← België

Arrest 196611 - Examens (onderwijs) - 01/10/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.611 Rolnummer: A. 167498/XII-4575 Zaak: Arrest 196611 - Examens (onderwijs) - 01/10/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-10-07 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 03:37 Fiche Arrest nr 196.611 van 1 oktober 2009 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 196.611 van 1 oktober 2009 in de zaak A. 167.498/XII-

  1. In zake : Goele HAESENDONCK, die woonplaats kiest bij advocaten P. Jackers en D. Nagels, kantoor houdende te Tienen, Goossensvest
  2. tegen : de VZW INRICHTENDE MACHT MISOL, die woonplaats kiest bij advocaat K. Peeters, kantoor houdende te Mechelen, Veemarkt
  3. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Goele Haesendonck op 4 november 2005 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “de beslissing van de delibererende klassenraad van het zevende jaar ‘leefgroepwerking’ van het Sancta Mariainstituut te 3000 Leuven, Charles Deberiotstraat 14, d.d. 02.09.2005 waar werd geoordeeld om de eerdere beslissing(en) om verzoekende partij als ‘niet geslaagd’ te evalueren te handhaven”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door adjunct-auditeur J. Neuts; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 20 april 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 juni 2009 om 9.30u; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; XII-4575-1/13 Gehoord de opmerkingen van advocaat S. Libotton, die loco advocaten P. Jackers en D. Nagels verschijnt voor verzoekster, en van advocaat E. Hauttekeete, die loco advocaat K. Peeters verschijnt voor verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur J. Neuts, bij beslissing van 31 oktober 2008 van de auditeur-generaal gemachtigd om ter openbare terechtzitting advies te verlenen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak
  4. Verzoekster, geboren op 9 maart 1982, is voor het schooljaar 2004-2005 ingeschreven als leerling in het derde leerjaar van de derde graad TSO, studierichting “leefgroepenwerking” aan het Sancta-Mariainstituut te Leuven.
  5. Op het einde van het schooljaar behaalt verzoekster voor het vak “stage” een jaartotaal van 42% (126/300 punten). Voor de overige vakken behaalt zij resultaten tussen 50,5% en 79,5%. De delibererende klassenraad kent verzoekster een oriënteringsattest C toe.
  6. Na een overleg tussen de ouders van verzoekster en de directeur op 29 juni 2005, beslist de directeur om de delibererende klassenraad opnieuw samen te roepen. Naar aanleiding van de nieuwe bijeenkomst op 30 juni 2005, kent de delibererende klassenraad opnieuw een oriënteringsattest C toe aan verzoekster. De notulen van die klassenraad bevat de volgende motivering : “De leden stellen dat stage alle elementen van de opleiding zou moeten integreren. De klassenraad verwijst naar het gegeven dat stage een substantieel gedeelte uitmaakt van de studierichting (14u. in het programma). Ondanks een zeer goede begeleiding - die sterk rekening gehouden heeft met de persoonlijke problematiek van deze leerling en faciliteiten op maat geboden heeft - heeft XII-4575-2/13 Goele een erg problematische stage gelopen die als onvoldoende gerubriceerd wordt. Na de eerste stageperiode van 5 weken, werd, in overleg met de stageplaats en Goele, door het stageteam geopteerd om - gelet op het stageverloop en de daar op volgende beoordeling - het vervolg van de stage (9 weken later in het jaar) een andere stageplaats te zoeken. De werkpunten werden met Goele besproken, zodat ze met de leerervaringen van de eerste stageperiode aan de slag kon. Deze uitzonderlijke herstelstage werd op 3 en 18 mei opnieuw als ernstig problematisch geëvalueerd (zie documenten opgepast). De leden verwijzen naar het evaluatieverslag dat op woensdag 29 juni aan de ouders overhandigd werd en uitvoerig toegelicht werd. De basiscompetenties als opvoerder (samenwerken, professioneel begeleiden, verantwoord handelen, zelfhantering en zelfsturing, stiptheid) zijn over het geheel van de stage genomen onvoldoende verworven. De klassenraad heeft via geheime stemming een beoordeling uitgesproken: 8 stemmen C-attest / 1 stem A-attest”.
