← België

Arrest 196544 - Provinciale en lokale reglementen (behalve fiscaal) - 01/10/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.544 Rolnummer: A. 124931/XII-3617 Zaak: Arrest 196544 - Provinciale en lokale reglementen (behalve fiscaal) - 01/10/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-10-07 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 03:37 Fiche Arrest nr 196.544 van 1 oktober 2009 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Provinciale en lokale reglementen (behalve fiscaal) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 196.544 van 1 oktober 2009 in de zaak A. 124.931/XII-

  1. In zake : Edward SCHELSTRAETE die woonplaats kiest bij advocaat A. De Visscher, kantoor houdende te Brugge, Ezelstraat 25 tegen : de STAD MENEN, die woonplaats kiest bij advocaat D. Van Heuven, kantoor houdende te Kortrijk, President Kennedypark 8b. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Edward Schelstraete op 5 augustus 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van de gemeenteraad van de stad Menen van 12 april 2002 “waarbij de retributie op de levering van huisvuilzakken voor de periode van 1 juni 2002 tot en met 31 december 2002 verhoogd wordt en beslist werd dat de vuilniszakken, aangekocht vóór 2 mei 2002, slechts ter ophaling mogen worden aangeboden voor zover zij voorzien zijn van een sticker ter waarde van 0,60 euro”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur P. De Somere; Gelet op de kennisgeving van het verslag en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 7 juli 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 september 2009; Gehoord het verslag van staatsraad G. Van Haegendoren; XII-3617-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat C. Bevernage, die loco advocaat A. De Visscher verschijnt voor verzoeker, en van advocaat T. Vermeir, die loco advocaat D. Van Heuven verschijnt voor verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. De Somere; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De bestreden beslissing
  2. Op 12 april 2002 keurt de gemeenteraad van de stad Menen een “retributie op verkoop van plastieken huisvuilzakken” goed. Artikel 1 luidt : “Vanaf 1 juni 2002 en eindigend op 31 december 2002 wordt de verkoopprijs van plastieken zakken, die door de gemeente ter beschikking worden gesteld van de bevolking, bepaald op één euro (1,00 euro) per restafvalzak 60 L (groot model) en op nul komma vijftig euro (0,50 euro) per restafvalzak 30 L (klein model). Deze zakken zijn verplicht te gebruiken vanaf 1 juni 2002 en worden te koop aangeboden vanaf 2 mei
  3. Op de oude zakken dient verplichtend vanaf 1 juni 2002 een sticker te worden gekleefd, die eveneens te koop wordt aangeboden vanaf 2 mei
  4. De prijs van deze sticker wordt vastgesteld op nul komma zestig euro (0,60 euro) per sticker”. De ontvankelijkheid
  5. Verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord op dat verzoeker geen belang heeft bij onderhavig annulatieberoep. In haar laatste memorie stelt zij echter vast dat het auditoraatsverslag “besluit tot de ontvankelijkheid van de vordering van verzoeker” zonder nog in te gaan tegen dit besluit. Het doet ervan blijken dat zij niet langer aandringt op de exceptie. XII-3617-2/6 De grond van de zaak Uiteenzetting van het middel
  6. In een enig middel voert verzoeker de schending aan van non bis in idem, dat hij een algemeen rechtsbeginsel noemt, samenhangend met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel. Verzoeker stelt dat de bestreden beslissing voormelde beginselen schendt doordat ze de aankoop van restafvalzakken, die vóór 2 mei 2002 werden aangekocht, een tweede maal en retroactief aan de heffing van een retributie onderwerpt, nu ze de verplichting oplegt deze afvalzakken vanaf 1 juni 2002 te voorzien van een sticker tegen betaling van een aanvullende retributie van 0,60 euro. Toegelicht wordt dat de specifieke dienst die aan de grondslag van voormelde retributie ligt, de terbeschikkingstelling is van de gestandaardiseerde huisvuilzakken. De heffing vindt derhalve plaats op het ogenblik