← België

Arrest 196540 - Milieuvergunningen - 01/10/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.540 Rolnummer: A. 183323/VII-36985 Zaak: Arrest 196540 - Milieuvergunningen - 01/10/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-10-12 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 03:37 Fiche Arrest nr 196.540 van 1 oktober 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 196.540 van 1 oktober 2009 in de zaak A. 183.323/VII-36.985. In zake : 1. Marc BALCAEN, 2. Sabine DE JAEGER, 3.Wim SNOECK, die woonplaats kiezen bij advocaat Gw. VERMEIRE, kantoor houdende te GENT, Voskenslaan 301 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te OOSTENDE, Archimedesstraat 7. tussenkomende partij : Ann DHONDT, die woonplaats kiest bij advocaat K. VAN WYNSBERGE, kantoor houdende te LEUVEN, Diestsevest 113. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Marc BALCAEN, Sabine DE JAEGER en Wim SNOECK op 14 mei 2007 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 9 maart 2007 waarbij het beroep aangetekend tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen van 7 september 2006, houdende het verlenen aan Ann DHONDT van de vergun- ning voor het verder exploiteren en veranderen van een pluimveehouderij, gelegen aan de Hanestraat 7 te Nazareth, gedeeltelijk gegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing deels wordt gewijzigd en voor het overige wordt bevestigd; VII-36.985-1/22 Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 19 juli 2007 ingediend door Ann DHONDT; Gelet op de beschikking van 24 juli 2007 die de tussenkomst van Ann DHONDT toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur P. PROVOOST; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memories van de verzoekende partijen en van de tussenkomende partij; Gelet op de beschikking van 24 juni 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 3 september 2009; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat Gw. VERMEIRE, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat P.-J. STAELENS die, loco advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat K. VAN WYNSBERGE, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur P. PROVOOST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; VII-36.985-2/22 OVERWEEGT WAT VOLGT: 1. De feiten De gegevens van de zaak kunnen als volgt worden samengevat : 1.1. De tussenkomende partij exploiteert een kippenhouderij aan de Hanestraat in Nazareth. Zij beschikt over een vergunning voor 30.000 kippen. Deze vergunning werd afgesplitst van een vergunning die op 6 maart 1987 werd verleend aan de vader van de tussenkomende partij, voor een termijn van twintig jaar. De stallen staan in agrarisch gebied, de bedrijfswoning en de toegangsweg bevinden zich in woongebied met landelijk karakter. De verzoekende partijen wonen naast de inrichting, in woongebied met landelijk karakter. 1.2. De verzoekende partijen beklagen zich reeds geruime tijd over hinder door de inrichting. De tussenkomende partij wordt strafrechtelijk vervolgd en op 11 mei 2004 door de correctionele rechtbank van Gent veroordeeld. Aan de verzoekende partijen wordt schadevergoeding toegekend en er wordt een exploitatieverbod opgelegd. Op 15 september 2006 heeft het hof van beroep van Gent de straf verminderd en wordt het exploitatieverbod opgeheven. 1.3. Op 1 maart 2006 dient de tussenkomende partij een vergunningsaanvraag in voor de verdere exploitatie en verandering van de inrichting. Tijdens het openbaar onderzoek worden een tiental bezwaarschriften en een petitie ingediend. 1.4. Op 7 september 2006 wordt de gevraagde vergunning verleend door de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen, waarbij een aantal bijzondere voorwaarden wordt opgelegd, onder meer ter bestrijding van geurhinder. De verzoekende partijen tekenen administratief beroep aan. 1.5. De volgende adviezen worden verleend : (

  1. a)de Vlaamse Landmaatschappij adviseert gunstig; (
  2. b)de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen adviseert gunstig; (
  3. c)de afdeling Milieuvergunningen adviseert gunstig, maar stelt wel bijkomende voorwaarden voor; zo moet de tussenkomende partij onder meer de exploitatie tijdens de zomer gedurende één maand stilleggen, deelnemen aan een bijzonder VII-36.985-3/22 studieproject inzake bestrijding van stofhinder en bij gunstige evaluatie daarvan de techniek blijvend toepassen; (
  4. d)de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie ten slotte adviseert gunstig en voegt aan de door de afdeling Milieuvergunningen voorgestelde voorwaarden nog een bijkomende voorwaarde toe met betrekking tot de regeling van het ventilatiesysteem. 1.6. Op 9 maart 2007 wordt het bestreden besluit genomen dat de door de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen verleende vergunning bevestigt onder de door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie voorgestelde voorwaarden. De motivering luidt als volgt : "Overwegende dat vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met de toepasselijke ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; Overwegende dat het beroep ingediend door derden betrekking heeft op het verder exploiteren en veranderen van een pluimveehouderij voor 30.000 slachtkippen verdeeld over 2 stallen van respectievelijk 14.000 en 16.000 kippen en aanhorigheden; Overwegende dat in de basisvergunning, die dateert van 6 maart 1987 een vergunning werd verleend aan Dhondt Julien voor een mestkuikenbedrijf op de perceelnrs. 364q, 366l, 367k2, 367p2 en 370e voor maximum 50.000 dieren, voor een vergunningstermijn van 20 jaar; dat bij besluit van 12 augustus 1991 aktename werd gedaan van de melding van gedeeltelijke overname (20.000 mestkuikens) door Dirk De Praetere en bij besluit van 4 augustus 1999 aktename werd gedaan van de melding van overname (30.000 mestkuikens) door Ann Dhondt; Overwegende dat bij besluit van 27 januari 2000 de vergunning werd verleend aan Ann Dhondt om een mestkuikenbedrijf te veranderen door wijzigen en uitbreiden en toevoegen zodat de inrichting 30.000 mestkippen omvat op de perceelnrs. 