id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.533 Rolnummer: A. 140671/X-11547 Zaak: Arrest 196533 - Monumenten en Landschappen - 30/09/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-10-12 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 03:37 Fiche Arrest nr 196.533 van 30 september 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Monumenten en Landschappen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 196.533 van 30 september 2009 in de zaak A. 140.671/X-11.
(1964)beschrijven het voorgestelde landschap als ongeschonden, landelijk schoon, een synthese van het schone Brabantse landschap. Verbesselt besluit in zijn betoog : ‘Amelgem is een typisch voorbeeld van een domein dat door de eeuwen heen - op een korte onderbreking na - zijn oorspronkelijke eenheid en structuur behield. Aan de basis van het huidige X-11.547-6/19 gehucht lag - nog steeds volgens dezelfde auteur - een Gallo-Romeinse villa, uitgebouwd tegen de zuidflank van de west-zuidwest - oost-noordoost georiënteerde leemrug die de waterscheiding vormt tussen het Zennebekken en het Rupelbekken. De aanwezigheid van een ‘heerbaan’ op de kruin van deze heuvelrug en op ongeveer 700 m. van het gehucht versterkt de waarschijnlijkheid van een Gallo-Romeinse origine, te meer omdat deze weg ongeveer op de lijn ligt van Asse naar Elewijt. Verbesselt verwijst bovendien naar de indeling van het domein in drie velden of ‘campa’ van ongeveer identieke oppervlakte, die samen 148 bunder of 12 ‘mansi’ vormden. Wanneer wij het ganse verloop van het domein Amelgem overschouwen stellen wij vast dat wij hier staan voor een zeer typisch geval van eenheid doorheen de eeuwen’. Tenslotte meent R.O.H.M. Vlaams-Brabant dat de omgrenzing en de samenstelling van het domein Amelgem vrij nauwkeurig wordt beschreven in 1554 : ‘ongeveer 135 ha begrensd door de Heerbaan in het noorden en de Molenbeek in het zuiden. 450 jaar later is het nog steeds mogelijk om een vergelijkbaar, vrijwel aaneengesloten landbouwareaal samen te stellen met ongeveer dezelfde oppervlakte, begrenzing en elementen (akkers, weiden, hooibeemden en bos), gegroepeerd rond de kapel Onze-Lieve-Vrouw-Geboorte en de twee hoeves, niet alleen een historisch-functioneel maar ook visuele eenheid’. Het ligt in de bedoeling deze eenheid te bewaren en te voorkomen dat percelen stelselmatig opgenomen worden in tuinen (zie behandeling bezwaar 8.2). I.v.m. de sloop van de woning van uw cliënt zou ik u willen verwijzen naar de Afdeling R.O.H.M. Vlaams-Brabant - Ruimtelijke Ordening. Monumenten en Landschappen wenst er tenslotte op te wijzen dat zij geenszins verantwoordelijk zijn voor het vergunningsbeleid. De algemene en specifieke beschermingsvoorschriften, opgelegd met deze beschermingsprocedure, hebben enkel tot doel ontwikkelingen en handelingen die onverantwoorde schade kunnen toebrengen aan de historische, natuurwetenschappelijke of esthetische waarde van het landschap te voorkomen. 8.2. Zie behandeling bezwaren 1.1. en 8.1. De Zuid-Oostelijke grens van het voorgestelde landschap wordt gevormd door de Molenbeek - ook Molenbeek van Amelgem, Amelgemse Molenbeek genoemd. Rekening houdend met de opmerking in het bezwaar i.v.m. het ‘middendoorsnijden van de Kleine Cabbeek’, vermoed ik dat men hier verwijst naar de Molenbeek. Aan de overkant van de Molenbeek, ter hoogte van de Leeuwerikenlaan, Neerhoflaan, Korenveldlaan, e.a. -bevindt zich een verkaveling (bestemming gewestplan woongebied). Ter hoogte van de percelen 160 V, 1690 S, 160 T e.v. (...) werd de Molenbeek geherprofileerd en rechtgetrokken. Bijgevolg situeren zich de geciteerde percelen aan de overkant en werden reeds opgenomen bij de tuinen. Vandaar de verlegging van de grens op de beek en niet op de perceelsgrenzen. 