  7. Met brief van 4 juli 2005 tekenen verzoekster en haar moeder beroep aan bij de interne beroepscommissie. De beroepscommissie laat met een schrijven van 13 juli 2005 aan het schoolbestuur weten dat zij “het advies [geeft] om de delibererende klassenraad opnieuw samen te roepen om de door de heer en mevrouw bestreden beslissing opnieuw te overwegen”. Als conclusie stelt de interne beroepscommissie : “Dat
  8. Het besluit van de klassenraad op 23.06.2005 niet conform is aan de bovenstaande elementen. Wij noemen dergelijk verslag geen weergave van een problematisch stageverloop waarin de basiscompetenties als begeleidster (samenwerken, professioneel begeleiden, verantwoord handelen, zelfsturing en zelfhantering, stiptheid) over het geheel van de stage zouden onvoldoende zijn verworven. Dat
  9. Bovendien vinden we in ditzelfde bovenvermeld document en in geen enkel ander document aanwijzingen dat er tijdens het schooljaar wel degelijk voldoende rekening gehouden is met de handicap van Goele nl. NLD. Daardoor geeft de interne beroepscommissie aan het schoolbestuur het advies om de delibererende klassenraad opnieuw samen te roepen om de door de heer en mevrouw bestreden beslissing opnieuw te overwegen”.
  10. De raad van bestuur van verwerende partij laat bij brief van 30 augustus 2005 aan de ouders van verzoekster weten dat hij zich op zijn vergadering van 29 augustus 2005 “eenparig achter dit advies [schaarde]” en dat aan de voorzitter van de delibererende klassenraad de opdracht is gegeven de klassenraad samen te roepen.
  11. Met een aangetekend schrijven van 7 september 2005 deelt verwerende partij aan de ouders van verzoekster mee dat de delibererende klassenraad op 2 september 2005 “heeft geoordeeld de eerder genomen beslissing XII-4575-3/13 ongewijzigd te laten”. De notulen van de klassenraad worden als bijlage bij dit schrijven gevoegd en luiden als volgt : “De leden van de klassenraad wensen het functioneren van Goele aan de doelstellingen die in de informatiebrochure stage 7 LW, schooljaar 2004-2005, zijn opgenomen (pg. 4) te toetsen. Toetsen het functioneren van Goele aan de doelstellingen die in de informatiebrochure stage 7 LW, schooljaar 2004-2005, zijn opgenomen (pg. 4) Goele slaagt er niet in om zich, gedurende langere tijd, op een geëngageerde en aangepaste manier te presenteren. Ze geeft maar partieel ruimte op maat. W.b. haar communicatie kan niet gezegd worden dat ze haar verbale en nonverbale communicatie aanpast aan de individuele personen. Kortom, haar opvoedingspresentatie is niet goed. Ze is niet de sturende noch de steunende, noch stimulerende begeleidster die een gepast antwoord geeft op de begeleidingsnoden van de verschillende bewoners van de groep. Goele heeft zich laattijdig en niet voldoende verdiept in de handelingsplannen waardoor ze het functioneren van de bewoners niet altijd juist inschatte en dus de zorgvraag niet kon beantwoorden. Het actief meedenken en reflecteren over de ‘bewoner in begeleiding’ was onvoldoende in functie van het beoogde profiel. Het groepsoverzicht houden (aandacht spreiden over de groep, overzicht houden, groepsregels naleven) werd onvoldoende gerealiseerd. Het leiding geven en onverwachte situaties creatief kunnen hanteren was niet voldoende aanwezig. Het samenwerken met de andere personeelsleden verliep moeizaam. Het rekening houden