367/s/2, 367 /t/2, 367/v/2 en 367 /w/2; dat in de huidige aanvraag ook dezelfde kadasternummers worden aangevraagd; dat kadasternummers in de loop der jaren soms gewijzigd worden op initiatief van het kadaster maar op de kadastrale plannen kan men goed nagaan dat het om dezelfde locatie gaat; Overwegende dat er dus in 1991 een gedeeltelijke overname is gebeurd van het oorspronkelijke bedrijf; dat het nu aangevraagde bedrijf geen milieutechnische eenheid meer vormt met het bedrijf van Dirk De Praetere omdat er geen samenhang meer is noch geografisch (Hanestraat 7 en Hanestraat 17: er liggen 5 percelen van derden tussen beide inrichtingen, onder andere de woningen van de beroepindieners), noch materieel, noch operationeel (twee verschillende exploitanten); Overwegende dat overeenkomstig bijlage I van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectenrapportage, een project-m.e.r. moet worden opgesteld voor installaties voor intensieve pluimvee met meer dan 85.000 plaatsen voor mesthoenders of 60.000 plaatsen voor hennen (legkippen); dat overeenkomstig bijlage II van dit besluit de initiatiefnemer een gemotiveerd verzoek tot ontheffing kan indienen voor intensieve veeteeltbedrijven met een stal van 60.000 tot 85.000 plaatsen voor ander gevogelte dan legkippen of met VII-36.985-4/22 40.000 tot 60.000 plaatsen voor legkippen, en geheel of gedeeltelijk gelegen in een ander gebied dan 'agrarisch gebied in de ruime zin'; dat bijgevolg kan worden gesteld dat de aangevraagde inrichting voor 30.000 slachtkippen hier niet onder valt en niet dient onderworpen te worden aan een project-m.e.r.; Overwegende dat de bedrijfsvoering van een slachtkuikenbedrijf als volgt is: de kuikens worden op het bedrijf geleverd en gedurende 6 weken opgefokt, na 6 weken worden de slachtrijpe kippen weggehaald en blijft de stal een 2-tal weken leeg staan met het oog op het verwijderen van de mest en de volledige reiniging van de stallen; dat bijgevolg één ronde op het bedrijf 8 weken duurt; dat er 6 rondes per jaar zijn; Overwegende dat de onmiddellijke omgeving tamelijk dicht bebouwd is; dat binnen een straal van 100 meter rondom de perceelsgrenzen circa 20 woningen staan; dat de dichtste woning op circa 20 meter afstand van de dichtstbijgelegen stal staat; dat de dichtste woning van de beroepindieners op circa 30 meter van de dichtstbijgelegen stal staat; Overwegende dat de woningen zijn gelegen in een woongebied met landelijk karakter; dat volgens artikel 5.9.5.3., §1 van titel II van het VLAREM voor de pluimveestallen ten opzichte van deze gebieden geen afstandregels gelden; Overwegende dat er reeds sinds 1967, 30.000 kippen worden gehouden in de huidige stallen; dat pas sedert 1999 klachten in verband met geurhinder werden ingediend; Overwegende dat tijdens het openbaar onderzoek 10 bezwaren en een petitie werden ingediend, met als voornaamste argument geurhinder; dat er dient opgemerkt dat het aantal gezinnen dat de petitie bij het openbaar onderzoek heeft ondertekend gedaald is van 28 in 1999 tot 12 naar aanleiding van de huidige aanvraag; Overwegende dat de twee beroepindieners ten westen wonen van de kippenstallen; dat ten westen van de beroepindieners tevens een ander kippenbedrijf is gelegen; dat gelet op de overheersende zuidwestenwinden de beroepindieners niet zijn gelegen in die richting ten opzichte van de aangevraagde inrichting, dat dit wel het geval is ten opzichte van het ander kippenbedrijf; Overwegende dat in de periode van 30 juni 1999 tot 9 september 2006, 66 processen verbaal zijn opgesteld wegens geurhinder; Overwegende dat in het arrest van het Hof van Beroep te Gent van 15 september 2006 de beklaagde Ann Dhondt o.a. wordt veroordeeld omdat de beklaagde wetens en willens gedurende lange tijd gehandeld heeft in strijd met het milieuvergunningsdecreet; dat in het arrest ook staat dat niet blijkt dat op burgerrechtelijk gebied een exploitatieverbod zou moeten worden opgelegd om een einde te stellen aan de schadelijke gevolgen van het bewezen misdrijf omdat het aan het Hof niet toekomt om te onderzoeken of er op heden nog sprake is van abnormale geurhinder waarbij hic et nunc tekort gekomen wordt aan de zorgvuldigheidsplicht; dat blijkt dat de exploitant na de geïncrimineerde periode, en meer bepaald vooral in 2004 en 2005, bepaalde maatregelen heeft genomen zodat de toestand niet ongewijzigd is blijven verder duren tot heden; dat uit het arrest blijkt dat in de periode van 2000 tot en met 2002 er zich geregeld geurhinder heeft voorgedaan die abnormaal was in die zin dat het om hinder ging die niet valt binnen de grenzen van wat een redelijk mens in dezelfde omstandigheden dient te aanvaarden als normale hinder ten gevolge van de ligging ten opzichte van de inrichting; dat dit ook werd bevestigd in een deskundigenonderzoek geurhinder dat heeft plaatsgevonden in 2003, uitgevoerd door Project Research Gent, ir. T. Van Elst; Overwegende dat in de geurstudie van 2003, uitgevoerd door Project Research Gent naast het basisprincipe van 'good housekeeping' als mogelijke maatregel een stoffilter wordt voorgesteld; VII-36.985-5/22 Overwegende dat in het besluit van 9 december 2004 van de deputatie, bevestigd bij ministerieel besluit van 6 juni 2005 de volgende bijzondere voorwaarden werden opgelegd: 'De exploitant dient de bronbeperkende maatregelen en de emissiebeperkende maatregelen zoals voorgesteld in de studie uitgevoerd door de NV Trevi (augustus 2004) opgesteld door E. Smet (erkend deskundige in de discipline lucht) en S. Deboosere (erkend deskundige in de discipline water en lucht) uit te voeren, onder meer door: - regelmatige controle van de DS-gehalte en de pH van de strooisellaag; - het dagelijks inspecteren van de drinkklokken op overlopen en aanpassen van de hoogte in functie van de ouderdom van de dieren; - het regelmatig onder de drinkklokken losmaken van de strooisellaag en vers strooisel toevoegen, ook op eventuele andere natte zones in de stallen bijstrooien; - het trachten om tijdens koudere perioden door een tijdelijke verhoogde instelling van de minimumventilatie, langs de gekoppelde regeling ventilatie-verwarming, een verhoogd ventilatiedebiet te bekomen; - het bijhouden van alle geurrelevante gegevens in het logboek; Als bemerking bij maatregelen aan de bron zou het nuttig zijn te onderzoeken of sinds 1999 een wijziging in de samenstelling van de voeders is doorgevoerd waardoor eventueel de mest van de kuikens mogelijks anders is samengesteld (geur, vochtigheid) ... - indien zou blijken dat de maatregelen aan de bron onvoldoende zijn geworden dienen remediërende maatregelen opgelegd, zoals de maatregelen voorgesteld door Trevi: een verbeterde dispersie door verhoging van de emissiehoogte van 0,50 meter naar 2,50 meter boven de nok van het dak + het voorzien van een venturi-effect op de schoorsteen. - het gebruik van een doekfilter dient onderzocht te worden op efficiëntie en economische haalbaarheid. Indien dergelijke filter én efficiënt én economisch haalbaar is, dient hij geïnstalleerd te worden. Binnen de 12 maand dienen de emissiebeperkende maatregelen (verlengen van de schouwhoogte, ... ) te worden uitgevoerd'; Overwegende dat in het verslag van 4 juli 2005, opgemaakt door een milieudeskundige erkend in de discipline lucht, van de N.V. Trevi geconcludeerd wordt dat: - de bronbeperkende maatregelen worden door mevrouw Dhondt uitgevoerd. Het betreft hier voornamelijk: - regelmatige controle droge stof gehalte van het strooisel; - inspectie van de drinkklokken en aanpassen hoogte; - rakelen van het strooisel en bijstrooien waar nodig; - bijhouden van een logboek met relevante gegevens; - op basis van proefvaststellingen op het bedrijf wordt geconcludeerd dat enerzijds grofmazige stoffiltratie te arbeidsintensief en onvoldoende efficiënt is (circa 3% rendement) om weerhouden te worden en anderzijds fijnmazige stoffiltratie ondermeer een aanpassing van de ventilatie vereist (+ automatische reiniging) en dus vanuit economisch standpunt niet haalbaar is; dit bevestigt de conclusie die wordt getrokken op het einde van de studie van Groot Koerkamp et al.