8.3. R.O.H.M. Vlaams-Brabant - Monumenten en Landschappen verwijst voor deze problematiek naar het Hfst. 11 van het verantwoordingsverslag ‘doelstellingen van het toekomstige beheer’. Het toekomstig beheer moet erop gericht zijn het landschap als structureel geheel te bewaren met respect voor zijn historische en esthetische waarde. Het behoud van de landbouwkundige context is hierbij belangrijk. De bestemming van het gewestplan , zijnde ‘landschappelijk waardevol agrarisch gebied’ wordt hier niet gebruikt om de verschillende beheersdoelstellingen te onderbouwen. Ter vervollediging verwijst R.O.H.M. Vlaams-Brabant - Monumenten en Landschappen naar de motivering van dit beschermingsvoorstel (...) en naar het X-11.547-7/19 erfgoedlandschap ‘Amelgem-Ossel’ (...). De nabijheid van de Kapel van Amelgem vormt slechts een onderdeel van dit beschermingsvoorstel (...). Gelet op het belang van deze site in de rand rond Brussel lijkt het aangewezen om naar de toekomst de bescherming uit te breiden met o.a. Kaarlijk - Kapellenhoek (verbinding Amelgem - Nationale plantentuin), omgeving Kasteel van Ossel en Hagenkasteel en Kasteel van Wolvendaal en Foekenbos). Deze gebieden situeren zich resp. ten oosten, westen en in het noord-westelijke richting t.o.v. het voorgestelde landschap. Tenslotte moet ook gezegd dat de landbouw een belangrijke hand heeft gehad in het bewaren van deze open omgeving rond de hoeven Groot- en Klein Amelgem. Het verloren gaan van de landelijke omgeving in de onmiddellijke rand rond Brussel is het gevolg van een niet te stuiten maatschappelijke evolutie waarin industriële en economische ontwikkelingen een steeds belangrijker plaats innemen. Landbouwers zullen mede dank zij deze bescherming hun bedrijfsvoering kunnen voortzetten zoals ze dat tot op heden hebben gedaan en krijgen bovendien de zekerheid dat hun eigendommen steeds de bestemming als landbouwgebied zullen blijven behouden; dit is immers één van de uitgangspunten van de bescherming als landschap”. 9. Op 6 februari 2003 brengt de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen van het Vlaamse Gewest haar advies uit waarin de voormelde waarden en beheersdoelstellingen worden overgenomen. 10. Op 13 juni 2003 beslist de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken om “het gehucht Amelgem en omgeving” als landschap te beschermen omwille van de voormelde waarden en met de voormelde beheersdoelstellingen. Dit is het bestreden besluit dat aan de verzoeker wordt betekend met een aangetekende brief van 4 juli 2003. Dat besluit wordt aan de verzoeker met een aangetekende brief van 10 juli 2003 nogmaals betekend omdat “er mogelijk een administratieve vergissing gebeurd is bij het kopiëren van het definitieve beschermingsbesluit, u toegezonden op 04 juli 2003”. Het bestreden besluit wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 27 februari 2004. X-11.547-8/19 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel 11.1. Het eerste middel is afgeleid uit de schending van de motiveringsplicht, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen (hierna: de motiveringswet) en artikel 5 van het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg (hierna: het landschapsdecreet). De verzoeker betoogt in een eerste onderdeel dat “in het bestreden besluit het algemeen belang niet wordt aangetoond”, wat hij afleidt uit zijn vaststelling dat het bestreden besluit “geen motieven aanbrengt waarom de percelen van beroeper moeten beschermd worden en de andere kant van de straat, niettegenstaande de gelijkaardige situatie, niet”, “‘Klein Cabbeek’, die als grens wordt aangeduid, middendoor wordt gesneden”, “het de bedoeling is om het gehucht Amelgem met 2 hoeves en het landbouwareaal te beschermen” en “dit evengoed zonder het insluiten van de percelen van beroeper kan bereikt worden”, “voldoende bescherming geboden wordt door de bestemming volgens het gewestplan Halle- Vilvoorde-Asse, aangezien de percelen gelegen zijn in landschappelijk waardevol agrarisch gebied” en het bestreden besluit “hetzelfde doel” nastreeft zodat het “bijgevolg niet noodzakelijk (
