← België

Arrest 196609 - Overheidsopdrachten - 01/10/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.609 Rolnummer: A. 184097/XII-5141 Zaak: Arrest 196609 - Overheidsopdrachten - 01/10/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-10-07 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 03:37 Fiche Arrest nr 196.609 van 1 oktober 2009 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Vernietiging Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 196.609 van 1 oktober 2009 in de zaak A. 184.097/XII-

  1. In zake : de CVBA GERECHTSDEURWAARDERSKANTOOR DE MEUTER & CORSTJENS, die woonplaats kiest bij advocaat S. Van Geeteruyen, kantoor houdende te Brussel, Leopold II laan
  2. tegen : de VLAAMSE GEMEENSCHAP, die woonplaats kiest bij advocaat K. Ronse, kantoor houdende te Brussel, G. Macaulaan
  3. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de cvba Gerechtsdeurwaarders- kantoor De Meuter & Corstjens op 22 juni 2007 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “de beslissing van ongekende datum houdende de toewijzing van de opdracht betreffende de Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur I. Vos; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 11 mei 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 juni 2009 om 9.30uur; XII-5141-1/13 Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. Butenaerts, die loco advocaat S. Van Geeteruyen verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat B. Ronse, die loco advocaat K. Ronse verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur I. Vos; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak
  4. Artikel 21bis van het decreet van 30 maart 1999 houdende de organisatie van de zorgverzekering, bepaalt dat al degenen die aangesloten zijn bij een zorgkas en die drie maal - al dan niet opeenvolgend - hun bijdrage niet, onvolledig of laattijdig hebben betaald een administratieve geldboete wordt opgelegd van 100 of 250 euro. Zodra de betrokken schuldenaars de hun opgelegde administratieve geldboete al dan niet vermeerderd met eventuele achterstallen niet spontaan betalen, dient te worden overgegaan tot gedwongen invordering.
  5. Bij brief van 5 juli 2006, gericht aan de Vlaams minister van Begroting, verzoekt gerechtsdeurwaarder De Meuter om in het kader van de toewijzingsbeslissing inzake de invorderingsopdrachten betreffende de zorgverzekering met de kandidatuurstelling van zijn kantoor rekening te willen houden en zijn kantoor desgevallend te willen uitnodigen voor het indienen van een gedetailleerde offerte.
  6. Bij besluit van de Vlaamse regering van 19 januari 2007 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 1995 betreffende de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen voor de Vlaamse Gemeenschap en de instellingen die eronder ressorteren, wordt bepaald (artikel 1) dat “de onbetwiste en opeisbare niet-fiscale schuldvorderingen inzake de zorgverzekering evenals de XII-5141-2/13 administratieve geldboeten die erop betrekking hebben, worden ingevorderd door ambtenaren van de Vlaamse Belastingdienst”. Artikel 2, derde en vierde lid, van het decreet van 22 februari 1995 tot regeling van de invordering van de niet-fiscale schuldvorderingen voor de Vlaamse Gemeenschap en de instellingen die eronder ressorteren, bepaalt het volgende : “De met invordering belaste ambtenaren zijn gemachtigd om een dwangbevel uit te vaardigen. Het dwangbevel wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de daartoe door de Vlaamse regering aangewezen ambtenaar van de Vlaamse Belastingdienst en wordt betekend bij exploot van een gerechtsdeurwaarder”.
