id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.543 Rolnummer: A. 187413/XII-5360 Zaak: Arrest 196543 - Tucht (openbaar ambt) - 01/10/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-10-07 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 03:37 Fiche Arrest nr 196.543 van 1 oktober 2009 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 196.543 van 1 oktober 2009 in de zaak A. 187.413/XII-
- In zake : Roel VANDENBERGHE, die woonplaats kiest bij advocaat K.-W. Adam, kantoor houdende te Antwerpen, Lange Nieuwstraat 12 tegen :
- het VLAAMSE GEWEST,
- de BEROEPSCOMMISSIE VOOR TUCHTZAKEN, die woonplaats kiezen bij advocaat T. De Sutter, kantoor houdende te Gent, Koning Albertlaan
- tussenkomende partij : de GEMEENTE ZWIJNDRECHT, die woonplaats kiest bij advocaat A. Coolsaet, kantoor houdende te Antwerpen, Arthur Goemaerelei
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Roel Vandenberghe op 6 maart 2008 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 8 januari 2008 van de beroepscommissie voor tuchtzaken waarbij hem de tuchtsanctie van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd; Gelet op het arrest nr. 183.883 van 5 juni 2008 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting van het geding van 15 juli 2008 ingediend door verzoeker; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 1 april 2008; XII-5360-1/9 Gelet op de beschikking van 2 september 2008 die de tussenkomst van de gemeente Zwijndrecht toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur B. Weekers; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 10 maart 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 mei 2009; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat K.-W. Adam, die verschijnt voor verzoeker, van advocaat T. De Sutter, die verschijnt voor verwerende partij, en van advocaat A. Coolsaet, die verschijnt voor tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur B. Weekers; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De voornaamste feiten
- Verzoeker, statutair polyvalent vakman in dienst van de gemeente Zwijndrecht, wordt met een brief die hij op 26 juli 2007 ontvangt, opgeroepen om op 21 augustus 2007 door het college van burgemeester en schepenen te worden gehoord over volgende tenlasteleggingen : “- Voor de periode van 01.03.2007 tot en met 20.07.2007 kwam u met de regelmaat van een klok, om niet te zeggen bijna dagelijks, te laat op het werk. Zo kwam u binnen deze periode 60 keren te laat. Bovendien ging het hierbij niet meer om enkele minuten, maar loopt dit zelfs geregeld op tot drie kwartier en zelfs nog langer! XII-5360-2/9 - Tevens zou u regelmatig de mensen van de dienst onthaal lastig vallen, hen langdurig van het werk houden en bovendien bedreigingen aan hun adres hebben geuit”. Verzoeker, die blijkens een doktersattest van 25 juli 2007 wegens ziekte geen arbeid kan verrichten, verschijnt niet ter hoorzitting. Nadat volgens de notulen van de collegezitting van 18 september 2007 gemeentesecretaris I. Weynants de zitting verliet en M. Roothooft haar taak van secretaris overnam, oordeelt het college van burgemeester en schepenen dat de feiten die verzoeker ten laste worden gelegd, bewezen zijn en dat hem een tuchtstraf moet worden opgelegd. Verwijzend naar eerdere tuchtstraffen tegen verzoeker die nog niet zijn doorgehaald, legt het college hem de tuchtstraf van het ontslag bij wege van tuchtmaatregel op, met ingang van 26 juli
- Verzoeker stelt tegen die beslissing met een 26 oktober 2007 gedateerd schrijven beroep in bij de beroepscommissie voor tuchtzaken (hierna: de beroepscommissie). De beroepscommissie hoort verzoeker en, namens de gemeente, M. Roothooft op 17 december
- Op 8 januari 2008 bevestigt zij de beslissing van het schepencollege, met uitzondering van de terugwerkende kracht van de tuchtmaatregel, en “legt [zij] bijgevolg aan de heer Roland (Roel) Vandenberghe de tuchtsanctie op van: het ontslag van ambtswege”. De procedure
- In de memorie van antwoord vraagt het Vlaamse Gewest buiten de zaak te worden gesteld. Betoogd wordt dat de beroepscommissie over een bestuurlijke onafhankelijkheid beschikt, wat impliceert “dat het verweer dient te worden gevoerd voor dit onafhankelijk handelend orgaan, weze het dat het uiteraard een bestuurlijk orgaan is van het Vlaamse Gewest”.