(1996); - N.V. Trevi adviseert om voornamelijk via een goed beheer van het vochtgehalte in de strooisellaag de geuremissie uit de stallen verder te blijven beperken; - de bestaande milieukokers zullen worden vervangen door een type met een hogere schouw en de bestelling van deze nieuwe milieukokers is geplaatst; Overwegende dat momenteel de twee stallen van het ingestrooide type zijn met een mechanisch verluchtingssysteem via een uitlaat op circa 2,5 meter VII-36.985-6/22 boven de nok (sedert mei 2005) zonder pet; dat er geen mest wordt opgeslagen en de ophaling van de mest dient te gebeuren binnen de 48 uur; dat overeenkomstig artikel 5.9.5.
  1. van titel II van het VLAREM de inrichting 160 waarderingspunten haalt, waardoor de afstand ten opzichte van hindergevoelige gebieden 225 meter dient te bedragen; dat het dichtst hindergevoelige gebied, dit is een woonuitbreidingsgebied, op circa 760 meter is gelegen; dat bijgevolg de inrichting voldoet aan de afstandsregels; dat bovendien conform artikel 3.2.1.
  2. van titel II van het VLAREM de verbods- en afstandsregels zoals voorzien in artikel 5.9.5.
  3. niet van toepassing zijn voor bestaande inrichtingen, ook niet bij de hernieuwing van de vergunning; Overwegende dat volgens de door de minister goedgekeurde lijst van stalsystemen voor ammoniakemissiereductie slachtkuikens een diercategorie zijn waarvoor nog geen emissiearme systemen bestaan; dat voor deze categorie de traditionele stal momenteel nog steeds de best beschikbare techniek is; Overwegende dat de bedrijfsexploitatie gebeurt volgens de BBT-technieken zoals beschreven in de recente BBT-studie van de veeteeltsector van 16 februari 2006; dat hierin onder andere de volgende maatregelen staan om geurhinder te voorkomen: - vloerbevuiling zoveel mogelijk voorkomen door strooisel droog te houden en verspilling van water tegen te houden; - het verdunningseffect door het verhogen van het emissiepunt is afhankelijk van meteorologische omstandigheden; het verhogen van emissiepunten is geen efficiënte geurverwijderingstechniek maar kan bij lokale geurhinder wel een oplossing bieden; Overwegende dat bij het plaatsbezoek op 30 november 2006 door een vertegenwoordiger van de afdeling Milieuvergunningen, de dieren circa 2 weken oud waren; dat er geen geurhinder kon worden vastgesteld en dat de inrichting op een nette manier en met zorg voor hygiëne wordt geëxploiteerd; dat uit het logboek, ter inzage bij de exploitant, blijkt dat de stallen dagelijks worden geïnspecteerd, de drinkklokken op regelmatige basis worden verhoogd en de strooisellaag regelmatig wordt losgemaakt en vers strooisel wordt toegevoegd; Overwegende dat uit het Trevi-rapport blijkt dat het van groot belang is dat het DS-gehalte hoger is dan 60% omdat de geurhinder dan sterk afneemt; dat het bijstrooien gedurende de opkweekperiode een gunstig effect heeft op het DS-gehalte van de strooisellaag; dat in de bestreden beslissing is opgelegd dat het DS-gehalte en de pH van de strooisellaag regelmatig moeten worden gecontroleerd; dat dit gebeurt door de N.V. Trevi; dat het evenwel niet duidelijk is wat men onder 'regelmatig' bedoelt; dat het bijgevolg aangewezen is dat dit wordt verduidelijkt in de bijzondere voorwaarden, namelijk in de voorlaatste week van een ronde en dit viermaal per jaar; Overwegende dat de exploitant tal van maatregelen aan de bron heeft genomen om de vochttoestand van het bodemstrooisel optimaal te houden om geurhinder te voorkomen; - manueel losharken van strooisel om in aërobe toestand te houden en het uitdrogen te bevorderen; - meer strooisel gebruiken en regelmatig bijstrooien; - drinkklokken met dubbele rand tegen water morsen; - multifasevoedering toepast om de nutriëntenopname (stikstofaanbod) beter af te stemmen op de behoefte; hierdoor heeft men een reductie van de N-excretie; - relatief lage dierbezetting: 17 tot 18 kippen per m² in plaats van 21 dieren per m²; Overwegende dat de exploitant ook nog proeven heeft gedaan met voedingssupplementen en additieven toevoegen aan bodemstrooisel maar dat VII-36.985-7/22 de resultaten hiervan niet duidelijk waarneembaar waren zodat deze niet worden toegepast; Overwegende dat de exploitant haar akkoord heeft gegeven om mee te werken aan een project van de N.V. Trevi ter bestrijding van stof in vleeskuikenstallen door middel van olie-waterverneveling; dat dit project (voornamelijk een literatuurstudie) van start is gegaan in april 2006; dat verwacht wordt dat dit project zal afgerond worden in april 2007; dat de testen in vleeskuikenstallen van de exploitant zouden kunnen plaatsvinden in het voorjaar van 2007; Overwegende dat overeenkomstig artikel 4.1.