- is)om te komen tot een aaneengesloten geklasseerd landschap”, het bestreden besluit “geen uitdrukkelijke motivering bevat wat betreft de noodzaak van de bescherming” en “percelen van beroeper noch esthetisch, noch historisch enig belang (kunnen) vertegenwoordigen”, en in een tweede onderdeel dat “het bestreden besluit op geen enkel ogenblik op een afdoende en concrete wijze aantoont hoe de bescherming het louter lokaal belang overstijgt”. 11.2. Gelet op het bepaalde in artikel 6 van de motiveringswet wordt het middel in zoverre het de schending van de motiveringswet inroept, geacht te zijn afgeleid uit de schending van artikel 9 van het landschapsdecreet dat aan de bevoegde overheid wanneer zij besluit tot definitieve bescherming van een landschap, een motiveringsverplichting oplegt die niet minder streng is dan deze voorgeschreven door de motiveringswet. 11.3. Wanneer de overheid een landschap van algemeen belang beschermt, moet zij, om te voldoen aan voormeld artikel 9 van het landschapsdecreet, in het besluit zelf de juridische en feitelijke overwegingen X-11.547-9/19 vermelden waarop het is gesteund. Het is voldoende, maar wel noodzakelijk dat het besluit opgeeft om welke natuurwetenschappelijke, historische, esthetische of sociaal-culturele waarde het bestuur van oordeel is dat het beschermde landschap van algemeen belang is. Aan de opgelegde motiveringsplicht is slechts voldaan wanneer het besluit tot bescherming als landschap duidelijk de redenen opgeeft die tot bescherming aanleiding geven, derwijze dat het de beroeper mogelijk is met kennis van zaken tegen de beslissing op te komen, en dat de Raad van State de hem opgedragen wettigheidscontrole kan uitoefenen. Krachtens de materiële motiveringsplicht moet elke administratieve beslissing berusten op rechtens aanvaardbare motieven met een voldoende feitelijke grondslag. De motieven moeten in beginsel steunen op feiten die met de werkelijkheid overeenstemmen. Als annulatierechter is de Raad van State belast met een wettigheidstoezicht. Het komt de Raad van State niet toe het feitenonderzoek in de behandelde zaak over te doen en in plaats van het bestuur te appreciëren of een goed wel beschermingswaard is. De Raad vermag wel na te gaan of de administratieve overheid rechtmatig tot haar voorstelling van de feiten is kunnen komen. Hij kan dus nagaan of de feiten die de overheid als uitgangspunt heeft genomen, vaststaan in het licht van de bewijselementen die beschikbaar waren. 11.4. In tegenstelling tot wat de verzoeker laat veronderstellen, is de bestreden akte zelf formeel gemotiveerd. In artikel 2 van het bestreden besluit wordt het algemeen belang dat de bescherming verantwoordt, uitdrukkelijk gemotiveerd door een beschrijving van de historische en esthetische waarde van het landschap. Het bestreden besluit geeft hiermee meteen te kennen dat de waarde(
- n)van het landschap het lokaal belang overstijgt(-
- en)Te dezen vinden de hiervoor aangehaalde motieven voor de historische en esthetische waarde van het gehucht Amelgem en omgeving steun in de motiveringsnota van het bestuur monumenten en landschappen, die zelf gebaseerd is op een aantal historische gegevens, bestaande evaluaties en een beschrijving van het landschap, en in de hiervoor deels aangehaalde bespreking van de verstrekte adviezen en ingediende bezwaren. De verzoeker toont niet aan dat deze concrete gegevens onjuist of onvolledig zouden zijn. 11.5. Het eerste middel is ongegrond. X-11.547-10/19 In zoverre de verzoeker in de laatste memorie argumenteert dat “niet in concreto werd ingegaan in het beschermingsbesluit” op “het bezwaar (dat) net betwist dat de betrokken percelen een esthetisch of historisch belang zouden hebben”, voert hij op onontvankelijke wijze een nieuw middel aan. B. Tweede middel 12.1. In een tweede middel roept de verzoeker de schending in van het zorgvuldigheids-, redelijkheids-, rechtszekerheids- en noodzakelijkheidsbeginsel in. De verzoeker betoogt dat het bestreden besluit “de situatie van de percelen van beroeper nodeloos verzwaart” omdat “er reeds voldoende bescherming geboden wordt door de bestemming volgens het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, aangezien de percelen gelegen zijn in landschappelijk waardevol agrarisch gebied” en de doelstellingen van het bestreden besluit “evengoed gerealiseerd kunnen worden door (...) het gewestplan”. Voorts stelt hij dat de verwerende partij “heeft nagelaten om de belangen af te wegen in relatie tot het beoogde resultaat”. 12.2. Hiervoor werd reeds aangestipt dat de Raad van State als annulatierechter belast is met een wettigheidstoezicht en het hem niet toekomt om in de plaats van het bestuur, dat hiervoor van de decreetgever een zeer ruime discretionaire bevoegdheid heeft gekregen, te appreciëren of een goed wel beschermingswaard is al dan niet met inachtneming van de bestemming van de betrokken gronden volgens het geldende gewestplan. Bovendien blijkt uit de hiervoor aangehaalde bespreking van de bezwaren dat het bestuur de bestreden bescherming voorstaat omdat het “een meer reële en op de plaatselijke toestand gerichte bescherming (kan) bieden dan het gewestplan, waarbij enkel algemene doelstellingen en bepalingen worden voorgesteld”. 12.3. Het middel is bijgevolg ongegrond. In zoverre de verzoeker in de laatste memorie de Raad van State verzoekt te toetsen aan artikel 1 van het Eerste Aanvullende Protocol bij het EVRM, voert hij op onontvankelijke wijze een nieuw middel aan. X-11.547-11/19 C. Derde middel 13.1. De verzoeker roept in het derde middel de schending in van artikel 2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet), de artikelen 10, 11 en 15 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (hierna: het inrichtingsbesluit) en artikel 12, tweede lid van het landschapsdecreet. De verzoeker betoogt dat het bestreden besluit een aantal handelingen opsomt (het oprichten van constructies, het aanbrengen van afsluitingen, het oprichten en verbouwen van gebouwen en het plaatsen van constructies en verplaatsbare inrichtingen, het plaatsen of vervangen van leidingen) die voor het behoud van de historische en esthetische waarde, “niet wenselijk” worden geacht. Hij voert aan dat deze eigendomsbeperkingen die hij als een absoluut bouwverbod bestempelt, in strijd zijn met het gewestplan dat zijn percelen tot landschappelijk waardevol agrarisch gebied bestemt. 13.2. Artikel 12 van het landschapsdecreet, zoals het van toepassing was ten tijde van het bestreden besluit, bepaalde wat volgt : “Het besluit tot voorlopige of definitieve bescherming als landschap is bindend. Er mag alleen van worden afgeweken in de door dit decreet bepaalde gevallen en vormen. De besluiten tot voorlopige of definitieve bescherming als landschap hebben een individueel karakter en fungeren als aanvulling en verfijning op de sectoriële wetgevingen. Zij mogen geen erfdienstbaarheden vaststellen die in absolute zin werken of handelingen verbieden die met de geldende plannen van aanleg overeenstemmen, noch de verwezenlijking van die plannen en hun bestemmingsvoorschriften kunnen verhinderen”. Inzake de wetsgeschiedenis van deze bepaling -waarvan de definitieve tekst het gevolg is van een amendement (Parl. St. Vl. Parl. B.Z.1995, nr. 69-3, 7)- stelt de toelichting bij het wetsvoorstel dat het voornoemd decreet van 16 april 1996 is geworden, wat volgt : “De besluiten tot voorlopige of definitieve bescherming als landschap hebben