id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.613 Rolnummer: A. 189694/V-1768 Zaak: Arrêt / Arrest 196613 - Militaires et corps spéciaux - Recrutement et carrière / Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 01/10/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-10-06 Raadplegingen: 85 - laatst gezien 2026-06-30 03:38 Versie(s): Versie FR Fiche Arrest nr 196.613 van 1 oktober 2009 Openbaar ambt - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Bevolen Inwilliging tussenkomst bekendmaking Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 196.613 van 1 oktober 2009 in de zaak A. 189.694/V-
- In zake : Bart SEYS, die woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te Brugge, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46, bus 1 tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Landsverdediging. tussenkomende partij : Robert BUEKENHOUT, die woonplaats kiest bij advocaten M. UYTTENDAELE en J. SAUTOIS, kantoor houdende te Brussel, Bronstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE RAAD VAN STATE, Ve KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Bart Seys op 15 september 2008 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van: - de artikelen 2 en volgende van het koninklijk besluit nr. 7100 van 9 mei 2008 waarbij A. Duytschaever, S. Ranwez, R. Buekenhout, J.M. Verdebout en M. Decolle met ingang van 26 december 2005 worden benoemd tot majoor in het kader van de beroepsofficieren, en waarbij L. Lams met ingang van dezelfde dag wordt benoemd tot korvetkapitein in het kader van de beroepsofficieren; - de impliciete weigering om de verzoeker per 26 december 2005 te benoemen in de graad van majoor; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; V-1768-1/23 Gelet op de beschikking van 29 december 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 januari 2009; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. STAELENS, die verschijnt voor de verzoeker, van kolonel militair-administrateur R. GERITS, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat M. COOMANS die, loco advocaten M. UYTTENDAELE en J. SAUTOIS, verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd M. LEFEVER; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT: Feiten
- De verzoeker maakt deel uit van het korps van de logistiek van de landmacht en is bekleed met de graad van kapitein-commandant.
- Met een “omzendnota” van de Directeur-generaal Human Resources van 13 december 2004 wordt aan alle militaire autoriteiten van de Defensie meegedeeld dat de bevorderingscomités, belast met het onderzoek van de kandidaturen voor de graad van (onder meer) majoor in principe zullen doorgaan in de loop van het vierde trimester 2005, en dat die nota dient als officiële notificatie aan de kandidaten. De lijsten, opgesteld in volgorde van anciënniteit in de graad, van de officieren wier kandidatuur aan het bevorderingscomité voorgelegd zal worden, zijn als bijlage bij de nota gevoegd. Uit de lijst van de kandidaten-majoors van het korps van de logistiek blijkt dat er 44 kandidaten zijn. De verzoeker komt als eerste op die lijst voor, en heeft m.a.w. de hoogste anciënniteit in graad. Hij zal op 1 april 2014 met pensioen gaan. Hij blijkt, als enige, reeds voor de vijfde maal op de lijst te zijn ingeschreven. Luidens artikel 6, § 2, van het koninklijk besluit van 7 april 1959 V-1768-2/23 betreffende de stand en de bevordering van de beroepsofficieren wordt elke kandidaat, zolang hij blijft voldoen aan de bevorderingsvoorwaarden, op vijf opeenvolgende lijsten ingeschreven; het betreft derhalve verzoekers laatste kans om tot majoor te worden benoemd. Op 27 januari 2005 verleent de eerste overheid van de verzoeker een gunstig advies over zijn kandidatuur voor benoeming in de graad van majoor. Zowel op de criteria met betrekking tot de wijze van dienen als wat betreft de geschiktheid om de functies van de hogere graad uit te oefenen krijgt hij een (gemotiveerde) vermelding “zeer goed”. De tweede overheid sluit zich volledig bij de beoordeling en de commentaren aan. Op 20 oktober 2005 onderzoekt het bevorderingscomité van de landmacht, korps van de logistiek, de kandidaturen van de 44 kandidaten voor de bevordering tot de graad van majoor. De kandidaten worden gerangschikt op basis van een puntensysteem. De verzoeker wordt als 22ste gerangschikt. Nadat de voorzitter meegedeeld heeft dat maximum 13 plaatsen toegekend kunnen worden, beveelt het comité de eerste 13 kandidaten voor bevordering aan. Dezelfde dag, d.w.z. op 20 oktober 2005, onderzoekt het intermachtencomité de kandidaturen van 190 kandidaten voor de bevordering tot de graad van majoor of korvetkapitein, die niet zijn aanbevolen door de bevorderingscomités van de korpsen. Ook het intermachtencomité hanteert een puntensysteem. De verzoeker wordt als 35ste gerangschikt. Nadat de voorzitter meegedeeld heeft dat maximum 12 plaatsen toegekend kunnen worden, beveelt het comité de eerste 12 kandidaten voor bevordering aan. Bij een reeks koninklijke besluiten van 6 december 2005 worden een aantal aanbevolen kandidaten tot majoor bevorderd. Tegen 28 van die bevorderingen stelt de verzoeker een vordering tot schorsing en een beroep tot vernietiging in bij de Raad van State. In zijn arrest nr. 162.708 van 25 september 2006 beslist de Raad van State dat de vordering tot schorsing slechts ontvankelijk is voor zover ze de schorsing beoogt van de kandidaten wier titels en verdiensten werden vergeleken met de zijne, door het korpsencomité landmacht logistiek of door het intermachtencomité. Aldus wordt de vordering slechts ontvankelijk bevonden voor zover ze gericht is tegen de bevordering van L. Lams, M. Decolle, S. Ranwez, R. Buekenhout en J.M. Verdebout V-1768-3/23 en A. Duytschaever. Ingaande op de middelen is de Raad van State van oordeel dat de bevorderingen onregelmatig lijken, o.m. op grond dat ze steunen op punten waarvoor geen verantwoording wordt gegeven. De tenuitvoerlegging van de bestreden koninklijke besluiten wordt geschorst, in zoverre die besluiten betrekking hebben op de zes hiervóór genoemde kandidaten. Bij arrest nr. 174.675 van 20 september 2007 zal de Raad van State vaststellen dat de geschorste besluiten bij het hierna te noemen koninklijk besluit nr. 6286 van 8 december 2006 zijn ingetrokken, zodat het beroep tot nietigverklaring, wat die besluiten betreft, zijn voorwerp verloren heeft. In hetzelfde arrest stelt de Raad voorts vast dat de verzoeker, voor wat betreft de niet-geschorste besluiten, geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging heeft ingediend, zodat hij wordt vermoed, wat die besluiten betreft, afstand van zijn beroep te hebben gedaan.