  4. van titel II van het VLAREM de exploitant steeds de beste beschikbare technieken moet toepassen ter bescherming van mens en milieu en dit zowel bij de keuze van behandelingsmethodes op het niveau van de emissies als bij de keuze van bronbeperkende maatregelen; dat indien zou blijken dat de olie- en waterverneveling een efficiënte maatregel zou zijn om de geurhinder verder te beperken, de exploitant deze techniek dient toe te passen; dat dit dient te worden opgelegd in een bijzondere voorwaarde; Overwegende dat de afdeling Milieu-inspectie op 31 augustus 2006 aan de exploitant een aanmaning heeft gegeven om tegen eind 2006 een evaluatie uit te voeren van de efficiënte werking van het ventilatiesysteem naar geurdispersie toe, meer bepaald de efficiëntie van de milieukokers (de verhogingen van de schouwen + venturi-effect) als middel om grotere geurdispersie te krijgen; dat in het evaluatierapport van de N.V. Trevi van december 2006 over de werking van de luchtkokers geconcludeerd wordt dat op basis van de bevindingen het aangewezen is om de ventilatie in beide stallen zo uit te voeren/aan te passen dat de ventilatoren niet ingeregeld worden op een waarde beneden de 35 % , en dit teneinde een voldoende dispersie via de luchtkokers te blijven behouden; dat de dispersie uit de stallen wordt geoptimaliseerd door de vereiste ventilatiecapaciteit in te vullen met een zo laag mogelijk aantal ventilatoren die op een zo hoog mogelijke ventilatiecapaciteit draaien; dat er wel dient vermeden te worden dat er in de stal lokaal afwijkende temperaturen of NH3-concentraties ontstaan die het welzijn van de dieren negatief beïnvloeden; dat het daarom aangewezen lijkt om tijdens de wintermaanden in uitzonderlijke omstandigheden (bijvoorbeeld tijdens de eerste weken van de ronde en bij koud weer) toch de mogelijkheid open te blijven houden om gedurende korte periode op minimale ventilatie-inregeling te kunnen draaien; Overwegende dat de in de studie voorgestelde aanpassingen aan het ventilatiesysteem dienen te worden opgelegd als bijzondere voorwaarde en door de exploitant te worden uitgevoerd; Overwegende dat de geurhinder afhankelijk is van de weersomstandigheden en van de windrichting; dat het risico op hinder hoofdzakelijk 3 weken (laatste weken als dieren groter zijn) op de 8 (een cyclus) plaatsvindt; dat de woningen van de beroepindieners ten westen-noordwesten van de stallen zijn gelegen; dat bijgevolg, in geval de wind uit het oosten-zuidoosten komt, deze hinder kunnen ondervinden; dat zuidoostenwind echter geen overheersende windrichting is; dat in een straal van 100 meter circa 7 woningen ten noorden-noordoosten van de inrichting zijn gelegen wat wel in de overheersende windrichting is; dat hiervan niemand in beroep is gegaan; dat de uitbating van een landbouwbedrijf een zekere geurhinder met zich meebrengt; Overwegende dat in een document van 21 oktober 2005 door Prof. Dr. ir. M. Debruykere gewezen voorzitter Vakgroep Landbouwtechniek UGent, de potentiële geurhinder voor de beroepindieners in % van de tijd op jaarbasis werd berekend, rekening houdende met officiële windstatistieken van het KMI; dat hieruit blijkt dat dit 3,18 % van de tijd is terwijl dit voor de bewoning gelegen windafwaarts de hokken 13,5 % van de tijd bedraagt; VII-36.985-8/22 Overwegende dat vooral in de zomermaanden geurhinder een nadelig effect kan hebben op het woonklimaat van de omwonenden; dat hiervoor in de bestreden beslissing is opgelegd dat de exploitant in de mate van het mogelijke dient rekening te houden met de zomerverlofperiode in die zin dat de 3 meest storende weken van de cyclus niet vallen in de periode rond 15 juli; dat deze voorwaarde op verschillende manieren kan worden geïnterpreteerd, dat het aangewezen is dat deze voorwaarde wordt gewijzigd; dat rekening houdende met het feit dat er 6 rondes van 8 weken per jaar zijn (dit is 48 weken van de 52 weken) het aangewezen is dat de exploitant in de zomermaanden een rustperiode inlast waarin gedurende 30 dagen (een maand) geen kippen worden gehouden; Overwegende dat uit voorgaande overwegenden blijkt dat de exploitant enerzijds de best beschikbare technieken gebruikt en anderzijds extra maatregelen treft waardoor de hinder eigen aan de exploitatie van een pluimveebedrijf tot een voor de omgeving aanvaardbaar niveau wordt beperkt; dat bijgevolg voldaan wordt aan artikel 4.1.3.
  5. van titel II van het VLAREM waarin staat dat de exploitant als normaal zorgvuldig persoon alle nodige maatregelen moet treffen om de buurt niet te hinderen door onder andere geur; Overwegende dat de termijn voor het indienen van een hernieuwingsaanvraag (tussen de 12de en l8de maand voor het verval van de vergunning) een termijn van orde is; dat de aanvraag werd ingediend op 1 maart 2006 en dus tijdig werd ingediend aangezien de vergunning nog geldig is tot en met 5 maart 2007; Overwegende dat overeenkomstig de indelingslijst van titel I van het VLAREM noch voor de rubriek 9.3.1.c.
  6. noch voor de rubrieken 28.2.b.
  7. en 2S.2.c.
  8. de Vlaamse Milieumaatschappij is aangeduid als adviesverlenende instantie; Overwegende dat gesteld kan worden dat de risico’s voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde exploitatie mits naleving van de aangepaste milieuvergunningsvoorwaarden tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat het beroep gedeeltelijk gegrond te verklaren en de bestreden beslissing te wijzigen".
  9. De ontvankelijkheid 2.
  10. De tussenkomende partij werpt in haar verzoekschrift tot tussenkomst op dat in toepassing van artikel 71 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna : algemeen procedurereglement) de Raad van State eist dat het bewijs van de betaling van het zegelrecht een origineel bewijs van storting is dat de handtekening draagt van de verantwoordelijke van de financiële instelling. Uit nazicht blijkt volgens haar dat aan het originele verzoekschrift geen origineel bewijs van storting hangt dat door de verantwoordelijke van de financiële instelling getekend is. De verzoekende partijen hebben enkel het strookje van het overschrijvingsformulier bijgevoegd dat echter niet ondertekend is door een verantwoordelijke van de financiële instelling. Het beroep is volgens de tussenkomende partij bijgevolg niet ontvankelijk. VII-36.985-9/22 2.
  11. De verzoekende partijen antwoorden dat hun raadsman navraag deed bij de griffie van de Raad van State. Het origineel bewijs van betaling is overgemaakt en de betaling is daadwerkelijk gebeurd op de rekening 679-2003010-57 van het registratiekantoor Brussel
  12. De nodige vormvereisten en vooral de betalingen zijn volgens hen effectief nagekomen. 2.
  13. Ten tijde van het indienen van het beroep luidde artikel 71, eerste lid, van het algemeen procedurereglement :"De rechten bepaald in voorgaand artikel worden betaald, hetzij, via elektronische betaalmiddelen op het ogenblik van neerlegging van het origineel verzoekschrift of de originele vordering tot schorsing of de vordering tot voortzetting van de procedure bepaald in artikel 70, § 2, tweede lid, hetzij, via voorafgaandelijke storting of overschrijving op de rekening van het zesde registratiekantoor van Brussel. Een gedateerd betalingsbewijs dient aan de vordering of het verzoekschrift te worden toegevoegd. Andere betalingsmodaliteiten kunnen worden voorzien door de bevoegde Minister of de bevoegde overheidsdienst". Bij het verzoekschrift tot nietigverklaring zijn twee luiken "ontvangstbewijs" van een overschrijvingsformulier gevoegd, waarop een stempel is aangebracht - naar mag worden aangenomen in een bankkantoor - met een streepjescode en een datum : 350 euro op 10 mei 2007 en 175 euro op 14 mei
  14. Dit voldoet aan artikel 71 van het algemeen procedurereglement. De exceptie wordt verworpen.
  15. Ten gronde 3.
  16. In hun laatste memorie stellen de verzoekende partijen dat zij niet verder aandringen op de inwilliging van het eerste middel. Dit wordt als de afstand van het middel beschouwd. 3.2.
  17. De verzoekende partijen voeren in het tweede middel de schending aan van het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu zoals gewaarborgd door artikel 23, derde lid, 2/ en 4/, en artikel 33 van de Grondwet en door artikel 2.1.3 van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna : Vlarem II), van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden van 4 november 1950 (hierna : EVRM), van het VII-36.985-10/22 zorgvuldigheidsbeginsel, van het redelijkheidsbeginsel, van artikel 4.2 en bijlagen II en III van de richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, zoals gewijzigd door de richtlijn 97/11/EG van de Raad van 3 maart 1997 (hierna : MER- richtlijn) en de bijhorende motiveringsplicht en loyauteitsplicht in samenhang met artikel 52, 3/, b), van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna : Vlarem I), van artikel 10 van het EG-verdrag, van de formele en materiële motiveringsverplichting vervat in onder meer artikel 17 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna : milieuvergunningsdecreet) en in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna : motiveringswet). 3.2.1.