een individueel karakter en mogen geen erfdienstbaarheden opleggen of voorschriften vaststellen die in absolute zin handelingen of werken verbieden die met de geldende plannen van aanleg overeenstemmen, noch de verwezenlijking van die plannen kunnen verhinderen”. X-11.547-12/19 Voorts is in deze toelichting inzake de hiërarchie der rechtsnormen gesteld wat volgt (Parl. St. Vl. Parl. B.Z. 1995, nr. 69-1, 5) : “De beschermingsbesluiten mogen geen erfdienstbaarheden opleggen of voorschriften vaststellen die in absolute zin handelingen of werken verbieden die met de geldende plannen van aanleg overeenstemmen, of die de verwezenlijking van die plannen kunnen verhinderen”. Verder inzake deze hiërarchie der rechtsnormen geeft de indiener van het voorstel van decreet in de bevoegde commissie de volgende verduidelijking : (Parl. St. Vl. Parl. B.Z. 1995, nr. 69-4, 4) : “Alhoewel sommige bepalingen van een beschermingsbesluit een meer algemene draagwijdte vertonen, zijn de belangrijkste bepalingen in feite gericht tot individuele burgers. ‘Het individuele rechtskarakter blijft met andere woorden de dominante hoofdtrek van de beschermingsbesluiten’. Deze besluiten zijn derhalve juridisch-hiërarchisch ondergeschikt aan de plannen van aanleg, die een algemeen verordenend karakter hebben. De eigendomsbeperkingen die door een beschermingsbesluit worden opgelegd, kunnen de realisatie van de door het gewestplan vastgestelde bestemming niet onmogelijk maken. Deze stelling vindt men volgens de indiener van het voorstel in de constante rechtspraak van de Raad van State. Beschermingsvoorschriften kunnen echter wel nadere voorwaarden opleggen zonder dat de eigenlijke realisatie van de ruimtelijke bestemming wordt verhinderd. De vaststelling van de bestemming impliceert niet de integrale uitvoering van wat door deze bestemming principieel wordt mogelijk gemaakt, aldus de indiener van het voorstel van decreet”. Bij de bespreking in de bevoegde commissie van het amendement dat leidde tot het artikel 12, stelde de bevoegde minister inzonderheid dat “(...) de beschermingsvoorschriften niet strijdig mogen zijn met de algemene bestemming van het gewestplan” (Parl. St. Vl. Parl. B.Z. 1995, nr. 69-4, 22). In het eerder ontwerp van decreet -dat daarna overgenomen werd in voornoemd voorstel van decreet- stelde de toenmalige minister dat een individueel beschermingsbesluit van een landschap een reglementair besluit niet kan “vernietigen” (Parl. St. Vl. Parl. 1994-95, nr. 731-3, 13). Tot slot blijkt uit de memorie van toelichting bij het ontwerp dat het decreet van 13 februari 2004 houdende maatregelen tot behoud van erfgoedlandschappen is geworden, dat de aanpassing door voornoemd decreet van 13 februari 2004 van artikel 12 van het landschapsdecreet een actualisering is ten gevolge van de wetgeving ruimtelijke ordening en het natuurdecreet (Parl. St. Vl. X-11.547-13/19 Parl. 2002-2003, nr. 1804-1, 8 en nr. 1804-5, 9). Bij de bespreking van deze wijzigingsbepaling, werd de oorspronkelijke bedoeling en draagwijdte van artikel 12 niet in vraag gesteld. Gelet op de ratio legis van artikel 12, tweede lid van het landschapsdecreet, heeft het in deze bepaling gestelde verbod dat besluiten tot voorlopige of definitieve bescherming als landschap geen erfdienstbaarheden mogen vaststellen die in absolute zin werken of handelingen verbieden die met de geldende plannen van aanleg overeenstemmen, noch de verwezenlijking van die plannen en hun bestemmingsvoorschriften kunnen verhinderen, een algemene draagwijdte. Immers uit de wetsgeschiedenis van deze bepaling blijkt duidelijk dat het niet de bedoeling van de decreetgever was om door middel van individuele besluiten die beschermingsbesluiten zijn, afwijkingen toe te staan die de realisatie van de door het gewestplan vastgestelde bestemming onmogelijk maken. 