met feedback, een vlotte samenwerking en een vlot contact uitbouwen met de collega’s, was problematisch. Effectief en efficiënt samenwerken, overleg plegen, nakomen van afspraken, het doorgeven van informatie was alles samen genomen onvoldoende voor de ganse stageperiode. Zowel complementair als zelfstandig werken is niet voldoende positief geëvolueerd. Goele bleef veel nood hebben aan sturing, waarschuwingen, zelfs voor ze de basistaken had geïntegreerd. Om het belang en het werkterrein van de multidisciplinaire werking van De Kerselaer te leren kennen heeft Goele, ondanks de afspraken uit het document opgepast, laattijdig contact genomen met de verschillende diensten. Ook de afspraken tussen de werking van het dagcentrum en de leefgroep heeft ze niet opgevolgd. De activiteiten waren zwakker. Eén activiteit is zelfs op meerdere punten volledig de mist in gegaan. Essentiële bijsturingen van begeleiders negeerde ze, dit ten koste van het welzijn van de bewoners. XII-4575-4/13 De uitvoerende taken rond materieel- en verzorgingswerk werden niet efficiënt georganiseerd. Bovendien werden deze niet voldoende gebruikt en getaxeerd op hun pedagogische waarde. De doelstellingen rond leerhouding zijn onvoldoende gerealiseerd. Mits zeer veel bijsturing kwam Goele op het einde van haar stage tot een zeer matig functioneren dat - in functie van het einde van de stage - getolereerd werd in de leefgroep. Haar eigen handelen verantwoorden en bevragen is slechts op het einde van de stage éénmalig gebeurd. Het opnemen van de gezagspositie, de rolneming als begeleidster in een leefgroep, het nakomen van afspraken, stabiliteit en flexibiliteit zijn onvoldoende bereikt. Besluit De doelstellingen van de stage van 7 LW w.b. opvoederspresentatie en houding, samenwerking, zelfhantering, verantwoord handelen en goed begeleiden zijn onvoldoende gerealiseerd”. Dit is de bestreden beslissing. De gegrondheid van het beroep Stellingen van de partijen
  12. Verzoekster werpt in een eerste middel de schending op van “de materiële en formele motiveringsverplichting”. In een eerste onderdeel stelt zij dat de stukken van het dossier in tegenspraak zijn met de bevindingen van de klassenraad zoals weergegeven in de motivering van de bestreden beslissing. Deze motivering blijkt volgens verzoekster “een aaneenschakeling [...] van negatieve punten, welke blijk geven van vooringenomenheid”, bovendien in strijd met het “zeer genuanceerd beeld” dat de interne beroepscommissie heeft geschetst van de vaardigheden van verzoekster. Concreet verwijt verzoekster de delibererende klassenraad geen rekening te hebben gehouden met :

(1)de belangrijke vooruitgang die verzoekster naar het einde van de stage heeft gemaakt, zoals weergegeven in de eindevaluatie van haar stage door de stageplaats;
(2)de leerproblematiek van verzoekster, zij kampt immers met “non verbal learning deficit”;
(3)de door de interne beroepscommissie in haar advies aangehaalde elementen en
(4)de resultaten van de vakken van het leerplan en/of het seminarie : de delibererende klassenraad heeft het XII-4575-5/13 functioneren van verzoekster enkel getoetst aan de doelstellingen van de stage, zoals omschreven in de informatiebrochure, maar het merendeel van de in de beoordeling aangehaalde punten vindt geen steun in de werkelijkheid, of is tot onwerkelijke proporties uitvergroot.