  18. In een eerste onderdeel zetten de verzoekende partijen omstandig uiteen waarom het bestreden besluit een schending inhoudt van de genoemde grondrechten. Zij brengen daartoe stukken bij die de intrinsiek sterk vervuilende en hinderlijke aard van kippenhouderijen moeten aantonen en zij wijzen op de plaatselijke toestand. Zij verwijzen naar voornoemd vonnis van 11 mei 2004 van de correctionele rechtbank van Gent en voornoemd arrest van 15 september 2006 van het hof van beroep van Gent. Zij menen dat het verlenen van de vergunning ook een schending inhoudt van het redelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel. 3.2.1.
  19. In een tweede onderdeel stellen de verzoekende partijen dat de MER-richtlijn door het besluit van de Vlaamse regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage (hierna : MER-besluit) niet correct zou zijn omgezet. Zij expliciteren evenwel niet waaruit de niet-correcte omzetting bestaat en hoe een gebeurlijke schending van de MER-richtlijn kan leiden tot de vernietiging van het bestreden besluit. 3.2.2.
  20. Wat betreft het eerste onderdeel van het tweede middel verwijst de verwerende partij naar de motivering van het bestreden besluit en naar het advies van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie, waaruit zij uitvoerig citeert. Zij wijst op de bijzondere vergunningsvoorwaarden die opgelegd werden. Zij wijst erop dat het hof van beroep van Gent in zijn arrest heeft vastgesteld dat de ernstige hinder in het verleden te wijten was aan een onwettige exploitatiewijze, maar dat sindsdien maatregelen werden genomen die de hinder moeten beperken. Er zijn VII-36.985-11/22 inmiddels ook onderzoeksverslagen die de wijziging in gunstige zin van de wijze van exploiteren bevestigen. 3.2.2.
  21. Wat betreft het tweede onderdeel antwoordt de verwerende partij dat het MER-besluit een richtlijnconforme omzetting is van artikel 4 van de MER- richtlijn. Artikel 4, tweede lid, van de MER-richtlijn bepaalt dat de lidstaten voor de projecten in bijlage II van de MER-richtlijn, waaronder de vergunde inrichting ressorteert, ofwel per gevalstudie dan wel aan de hand van de door hen vastgestelde drempelwaarden of criteria kunnen beslissen of een bepaald project al dan niet aan milieueffectenrapportage moet worden onderworpen. Het MER-besluit stelt drempelwaarden vast aan de hand waarvan kan worden uitgemaakt of een bepaalde inrichting al dan niet aan milieueffectenrapportage moet worden onderworpen. Het MER-besluit stipuleert dat er een project-MER moet worden opgesteld voor installaties voor intensieve pluimveeteelt met meer dan 85.000 plaatsen voor mesthoenders of 60.000 plaatsen voor hennen (legkippen). Overeenkomstig bijlage II van het MER-besluit kan de exploitant een gemotiveerd verzoek tot ontheffing van MER-rapportage indienen voor een intensief pluimveebedrijf met 40.000 tot 60.000 plaatsen voor legkippen (conform artikel 2, derde lid, van de MER-richtlijn). In het MER-besluit worden de selectiecriteria bedoeld in bijlage III van de MER-richtlijn op een richtlijnconforme wijze ingepast, hetgeen onder meer blijkt uit het definitieapparaat in artikel 1 van het MER-besluit waar het begrip "bijzondere beschermde gebieden" wordt omschreven. De verwerende partij stelt nog dat het richtlijnconforme karakter van het MER-besluit ook blijkt uit de in bijlagen I en II vastgelegde drempelwaarden en criteria zelf, dat aangezien de vergunde inrichting voor 30.000 slachtkippen niet de voornoemde drempelwaarden overschrijdt, de verwerende partij naar rechte kon besluiten dat de vergunde inrichting niet onderworpen was aan de MER-rapportage. 3.2.3.
  22. De tussenkomende partij merkt in haar verzoekschrift tot tussenkomst op, wat het eerste onderdeel betreft, dat artikel 23 van de Grondwet en artikel 8 van het EVRM - waarvan het nog de vraag is of deze rechtstreekse werking hebben - subjectieve rechten waarborgen, die overeenkomstig artikel 144 van de Grondwet tot de uitsluitende bevoegdheid van de rechtscolleges van de rechterlijke orde behoren, dat het middel dus niet ontvankelijk is in zoverre het op deze bepalingen gebaseerd is, dat artikel 23 van de Grondwet geen rechtstreekse werking heeft, maar dat de uitoefening van de betrokken rechten verder moet worden uitgewerkt in wetten en decreten, dat, voor het Vlaamse Gewest, dit gebeurt door middel van het milieuvergunningsdecreet en zijn uitvoeringsbesluiten, dat de VII-36.985-12/22 verzoekende partijen niet aantonen dat de bescherming van de rechten opgenomen in artikel 23 van de Grondwet onvoldoende wordt gewaarborgd door de geldende wetgeving, dat zij evenmin aantonen dat deze wetgeving geschonden werd door het bestreden besluit. Wat artikel 8 van het EVRM betreft, verwijst de tussenkomende partij naar rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens die stelt dat enkel buitensporige hinder aanleiding geeft tot een schending van artikel 8 van het EVRM, of die stelt dat het moet gaan om ernstige hinder die rechtstreeks door de overheid wordt veroorzaakt of voortvloeit uit een ondoeltreffende regulering door de overheid. De tussenkomende partij verwijst eveneens naar het arrest van het hof van beroep van Gent van 15 september 2006, en naar de in het bestreden besluit opgelegde vergunningsvoorwaarden. 3.2.3.
  23. Wat het tweede onderdeel betreft, stelt de tussenkomende partij dat in bijlage II van de MER-richtlijn enkel vermeld is dat bedrijven met stalruimte conform artikel 4, tweede lid, van de MER-richtlijn onderworpen kunnen worden aan de MER-plicht, dat de lidstaten hier echter over een grote beleidsruimte beschikken, dat enkel indien de lidstaten van oordeel zijn dat de kenmerken van de inrichting dit vereisen, opmaak van een MER noodzakelijk zal zijn, dat de lidstaten overigens de bevoegdheid hebben om vrij drempelwaarden of criteria op te leggen bij het omschrijven van de MER-plicht, dat de verwerende partij van deze bevoegdheid op redelijke wijze gebruik heeft gemaakt, dat uit de tekst van artikel 4 van de MER-richtlijn niet blijkt dat er een verplichting zou bestaan voor de overheid om een inrichting als deze van de tussenkomende partij op te nemen in de lijst met MER-plichtige activiteiten, dat de verzoekende partijen ten onrechte voorhouden dat er sprake zou zijn van een schending van een niet richtlijnconforme uitvoering, dat er geen schending is van de MER-richtlijn, dat er evenmin sprake is van een schending van artikel 10 van het EG-verdrag. 3.2.