- De beroepscommissie één van de organen van het Vlaamse Gewest zijnde, wordt het Vlaamse Gewest als rechtspersoon terecht betrokken als verwerende partij in een annulatieberoep dat gericht is tegen een bestuurshandeling die van deze beroepscommissie uitgaat. XII-5360-3/9 Waar, voorts, die bestuurshandeling behoort tot degene die de beroepscommissie op eigen gezag kan verrichten, mag naast het Vlaamse Gewest ook nog de beroepscommissie zelf als verwerende partij optreden. Het verzoek van het Vlaamse Gewest om buiten de zaak te worden gesteld, wordt niet ingewilligd. De grond van de zaak Eerste middel
- In een eerste middel voert verzoeker aan : “Schending van de motiveringsplicht opgelegd door de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, en artikel 62 van de Wet van 15 december 1980 en schending van de verplichting van de overheid om zich te informeren over alle elementen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van het dossier en de verplichting om uit deze feiten juiste gevolgtrekkingen af te leiden”. Toegelicht wordt, in het verzoekschrift, onder meer dat de motivering van de beslissing van de beroepscommissie voor tuchtzaken onvoldoende is doordat ze met betrekking tot de beoordeling van de feiten zonder meer verwijst naar het gemeentebesluit en doordat geen grondige analyse van de feiten is gebeurd.
- In de memorie van wederantwoord voegt verzoeker daaraan toe dat het te laat komen “de facto het enige argument [is] om een tuchtsanctie op te leggen” en dat het hem voorkomt “dat er andere redenen zijn die aan de grondslag liggen van de sanctie doch waarvan hij geen weet heeft en ook geen weet van kan hebben”. In de laatste memorie merkt verzoeker “ten overvloede” op dat het lastig vallen van het personeel en het bedreigen ervan “niet als twee onderscheiden gronden kunnen worden aangemerkt, doch hoogstens als één [...] grond”.
- De bestreden beslissing overweegt “dat op dezelfde gronden het bestreden tuchtbesluit moet worden gehandhaafd, behalve voor wat betreft de terugwerkende kracht waarmee de tuchtmaatregel werd opgelegd”. De beroepscommissie bespreekt daartoe aldus de argumenten die verzoeker tegen het in aanmerking nemen van die gronden inbracht : XII-5360-4/9 “
- Met betrekking tot de grief : ‘lastigvallen, bedreigen’ van het onthaal- personeel : De heer Vandenberghe houdt voor dat ruim een jaar terug men hem begon te kleineren en dat men vond dat voor de kleine klusjes zoals sierlampjes vervangen aan de balie hij zelfs daar zijn werk niet naar behoren deed. ‘Ik houd staande dat ik geen personeel heb lastiggevallen, laat staan bedreigd’. Dat de heer Vandenberghe wel degelijk personeel heeft lastiggevallen en in zekere mate ook heeft bedreigd wordt bevestigd door de getuigen, die werden uitgenodigd op de hoorzitting van de beroepscommissie. Het lastigvallen gaat er in hoofdzaak over dat hij het baliepersoneel van hun werk houdt door dagelijks aan de balie langdurig staan te praten en hierin volhardt niettegenstaande hem werd gevraagd hiermee op te houden. De bedreigingen beperken zich tot de volgende uitspraak van de heer Vandenberghe t.a.v. verschillende baliemedewerksters: ‘Ik ga uitzoeken wie over mij gaan kwaadspreken is en als ik het te weten kom ga ik ervoor staan.’(sic)