  1. Verwerende partij stelt dat de bestreden beslissing wel degelijk in feite als in rechte afdoende gemotiveerd is en dat de in de motivering opgesomde gegevens duidelijk verklaren “waarom de school een C-attest aflevert”. Zij repliceert voorts onder meer als volgt : “[...] De stukken uit het dossier zijn een weerslag van het volledige stageverloop. Zij bevatten verslagen en nota’s die een gans proces weerspiegelen en waarin uiteraard zowel positieve als negatieve kritieken aan bod komen. Zij hebben immers betrekking op het functioneren van een persoon, waarin het leerproces centraal wordt gesteld. Het is evident dat een objectieve verslaggeving van dit leerproces zowel sterke als zwakke eigenschappen van de leerling in het daglicht stelt. De verscheidene stukken uit het administratief dossier geven dan ook een meer gevarieerd beeld dan de motivering van de bestreden beslissing. Nochtans blijkt uit aandachtige studie van het administratief dossier dat het gedrag en het functioneren van verzoekster op haar stageplaatsen, steeds aanleiding heeft gegeven tot zeer veel negatieve kritiek en dat er permanent door de stagebegeleidster diende bijgestuurd te worden, meer dan bij andere leerlingen. [...] In de bestreden beslissing dient de klassenraad vervolgens te motiveren op welke redenen en argumenten zij zich steunt om deze beslissing te nemen. Verkeerdelijk besluit verzoekster hieruit dat de motivering slechts een aaneenschakeling is van negatieve punten. Alle punten die in de motieven van de bestreden beslissing worden geëxpliciteerd zijn trouwens aan bod gekomen gedurende de talrijke besprekingen van de stage en de voorafgaande besprekingen van de eindevaluatie van verzoekster. [...] Het feit dat de beoordeling van een stage negatief is, geeft alleszins geen blijk van vooringenomenheid, zoals verzoekster beweert. Evenmin kan gesteld worden dat de stagebegeleidster, mevrouw [K.V.] niet bereid was verzoekster een tweede kans te geven. Verzoekster heeft integendeel méér kansen gekregen dan de andere leerlingen. De school heeft haar alle kansen gegeven die er maar enigszins waren om haar studies en in het bijzonder haar stage, tot een goed einde te brengen. Verzoekster werd de mogelijkheid geboden om haar tweede stageperiode op een andere stageplaats te volbrengen. Door deze uitzonderingsmaatregel heeft zij een nieuwe start kunnen nemen, een mogelijkheid die andere leerlingen normaal niet geboden krijgen. Bij de aanvang van de tweede stageplaats heeft haar stagebegeleidster, mevrouw V., een aantal handgeschreven nota's op papier gezet betreffende planning, structurering en afspraken. Het betreft allemaal werkpunten die de leerlingen zelf moeten op papier zetten, maar die in dit geval werden aangereikt door de stagebegeleidster omwille van het moeilijke verloop van de stage van verzoekster. XII-4575-6/13 Uit dit document kan eveneens afgeleid worden dat verweerster wel degelijk rekening heeft gehouden met de leerproblemen van verzoekster. De opmerking van verzoekster dat onvoldoende uit de stukken blijkt dat er rekening werd gehouden met de ‘handicap’ van verzoekster, m.n. dat zij kampt met ‘non verbal learning deficit’ (NLD) is niet pertinent. Verweerster is slechts naar aanleiding van de procedure voor de Interne Beroepscommissie, en bijgevolg ná de beslissing van de delibererende klassenraad d.d. 29.06.2005 in kennis gesteld van het verslag van psychiater V.D.A. [...]