  24. De verzoekende partijen repliceren in hun memorie van wederantwoord, wat het eerste onderdeel betreft, dat de verwerende partij vooral maatregelen heeft opgelegd in de stallen, terwijl het henzelf te doen is om de situatie buiten de stallen, dat de maatregelen die de overheid voorstelt niets veranderen aan het volume vervuilde stallucht, noch aan de zuivering ervan, dat de zuivering onbestaande is, dat de tussenkomende partij onterecht beweert dat het hier gaat om een geschil inzake subjectieve rechten, dat het gaat om een geschil inzake een milieuvergunning, dat artikel 8 van het EVRM ook kan worden beoordeeld door de Raad van State, dat in strikte zin de tegenpartijen wel gelijk hebben dat artikel 23 van de Grondwet vertaald moet worden via wetten en decreten, ook via VII-36.985-13/22 reglementaire besluiten, dat het te dezen evenwel gaat over een milieuvergunning, dat, wat het tweede onderdeel betreft, de omzetting van de MER-richtlijn niet voldoet aan bijlage III ervan en buiten toepassing moet worden gelaten, dat, omdat de verwerende partij het MER-besluit buiten toepassing had moeten laten, zij een gevalstudie had moeten maken, wat zij niet heeft gedaan. 3.2.5.
  25. De verzoekende partijen doen in hun laatste memorie afstand van het tweede middel voor zover er een schending van artikel 23 van de Grondwet wordt ingeroepen. 3.2.5.
  26. Vervolgens stellen de verzoekende partijen dat noch artikel 8 van het EVRM, noch de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens bepaalt dat enkel "buitensporige" hinder verboden is, dat "ernstige" hinder een minder strenge vereiste is dan "buitensporige" hinder. Zij tonen aan dat zij ernstige hinder ondervinden op het vlak van wonen, gezin en gezondheid tengevolge van de exploitatie van de tussenkomende partij, en dat artikel 8 van het EVRM bestemmingsongevoelig is. De gewestplanbestemming is bijgevolg weinig of niet relevant en de verwerende partij schendt wel degelijk artikel 8 van het EVRM door een overwicht van materiële voordelen te gunnen aan de tussenkomende partij en een overtal van nadelen aan de verzoekende partijen. 3.2.6.
  27. Artikel 2.1.3 van Vlarem II bevat algemene beleidsdoelstellingen die gelden in het Vlaamse Gewest. Het legt geen concrete en op elke individuele en lokale vergunningsaanvraag toepasselijke verplichtingen en verbodsbepalingen op. Dit voorschrift kan enkel geschonden worden door een beslissing over een milieuvergunningsaanvraag die kennelijk indruist tegen die algemene beleidsdoelstellingen en wel op een wijze die een meer dan tijdelijke of plaatselijke impact heeft. Het verzoekschrift bevat geen argumenten die tot dergelijke conclusie kunnen leiden. Om milieuhinder als een inbreuk op artikel 8 van het EVRM te beschouwen, moet het gaan om ernstige of zelfs buitensporige hinder. Het komt de verzoekende partijen toe de ernst van de hinder aan te tonen. Zij verwijzen daarvoor naar de dossierstukken. De vraag is evenwel niet of de verzoekende partijen hinder ondervinden van de vergunde inrichting. Dat dit het geval is, wordt niet betwist en het bestreden besluit erkent dit ook met zoveel woorden. De vraag is of de hinder dermate ernstig of zelfs buitensporig is en of de verwerende partij in gebreke blijft de verzoekende partijen ervan te vrijwaren. Bij die beoordeling moet rekening VII-36.985-14/22 worden gehouden met de relevante regelgeving en dus ook met de bestemmings- voorschriften, die een belangrijk onderdeel vormen van de interne regelgeving terzake. De verzoekende partijen hebben ervoor gekozen om te wonen in woongebied met landelijk karakter, waar wonen en landbouw op gelijke voet staan en dan nog aan de rand van agrarisch gebied, dat in beginsel exclusief is bestemd voor agrarische of para-agrarische activiteiten. Het beschermingsniveau, tegen hinder uit agrarische activiteiten, waarop zij aanspraak kunnen maken, ligt daardoor lager dan het geval zou zijn wanneer zij zouden wonen in een gebied waar de bestemming wonen primeert. Dit betekent niet dat zij uit de aard van de zaak geen ernstige of zelfs buitensporige hinder zouden kunnen ondervinden. De verzoekende partijen tonen niet concreet aan dat de hinder die zij ondergaan ernstig of zelfs buitensporig is. Het eerste onderdeel van het tweede middel is ongegrond. 3.2.6.
  28. De verzoekende partijen zijn voorts van oordeel dat de MER- richtlijn onvolkomen is omgezet waar het artikel 4.2 ervan betreft, dat als volgt luidt : "
  29. Onder voorbehoud van artikel 2, lid 3, bepalen de lidstaten voor de in bijlage II genoemde projecten: a) door middel van een onderzoek per geval, of b) aan de hand van door de lidstaten vastgestelde drempelwaarden of criteria, of het project al dan niet moet worden onderworpen aan een beoordeling overeenkomstig de artikelen 5 tot en met
  30. De lidstaten kunnen besluiten om beide onder a) en b) genoemde procedures toe te passen". Artikel 4.3 van de MER-richtlijn preciseert : "
  31. Bij het onderzoek per geval of bij de vaststelling van drempelwaarden of criteria bij de toepassing van lid 2 moet met de relevante selectiecriteria van bijlage III rekening worden gehouden". Volgens de verzoekende partijen heeft de verwerende partij bij het vaststellen van de drempelwaarden, bij toepassing van bijlage II van de MER- richtlijn, in het MER-besluit onvoldoende rekening gehouden met de selectiecriteria van bijlage III van de MER-richtlijn. In bijlage II bij het MER-besluit is onder punt
  32. e), als MER- plichtig project met mogelijkheid tot ontheffing "Stal met 60.000 tot 85.000 plaatsen VII-36.985-15/22 voor ander gevogelte dan legkippen of met 40.000 tot 60.000 plaatsen voor legkippen, en geheel of gedeeltelijk gelegen in een ander gebied dan 'agrarisch gebied in de ruime zin'" opgenomen. Opdat bepalingen van een richtlijn directe werking kunnen hebben, moeten ze voldoende nauwkeurig en onvoorwaardelijk zijn, zodat de lidstaten bij de omzetting ervan geen beleidsvrijheid hebben. Dit is niet het geval bij de selectiecriteria van bijlage III van de MER-richtlijn. Deze bepalingen hebben bijgevolg geen directe werking, zodat de verzoekende partijen er zich hier niet op kunnen beroepen. Ook het tweede onderdeel van het tweede middel is ongegrond. 3.3.