13.3. Voor de percelen van de verzoeker gelden de stedenbouwkundige voorschriften van de artikelen 11.4.1 en 15.4.6.1 van het inrichtingsbesluit, die respectievelijk bepalen wat volgt: “De agrarische gebieden zijn bestemd voor de landbouw in de ruime zin. Behoudens bijzondere bepalingen mogen de agrarische gebieden enkel bevatten de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven. Gebouwen bestemd voor niet aan de grond gebonden agrarische bedrijven met industrieel karakter of voor intensieve veeteelt, mogen slechts opgericht worden op ten minste 300 m van een woongebied of op ten minste 100 m van een woonuitbreidingsgebied, tenzij het een woongebied met landelijk karakter betreft. De afstand van 300 m en 100 m geldt evenwel niet in geval van uitbreiding van bestaande bedrijven. De overschakeling naar bosgebied is toegestaan overeenkomstig de bepalingen van artikel 35 van het Veldwetboek, betreffende de afbakening van de landbouw- en bosgebieden”. en “De landschappelijk waardevolle gebieden zijn gebieden waarvoor bepaalde beperkingen gelden met het doel het landschap te beschermen of aan landschapsontwikkeling te doen. In deze gebieden mogen alle handelingen en werken worden uitgevoerd die overeenstemmen met de in grondkleur aangegeven bestemming, voor zover zij de schoonheidswaarde van het landschap niet in het gevaar brengen”. 13.4. Om wettig te zijn moet een beschermingsbesluit, zoals iedere individuele overheidsbeslissing, kunnen worden ingepast in de bestaande wetten en in de bestaande, regelmatig vastgestelde hogere rechtsnormen, zijnde niet alleen de X-11.547-14/19 normen die de tot beschermen bevoegde overheid zelf heeft vastgesteld, doch ook de verordenende bepalingen die andere administratieve overheden tot stand hebben gebracht, zoals met name de voorschriften van definitief vastgestelde plannen van aanleg. Uit wat voorafgaat volgt niet dat de bescherming van een landschap ipso facto in strijd is met de bestemming landschappelijk waardevol agrarisch gebied en dat in een dergelijk gebied geen bescherming als landschap mogelijk is. Van een onwettigheid van het beschermingsbesluit wegens schending van de voormelde bestemmingsvoorschriften kan slechts sprake zijn wanneer bepaalde voorschriften van het beschermingsbesluit de verwezenlijking ervan verhinderen. De verzoeker houdt niet voor en toont dus niet aan dat de in artikel 3 van het bestreden besluit aangehaalde beschikkingen van het besluit van de Vlaamse regering van 3 juni 1997 houdende algemene beschermingsvoorschriften, advies- en toestemmingsprocedure, instelling van een register en vaststelling van een herkenningsteken voor beschermde landschappen, de verwezenlijking van de voormelde gewestplanbestemming zouden verhinderen. Het bestreden besluit stelt met het oog op de instandhouding van de historische en esthetische waarden van het beschermde landschap, enerzijds, dat een aantal beheersdoelstellingen kunnen worden opgenomen, meer bepaald het bewaren van het open landschap of hiervan het herstel nastreven en de recreatie in het gebied omwille van de kwetsbaarheid ervan beperken tot passieve recreatie, en anderzijds, dat de opgesomde handelingen “niet wenselijk” zijn. De verzoeker houdt evenmin voor en toont derhalve niet aan dat de faculteit om de voormelde beheersdoelstellingen op te nemen en/of de voor het behoud van de historische en esthetische waarde van het landschap niet wenselijk geachte handelingen, meer bepaald het wijzigen van de geomorfologie van terrein, de aard en de structuur van de grond, het uitzicht of het reliëf van het terrein, het verharden van de bestaande wegen evenals het aanleggen van nieuwe wegen en paden, het ontwateren of draineren van het terrein, het lozen van vloeistoffen of gassen die schadelijk zijn voor fauna en flora, het gebruik van chemische