  7. In de nota aan de Vlaamse regering bij voormeld besluit van 19 januari 2007 wordt het volgende opgemerkt : “Teneinde de vereiste budgettaire impact (zie verder) tot een minimum te beperken, werden binnen het agentschap een aantal alternatieve invorderingspistes onderzocht. Uit deze analyse bleek duidelijk dat de keuze om de gedwongen invordering van deze dossiers gecoördineerd via één gerechtsdeurwaarder te laten verlopen kosten-baten-matig het meest verantwoord is. In dit scenario kan de administratie alle aanmaningen aan één gerechtsdeurwaarder bezorgen die dan in functie van zijn eigen vermogen tot het verwerken van de dossiermassa de maningen verder kan verspreiden onder één of meerdere collega’s. Wat de te betekenen dwangbevelen betreft, zal de gerechtsdeurwaarder die instaat voor de coördinatie afhankelijk van het gerechtelijk arrondissement waarbinnen de betekening dient te gebeuren, het dwangbevel vervolgens op zijn beurt bezorgen aan een collega gerechtsdeurwaarder uit het bevoegde arrondissement. Bovendien kan deze gerechtsdeurwaarder - ingevolge standaardisatie op het vlak van dossiertype en dossierinhoud - een groot deel van de voorbereidende taken welke momenteel door de CIC worden uitgevoerd op zich nemen. Teneinde een duidelijk beeld te krijgen op de praktische uitwerking van dit invorderingsscenario werd tussen de administratie, het kabinet financiën & begroting en een geïnteresseerde gerechtsdeurwaarder reeds een eerste onderhoud voorzien. De dossiermassa bleek voor de betrokken gerechtsdeurwaarder geen obstakel evenmin als het feit dat voor deze bijkomende taken geen extra kosten kunnen worden aangerekend. In deze optiek blijft de gerechtsdeurwaarder binnen zijn wettelijke opdracht en de hieraan verbonden wettelijk vastgestelde tarieven. De facto kan volgens de wetgeving overheidsopdrachten geen volwaardige mededinging worden georganiseerd aangezien de ambtstaken en tarieven van de gerechtsdeurwaarders wettelijk zijn vastgelegd. De overheidsopdrachten- reglementering kan en dient dus als zodanig niet te worden toegepast. XII-5141-3/13 De keuze om het proces van de gedwongen invordering gecoördineerd via één gerechtsdeurwaarder te laten verlopen, kan bovendien worden verantwoord door het feit dat het hier een groot aantal dossiers m.b.t. éénzelfde materie betreft, dat alle bestanden vanuit het Zorgfonds elektronisch worden aangeleverd en dat de administratie zich slechts tot één enkel aanspreekpunt dient te wenden. Tot slot dient ook het kostenbesparend aspect (minder personeel nodig) door het feit dat de gerechtsdeurwaarder bereid is een groot deel van de voorbereidende taken die normaal door het CIC gebeuren zelf uit te voeren niet uit het oog te worden verloren”.
  8. In een advies van 9 mei 2006 heeft de afdeling overheidsopdrachten van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap het volgende advies verstrekt over de vraag naar de al dan niet toepasselijkheid van de overheidsopdrachtenregelgeving op de invordering door gerechtsdeurwaarders : “In principe is de overheidsopdrachtenregelgeving van toepassing op de dienstverlening door gerechtsdeurwaarders. Deze diensten vallen immers onder de categorie ‘juridische diensten’ (bijlage 2 bij de Wet van 24 december 1993, categorie 21). De facto kan evenwel geen volwaardige mededinging volgens die regelgeving georganiseerd worden, aangezien de ambtstaken en tarieven van de gerechtsdeurwaarders wettelijk worden vastgelegd. De overheidsopdrachten- reglementering kan dus niet als zodanig toegepast worden. In het kader van behoorlijk bestuur en om het gelijkheidsbeginsel maximaal te respecteren, dient toch een zekere mededinging te worden georganiseerd. Ofwel stuurt u een oproep aan alle gerechtsdeurwaarders (niet enkel diegenen die nu voor u optreden), ofwel publiceert u een oproep in het Belgisch Staatsblad en in de gespecialiseerde pers”.