. Bovendien werd zij zeer intensief begeleid en voortdurend bijgestuurd door haar stagebegeleidster wat wel degelijk blijkt uit het administratief dossier. Dat de bestreden beslissing niet concreet aanduidt in welke mate rekening is gehouden met de NLD-problematiek van verzoekster is niet ter zake. Met de beslissing van de delibererende klassenraad wordt vastgesteld dat verzoekster zich onvoldoende de basiscompetenties van opvoedster heeft eigen gemaakt en dat haar bijgevolg het getuigschrift van opvoedster niet kan verstrekt worden. Het is best mogelijk dat verzoekster meer tijd nodig heeft om bepaalde vaardigheden te verwerven, maar niettemin is het essentieel dat deze op het einde van het leerproces verworven zijn om een A-attest te bekomen. De school kan geen attest ‘onder voorbehoud’ afleveren dat rekening houdt met een nog verder te zetten groeiproces. Indien op het einde van het schooljaar de basiscompetenties niet verworven zijn, moet de school consequent een beoordeling maken die leidt tot een C-attest. De verwijzingen van verzoekster naar de eindevaluatie door haar stageplaats De Kerselaer zijn niet relevant. Het is de school die de eindverantwoordelijkheid draagt voor de beoordeling van een stage en niet de stageplaats of stagementor. In casu kan de stageplaats De Kerselaer trouwens geen definitieve beoordeling uitbrengen aangezien verzoekster in twee verschillende instellingen stage heeft gelopen, voor zover het reeds aan de stageplaats en -mentor toekomt om een beslissende beoordeling te geven, quod non. Bovendien omvat de beoordeling niet uitsluitend het functioneren op de stageplaats maar eveneens de uitvoering van schoolopdrachten waar de stagementor niet rechtstreeks bij betrokken is en dus geen degelijk zicht op heeft. Verzoekster verwijst in haar verzoekschrift herhaalde malen naar de beslissing van de Interne Beroepscommissie. Dergelijke beslissing is [een] louter advies naar de Inrichtende Macht toe om al dan niet te delibereren, de klassenraad terug samen te roepen en heeft op zich ge[e]n enkele juridische waarde in het beoordelingsproces van de leerling. Dat dit document in extenso aan de betrokkene werd meegedeeld, getuigt alleen maar van de grote openheid die op de school heerst. De Interne Beroepscommissie oordeelde dat ‘de eindevaluatie dd. 23.06.2005 onvoldoende éénduidigheid inhoudt om een duidelijk beeld te krijgen van de reële probleemsituatie en daardoor te besluiten dat betrokken leerling een C-attest krijgt’. Vervolgens motiveert de Interne Beroepscommissie haar beslissing. Deze motivatie is geen objectieve weergave van het stageverloop van verzoekster. De Interne Beroepscommissie haalt eenvoudigweg uit het ganse dossier die elementen op basis waarvan zij oordeelt dat het aangewezen is dat de delibererende klassenraad zich opnieuw zou buigen over haar beslissing dd. 29.06.
  2. Deze motivering dient enkel ter ondersteuning van haar stelling maar is verder een uitermate eenzijdig document dat geenszins een correct beeld geeft van het stageverloop, het functioneren als toekomstig opvoeder en het leerproces van verzoekster. XII-4575-7/13 Verweerster heeft een positief gevolg gegeven aan de beslissing van de Interne Beroepscommissie door de klassenraad terug samen te roepen en opnieuw te delibereren over de resultaten van verzoekster. Deze deliberatie dient echter te gebeuren aan de hand van alle gegevens over [het] leerproces van verzoekster, zijnde besprekingen, verslagen, nota’s, evaluaties in de loop van het jaar en eindevaluatie... enz. Niet het dossier van de Interne Beroepscommissie, noch haar eenzijdig gemotiveerde beslissing zijn hierbij richtinggevend”.
