← België

Arrest 196549 - Examens (onderwijs) - 01/10/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.549 Rolnummer: A. 194057/XII-5960 Zaak: Arrest 196549 - Examens (onderwijs) - 01/10/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-10-05 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 03:37 Fiche Arrest nr 196.549 van 1 oktober 2009 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 196.549 van 1 oktober 2009 in de zaak A.194.057/XII-5960 In zake: Rani BROUNS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marc Stommels kantoor houdend te Antwerpen Amerikalei 220, bus 14 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de stad BRUGGE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sabien Lust kantoor houdend te Brugge Baron Ruzettelaan 27 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. De vordering, ingesteld op 24 september 2009, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de stad Brugge van 11 september 2009 waarbij een nieuwe bijeenkomst van de over Rani Brouns delibererende klassenraad wordt geweigerd. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 29 september 2009, om 11.00 uur. Staatsraad Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. XII-5960-1\13 Advocaat Marc Stommels, die verschijnt voor verzoekster en advocaat Sabien Lust, die verschijnt voor verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Jurgen Neuts, bij beslissing van de auditeur- generaal van 31 oktober 2008 gemachtigd om ter openbare terechtzitting advies te verlenen, heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. Verzoekster is tijdens het schooljaar 2008-2009 leerling aan de Stedelijke Academie voor Schone Kunsten, in het tweede jaar van de eerste graad artistieke vorming (KSO), te Brugge. 3.
  5. Op het einde van het schooljaar beslist de over haar delibererende klassenraad om verzoekster een oriënteringsattest B toe te kennen, met clausulering voor alle onderverdelingen ASO, voor alle onderverdelingen KSO en voor alle onderverdelingen TSO. De delibererende klassenraad geeft als motivering : “voldoet niet aan volgende slaagnormen : 50% voor alle vaktotalen, 60% voor het gewogen gemiddelde van alle clustervakken en 60% voor het jaartotaal”. De ouders geven vervolgens bij de directeur hun bezwaren te kennen tegen deze beslissing. Zij vinden dat de clausulering voor alle onderverde- lingen TSO een te zware beslissing is van de klassenraad en sommen in een brief van 3 juli 2009 hun argumenten op. Zij menen, onder meer, dat de goede punten voor wiskunde bewijzen dat verzoekster een technische richting aankan, dat zij haar achterstand voor Frans kan inhalen en dat voor verzoekster de weg open moet blijven in de sociaal-technische richting (TSO). De directeur beslist vervolgens om de delibererende klassenraad opnieuw samen te roepen. Te betreuren valt dat die beslissing nooit aan de ouders wordt meegedeeld. XII-5960-2\13 3.
  6. Op 27 augustus 2009 beslist de delibererende klassenraad opnieuw om verzoekster een B-attest te geven, met dezelfde clausulering. Als motivering notuleert de delibererende klassenraad : “Motivatie : Behaalt geen enkele van de drie slaagnormen De tekorten zijn opgestapeld doorheen het hele jaar. Deze resultaten genereerden in feite een C-attest dat mede door overleg met de CLB medewerker werd omgezet in een B attest om de leerling de kans te geven het jaar niet te verliezen en een keuze te maken in een BSO richting die aansluit bij haar interesses en mogelijkheden. CLB medewerker was aanwezig op de begeleidende klassenraad van 16 12.2008 en op de delibererende klassenraad van 25 juni
  7. Hij was tevens wekelijks aanwezig op de vergaderingen van het zorgteam waar nooit een hulpvraag door de ouders werd gesteld. Rani stond ook op de lijst voor leren leren en is slechts éénmaal geweest”. 3.
  8. Tegen deze beslissing tekenen de ouders van verzoekster bezwaar aan bij de beroepscommissie. Zij verklaren “zonder probleem akkoord [te kunnen] gaan [...] om onze dochter Rani een oriënteringsattest B te geven en haar uit te sluiten van het ASO en KSO” en herhalen vervolgens hun argumenten die pleiten voor een toelating tot een sociaal-technische richting TSO, waar zij nog aan toevoegen dat hun dochter ondertussen effectief bijles Frans volgde, dat haar een vakantietaak had kunnen gegeven zijn voor Frans en dat zij van een andere onderwijsinstelling, na inzage van het rapport, toelating kreeg om er te starten in de 3TSO richting. Op 3 september 2009 adviseert de beroepscommissie : “geen herdeliberatie”; zij motiveert : “
  9. Het besluit van de delibererende klassenraad om geen A-attest te verstrekken omwille van het niet halen van 3 van de 3 slaagnormen wordt bevestigd: clustervakken
  10. Het clausuleren van ASO, KSO en TSO wordt eveneens bevestigd. De resultaten van Rani voor algemene vakken zijn bijzonder zwak. Voor Nederlands haalt ze slechts 50%; voor Wiskunde 57% (heeft de eindter- men 1ste graad niet behaald); Fysica 54%; Geschiedenis: 49%, Biologie 37%; Frans 47%. Het zwakke resultaat van biologie is slechts een onderdeel van het algemeen zwakke resultaat van Rani en vormt geen doorslaggevende factor.