  9. In het advies van de inspectie van financiën van 29 mei 2006 wordt het volgende opgemerkt : “In het dossier wordt vermeld dat inzake de aanduiding van de gerechtsdeurwaarder de wetgeving overheidsopdrachten niet kan toegepast worden omdat de ambtstaken en tarieven van de gerechtsdeurwaarders wettelijk zijn vastgesteld. Vooreerst kan men zich afvragen hoe die gerechtsdeurwaarder dan wel zal aangeduid worden. Voorts is de prijs slechts één mogelijk gunningscriterium. In deze is het volgens de Inspectie van Financiën bovendien belangrijk iemand aan te duiden waarvan men zeker is dat hij de opdracht aankan (cfr. kwalitatieve selectiecriteria in de wetgeving overheidsopdrachten) en die o.m. een gedegen plan van aanpak kan voorleggen (cfr. andere gunningscriteria naast de prijs)”.
  10. Op 23 februari 2007 wordt het gerechtsdeurwaarderskantoor Brackeva, De Becker, Huybrechts, Luyten, Megroedt te Antwerpen (hierna : het kantoor Brackeva) aangewezen om de administratieve geldboetes en bijdragen voor XII-5141-4/13 de verplichte zorgverzekering gedwongen in te vorderen via de Vlaamse Belastingdienst die optreedt in opdracht van het Vlaams Zorgfonds. De toewijzingsbeslissing wordt ondertekend door Marc De Kort, wnd. administrateur-generaal van het Agentschap Vlaamse Belastingdienst (Vlabel). Dit is de bestreden beslissing. De keuze voor het kantoor Brackeva wordt als volgt gemotiveerd : “De Vlaamse regering heeft op 15 december 2006 de keuze voor samenwerking met een centraliserende deurwaarder formeel bevestigd. Bij de aanduiding van de centraliserende gerechtsdeurwaarder dient de Vlaamse Belastingdienst - zoals opgedragen door de Vlaamse regering - rekening te houden met een aantal objectieve criteria, zoals de capaciteit tot het verwerken van grote aantallen, de bereidheid en de capaciteit om de gedwongen invordering te organiseren volgens de instructies van de administratie, het beschikken over een ‘netwerk’ van collega’s-correspondenten om de gedwongen invordering over het ganse Vlaamse grondgebied te laten verlopen volgens diezelfde door de administratie opgelegde instructies. Op basis van deze criteria heeft de Vlaamse Belastingdienst een keuze gemaakt voor het gerechtsdeurwaarderkantoor dat de nodige garanties heeft kunnen bieden en referenties heeft kunnen aanhalen deze rol als centraal aanspreekpunt te vervullen. Het kantoor van gerechtsdeurwaarder Brackeva wordt dan ook de opdracht gegeven de gedwongen invordering van de achterstallige bijdragen en boetes in het kader van de Zorgverzekering te verzorgen. Deze opdracht geldt voor één jaar en wordt stilzwijgend verlengd op de verjaardag van de opdracht tenzij de opdrachtgever één maand vooraf de opdracht beëindigt”. In deze beslissing wordt tevens vermeld dat de invordering als zodanig zal worden georganiseerd dat alles “transiteert” via het kantoor Brackeva. Het kantoor Brackeva zal verder werken met een satellietkantoor voor de provincies Oost- en West-Vlaanderen dat op zijn beurt opdrachten zal doorgeven aan een aantal plaatselijke gerechtsdeurwaarderkantoren. Het kantoor Brackeva, dat zelf opdrachten zal doorgeven aan de kantoren in de provincies Vlaams-Brabant, Limburg, Antwerpen en de overige Belgische provincies, zal voor Vlabel het enige aanspreekpunt zijn inzake de globale invordering.