verdelgingsmiddelen, het omzetten van akkerland naar grasland of bos, het omzetten van de moerassige gronden naar eender welk ander bodemgebruik, het vellen of beschadigen van bomen en het X-11.547-15/19 beschadigen van de struik- en de kruidlaag, het achterlaten, opslaan of verwerken van schroot, afval en vuilnis, het aanbrengen en voeren van reclame, het wijzigen van de aard en de structuur van de grond en het uitzicht of het reliëf van het terrein, het aanleggen, verbreden, opbreken of afsluiten van wegen en paden, het verharden van wegen en paden, het verstoren van de rust en de stilte, het leggen van gifaas en klemmen, de verwezenlijking van de voormelde gewestplanbestemming zouden verhinderen. Het feit dat de percelen van de verzoeker de voormelde gewestplanbestemming hebben gekregen, heeft niet voor gevolg dat hij op deze percelen hoe dan ook de door hem beoogde handelingen, meer bepaald het oprichten van constructies, het aanbrengen van afsluitingen, het oprichten en verbouwen van gebouwen en het plaatsen van constructies en verplaatsbare inrichtingen en/of het plaatsen of vervangen van leidingen, kan stellen. De verzoeker gaat in zijn argumentatie algeheel voorbij aan het feit dat krachtens het gewestplan enkel met de agrarische bestemming overeenstemmende handelingen en werken mogelijk zijn die de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengen. De verzoeker toont niet aan dat het niet wenselijk achten van deze handelingen voor het behoud van de historische en esthetische waarden van dat landschap door het bestreden besluit, de verwezenlijking van de gewestplanbestemming zou verhinderen. Anders dan de verzoeker wil doen aannemen moet worden vastgesteld dat het bestreden besluit niet strijdig is met de voormelde gewestplanbestemming. Het middel is ongegrond. D. Vierde middel 14.1. In een vierde middel roept de verzoeker de schending in van artikel 9 van het landschapsdecreet, het besluit van de Vlaamse regering van 10 juni 2003 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse regering, artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek, “de afvalwetgeving en alle andere wetgeving van terreinen, die door de bestreden beslissing worden aangehaald”. De verzoeker argumenteert dat het bestreden besluit “niet alleen had mogen worden genomen door de Vlaamse minister bevoegd voor monumenten en landschappen”, verbodsbepalingen inhoudt omtrent bebouwing, afval, reclame, X-11.547-16/19 plaatsen van leidingen, wijzigen van reliëf, wegenis, recreatie en gebruik van verdelgingsmiddelen “terwijl (...) het moeilijk aan te nemen is dat één lid van de regering de bevoegdheid kan hebben om hieraan wijzigingen en aanvullingen aan te brengen”, “de verbodsbepalingen (...) die het oprichten van gebouwen of constructies betreffen (...) raakvlakken vertonen met aan de Vlaamse ministers van Openbare Werken en Ruimtelijke Ordening toegewezen bevoegdheden” en dat “de verbodsbepalingen met betrekking tot het uitzicht van het terrein, tot het ontwateren of draineren van het terrein, direct verband houden met de bevoegdheid van leefmilieu en waterbeleid, landinrichting en natuurbehoud, landbouwbeleid”. 14.2. Het middel mist feitelijke grondslag nu uit de bespreking van het derde middel is gebleken dat het bestreden besluit geen “absolute verbodsbepalingen” bevat waar het de opgesomde handelingen als “niet wenselijk” aanstipt. Bijgevolg moet worden aangenomen dat het bestreden besluit niet werd genomen met bevoegdheidsoverschrijding. 14.3. Het middel is niet gegrond. E. Vijfde middel 15.1. Het vijfde middel wordt afgeleid uit de schending van het gelijkheidsbeginsel. De verzoeker voert aan dat zijn percelen “net nog in het beschermde gebied” liggen “terwijl de percelen aan de overkant van de weg zich in een volledig gelijkaardige situatie bevinden (...) en de bestreden beslissing geen enkele reden aangeeft voor de verschillende behandeling van de percelen van de beroeper met deze van de personen aan de overkant van de straat”. 