  3. In haar memorie van wederantwoord wijst verzoekster in de eerste plaats op het feit dat verwerende partij “erkent dat de verscheidene stukken van het administratief dossier ‘een meer gevarieerd beeld (geven) dan de motivering van de bestreden beslissing’”. Wat betreft het advies van de interne beroepscommissie herhaalt zij dat de bestreden beslissing geen aandacht besteedt aan de positieve elementen van de stage opgenomen in dit advies. Zij wijst vervolgens op het feit dat hoewel de stageplaats De Kerselaer de stage heeft beoordeeld als “zwak maar voldoende”, in de bestreden beslissing niets terug te vinden is over deze beoordeling en de hierbij horende quotering. Voorts betoogt verzoekster dat bij de beoordeling van de stage overwegend, zo niet uitsluitend rekening dient te worden gehouden met het resultaat van de stageplaats De Kerselaer, vermits het de afspraak was dat deze tweede stageperiode “een nieuwe start” zou zijn en zij “het voordeel van de twijfel” zou genieten. Hoewel deze stageplaats erkent dat verzoekster een belangrijke evolutie heeft doorgemaakt, is van deze evolutie niets terug te vinden in de motivering van de bestreden beslissing. Omtrent de leerproblemen herhaalt verzoekster dat noch uit de eindevaluatie van de stage door de school, noch in enig ander document aanwijzingen zijn te vinden dat tijdens het schooljaar voldoende rekening is gehouden met deze problematiek, hoewel een deel van de zwakke punten van verzoekster “direct of indirect gerelateerd zijn aan NLD”. Bovendien heeft de stageplaats in haar eindevaluatie wel rekening gehouden met de beperkingen die voortvloeien uit de handicap van verzoekster. Voorts wijst verzoekster nog op het feit dat de delibererende klassenraad “op geen enkele wijze” rekening heeft gehouden met de “ontzaglijke XII-4575-8/13 inspanning” die verzoekster heeft geleverd om de taken van beide stageperiodes en haar “GIP” af te werken. Tenslotte betoogt verzoekster dat de bestreden beslissing “negatieve punten tot buitenmatige proporties [...] uitvergroot, terwijl al het positieve [...] wordt doodgezwegen”, dat zij benevens de stage “voor de andere opleidingsonderdelen, inclusief de GIP” geslaagd was en dat “een onvoldoende voor één opleidingsonderdeel niet, zonder meer, een afdoende reden is om de toekenning van een C-attest te motiveren”.
  4. Verwerende partij betoogt nog het volgende in haar laatste memorie : “De Interne Beroepcommissie kan zich niet in de plaats stellen van de delibererende klassenraad en de beoordeling over een leerling, de motivatie van een beslissing voorbijgaan. Zij kan zich hoogstens de vraag stellen of deze motivatie naar recht is verantwoord en eventueel de in het schoolreglement voorziene procedures en beoordelingscriteria heeft toegepast, dan wel met de voeten getreden. De interne beroepscommissie haalde een 7-tal punten aan waarmee de klassenraad naar hun mening geen of onvoldoende rekening had gehouden [...]. Het betreffen : ‘Element 1: de positieve punten na de eerste stageperiode Element 2: de positieve uitstraling in de tweede stageperiode Element 3: de (beperkte) evolutie Element 4: de individuele begeleiding van de bewoners is een sterk punt Element 5: de laatste zelfevaluatie Element 6: Goele kent het onderscheid tussen observatie en interpretatie Element 7: Goele heeft doorzettingsvermogen’”. Vervolgens herhaalt verwerende partij de hiervoor aangehaalde motivering van de klassenraad van 30 juni 2005 en wijst zij er op dat in deze motivering “elk van deze punten - zij het kort - [worden] aangehaald”. Zij vervolgt : “De delibererende klassenraad verwijst in haar beide beslissing uitdrukkelijk naar de verslagen en de ‘remediëringsdocumenten’ [...]