  11. Bij brief van 27 april 2007 aan de Vlaamse minister van Begroting, verwijst gerechtsdeurwaarder De Meuter nogmaals naar zijn eerdere brief van 5 juli 2006 en vraagt hij, aangezien hij vernomen heeft dat de opdracht inmiddels werd toegewezen, om hem de gemotiveerde gunningsbeslissing mee te delen. XII-5141-5/13 De Vlaamse minister van Begroting antwoordt in een brief van 15 mei 2007 dat hij behoudens vergissing van zijnentwege het schrijven van 5 juli 2006 niet heeft ontvangen en dat de overheidsopdrachtenreglementering te dezen niet kan worden toegepast. Tevens bevestigt hij dat de Vlaamse Belastingdienst ondertussen reeds een keuze heeft gemaakt voor een deurwaarderskantoor. Bij brief van 24 mei 2007 deelt gerechtsdeurwaarder De Meuter aan de minister mee niet akkoord te gaan met diens standpunt aangaande de niet- toepassing van de wetgeving overheidsopdrachten. Op 14 juni 2007 antwoordt de minister dat de afdeling overheidsopdrachten expliciet heeft bevestigd dat de overheidsopdrachten- reglementering als dusdanig niet kan worden toegepast.
  12. Op 22 juni 2007 stelt verzoekende partij huidig annulatieberoep in bij de Raad van State. Daarnaast stelt zij tevens een kortgedingprocedure en een vordering tot schadeloosstelling in voor de gewone rechtbank.
  13. In de beschikking van 31 juli 2007 stelt de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, in kortgeding, dat “eiseres [...] prima facie niet aan[toont] dat de aanbestedingsregels van de Wet op de overheidsopdrachten op haar toepasselijk zijn”.
  14. In het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 12 december 2008 wordt evenwel geoordeeld dat de diensten van gerechts- deurwaarders onderworpen zijn aan de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, en bijgevolg slechts na mededinging mogen worden gegund. De ontvankelijkheid van het beroep
  15. De verzoekende partij vordert naast de nietigverklaring van de voornoemde toewijzingsbeslissing, ook deze van “de beslissing tot het buiten toepassing laten van de regelgeving inzake overheidsopdrachten en het niet toepassen van enige vorm van mededinging”, evenals van “de impliciete weigering XII-5141-6/13 tot het niet selecteren van verzoekster en de impliciete beslissing tot niet gunning van de opdracht aan verzoekster”. Zij stelt dat het gaat om samenhangende beslissingen, dat de middelen betrekking hebben op al deze beslissingen en dat het “voor de goede rechtsorde” passend is om “alle drie samenhangende onwettige beslissingen uit de rechtsorde te verwijderen”.
  16. Niettegenstaande in het auditoraatsverslag wordt vastgesteld dat de verzoekende partij in gebreke blijft om aan te tonen welk bijkomend persoonlijk voordeel de nietigverklaring van de beslissing tot het buiten toepassing laten van de regelgeving inzake overheidsopdrachten en van de impliciete beslissingen tot het niet selecteren van verzoekende partij en tot niet gunning aan verzoekende partij zou opleveren, boven het voordeel dat reeds zou volgen uit de nietigverklaring van de toewijzingsbeslissing, doet verzoekende partij in haar laatste memorie niets meer dan opnieuw te verwijzen naar “de goede rechtsorde”. Daarmee bevestigt verzoekende partij dat de juiste toepassing van het recht beoogt maar toont zij niet het bijkomende voordeel aan waar de auditeur naar vroeg. Verzoekende partij wordt in die omstandigheden geacht enkel belang te hebben bij het annulatieberoep tegen de toewijzingsbeslissing. Het beroep is voor het overige niet ontvankelijk. De gegrondheid van het beroep
  17. De verzoekende partij voert in een eerste middel de schending aan van “artikel 1, §1 van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, [...] van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en de concessie voor openbare werken, [...] van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, [...] van de beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het zorgvuldigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel”. De verzoekende partij stelt daarbij in essentie dat de toewijzing van de kwestieuze opdracht ten onrechte niet het voorwerp heeft uitgemaakt van een overheidsopdracht. Volgens haar belet noch het feit dat het passend was om de opdracht aan één gerechtsdeurwaarder toe te wijzen, noch het feit dat de prijzen XII-5141-7/13 wettelijk zijn vastgesteld, de toepassing van de wetgeving overheidsopdrachten. Deze beide elementen hebben volgens verzoekende partij enkel tot gevolg dat er andere criteria dienen te worden gehanteerd dan de prijs. Zij verwijst hierbij naar het Verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 8 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en de concessies voor openbare werken, evenals naar het arrest Cuylen, nr. 42.068 van 23 februari 1993 van de Raad van State. Aangezien geen enkele procedureregel werd gerespecteerd, werd volgens de verzoekende partij ook het voornoemde koninklijk besluit van 8 januari 1996 geschonden. Aangezien de motieven van de verwerende partij om de wetgeving overheidsopdrachten niet toe te passen volkomen foutief zijn, acht verzoekende partij ook de formele motiveringswet geschonden.