  11. Het totaalrapport vertoont tijdens het jaar eerder een negatieve evolutie en een zwak eindresultaat: 57%”. XII-5960-3\13 3.
  12. Op 11 september 2009 beslist dan het college van burgemeester en schepenen van de stad Brugge dat de delibererende klassenraad niet meer moet samenkomen. De aanhef van het besluit brengt een aantal procedurestappen in herinnering evenals toepasselijke regelgeving, refereert aan het bezwaarschrift van 31 augustus 2009 en citeert (gedeeltelijk) het verslag van de beroepscommissie. Het college overweegt vervolgens “of de delibererende klassenraad een clausulering voor alle TSO-richtingen, in het kader van de toekenning van een oriënteringsattest B aan de leerlinge Rani Brouns, mag opleggen”, overweegt “de invloed van het eindresultaat voor biologie behaald door Rani Brouns, voor het schooljaar 2008- 2009, op de globale beoordeling door de delibererende klassenraad”, overweegt “dat de opinies van de directies van het Ensor Instituut Oostende en van het Vesalius Instituut Oostende, irrelevant zijn met betrekking tot de beslissing van de delibere- rende klassenraad, omdat de delibererende klassenraad als enig orgaan fungeert op het vlak van de beslissingen inzake het al dan niet geslaagd zijn, hetgeen voor de regelmatige leerlingen leidt tot de studiebekrachtiging en de eventuele rechten op toelating tot het volgend leerjaar”, overweegt “dat de permanente evaluatie en de focusmomenten, waarvan de bevindingen worden meegedeeld en verduidelijkt in rapporten, op het oudercontact of vrijblijvend op vraag van de ouders, de voornaam- ste vorm van opvolging van de leerlingen omvatten” en besluit “dat er geen argumenten zijn om de delibererende klassenraad opnieuw samen te roepen”. Aan de ouders van verzoekster wordt de strekking van het bestreden besluit op 18 september 2009 schriftelijk ter kennis gebracht als volgt : “Hierbij delen wij u mee dat het College van Burgemeester en Schepenen, in zitting van 11 september 2009, als Inrichtende Macht van de Stedelijke Academie voor Schone Kunsten - KSO, beslist heeft dat de delibererende klassenraad van klas 2A2, niet meer hoeft samen te komen met het oog op het nemen van een definitieve beslissing met betrekking tot de leerlinge Brouns Rani, voor het schooljaar 2008-
  13. Dit betekent dat de beslissing van de delibererende klassenraad, genomen op zijn zitting van 30 juni 2009 en bevestigd op die van 27 augustus 2009, van kracht blijft. Het College heeft bij zijn beslissing van 11 september 2009, uw argumenten, zoals u die hebt aangebracht in uw aangetekend beroep van 31 augustus
  14. Wat betreft het opleggen van een clausulering voor alle TSO-richtingen, in het kader van het toekennen van een oriënteringsattest B, volgde het College het advies van de Interne Beroepscommissie, gevormd op 3 september 2009 en gebaseerd op de resultaten van uw dochter, Rani Brouns, behaald tijdens het schooljaar 2008-
  15. Het advies luidde: geen herdeliberatie. De Interne Beroepscommissie vindt het clausuleren van alle TSO-richtingen terecht omdat haar resultaten voor algemene vakken bijzonder zwak zijn. Voor Nederlands, wiskunde en fysica haalde ze geen 60%, voor geschiedenis, biologie en Frans niet de helft. Voor wiskunde heeft ze daarbij niet de eindtermen voor de 1ste graad behaald. De commissie oordeelt dat het zwakke resultaat voor biologie XII-5960-4\13 slechts een onderdeel is van het algemene zwakke resultaat van Rani en dus geen doorslaggevende factor vormt. Rani haalde immers drie van de drie slaagnormen niet, wat in feite de toekenning van een C-attest zou verantwoor- den. Rani haalde in totaal geen 60%, scoorde geen 60% voor alle clustervakken