturele consequenties, en de bestreden beslissing derhalve een schending inhoudt van artikel 4 van het decreet van 18 mei 1999, en terwijl uit het redelijkheidsbeginsel volgt dat de administratie de toepasselijke rechtsregels op alle relevante feiten toepast en na een behoorlijke afweging van alle ter zake dienende gegevens en belangen beslist, en dat de kern van elke discretionaire bestuursbeslissing bestaat uit de belangenafweging die het bestuur dient te doen, en terwijl een zorgvuldige besluitvorming inhoudt dat de administratie de toepasselijke rechtsregels op alle relevante feiten toepast en na een behoorlijke afweging van alle ter zake dienende gegevens en belangen beslist”. 4.3.2. De verzoekende partij ontwikkelt in de toelichting bij het middel een eerste onderdeel, aanvoerend dat de vergunningsaanvraag kadert binnen de realisatie van het Pliniusproject en dat voorafgaand aan de bedoelde aanvraag voor de betrokken site is aangevangen met de opmaak van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan Plinius, dat dit plan door de provincieraad definitief is vastgesteld X-12.948-12.949-24/29 op 15 maart 2006 en door de bevoegde Vlaamse minister is goedgekeurd op 18 mei 2006, dat het goedkeuringsbesluit is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 8 juni 2006, dat het bestreden besluit is genomen op 23 mei 2006, dit is op een ogenblik dat het besluit tot goedkeuring van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan nog niet was bekendgemaakt en nog niet in werking was getreden. De verzoekende partij voert voorts aan dat de vergunningverlenende overheid reeds was overgegaan tot het organiseren van een openbaar onderzoek van 24 maart tot 22 april 2006, dit is in een periode dat het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan nog niet was goedgekeurd door de minister, dat de overheid het openbaar onderzoek aldus voorbarig heeft georganiseerd, dat zij de functie van het openbaar onderzoek bovendien grotendeels heeft ondermijnd, gezien een definitief goedgekeurd provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan ontbrak en bijgevolg niet ter inzage kon worden gelegd, en het voor de belanghebbenden dan ook niet mogelijk was een bezwaar met een volledige kennis van zaken in te dienen. De verzoekende partij concludeert dat het voor de vergunningverlenende overheid onmogelijk was de goede plaatselijke ordening te beoordelen, daar een definitieve versie van een van de doorslaggevende planningsinstrumenten ontbrak, en zij bijgevolg onwetend was over mogelijke aanpassingen aan de bestemmingsvoorschriften en bijhorende bepalingen die door de Vlaamse regering zouden worden aangebracht. In de motieven van het bestreden besluit wordt uitdrukkelijk gesteund op het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan Plinius, goedgekeurd door de minister op 18 mei 2006. De gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar mocht te dezen op dat plan steunen zodra het was goedgekeurd, zonder op de bekendmaking van het goedkeuringsbesluit te moeten wachten. Het openbaar onderzoek over de aanvraag tot het verkrijgen van de bestreden vergunning is gehouden nadat het ontwerp van provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan aan een openbaar onderzoek was onderworpen (van 6 november 2005 tot 6 januari 2006), en nadat dit plan definitief was goedgekeurd door de provincieraad (op 15 maart 2006). De enkele omstandigheid dat het plan nog niet was goedgekeurd door de Vlaamse minister belette niet dat de verzoekende partij en eventueel andere belanghebbenden met kennis van zaken een bezwaar konden indienen tegen de ontworpen constructie, zo nodig voorzien van een voorbehoud wat het lot van het plan betrof. Uit het voorgaande volgt dat de verzoekende partij niet aannemelijk maakt dat het voor de vergunningverlenende overheid onmogelijk was om de goede plaatselijke ordening te beoordelen. Het onderdeel is niet gegrond. X-12.948-12.949-25/29 4.3.3. De verzoekende partij ontwikkelt in de toelichting bij het middel een tweede onderdeel, aanvoerend dat voor het ruimtelijk uitvoeringsplan Plinius, dat het ruimere kader vormt van de procedure die geleid heeft tot de bestreden stedenbouwkundige vergunning, geen