  18. De verwerende partij stelt dat dit middel niet kan worden aanvaard. Volgens haar “[komen] de juridische beroepen [...] voor op de B-lijst van de richtlijn en de wet op de overheidsopdrachten” zodat ze “niet onderworpen [zijn] aan voorafgaandelijke bekendmakingsverplichtingen”. Ook zou de waarde van de dienstverlening het Europese drempelbedrag niet overschrijden zodat een beroep zou kunnen worden gedaan op de onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking. Zij wijst er daarbij op dat gerechtsdeurwaarders slechts bevoegd zijn in hun eigen gerechtelijk arrondissement en dat de opdracht zal worden verdeeld over alle gerechtelijke arrondissementen van Vlaanderen. In feite moet volgens de verwerende partij worden vastgesteld dat de juridische dienstverleners volledig buiten de toepassing van de overheids- opdrachten vallen. Dit standpunt zou zijn bevestigd in het federale parlement, alsook door de afdeling overheidsopdrachten van de Vlaamse Gemeenschap.
  19. In haar memorie van wederantwoord merkt de verzoekende partij bijkomend op dat de waarde van de opdracht wordt bepaald in functie van de totale waarde die wordt uitgekeerd aan de hoofdaannemer en uiteraard niet op de winst die wordt gerealiseerd of op het saldo na aftrek van de kosten die de hoofdaannemer aan zijn onderaannemers betaalt. XII-5141-8/13 Zelfs al zou men een beroep hebben kunnen doen op een onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking, dient er volgens de verzoekende partij overeenkomstig artikel 17, §2, van de voornoemde wet van 24 december 1993, uiteraard ook mededinging te worden georganiseerd, wat te dezen niet is gebeurd. Aldus heeft de Voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg in kort geding zich ook vergist waar hij stelde dat er geen mededinging dient te worden georganiseerd indien de waarde van de opdracht niet de 211.000 euro overschrijdt. De verzoekende partij verwijst daarbij ook naar de interpretatieve mededeling van de Europese Commissie (2006C179/02). Ten slotte merkt zij op dat het een raadsel is waarom verwerende partij naar een parlementaire vraag aan de Eerste Minister van 17 mei 2006 verwijst, nu de Eerste Minister uitdrukkelijk stelt dat de wetgeving inzake overheidsopdrachten wel degelijk van toepassing is op gerechtsdeurwaarders.
  20. De verwerende partij beperkt haar laatste memorie tot een verzoek tot voortzetting van de procedure en om een prejudiciële vraag te stellen “aan het Europees Hof van Justitie “om te weten in welke mate B-diensten onderworpen zijn aan de overheidsopdrachtenreglementering”.