van de verkoop van bedoelde zakken. Eenmaal de heffing heeft plaatsgevonden en de retributie is gekweten, bestaat er geen aanleiding meer tot een nieuwe heffing in hoofde van dezelfde belastingplichtige, nu zich geen nieuw belastbaar feit voordoet. De heffing vindt niet plaats op het ogenblik waarop het huisvuil voor ophaling wordt aangeboden. De retributie is immers niet bedoeld als vergoeding voor het ophalen van vuilnis, waarvoor een afzonderlijke huisvuilbelasting werd ingevoerd. Verzoeker betoogt in de memorie van wederantwoord andermaal dat de dienst die aanleiding geeft tot de heffing van de retributie gelegen is in de verkoop van de gestandaardiseerde huisvuilzakken. Uit de bewoordingen van de bestreden beslissing en uit het feit dat de ophaling van afval onderworpen is aan een afzonderlijk belastingreglement, blijkt dat de bedragen die in de bestreden beslissing worden vermeld wel degelijk te beschouwen zijn als de verkoopprijs van de huisvuilzakken. Het tijdstip van de heffing doet zich derhalve niet voor op het ogenblik van de aanbieding ter ophaling van het huishoudelijk afval, maar op het ogenblik van de aankoop van de gestandaardiseerde zakken, zodat op dat ogenblik het belastbaar feit reeds is voltrokken en de heffing van de retributie heeft plaatsgevonden. Burgers die vóór 2 mei 2002 huisvuilzakken aankochten, worden bijgevolg evenzeer onderworpen aan de retributieverhoging, niettegenstaande zij voordien reeds de verschuldigde retributie op definitieve wijze hadden vereffend. XII-3617-3/6 Een aanvullende retributie komt derhalve neer op een tweede heffing voor eenzelfde belastbaar feit.
  7. Ook nog in de laatste memorie “blijft [verzoeker] de mening toegedaan dat de dienst waarop de retributie slaat, wel degelijk de verkoop/terbeschikkingstelling van de vuilniszak is [...] en de dienst van het ophalen van huishoudelijk afval afzonderlijk vergoed wordt onder de gemeentebelasting voor het ophalen van huishoudelijke en daarmee gelijkgestelde afvalstoffen”. De betaling van de retributie is immers de enige manier waarop de gestandaardiseerde zakken kunnen worden aangeschaft en ze werden enkel ingevoerd teneinde de ophaling van de huishoudelijke afvalstoffen praktisch gezien te vergemakkelijken en de aanbieding ervan te uniformiseren. Aan de ophaling van het huisvuil de voorwaarde stellen dat een gestandaardiseerde huisvuilzak wordt gebruikt, impliceert niet dat de prijs voor deze vuilniszak meteen ook een gedeeltelijke vergoeding inhoudt voor de dienst van het ophalen. Verzoeker gaat niet akkoord met de stelling dat de vergoeding voor voormelde zakken vrij hoog is in verhouding tot de kost voor de aanmaak ervan en dus noodzakelijkerwijze ook betrekking heeft op een andere dienst, met name de ophaling en inzameling van huisvuil. De enige reden waarom de vergoeding voor de aanschaf van de huisvuilzakken relatief hoog is, is gelegen in het ontradend effect ervan: door de prijs van die zakken hoger te stellen dan de verkoopprijs voor de PMD-zakken, beoogt men immers enkel de inwoners van de stad Menen aan te zetten tot sorteren. Bovendien is het opvallend dat in de preliminaria van het bestreden gemeenteraadsbesluit uitdrukkelijk wordt gesteld dat “het billijk voorkomt dat voor de levering van deze zakken een vergoeding gevraagd wordt en dat de opbrengst van deze belasting onmisbaar is tot het behouden van het evenwicht in de gemeentebegroting”. Beoordeling
  8. Het enig middel gaat uit van het standpunt dat de dienst die aanleiding geeft tot de heffing van de zogenaamde retributie gelegen is in de verkoop/terbeschikkingstelling/levering van de vuilniszakken en niet in de dienst van de ophaling van het huishoudelijk afval - hiervoor werd immers een afzonderlijke huisvuilbelasting ingevoerd -, zodat wat de “oude” vuilniszakken betreft, die werden aangekocht vóór de inwerkingtreding van de bestreden beslissing, de heffing reeds heeft plaatsgevonden op het ogenblik van de aankoop XII-3617-4/6 en een aanvullende retributie op die zakken nadien derhalve in strijd is met de beginselen van niet-retroactiviteit en non bis in idem.