plan-milieueffectrapport, maar enkel een project-milieueffectrapport is opgesteld, dat die werkwijze onwettig is, zoals zij heeft aangetoond in haar beroepen tot vernietiging en vordering tot schorsing van dat provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan, dat, gelet op het gebrek aan analyse van de milieueffecten van het bedoelde plan, geen adequate toetsing van de vergunningsaanvraag aan de goede ruimtelijke ordening mogelijk was. De verzoekende partij heeft tegen het volgen van het zogenaamde “integratiespoor” bij de milieueffectrapportage over het ontwerp van provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan Plinius soortgelijke grieven ontwikkeld in haar beroep tot vernietiging van dat plan zelf. De Raad van State heeft die grieven bij arrest nr. 196.498 van heden niet gegrond bevonden. De Raad verwijst hierbij in het bijzonder naar het in dat arrest gegeven antwoord op het eerste middel, tweede en derde onderdeel. De aldaar ontwikkelde redenen volstaan om te concluderen dat ook het thans besproken onderdeel niet gegrond is. 4.3.4. De verzoekende partij ontwikkelt in de toelichting bij het middel een derde onderdeel, aanvoerend dat de artikelen 14 en 16, § 1 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu (hierna : het decreet van 21 oktober 1997) de zorgplicht en het stand-still beginsel in verband met de natuur opleggen, dat bij de beoordeling van een aanvraag tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning rekening dient te worden gehouden met de ruimere omgeving, dat, aangezien bij de huidige vergunningsaanvraag geen concrete invulling van de zorgplicht en van het stand-still beginsel werd vooropgesteld, ook bij de beoordeling van die aanvraag en in het bijzonder bij de toetsing aan de goede plaatselijke ruimtelijke ordening geen afdoende garanties van de naleving van beide principes werden ingebouwd, dat bijgevolg moet worden besloten dat geenszins kan worden afgeleid of een duurzame ontwikkeling tot stand zal worden gebracht. De zorgplicht bedoeld in artikel 14, eerste lid van het decreet van 21 oktober 1997 is opgelegd aan degenen die handelingen verrichten of daartoe opdracht geven. De genoemde bepaling is niet van toepassing op een vergunning- verlenende overheid. De zorgplicht bedoeld in artikel 16, § 1 van het decreet van 21 oktober 1997 is onder meer opgelegd aan de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar, wanneer deze een aanvraag tot het verkrijgen van een X-12.948-12.949-26/29 stedenbouwkundige vergunning dient te beoordelen. De verzoekende partij brengt evenwel geen concrete gegevens aan waaruit zou blijken welke natuurelementen in de onmiddellijke of de ruimere omgeving door de ontworpen constructie schade zouden lijden, en welke de aard van die schade zou zijn. Zij maakt dan ook niet aannemelijk dat de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar zou tekortkomen aan de verplichting bedoeld in de genoemde decreetsbepaling, of dat hij de goede ruimtelijke ordening in dit opzicht op een kennelijk onredelijke wijze zou beoordelen. Het onderdeel is niet gegrond. 4.3.5. De verzoekende partij ontwikkelt in de toelichting bij het middel een vierde onderdeel, aanvoerend dat in het kader van de bestreden beslissing niets te vinden is over de mogelijke repercussies die de inplanting van een themapark heeft op de omgeving en de bewoners in de onmiddellijke nabijheid, dat evenmin aan de hand van het neergelegde project-milieueffectrapport kan worden afgeleid hoe aan deze impact zal worden verholpen, dat bij de uiteenzetting van het eerste onderdeel van het eerste middel reeds is aangetoond dat geenszins een afdoende evaluatie is doorgevoerd met betrekking tot de inplanting van het project op de weerhouden site en de hieraan verbonden effecten, dat uit het milieueffectrapport dan ook niet kan worden afgeleid of er een verenigbaarheid is met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening en de vergunningverlenende overheid, gezien het gebrek aan informatie, evenmin een afdoende analyse hiertoe kon doorvoeren. Het bestreden besluit bevat in verband met de verenigbaarheid van de geplande werken met de stedenbouwkundige voorschriften en met de onmiddellijke