  21. In het voormelde vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel van 12 december 2008 werd reeds geoordeeld dat de diensten van gerechtsdeurwaarders onderworpen zijn aan de voornoemde wet van 24 december 1993 en bijgevolg slechts door de aanbestedende overheden mogen worden gegund na mededinging. Dit vonnis wordt als volgt gemotiveerd : “
  22. Artikel 5 van voormelde wet van 24 december 1993 definieert de overheidsopdracht voor aanneming van diensten als de overeenkomst onder bezwarende titel gesloten tussen een aanbestedende overheid en een dienstverlener, die betrekking heeft op diensten die in bijlage 2 bij de wet zijn vermeld. Bijlage 2 bij de wet heeft de diensten die aan de wet zijn onderworpen verdeeld in een ‘A-lijst’ en een ‘B-lijst’. De ‘diensten van juridische aard’ en de ‘andere diensten’ zijn vermeld op de ‘B-lijst’. In zoverre er discussie zou kunnen bestaan over de vraag of de diensten die gerechtsdeurwaarders verlenen aan aanbestedende overheden vallen onder de ‘diensten van juridische aard’, stelt de rechtbank vast dat deze diensten minstens vallen onder de restcategorie van de ‘andere diensten’. Hieruit volgt dat de diensten van gerechtsdeurwaarders onderworpen zijn aan voormelde wet van 24 december 1993, en bijgevolg slechts door aanbestedende XII-5141-9/13 overheden mogen gegund worden na mededinging (artikel 1, § 1, van deze wet).
  23. De omstandigheid dat de ambtstaken en de tarieven van de gerechtsdeurwaarders wettelijk zijn vastgelegd, doet hieraan geen afbreuk. De rechtbank ziet niet in waarom de wettelijke vastlegging van de ‘ambtstaken’ van de gerechtsdeurwaarder de mogelijkheid tot mededinging zou uitsluiten. Wat de wettelijke toepassing van tarieven betreft, blijkt uit niets dat de prijs bij de gunning van overheidsopdrachten een criterium moet zijn. De omstandigheid dat de prijs voor de uitvoering van een overheidsopdracht wettelijk is vastgelegd, betekent enkel dat het niet mogelijk zal zijn de opdracht te gunnen volgens de procedure van aanbesteding. Er bestaat evenwel geen bezwaar tegen de toepassing van een procedure van offerte-aanvraag of van een onderhandelingsprocedure. De wettelijke vastlegging van de ambtstaken en tarieven van de gerechtsdeskundige staat dan ook de toepassing van de wetgeving overheidsopdrachten niet in de weg.
  24. De eventuele omstandigheid dat de opdracht kan worden gegund zonder de naleving van de bekendmakingsregels bij de aanvang van de procedure, belet evenmin dat de voormelde wet van 24 december 1993 van toepassing is. De gevallen waarin tot het gunnen van een overheidsopdracht kan worden overgegaan zonder naleving van de bekendmakingsregels zijn limitatief opgesomd in artikel 17, § 2, van voormelde wet van 24 december
  25. Daarbij wordt uitdrukkelijk bepaald dat de aanbestedende overheid die zich op één van de gevallen van artikel 17, § 2, wenst te beroepen, ‘indien mogelijk’, ‘meerdere aannemers, leveranciers of dienstverleners’ dient te raadplegen. Als zodanig bevat dit artikel 17, § 2, een bevestiging van het gelijkheidsbeginsel, afgeleid uit de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, dat de overheden verplicht om steeds, indien mogelijk, alle kandidaten voor het sluiten van een overeenkomst een gelijke kans daartoe te geven. De Vlaamse Gemeenschap houdt niet voor dat het in de voorliggende zaak onmogelijk was om verschillende gerechtsdeurwaarderskantoren te raadplegen alvorens tot gunning van de opdracht over te gaan. Uit de gegevens van het dossier blijkt trouwens ook duidelijk dat een dergelijke raadpleging niet onmogelijk was. In zoverre de Vlaamse Gemeenschap zich op één van de gevallen van artikel 17, § 2, zou kunnen beroepen, blijkt dat dit voor de beslechting van dit geschil zonder belang is : er diende hoe dan ook een vorm van mededinging georganiseerd te worden waarbij aan meerdere gerechtsdeurwaarders de gelegenheid werd gegeven om zich kandidaat te stellen. De rechtbank besluit dan ook dat de