  9. Te dezen voert de bestreden beslissing een “retributie” in op de door het stadsbestuur van Menen ter beschikking gestelde vuilniszakken. Ze voert in de formele motivering als verantwoording in essentie aan dat “het billijk voorkomt dat voor de levering van deze zakken een vergoeding wordt gevraagd”. Artikel 1 van de bestreden beslissing bepaalt eensdeels de “verkoopprijs van plastieken zakken, die door de gemeente ter beschikking worden gesteld van de bevolking” op respectievelijk één euro (voor zakken van 60 liter) en 0,50 euro (voor zakken van 30 liter) en anderdeels de prijs voor een sticker op “de oude zakken” op 0,60 euro (eerste en vierde lid). De (nieuwe) zakken en de sticker op de oude zakken “zijn verplicht te gebruiken” respectievelijk te kleven vanaf 1 juni 2002 (tweede en derde lid). Het in het verzoekschrift enig aangevoerd middel is enkel gericht tegen de overgangsmaatregel waarin het gemeenteraadsbesluit van de stad Menen van 12 april 2002 voorziet voor de zogenaamde “oude zakken”, met name het feit dat op deze zakken vanaf 1 juni 2002 verplichtend een betalende sticker moet worden gekleefd, en niet tegen de heffing van de retributie op de verkoop van de vuilniszakken op zich, noch a fortiori, tegen het samenbestaan van deze heffing met een forfaitaire huisvuilbelasting.
  10. Anders dan wat verzoeker betoogt, blijkt uit de bewoordingen van de bestreden beslissing onbetwistbaar - “deze zakken zijn verplicht te gebruiken” en “op de oude zakken dient verplichtend een sticker te worden gekleefd” - dat de aanleiding tot de heffing van de retributie niet gelegen is in de verkoop of aankoop van die zogenaamde oude vuilniszakken, maar wel in het gebruik ervan. Zolang die zakken niet effectief worden gebruikt of met andere woorden zolang de burger na 1 juni 2002 zijn huisvuil niet effectief in die zakken ter ophaling aanbiedt op straat, zal geen heffing van de (verhoogde) retributie plaatsvinden vermits alsdan ook geen stickers dienen te worden gekleefd en aangekocht. Niet de aankoop, maar wel de aanwending van die oude zakken bepaalt of een vergoeding dient te worden betaald. De gouverneur geeft dan ook terecht in zijn antwoord van 8 juni 2002 op de klacht van verzoeker aan: “Het feit dat men de zakken vooraf kan aankopen bij de gemeente is louter een faciliteit welke door de gemeente wordt aangeboden. XII-3617-5/6 Praktisch is het immers zeer moeilijk, zelfs niet haalbaar, om bij elke ophaling per zak de retributie op te vragen”. De stelling van verzoeker dat hetzelfde “belastbare feit” (“de aankoop van restafvalzakken”) “een tweede maal en retroactief aan de heffing van een retributie” wordt onderworpen, kan derhalve niet worden bijgevallen.
  11. Het middel mist feitelijke grondslag. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  12. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  13. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op een oktober 2009, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. D. VERBIEST. XII-3617-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.544 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.