omgeving onder meer de volgende overwegingen: “De aanvraag is volledig in overeenstemming met het PRUP Plinius, dat definitief werd vastgesteld door de Provincieraad van Limburg op 15 maart 2006 en goedgekeurd door de Vlaamse regering op 18 mei 2006. Het ontwerp voldoet immers -mits opvolging van de onderscheiden voornoemde adviezen- aan de ruimtelijke en landschappelijke randvoorwaarden zoals ze zijn vastgelegd in het verordenend grafisch plan en bijhorende stedenbouwkundige voorschriften. De landschappelijke inkleding en buffering naar de omgeving toe kadert volledig in het landschappelijk afwegingskader dat n.a.v. het PRUP is opgemaakt. De aangegeven materialen voor de gebouwen en de verhardingen zijn aanvaardbaar daar voldoende evenwicht is gevonden tussen de specifieke opties van het project en de globale ruimtelijke en landschappelijke context. De aanvraag werd getoetst aan de bepalingen van het milieueffectrapport. Mits opvolging van de voorwaarden, zoals gesteld in de adviezen van de verschillende diensten, wordt hieraan voldoende voldaan”. X-12.948-12.949-27/29 In zoverre het onderdeel aan het bestreden besluit verwijt dat het is genomen zonder dat de inplanting van het ontworpen themapark in alle opzichten concreet is getoetst aan de goede ruimtelijke ordening, blijkt uit de aangehaalde overwegingen dat de aanvraag is getoetst aan de stedenbouwkundige opties vervat in het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan Plinius. De voorschriften van dat plan zijn dermate gedetailleerd dat zij aan de vergunningverlenende overheid nauwelijks nog enige beoordelingsruimte laten met betrekking tot de verenigbaarheid van een themapark met de goede ruimtelijke ordening. Nu het ontwerp “volledig in overeenstemming met het PRUP Plinius” wordt geacht, kon de vergunning in beginsel worden verleend, en kon de verwijzing naar de overeenstemming van de aanvraag met dat ruimtelijk uitvoeringsplan in beginsel volstaan ter verantwoording van de afgifte van de vergunning. De verzoekende partij voert geen omstandigheden aan die te dezen zouden dwingen tot een nader onderzoek van de aanvraag. In zoverre het onderdeel aan het bestreden besluit verwijt dat het steunt op een milieueffectrapport dat geen afdoende evaluatie van de milieueffecten bevat en dat de vergunningverlenende overheid dan ook niet de mogelijkheid biedt om de verenigbaarheid van het project met de goede ruimtelijke ordening te beoordelen, zijn de grieven in verband met de inhoud van het milieueffectrapport in het antwoord op het eerste middel niet gegrond bevonden. De verzoekende partij maakt dan ook niet aannemelijk dat het milieueffectrapport door zodanige gebreken is aangetast dat geen behoorlijke beoordeling van de verenigbaarheid van het project met de goede ruimtelijke ordening mogelijk geweest zou zijn. Het faillissement van de n.v. DEA DIA en de investeringen in het project die dreigen verloren te gaan, doen aan deze vaststelling niets af. Het onderdeel is niet gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. De zaken A. 175.066/X-12.948 en A. 175.067/X-12.949 worden gevoegd. X-12.948-12.949-28/29 Artikel 2. De zaak wordt van de rol afgevoerd in hoofde van de eerste verzoekster in A. 175.066/X-12.948. Artikel 3. De beroepen worden verworpen. Artikel 4. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 700 euro, komen ten laste van de nalatenschap van de eerste verzoekster en van de tweede verzoeker, elk voor de helft in de zaak A. 175.066. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partij in de zaak A. 175.067. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 250 euro, komen ten laste van de tussenkomende partijen, elk voor de helft in de zaak A. 175.066. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 375 euro, komen ten laste van de tussenkomende partijen, elk voor een derde in de zaak A. 175.067. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig september 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, P. LEFRANC, staatsraad, S. DE TAEYE, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-12.948-12.949-29/29 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.499 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.