en had driemaal minder dan 50%. Daarenboven vertoont het totaalrapport eerder een negatieve evolutie doorheen het jaar. Het College stelt, op basis van Art. 5, §1 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002, betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs, dat de delibererende klassenraad als enig orgaan fungeert op het vlak van de beslissingen inzake het al dan niet geslaagd zijn, hetgeen voor de regelmatige leerlingen leidt tot de studiebekrachting en de eventuele rechten op toelating tot het volgend jaar en dat daardoor de opinies van de directies van het Ensor Instituut Oostende en van het Vesalius Instituut Oostende irrelevant zijn met betrekking tot de beslissing van de delibererende klassenraad. Het College stelt; op basis van het Schoolreglement van de Stedelijke Academie voor Schone Kunsten - Voltijds Kunstsecundair Onderwijs, goedgekeurd door de gemeenteraad van 27 maart 2007; dat de permanente evaluatie en de focusmomenten, waarvan de bevindingen worden meegedeeld en verduidelijkt in rapporten, op het oudercontact of vrijblijvend op vraag van de ouders, de voornaamste vorm van opvolging van de leerlingen omvat”. IV. Nadere omschrijving van het voorwerp van het beroep
  16. Verzoekster bevestigt ter terechtzitting, zoals het overigens ook al blijkt uit haar inleidend verzoekschrift en uit haar geschriften in de administratie- ve beroepsprocedure, dat zij niet nastreeft alsnog een oriënteringsattest A te krijgen, maar dat zij het B-attest enkel bestrijdt in zoverre de clausulering haar verhindert om zonder verlies van een schooljaar een richting sociale wetenschappen (TSO) te volgen. V. De schorsingsvoorwaarden
  17. Luidens artikel 17, §§ 1 en 2, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerleg- ging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. XII-5960-5\13 VI. Beoordeling van de tweede schorsingsvoorwaarde Uiteenzetting van de middelen
  18. Verzoekster put een eerste middel uit de schending van “het organisatiedecreet” en van “de beginselen van behoorlijk bestuur, nl. de motiverings- plicht”. Zij stelt voldoende duidelijk te hebben gemaakt dat het haar bedoeling is om voort te studeren in een sociaal technische richting TSO, maar dat zij “tot heden” geen motivering ontving waarom er een clausulering geldt voor deze specifieke onderwijsvorm en -onderverdeling. Bij het advies van de beroepscommissie vraagt zij zich af hoe en op welke wijze zij “zogezegd” niet de eindtermen haalt voor wiskunde, hoewel zij 72% scoort op haar laatste examen met als commentaar van de leerkracht “zeer goed”. Ook stelt zij vragen te hebben bij het belang van de “clustervakken” en bij de slaagnorm dat hierop 60% gehaald moet worden. De stelling dat een C-attest had kunnen uitgereikt worden, gaat volgens verzoekster voorbij aan een onderdeel van de beslissing van de delibereren- de klassenraad dat zij het schooljaar met vrucht beëindigd heeft. De delibererende klassenraad is niet verder gekomen dan een louter cijfermatige beoordeling van het voorbije schooljaar en de bestreden beslissing neemt dit over. Volgens verzoekster evenwel zijn de algemene vakken in KSO en TSO niet vergelijkbaar van niveau en aantal lesuren. Ook wanneer de klassenraad een tweede keer wordt bijeengeroepen, slaagt hij er niet in de behaalde studieresultaten vooruit te koppelen naar het volgende schooljaar in het TSO en blijft het een beoordeling van een KSO-studiejaar. Bovendien heeft verzoekster twee elementen opgeworpen, zo stelt zij, waarop niet wordt geantwoord. Die elementen zijn, eensdeels, de klassikale problemen met vakken en, anderdeels, het ontbreken van enige vorm van begelei- ding of interactie.