  33. De verzoekende partijen voeren in het derde middel de schending aan van het wettigheidsbeginsel en verzoeken om bij toepassing van artikel 159 van de Grondwet zowel artikel 11 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (hierna : inrichtingsbesluit) als het gewestplan Oudenaarde, vastgesteld bij koninklijk besluit van 24 februari 1977, buiten toepassing te laten. De verzoekende partijen stellen dat artikel 11 van het inrichtingsbesluit om verschillende redenen onwettig is en dat de aangevoerde onwettigheid van het gewestplan Oudenaarde volgt uit de onwettigheid van het inrichtingsbesluit. 3.3.
  34. De verwerende, de tussenkomende en de verzoekende partijen zetten hun argumentatie ten gronde uiteen in respectievelijk de memorie van antwoord, het verzoekschrift tot tussenkomst en de memorie van wederantwoord. 3.3.
  35. De verzoekende partijen tonen in hun laatste memorie met betrekking tot de ontvankelijkheid van het middel aan dat ook zonder het inrichtingsbesluit er nog bepalingen en juridische elementen genoeg zijn die de beoordeling van de milieuvergunning met betrekking tot de ruimtelijke ordening kunnen sturen. In de veronderstelling dat, als het inrichtingsbesluit buiten toepassing gelaten wordt, er geen bestemmingsvoorschriften zouden bestaan, hebben de verzoekende partijen belang omdat juist die gewestplanbestemming van belang is bij de beoordeling van de schending van artikel 8 van het EVRM. Het inrichtingsbesluit geeft enkel de omschrijving van wat juist de landelijke woonzone VII-36.985-16/22 en het agrarisch gebied inhouden. Zonder het inrichtingsbesluit blijft er een bestemming. Er is nog de omzendbrief van 8 juli 1997 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen. Doch zonder die omzendbrief van 8 juli 1997 heeft de verwerende partij de beoordelingsvrijheid om alsdan te interpreteren wat verstaan moet worden onder een "agrarisch gebied" of een "landelijke woonzone" zoals op de kaart van het gewestplan is vermeld. Het belang bij een middel moet niet meer onderzocht worden eens het belang bij een vordering zelf is aanvaard. De verzoekende partijen verwijzen eveneens naar de artikelen 13, 33, 159 en 160 van de Grondwet, naar artikel 19 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 en naar de rechtszekerheid. 3.3.
  36. Het gebeurlijk buiten toepassing laten van het gehele inrichtingsbesluit impliceert niet dat de gevraagde vergunning moet worden geweigerd. Er zouden dan gewoon geen bestemmingsvoorschriften meer bestaan waaraan de aanvraag zou moeten worden getoetst. Net zomin zou het gebeurlijk buiten toepassing laten van enkel artikel 11 van het inrichtingsbesluit ertoe leiden dat er een afstandsregel werkzaam zou worden die zou impliceren dat de gevraagde vergunning zou moeten worden geweigerd. De verzoekende partijen hebben bijgevolg geen belang bij het derde middel. Het middel is derhalve niet ontvankelijk. 3.4.
  37. De verzoekende partijen voeren in het vierde middel de schending aan van de algemene beginselen van milieubeleid, meer specifiek de schending van het beginsel van preventief handelen, het voorzorgsbeginsel en het beginsel "de vervuiler betaalt", van de artikelen 1.1.3 en 1.2.1 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (hierna : milieubeleidsdecreet), van artikel 174 van het EG-verdrag, van artikel 30bis van Vlarem I, van artikel 5.9.8.1 van Vlarem II, van het redelijkheids- en zorgvuldigheidsbeginsel, van artikel 17 van het milieuvergunningsdecreet, van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet en van het verbod op bevoegdheidsoverschrijding. Zij zetten onder meer uiteen dat het bestreden besluit ten dele niet antwoordt op de grieven uiteengezet in hun beroepschrift en dat het bestreden besluit geen voorwaarden oplegt die het hoog beschermingsniveau in de zin van artikel 30bis van Vlarem I garanderen op het vlak van, onder meer, luchtkwaliteit. De vereiste dat de maatregel inzake bestrijding van stofhinder betaalbaar moet zijn, is een rekbaar begrip dat voor interpretatie vatbaar is. Die maatregel kan bezwaarlijk VII-36.985-17/22 een garanderende voorwaarde in de zin van artikel 30bis van Vlarem I worden genoemd. De vereiste van betaalbaarheid druist bovendien in tegen de omschrijving van de Beste Beschikbare Technieken (hierna : BBT) in artikel 1.1.3 van het milieubeleidsdecreet. De verwerende partij heeft geen rekening gehouden met het principe "de vervuiler betaalt" zodat artikel 174 van het EG-verdrag geschonden is. De verzoekende partijen zien niet in hoe de in het bestreden besluit opgelegde technische modaliteiten van de ventilatie enige gunstige invloed kunnen hebben op de hoeveelheid stof met de daarbijhorende geurcomponenten. Er wordt geen enkele luchtzuiverende maatregel opgelegd en het bestreden besluit getuigt van een onevenwichtige belangenafweging ten voordele van de bedrijfsvoering en ten nadele van de omwonenden. De verwerende partij heeft haar bevoegdheid inzake leefmilieu te dezen nauwelijks uitgeoefend en het bestreden besluit kan de verontreiniging van de omgevingslucht niet beperken tot de "normale burenlast". 3.4.
  38. De verwerende partij antwoordt daarop dat de vergunning alle nodige maatregelen bevat teneinde de stofemissie tot een minimum te beperken, zodat in dezen geen sprake meer zou kunnen zijn van grote significante stofhoeveelheden die zouden kunnen vrijkomen. Het niet-toepasselijk zijn van artikel 30bis, § 2, 5/, van Vlarem I blijkt ook uit het gegeven dat de Vlaamse Milieumaatschappij (hierna : VMM) zich van advies heeft onthouden. Het feit dat het bestreden besluit de toepasselijkheid van de vergunningsvoorwaarde terzake de olie- en waterverneveling ter bestrijding van de stof- en geurhinder afhankelijk maakt van de efficiëntie en de betaalbaarheid van deze olie- en waterverneveling, is niet in strijd met artikel 1.1.3 van het milieubeleidsdecreet. Opdat de olie- en waterverneveling een BBT in de zin van voornoemde decretale bepaling zou zijn, mag voorafgaandelijk worden nagegaan of deze techniek, overeenkomstig artikel 1.1.3, 3/ en 4/, van het milieubeleidsdecreet, enerzijds de meest doeltreffende is ter bestrijding van de stof- en geurhinder en anderzijds of de voorgestelde techniek geen overmatig hoge kosten teweegbrengt in hoofde van de exploitant. Als aan een van deze cumulatieve voorwaarden niet is voldaan, zoals al dan niet zal blijken uit het bij de afdeling Milieuvergunningen in te dienen onderzoeksrapport van de NV TREVI, kan de techniek dan ook geen BBT zijn in de zin van artikel 1.1.3 van het milieubeleidsdecreet. Wat het filteren van de uitgestoten lucht betreft, zijn tests uitgevoerd. De verwerende partij citeert uit een onderzoeksverslag dat besloot dat de stoffiltratie, naargelang de gekozen techniek, ofwel inefficiënt was ofwel economisch onhaalbaar en dat andere in de veeteelt gebruikelijke technieken voor toepassing in vleeskuikenstallen praktisch of economisch onhaalbaar blijken. VII-36.985-18/22 3.4.3.