. Hoe de delibererende klassenraad tot een besluit is gekomen staat uitvoerig beschreven in de notulen van de klassenraad. Hierbij steunt deze op de documenten die door verzoekster maar al te goed gekend zijn: haar eigen stageverslagen en op de verslagen van de begeleiding van deze stageplaatsen. Met een beetje inzicht had [verzoekster] de bui al zien aankomen. Nu stellen dat de klassenraad de positieve punten niet voldoende in aanmerking heeft genomen en zich alleen gefocust heeft op de negatieve, is met de waarheid een loopje nemen. Zelfs indien men zich op het louter formele vlak plaatst. De (interne) afweging van positief en negatief behoort tot (het geheim van) iedere XII-4575-9/13 delibererende leerkracht. Anders heeft een geheime stemming geen zin en kan elke stemming gemanipuleerd worden. Het spreekt dan ook voor zich dat men geen bladzijden gaat vullen met waarom een bepaalde beslissing niet werd genomen, wel waarom men in een bepaalde richting heeft beslist. Motiveren is het verantwoorden van een standpunt, niet het verklaren van een niet- standpunt. De klassenraad heeft in haar beslissing dd. 02.09.2005 een uitvoerige verantwoording gegeven van de negatieve beslissing ten aanzien van verzoekster. Zij heeft misschien formeel niet geantwoord op alle punten die de Interne Beroepscommissie in haar advies naar voor bracht, maar dat is ook het voorwerp van de betwisting niet. Dit betreft immers
(1)een advies van bovendien
(2)mensen die verzoekster niet gedurende een gans jaar hebben gevolgd en
(3)een vraag naar de interne beweegredenen van elk van de aan de klassenraad deelnemende leerkrachten om zo te oordelen”. Vervolgens betwist verwerende partij dat de school op de hoogte was van de “NLD-problematiek” en stelt zij dat zij “nooit formeel op de hoogte werd gebracht van de leerproblemen”. Ten slotte stelt verwerende partij dat zij desondanks wel degelijk rekening heeft gehouden met de “mindere mogelijkheden” van verzoekster en dat de stagebegeleidster, mevrouw V., hiertoe extra inspanningen deed en dat verzoekster meer kansen kreeg en meer individueel begeleid werd dan andere leerlingen. Zij besluit dat “wanneer er ondanks deze hulp en het begrip nog niet naar behoren wordt gepresteerd”, men het falen niet door de vingers mag zien, dit zou immers “een gebrek aan objectiviteit en menselijkheid” zijn. Beoordeling 11.
  1. Verzoekster krijgt met de bestreden beslissing een oriënterings- attest C toegekend. De reden daartoe is, blijkens de motivering van die beslissing, uitsluitend gelegen in de onvoldoende voor het vak “stage”, onderdeel van de geïntegreerde proef. De kritiek die verzoekster levert op de beoordeling voor dat vak “stage”, is meteen dus ook te begrijpen als kritiek op de toekenning van het C-attest. 11.
  2. Wat de draagwijdte van de op de delibererende klassenraad rustende motiveringsplicht betreft, ligt thans het geval voor waarin die klassenraad na advies van de interne beroepscommissie en op vraag van de inrichtende macht opnieuw moet samenkomen nadat zijn oorspronkelijke beslissing binnen het raam van de in het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 betreffende de XII-4575-10/13 organisatie van het voltijds secundair onderwijs geregelde beroepsprocedure door de leerling is aangevochten. In dergelijk geval moet de delibererende klassenraad er extra zorgvuldig op toezien dat hij in de motieven van zijn eindbeslissing van de door hem gemaakte afweging doet blijken. De motiveringsplicht moet alsdan ten aanzien van de delibererende klassenraad strenger worden beoordeeld. 11.
  3. Te dezen heeft de interne beroepscommissie in haar advies zeven elementen aangehaald uit de rapportering over de stage van verzoekster, waaruit zij afleidt dat dit niet als een “problematisch stageverloop waarin de basiscompetenties als begeleidster [...] over het geheel van de stage onvoldoende [zouden] zijn verworven” kan worden aangemerkt, zoals de klassenraad nochtans had gedaan in zijn eerdere beslissing. De beroepscommissie heeft eveneens gesteld dat ze “in ditzelfde [...] document en in geen enkel ander document aanwijzingen [vindt] dat er tijdens het schooljaar wel degelijk rekening is gehouden met de handicap van Goele, nl. NLD”. In dergelijk geval van blijvende betwisting, waarbij de leerling een uitgebreid bezwaarschrift indient en de interne beroepscommissie concrete bezwaren maakt tegen de eerdere in die zaak genomen examenbeslissing, moet de delibererende klassenraad er in zijn motivering blijk van geven minstens die elementen die voor de leerling blijkens diens bezwaarschrift van wezenlijk belang zijn en die de interne beroepscommissie ertoe hebben aangezet te adviseren de klassenraad opnieuw bijeen te doen komen, in de besluitvorming te hebben betrokken. Er anders over oordelen, zou iedere zin aan de in het organisatiebesluit geregelde beroepsprocedure ontnemen. 11.