  19. In een tweede middel worden het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel geschonden genoemd. Verzoekster is thans voorlopig XII-5960-6\13 ingeschreven in een andere school. Zij behaalt daar gedurende de eerste drie weken van het schooljaar goede resultaten die volgens haar aantonen dat de delibererende klassenraad en bijgevolg het college in strijd met de genoemde beginselen geoordeeld hebben door te stellen dat zij niet geschikt zou zijn voor TSO. Beoordeling
  20. Verwerende partij noemt het betoog van verzoekster “uiterst verward” en merkt op dat nergens nader is bepaald welke bepalingen van het “organisatiedecreet”, “dat een besluit blijkt te zijn”, geschonden zouden zijn. Zoals verwerende partij het maar al te goed heeft begrepen, en zich heeft kunnen verweren, moet het “organisatiedecreet” gezien worden als het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs (het organisatiebesluit, dus), waarvan verzoekster in het inleidend verzoekschrift onder de rubriek “wettelijk kader” -overigens daar met correct opschrift- de artikelen 5, 38, 39, 43, 57 en 73 citeert. De toelichting van het eerste middel doet er bijgevolg van blijken dat verzoekster aanvoert dat de materiële motiveringsplicht is geschonden, wat zowel een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur is als een voorschrift dat volgt uit artikel 5 van het organisatiebesluit dat wil dat over het al dan niet slagen wordt beslist op grond van alle concrete gegevens van het dossier van de betrokken leerling.
  21. De Raad van State stelt voorts vast dat verzoekster in het middel de gegeven punten zelf niet betwist, enkel de gevolgen die er aan gekoppeld worden op het vlak van clausulering.
  22. Verzoekster verwijt de delibererende klassenraad niet verder gekomen te zijn dan een louter cijfermatige beoordeling van het voorbije schooljaar en niet vooruitgekeken te hebben naar haar slaagkansen voor het volgende schooljaar TSO, minstens wat de sociaal technische richting betreft. Deze vaststelling van verzoekster klopt, maar zij maakt daarom de beslissing op het eerste gezicht nog niet onwettig. XII-5960-7\13 Een lineaire en algemene clausulering doet in principe ernstige vragen rijzen bij de zorgvuldigheid waarmee een klassenraad de talenten van een leerling afweegt tegenover al de in het onderwijs aangereikte opleidingsvormen. Zoals de Raad van State evenwel reeds heeft overwogen in zijn arrest Schildermans, nr. 175.202 van 2 oktober 2007, heeft een leerling er geen belang bij om aan te vechten dat een B-attest in de concrete omstandigheden gegeven wordt louter om een leerling de kans te geven niet te moeten overzitten. Het lijkt er in de huidige stand van de procedure op dat ook de over verzoekster delibererende klassenraad zich -aangespoord door het centrum voor leerlingenbegeleiding- voor een dergelijke situatie geplaatst zag. De delibererende klassenraad had gewis wat uitvoeriger mogen zijn in zijn motivering, maar zijn beoordeling -hoe beknopt ook- lijkt in wezen te zijn dat verzoekster “in feite een C-attest” moet krijgen op grond van de door haar behaalde resultaten. Het is “door overleg met de CLB medewerker” dat toch een B-attest is gegeven “om de leerling de kans te geven het jaar niet te verliezen”. Voorts is -voor zoveel als nodig- verzoekster in de loop van de beroepsprocedure nogmaals op dit dragend motief van de delibererende klassenraad gewezen. De beroepscommissie merkt op dat een C-attest “zou verantwoord zijn, maar de delibererende klassenraad liet Rani de mogelijkheid om het jaar niet te verliezen”; het college valt dit advies bij en herhaalt in de brief aan de ouders dat de resultaten van verzoekster “in feite de toekenning van een C-attest zou verantwoor- den”.
  23. Indien de klassenraad verzoekster beschouwt als iemand die het betrokken schooljaar niet met vrucht heeft beëindigd, en haar enkel toelaat door te stromen naar BSO om geen schooljaar te verliezen, dan moet van de klassenraad prima facie geen afzonderlijke motivering gevraagd worden voor de clausulering van deze of gene studierichting, aangezien nog niet eens de doelstellingen van het betrokken leerjaar zijn bereikt en de leerling dus niet bekwaam wordt geacht haar studie in het algemeen voort te zetten in het volgend leerjaar.