  39. De tussenkomende partij argumenteert dat een inrichting voor het houden van vleeskippen geen fijn stof of asbest produceert en dat geen van de in bijlage 1.1.2 van Vlarem II opgenomen stoffen in relevante hoeveelheid aanwezig zijn. Zodoende moet geen emissiegrenswaarde worden bepaald. De aangehaalde bepalingen zijn om die reden niet geschonden. De verzoekende partijen verduidelijken niet waarom de opgelegde voorwaarde naar onderzoek van de efficiëntie en de betaalbaarheid van olie- en waterverneveling een schending van het begrip BBT zou inhouden. Artikel 1.1.3 van het milieubeleidsdecreet stelt wel degelijk dat enkel technieken dienen te worden toegepast die geen overmatige kosten meebrengen en als "overmatige kosten" worden beschouwd zij die onredelijk in verhouding staan tot het resultaat en zij die economisch niet haalbaar zijn in de betrokken industriële context. De bewoordingen "efficiënt en betaalbaar" zijn hiervan de vertaling in het bestreden besluit. Artikel 30bis van Vlarem I stelt overigens uitdrukkelijk dat voor varkens- en pluimveehouderijen rekening kan worden gehouden met de kosten en baten bij het opleggen van maatregelen. In deze context verwijst de tussenkomende partij nogmaals naar het arrest van de Raad van State nr. 170.173 van 19 april 2007 volgens hetwelk een algemene beleidsdoelstelling maar kan worden geschonden door een beslissing die kennelijk indruist tegen de algemene beleidsdoelstellingen en die een meer dan tijdelijke of plaatselijke impact heeft. Te dezen is geen kennelijke aantasting van de beleidsdoelstellingen van artikel 1.2.1 van het milieubeleidsdecreet aangetoond. Zowel het hof van beroep te Gent als de verwerende partij hebben geoordeeld dat sedert het nemen van bijkomende bijzondere hinderbeperkende maatregelen de hinder tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt en de verzoekende partijen tonen niet aan dat dit oordeel feitelijk onjuist of kennelijk onredelijk zou zijn. Ook is de kennelijke inbreuk op de in artikel 1.2.1 van het milieubeleidsdecreet opgenomen beleidsdoelstellingen en beginselen niet aangetoond. 3.4.3.
  40. Met betrekking tot de aangevoerde schending van artikel 5.9.8.1 van Vlarem II, stelt de tussenkomende partij dat dit artikel bepaalt dat de ventilatie van stallen, mechanisch of natuurlijk, zodanig moet zijn uitgevoerd dat de verontreiniging van de omgevingslucht wordt voorkomen of beperkt tot de normale burenlast, dat ramen gesloten moeten blijven voor zover zij geen functie hebben bij de luchtverversing, dat buitendeuren die conceptueel geen functie hebben bij de luchtverversing enkel geopend mogen worden voor doorgang van personen, dieren of goederen of in geval van overmacht. Zoals reeds werd aangegeven in het kader van de weerlegging van het tweede middel, zijn in het bestreden besluit duidelijke bewoordingen gebruikt om de tussenkomende partij te verplichten alle mogelijke VII-36.985-19/22 maatregelen te treffen om de buurt niet te hinderen. Dienaangaande is geoordeeld dat de opgelegde maatregelen de hinder eigen aan de exploitatie van een pluimveebedrijf beperken tot een aanvaardbaar niveau. De verzoekende partijen tonen niet aan dat dit oordeel kennelijk onredelijk of kennelijk onzorgvuldig is. Uit het bestreden besluit blijkt duidelijk dat de tussenkomende partij in het verleden reeds strenge voorwaarden toepaste en heden nog strenge voorwaarden opgelegd krijgt en uitvoert. Bij wijze van voorbeeld verwijst zij naar het exploitatieverbod tijdens de zomer. De verzoekende partijen tonen evenmin aan dat de verwerende partij de verplichting had om een luchtzuiveringsinstallatie te voorzien. Artikel 30bis van Vlarem I laat de verwerende partij op dat punt een ruime beoordelingsbevoegdheid en de uitoefening van deze appreciatiebevoegdheid is niet op kennelijk onredelijke wijze gebeurd. Met betrekking tot de vermeende schending van artikel 174 van het EG-verdrag en de daarin vervatte beginselen merkt de tussenkomende partij nog op dat deze bepaling de beleidsdoelstellingen bevat die in het EG-verdrag zijn opgelegd aan de Gemeenschappen. Uit dit gegeven alleen blijkt dat deze bepaling geen rechtstreekse werking heeft, zodat de verzoekende partijen zich niet kunnen beroepen op een schending van deze bepaling in onderhavige procedure. 3.4.
  41. De verzoekende partijen vragen in hun memorie van wederantwoord dat de Raad van State ambtshalve zou nagaan of Vlarem I wettig is waar het geen advies van de VMM oplegt bij aanvragen voor de vergunde rubrieken en zij stellen dat de studie over de olie- en waterverneveling aan de Raad van State moet worden voorgelegd en dat bovendien onvoldoende is gemotiveerd waarom stoffiltering economisch niet haalbaar is. 3.4.
  42. In hun laatste memorie argumenteren de verzoekende partijen onder meer dat "overduidelijk" geen hoog niveau van bescherming van het leefmilieu gewaarborgd wordt. Zij doen afstand van het onderdeel waarbij de schending van artikel 30bis, § 2, 5/, van Vlarem I wordt ingeroepen. Zij stellen dat ook de tussenkomende partij niet de minste aandacht heeft gehad voor de luchtverontreiniging en dat de door hen overgelegde bewijsstukken aantonen dat de hinder niet beperkt is tot "normale burenlast". 3.4.
  43. Artikel 1.2.1 van het milieubeleidsdecreet bevat eveneens algemene beleidsdoelstellingen die gelden in het Vlaamse Gewest. Deze bepaling legt geen concrete en op elke individuele en lokale vergunningsaanvraag toepasselijke verplichtingen en verbodsbepalingen op. Dit voorschrift kan enkel VII-36.985-20/22 geschonden worden door een beslissing over een milieuvergunningsaanvraag die kennelijk indruist tegen die algemene beleidsdoelstellingen en wel op een wijze die een meer dan tijdelijke of plaatselijke impact heeft. De andere door de verzoekende partijen aangevoerde beginselen, meer bepaald "het beginsel van preventief handelen, het voorzorgsbeginsel en het beginsel 'de vervuiler betaalt'" zijn geen dwingende rechtsnormen waar individuele vergunningsbesluiten aan moeten worden getoetst. De schending van artikel 5.9.8.1 van Vlarem II, doordat de verontreiniging van de omgevingslucht niet beperkt zou blijven tot de normale burenlast, is ten slotte gesteund op een niet-gestaafde bewering. Het vierde middel is ongegrond, OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE: Artikel
  44. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  45. De kosten van het beroep, bepaald op 525 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor een derde. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. VII-36.985-21/22 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op een oktober tweeduizend en negen, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, E. BREWAEYS, staatsraad, P. BARRA, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-36.985-22/22 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.540 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.