Vlaamse Gemeenschap artikel 1, § 1, van de voormelde wet van 24 december 1993 en het gelijkheidsbeginsel heeft overtreden door de overeenkomst in kwestie te sluiten met het kantoor Brackeva, zonder voorafgaandelijke mededinging”. Aldus heeft de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel reeds op heldere wijze uiteengezet waarom de wetgeving overheidopdrachten te dezen wel XII-5141-10/13 degelijk van toepassing is en waarom hoe dan ook een vorm van mededinging diende te worden georganiseerd. De motivering van het aangehaalde vonnis wordt door de Raad van State bijgevallen en leidt tot het aanvaarden van de stelling van de verzoekende partij in het hier besproken middel. Ook verwijst verzoekende partij terecht naar het arrest Cuylen van de Raad van State nr. 42.068 van 23 februari 1993, waarin de Raad inzake een architectenopdracht oordeelde dat, aangezien het verboden is architecten in mededinging te stellen over de prijzen en tot aanbesteding van honoraria over te gaan, studieovereenkomsten met architecten alleen het voorwerp kunnen zijn van een offerteaanvraag of van een onderhandse gunning, dit laatste in de beperkte gevallen die de toepasselijke wetsbepaling limitatief opsomt. Het feit dat de tarieven van de gerechtsdeurwaarders reglementair zijn vastgelegd heeft ook te dezen tot gevolg dat geen toepassing kan worden gemaakt van de aanbestedingsprocedure. Dit belet echter niet dat de betrokken opdracht een opdracht van diensten betreft die overeenkomstig artikel 1, §1, van de wet van 24 december 1993, dient te worden gegund na mededinging en aldus het voorwerp kan en moet uitmaken van een offerteaanvraag of van een onderhandelingsprocedure in de zin van artikel 17 van diezelfde wet. De toepasselijkheid van de wetgeving overheidsopdrachten en de principiële verplichting tot het in mededinging stellen van de opdracht geldt ongeacht het antwoord op de vraag of het Europees drempelbedrag te dezen al dan niet werd bereikt. Ook in de gevallen waarin tot het gunnen van een overheidsopdracht kan worden overgegaan zonder naleving van de bekendmakingsregels overeenkomstig artikel 17, §2, van de voormelde wet van 24 december 1993, dient de aanbestedende overheid immers, indien mogelijk, meerdere aannemers, leveranciers of dienstverleners te raadplegen. De verwerende partij toont nergens aan dat dergelijke raadpleging te dezen niet mogelijk was. Wat betreft het voorstel van verwerende partij om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie dient in de eerste XII-5141-11/13 plaats te worden vastgesteld dat deze “vraag” gebrekkig geformuleerd is: zo wordt niet verduidelijkt betreffende welke specifieke Europeesrechtelijke regels een vraag dient te worden gesteld. Voorts is deze vraag niet pertinent voor de beoordeling van het eerste middel. In dit middel wordt geen schending van specifieke bepalingen van de Europese richtlijnen met betrekking tot overheidsopdrachten aangevoerd doch schending van het gelijkheidsbeginsel en van artikel 1, §1, van de voornoemde wet van 24 januari
  26. Het eerste middel is gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  27. Vernietigd wordt de beslissing van 23 februari 2007 waarbij het gerechtsdeurwaarderskantoor Brackeva, De Becker, Huybrechts, Luyten, Megroedt te Antwerpen, door de waarnemend administrateur-generaal van de Vlaamse Belastingdienst wordt aangewezen om de administratieve geldboeten alsook de bijdragen voor de verplichte zorgverzekering gedwongen in te vorderen via de Vlaamse Belastingdienst die optreedt in opdracht van het Zorgfonds. Artikel
  28. Het beroep wordt voor het overige verworpen. Artikel
  29. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verwerende partij. XII-5141-12/13 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op een oktober 2009, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. D. VERBIEST. XII-5141-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.609 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.