  24. De vraag die dan nog binnen de grenzen van de aangevoerde middelen onderzocht moet worden, is of de delibererende klassenraad op grond van het leerlingendossier tot dit “C-attest in feite” mocht besluiten. Het is een vraag waaraan verzoekster noch in haar bezwaarschrift in de administratieve beroepspro- XII-5960-8\13 cedure, noch in haar vordering bij de Raad van State, enige gerichte aandacht lijkt te hebben gegeven. De Raad van State mag zich bij het beantwoorden van die vraag niet als beroepsinstantie in de plaats van de delibererende klassenraad stellen voor de beoordeling van de examenresultaten en van de geschiktheid van de leerling om het volgende jaar aan te vatten, vermits het alleen aan de delibererende klassenraad toekomt om die keuze te maken. De delibererende klassenraad beschikt daarbij over een -ruime- discretionaire bevoegdheid. De Raad van State kan verzoekster derhalve niet beschermen tegen strenge beslissingen, alleen tegen onwettige beslissingen. Een strenge beslissing kan door de betrokken leerling allicht als onredelijk of onbillijk ervaren worden. Het is ook niet uitgesloten dat een ándere delibererende klassen- raad, op zicht van dezelfde gegevens en op grond van de hem toekomende beoordelingsbevoegdheid, evengoed binnen de grenzen van de wettelijkheid tot een ánder oordeel zou komen. Een beoordeling door de delibererende klassenraad mag door de Raad van State echter enkel voor onwettig worden gehouden indien blijkt dat die beslissing niet gedragen kan worden, in rechte of in feite, door de er voor ingeroepen motieven of indien het om een beslissing gaat die dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon dat gewoon niet te begrijpen valt hoe ze zelfs binnen die ruim geachte discretionaire bevoegdheid tot stand is kunnen komen.
  25. De veruitwendigde motivering desbetreffend van de delibererende klassenraad is, andermaal, bijzonder summier. Verwezen wordt naar de slaagnormen die niet zijn behaald en naar de tekorten, opgestapeld doorheen het schooljaar. Waar evenwel de loutere referentie aan de slaagnormen niet duidelijk genoeg zou zijn voor verzoekster, stelt de Raad van State vast dat zij dan toch in de loop van de beroepsprocedure kreeg toegelicht dat dit betrekking heeft op “clustervakken Ofschoon de Raad van State terughoudend is wat het hanteren van “slaagnormen” betreft, stelt hij te dezen vast dat de jaartotalen voor Frans (47,2%), biologie (36,8%) en geschiedenis (48,9%) onvoldoende waren, dat er bij de vier permanente evaluaties twaalf maal geen voldoende werd behaald (een maal voor beeldende vorming, een maal voor Engels, twee maal voor Frans, een maal voor Nederlands, een maal voor wiskunde, drie maal voor biologie, een maal voor fysica XII-5960-9\13 en twee maal voor geschiedenis), dat er bij de drie focusmomenten dertien maal onvoldoende werd gescoord (een maal voor beeldende vorming, drie maal voor Frans, een maal voor Nederlands, twee maal voor biologie, twee maal voor fysica, twee maal voor geschiedenis, een maal voor zedenleer en een maal voor technologi- sche opvoeding). Wat de “eerder negatieve” evolutie betreft van de resultaten, stelt de Raad van State vast dat het aantal onvoldoendes inderdaad lijkt toe te nemen bij de derde en vierde permanente evaluaties en bij de tweede en derde focusmomenten. In overweging nemend dat verzoekster voor de Raad van State er niet toe komt -ook niet in de beroepsprocedure, lijkt het overigens- concrete gegevens van haar dossier aan te reiken die de klassenraad had moeten plaatsen tegenover die resultaten en tekorten, kan verzoekster de Raad er niet van overtuigen dat de delibererende klassenraad over de vraag of zij in voldoende mate de leerdoelstellingen heeft bereikt van het tweede jaar van de eerste graad, een inschatting heeft gemaakt die te dezen de motiveringsplicht heeft geschonden. Waarom verzoekster vervolgens toch een B-attest heeft gekregen, en waarom zij geen belang heeft om dit aan te vechten, is hiervoor reeds uitgelegd.
  26. Verzoekster heeft nog kritiek op de opwerping van de beroeps- commissie dat zij de eindtermen wiskunde niet zou hebben behaald. Uit niets blijkt waarop de beroepscommissie zich steunt om dit te stellen. Verwerende partij geeft daarover in de nota met opmerkingen ook geen opheldering. Mocht bovendien de beroepscommissie eigener beweging die mening opperen, dan zou zij zich onterecht in de plaats stellen van de klassenraad. Vooralsnog neemt de Raad van State evenwel aan dat uit de beslissing van de delibererende klassenraad niet blijkt dat hij een betekenisvol gevolg heeft geknoopt, in welke richting ook, aan de resultaten voor wiskunde en dat er ook geen reden voorhanden lijkt om dit te doen nu verzoekster 57,7% behaalt voor dit vak op jaarbasis met zowel een uitschuiver van 45% als een opsteker van 72% en punten daar tussenin. De opmerking van de beroepscommissie over de eindtermen wiskunde lijkt dan ook niet ter zake, maar vermag ook niet de wettigheid van de clausulering in het gedrang te brengen.