- Met betrekking tot het voortdurend te laat komen op het werk : De heer Vandenberghe stelt dat hij in de tijd om familiale redenen (hij woonde toen nog bij zijn ouders) vaak maar toch maar enkele minuutjes te laat op het werk verscheen. ‘Toen op het werk de atmosfeer alsmaar verslechterde (heel wat personeelsleden schimpten met mij, ik vond weinig of geen gehoor bij de bevoegde personen daaromtrent) heb ik gaandeweg geen energie meer kunnen opbrengen om zoals het moet tijdig op het werk te komen. De situatie is inderdaad van kwaad naar erger geëvolueerd maar ik had het niet meer in de hand. Ik had ook eerder moeten een arts raadplegen want ik kamp met een depressie.’ (citaat) De beroepscommissie stelt vast dat betrokkene de feiten niet ontkent. Dat hij gepest werd en de feiten voortvloeien uit een depressie, kan door betrokkene niet aangetoond worden.”;
- Deze motivering wijst uit dat de beroepscommissie geenszins ermee volstaan heeft om zich zonder meer bij de beoordeling van de feiten in de collegebeslissing van 18 september 2007 aan te sluiten, maar dat zij daartoe pas is overgegaan na eerst uitdrukkelijk bij verzoekers bezwaren terzake te hebben stilgestaan en die bezwaren op beredeneerde wijze te hebben verworpen. Noch in het verzoekschrift, noch overigens in de memorie van wederantwoord of zijn laatste memorie, gaat verzoeker concreet in op de motivering die de beroepscommissie aanvoert en die hiervoor is aangehaald, laat staan nog dat hij er de onjuistheid van aannemelijk maakt.
- In zoverre het middel bedoelt de zogenaamde “wanverhouding tussen de gebeurlijke tekortkomingen [...] en de tuchtsanctie” te bekritiseren, stelt de Raad van State vast dat, zoals eveneens uit de motivering van de bestreden beslissing kan worden opgemaakt, de zwaarte van de opgelegde straf hierdoor is ingegeven dat verzoeker “duidelijk geen lessen [heeft] getrokken” uit zijn vorige tuchtstraffen. Waarom die motivering ontoereikend zou zijn, wordt niet uiteengezet en is evenmin spontaan duidelijk. XII-5360-5/9
- Het middel wordt verworpen. Tweede middel
- Verzoeker leidt een tweede middel af uit de schending “van de beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het recht van verdediging”. Hij meent dat zijn rechten van verdediging zijn miskend doordat hij wegens ziekte niet op de hoorzitting aanwezig kon zijn en doordat niet een tweede uitnodiging is gestuurd “teneinde verzoeker toe te laten vooralsnog zijn grieven uiteen te zetten”.
- In het arrest nr. 183.883 over verzoekers vordering tot schorsing oordeelde de Raad van State dat het middel geen betrekking heeft op de bestreden beslissing, maar op het collegebesluit van 18 september 2007, welk besluit ten gevolge van verzoekers beroep ertegen én nadat hij op 17 december 2007 door de beroepscommissie werd gehoord, vervangen is geworden door de bestreden beslissing. In de memorie van wederantwoord gaat verzoeker aan die eerste beoordeling van het middel totaal voorbij en herhaalt hij zijn oorspronkelijke middel in nagenoeg dezelfde bewoordingen. De Raad van State ziet geen reden om met betrekking tot het in het verzoekschrift aangevoerde middel anders te oordelen dan in het kader van de beoordeling van de vordering tot schorsing gebeurde.