15.2. Het gelijkheidsbeginsel kan slechts geschonden zijn indien in rechte en in feite gelijke gevallen ongelijk werden behandeld zonder dat er voor deze ongelijke behandeling een objectieve verantwoording bestaat. Het behoort aan de verzoekende partij die aanvoert dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden, dit in het verzoekschrift met concrete en precieze gegevens aan te tonen. 15.3. De verzoeker beperkt zich te dezen tot een loutere bewering dat “de percelen aan de overkant van de weg zich in een volledig gelijkaardige situatie bevinden” terwijl uit de voormelde motiveringsnota en de bespreking van de X-11.547-17/19 bezwaren in verband met de afbakening van het beschermde landschap, de redenen voor deze afbakening worden opgegeven. De verzoeker faalt in de bewijslast die terzake op hem rust. 15.4. Het middel is ongegrond. In zoverre de verzoeker in de laatste memorie aanstuurt op een onderzoek naar de vraag of de afbakening van het landschap het gelijkheidsbeginsel schendt en aanvoert dat “over (de afbakening) geen concrete gegevens terug te vinden zijn in het dossier met betrekking tot de percelen van verzoeker” voert hij op onontvankelijke wijze nieuwe middelen aan. F. Zesde middel 16.1. In een zesde middel voert de verzoeker machtsafwending aan. De verzoeker argumenteert dat hij op zijn perceel dat “aan de uiterste rand van het gebied dat beschermd wordt” is gelegen, een stal had omgebouwd tot woning, hij “echter veroordeeld werd tot afbraak van de woning” en “deze afbraak ambtshalve (werd) uitgevoerd”, “de eigenaars van een perceel aan de overkant van de straat, niettegenstaande deze ook in landschappelijk waardevol agrarisch gebied is gelegen” maar “buiten het beschermde gebied valt”, “wel een bouwvergunning hebben verkregen voor de bouw van een volledig nieuwe woning”. Hij voert voorts aan dat “het bijgevolg niet anders kan dat de insluiting van de percelen van (...) beroeper in het beschermde gebied tot doel heeft een verschillende situatie te creëren ten opzichte van het echtpaar, dat wel een bouwvergunning heeft verkregen aan de overkant van de straat en tevens de eigendom van beroeper te blokkeren, zonder dat er een recht op schadevergoeding bestaat voor de enorme gevolgen van de bescherming op het eigendomsrecht van beroeper”. 16.2. Machtsafwending is de onwettigheid die er in bestaat dat een bestuursorgaan de bevoegdheid die haar bij wet tot het bereiken van een bepaald doel van algemeen belang is gegeven, uitsluitend aanwendt tot het nastreven van een ander doel. Het uitsluitend nastreven van het ongeoorloofde oogmerk dient te worden aangetoond met voldoende ernstige en overeenstemmende vermoedens. 16.3. De verzoeker brengt geen concrete gegevens bij ter staving van de door hem aangevoerde machtsafwending, met name dat de minister zijn X-11.547-18/19 bevoegdheid inzake monumenten en landschappen uitsluitend zou hebben gebruikt ter verwezenlijking van een ander doel dan datgene waarvoor hem deze bevoegdheid door de wet is toegewezen, in casu de vrijwaring in het algemeen belang. Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag. Er is geen reden om de zaak met toepassing van artikel 91 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State naar de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te verwijzen. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertig september 2009, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, met bijstand van Astrid Truyens, griffier. De griffier De voorzitter Astrid Truyens Roger Stevens X-11.547-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.533 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div