  27. Verzoekster acht de algemene vakken in KSO en TSO niet vergelijkbaar, wat reden is volgens haar om de delibererende klassenraad er toe te verplichten met deze specificiteit rekening te houden. XII-5960-10\13 Op deze grief is hiervoor reeds geantwoord, nu voorlopig is aangenomen dat de delibererende klassenraad verzoekster wezenlijk verwijt reeds voor het betrokken schooljaar niet in voldoende mate de leerdoelstellingen te hebben bereikt. Bovendien, zoals verwerende partij opmerkt in de nota, blijft deze grief beperkt tot een algemene bewering “zonder begin van bewijs”. Daartegenover staat het antwoord van verwerende partij, die met verwijzing naar de wetgeving en naar de leerplannen van de drie grote netten uiteenzet dat de basisvorming voor de eerste graad gelijk is voor alle studierichtingen, in die zin dat ze uit dezelfde vakken is samengesteld, en dat meer concreet de vergelijking van de leerplannen van de door verzoekster gevolgde richting KSO en de richting in het TSO die normaal voorafgaat aan de richting in het TSO die zij verder wil volgen, leert dat ze voor Nederlands, wiskunde, geschiedenis en biologie dezelfde zijn zodat aangenomen mag worden dat de moeilijkheden die verzoekster ondervindt in KSO eveneens op haar pad zullen liggen in TSO. Vooralsnog wordt dit verweer bijgevallen.
  28. Ook wordt verwerende partij bijgevallen, vooralsnog, waar zij opmerkt dat de grief van de klassikale problemen wel degelijk een antwoord kreeg in het advies van de beroepscommissie waar te lezen is dat het zwakke resultaat voor biologie slechts een onderdeel is van het algemeen zwakke resultaat van verzoekster en geen doorslaggevende factor vormt. Evenzeer valt de Raad verwerende partij in de huidige stand van de procedure bij waar zij stelt dat ook op de grief van de ontbrekende begeleiding is geantwoord. Reeds in de bestreden beslissing is te lezen dat verzoekster op de lijst van leren leren stond en slechts één keer is geweest en dat door de ouders nooit een hulpvraag is gesteld aan het CLB. In de beroepsprocedure wordt voorts geantwoord dat de opvolging in de rapporten, op het oudercontact en op vraag van de ouders de voornaamste opvolging omvatten. Waarom, eventueel, die antwoorden niet kunnen volstaan, blijft in het verzoekschrift onbesproken. Met verwerende partij bedenkt overigens ook de Raad van State dat de eerste grief mogelijk kan bewijzen dat het algemene niveau van de klas laag is, maar ook niet meer. XII-5960-11\13
  29. Geheel in overeenstemming met artikel 6quater van de school- pactwet van 29 mei 1959 en met artikel 5 van het organisatiebesluit, zo lijkt, overweegt ook het college dat de delibererende klassenraad als enig orgaan fungeert op het vlak van de beslissingen inzake het al dan niet geslaagd zijn, zodat de opinies van de directies van andere onderwijsinstellingen irrelevant lijken met betrekking tot de beslissing van de delibererende klassenraad. Dat verzoekster ondertussen gedurende de eerste drie weken van het schooljaar goede resultaten behaalt, is niet van aard om anders te oordelen of, zoals verwerende partij het stelt, om het tegenbewijs te leveren van de bestreden beoordeling van de studieresultaten van de eerste graad. Niet onterecht overigens merkt verwerende partij nog op dat deze resultaten van de start van het schooljaar moeilijk als representatief beschouwd kunnen worden voor een volledig schooljaar en dat tijdens die eerste weken in de tweede graad wellicht “van nul” wordt gestart vooraleer leerstof verder op te bouwen in functie van de gekozen richting.
  30. Conclusie van wat voorafgaat, is dat geen van beide middelen ernstig is. Er is dan ook niet voldaan aan een van de voorwaarden, gesteld in artikel 17, § 2, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. XII-5960-12\13 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 1 oktober 2009, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, staatsraad, waarnemend voorzitter met bijstand van Dieter Decock, griffier. De griffier De voorzitter Dieter Decock Geert Van Haegendoren XII-5960-13\13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.549 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.199.771 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.