- In de laatste memorie schrijft verzoeker : “Het schriftelijk relaas van concluant werd opgesteld op uitdrukkelijk verzoek, doch mist elke relevantie nu deze geen repliek zijn op de tijdens de hoorzitting gestelde vragen. Op de hoorzitting zelf was concluant immers geïntimideerd waardoor hij zijn rechte[n] niet heeft kunnen vrijwaren”. Tenminste is vast te stellen dat deze uiteenzetting aan het middel een geheel nieuwe invulling geeft, die zich op geen enkele manier laat verenigen met de inhoud van het initieel aangevoerde middel en er zelfs strijdig mee is. Zij bevat een nieuw en deswege onontvankelijk middel.
- Het middel wordt verworpen. XII-5360-6/9 Derde middel
- Een derde middel voert “Schending van de onverenigbaarheid van hoedanigheden” aan, doordat gemeentesecretaris I. Weynants volgens de notulen van de vergadering van 18 september 2007 van het schepencollege de zitting heeft verlaten om reden van onverenigbaarheid van hoedanigheden, maar niettemin de uiteindelijke tuchtbeslissing heeft mee-ondertekend.
- In de memorie van wederantwoord en de laatste memorie benadrukt verzoeker “dat de loutere aanwezigheid van mevrouw Ilse Weynants, tot gevolg heeft dat de beslissing dient te worden vernietigd wegens schending van onverenigbaarheid van hoedanigheden” en dat er reden is om aan te nemen dat zij de andere leden van de tuchtcommissie heeft kunnen beïnvloeden.
- Welke ook de rol van gemeentesecretaris Weynants met betrekking tot de collegebeslissing van 18 september 2007 mag geweest zijn, niet die collegebeslissing is het voorwerp van het voorliggende beroep, maar wel de beslissing van 8 januari 2008 van de beroepscommissie. Meer nog, bestaat deze collegebeslissing zelfs niet meer en is, ten gevolge van het hervormingsberoep dat verzoeker ertegen instelde, de beslissing van de beroepscommissie in de plaats ervan gekomen. Om die reden en omdat niet bleek dat, laat staan hoe, de in het middel aangevoerde onwettigheid van het collegebesluit op de beslissing van de beroepscommissie zou zijn afgekleurd, werd het middel in het kader van de vordering tot schorsing alvast niet ernstig bevonden. Die voorlopige beoordeling laat verzoeker in de memorie van wederantwoord en de laatste memorie zonder enige reactie. Met geen woord verduidelijkt hij daarin op welke wijze de beweerde betrokkenheid van I. Weynants bij de collegebeslissing van 18 september 2007, de wettigheid heeft kunnen compromitteren van de beslissing van de beroepscommissie, waaraan -dat staat vast- I. Weynants part noch deel heeft gehad. In de gegeven omstandigheden wordt het middel thans ook in de procedure tot nietigverklaring verworpen. XII-5360-7/9 Vierde middel
- Volgens een vierde en laatste middel had de preventieadviseur zijn advies moeten geven met betrekking tot het ontslag, nu deze tot vier keer werd geraadpleegd aangaande pesterijen op het werk.
- Ofschoon het middel door het arrest nr. 183.883 over de vordering tot schorsing niet ernstig werd bevonden omdat niet wordt aangewezen op grond van welke rechtsregel dan wel het bewuste advies moest zijn gegeven, beperkt verzoeker zich in de memorie van wederantwoord tot een letterlijke herhaling van het middel zoals hij het in het verzoekschrift aanvoerde. Ook nog nadat het middel in het auditoraatsverslag over het beroep tot nietigverklaring niet-ontvankelijk werd genoemd om de redenen uiteengezet in het arrest nr. 183.883, blíjft verzoeker -in de laatste memorie- zijn initiële middel herhalen. Bijgevolg is er ook voor de Raad van State reden om te herhalen dat het middel niet-ontvankelijk is bij gebreke aan een voldoende duidelijke omschrijving van de geschonden rechtsregel. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van verzoeker. XII-5360-8/9 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op een oktober 2009, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. D. VERBIEST. XII-5360-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.543 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.883 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.