  4. De interne beroepscommissie heeft te dezen met haar advies aangegeven dat in de stagerapportage betreffende verzoekster wel degelijk ook positieve elementen staan vermeld, die niet te rijmen zijn met de volstrekt negatieve beoordeling in de eerdere beslissing van de klassenraad. XII-4575-11/13 Het was dan zaak van de delibererende klassenraad om over die opmerking van de interne beroepscommissie een gemotiveerd standpunt in te nemen, niet door - zoals te dezen is gebeurd - uitsluitend de negatieve punten over de stage van verzoekster te vermelden, maar wél - ingeval de klassenraad de eerdere examenbeslissing wenst te behouden - door de door de interne beroepscommissie aangehaalde positieve elementen van de stage zichtbaar in de besluitvorming te betrekken, deze af te wegen tegen de negatieve elementen en concreet aan te geven waarom de negatieve elementen de bovenhand halen. 11.
  5. Te dezen heeft de delibererende klassenraad zich in de bestreden beslissing ertoe beperkt aan te geven hoe verzoekster de doelstellingen van de stage niet heeft bereikt. Daarmee geeft de delibererende klassenraad echter niet aan dat hij de door de interne beroepscommissie ontwaarde positieve elementen mee in zijn beoordeling heeft betrokken. Door zo te handelen, wekt de klassenraad de indruk dat hij blind is gebleven voor de beroepsfase voor de interne beroepscommissie. 11.
  6. Het voorgaande geldt eveneens voor de leerproblemen van verzoekster. Omtrent die grief, geuit in het bezwaarschrift van verzoekster, daarin bijgevallen door de interne beroepscommissie, verneemt men niet het minste in de bestreden beslissing. De stelling van verwerende partij dat de delibererende klassenraad eigenlijk geen rekening moest houden met de “NLD-problematiek” van verzoekster en enkel moest nagaan of verzoekster over de basiscompetenties van opvoedster beschikt, kan niet worden bijgevallen. Immers, in de beoordeling over het al dan niet slagen van een leerling dient de delibererende klassenraad zich te laten leiden door concrete gegevens uit het dossier van een leerling (artikel 5, § 5, van het voormelde besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002). Er valt niet in te zien waarom ook niet de ziektetoestand van een leerling als een van de “concrete gegevens uit het dossier van een leerling” kan worden beschouwd. Te dezen diende de delibererende klassenraad dus uitdrukkelijk de redenen aan te geven waarom de ziekte van verzoekster - die overigens niet wordt betwist - zijn oordeel inzake het niet geslaagd zijn van verzoekster voor de stage en het volledige jaar, niet kan beïnvloeden. Dat verwerende partij pas naar aanleiding van de behandeling van de zaak voor de interne beroepscommissie kennis heeft genomen van het schrijven van psychiater V.D.A. is irrelevant. Immers, verwerende partij ontkent niet dat zij XII-4575-12/13 reeds voordien op de hoogte was van de leerproblemen van verzoekster. Het is evenwel niet duidelijk in welke mate de delibererende klassenraad dit element ook effectief heeft betrokken bij het nemen van de definitieve beslissing. Het eerste onderdeel van het eerste middel is gegrond, nu is gebleken dat de bestreden beslissing niet voldoende steun vindt in deugdelijke motieven. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  7. Vernietigd wordt de beslissing van 2 september 2005 van de delibererende klassenraad van het zevende jaar “leefgroepwerking” van het Sancta Mariainstituut te Leuven, waarbij Goele Haesendonck een oriënterings- attest C wordt toegekend. Artikel
  8. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op een oktober 2009, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, B. THYS, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. D. VERBIEST. XII-4575-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.611 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.