- Met een nota van 13 november 2006 aan de minister van Landsverdediging stelt de directeur-generaal van de Algemene Directie Juridische Steun en Bemiddeling voor om de geschorste besluiten in te trekken en vervolgens nieuwe benoemingen te doen, na een nieuwe vergelijking van de kandidaturen. Hij zet uiteen dat uit artikel 11 van het koninklijk besluit van 7 april 1959 betreffende de stand en de bevordering van de beroepsofficieren volgt dat de aanbevelingen van de bevorderingscomités de minister niet binden en dat deze bijgevolg, nadat de bevorderingscomités hun aanbevelingen hebben geformuleerd, op basis van een eigen onderzoek van de kandidaturen kan overgaan tot de voordracht van de kandidaten aan de Koning. De minister kan dus een eigen beoordeling maken, die rekening houdt met de opmerkingen van de Raad van State. Een nieuwe bijeenroeping van de bevorderingscomités is dan niet nodig. Bij de nota voegt de directeur-generaal een beoordeling, punt per punt, van de zes kandidaten waarvan de bevordering geschorst werd, alsmede van de verzoeker. Die beoordeling is opgemaakt in samenspraak met de dienst “HRE-X”. De directeur-generaal voegt aan zijn nota ook nog een schrijven toe van de chef van de divisie Coördinatie en Evaluatie van de Algemene Directie Human Resources van 16 juni 2006, waarin met betrekking tot de kandidatuur van de verzoeker wordt verklaard dat rekening is gehouden met het feit dat deze ondertussen, in de sessie september 2005, geslaagd is voor het wettelijk examen over de grondige kennis van de tweede landstaal. Het betrokken brevet levert de verzoeker drie bijkomende punten (op 100) op voor het criterium “vorming”. V-1768-4/23 Ten slotte voegt de directeur-generaal bij zijn nota een ontwerp van koninklijk besluit, dat voorziet, enerzijds, in de intrekking van de geschorste besluiten, en anderzijds, in de bevordering van de zes kandidaten waarvan de bevordering geschorst was. De hiervóór genoemde beoordeling is bedoeld om gevoegd te worden als bijlage bij het ontworpen besluit. De minister volgt dit voorstel. Bij koninklijk besluit nr. 6286 van 8 december 2006 worden, zoals hiervóór is vermeld, de geschorste koninklijke besluiten van 6 december 2005 ingetrokken (artikel 1). Voorts worden A. Duytschaever, S. Ranwez, R. Buekenhout, J.M. Verdebout en M. Decolle opnieuw bevorderd tot majoor, en L. Lams tot de ermee overeenstemmende graad bij de marine, nl. korvetkapitein (artikel 2) Bij dit besluit is de eigen vergelijking gevoegd die de minister tussen deze kandidaten en de verzoeker heeft gemaakt, welke voorbereid is door de dienst HRE-X. De conclusies die uit deze vergelijking werden getrokken, betrokken op de argumentatie die de verzoeker in zijn beroep voor de Raad van State tegen de geschorste benoemingen had laten gelden, zijn als motivering in de aanhef van het besluit zelf opgenomen. Ook van dit besluit vordert de verzoeker de schorsing en de nietigverklaring. Bij arrest nr. 179.861 van 19 februari 2008 worden de artikelen 2 en volgende van het besluit geschorst. De Raad van State is van oordeel dat de door de minister gevolgde werkwijze onregelmatig is: “De aldus door de verwerende partij gevolgde werkwijze strookt niet met de economie van het koninklijk besluit van 7 april
- Door te steunen op een beoordeling die is uitgevoerd in samenwerking met de dienst ‘HRE-X’, heeft de minister de adviezen en de aanbevelingen van de bevorderingscomités laten bestaan, met de gebreken die de Raad van State reeds heeft vastgesteld. Terwijl de artikelen 1, 5/, en 8 van het koninklijk besluit van 7 april 1959 juist beogen het voor de minister mogelijk te maken om zich terdege te laten voorlichten, heeft de minister er te dezen voor geopteerd om van een regelmatige voorlichting door de geëigende organen af te zien. Ongeacht de inhoudelijke waarde van de beoordeling waarop de minister te dezen gesteund heeft om de zes kandidaten aan de Koning ter benoeming voor te dragen, kan niet anders dan vastgesteld worden dat deze beoordeling, door een dienst waarvan geen sprake is in het koninklijk besluit van 7 april 1959, op het vlak van de objectiviteit minder waarborgen biedt, of althans de schijn wekt minder waarborgen te bieden, dan een volwaardige beoordeling door de bevorderingscomités. Door het bestreden besluit te nemen zonder de bevorderingscomités om een nieuw advies en een nieuwe aanbeveling te vragen, heeft de verwerende partij dan ook de hiervóór genoemde bepalingen van het koninklijk besluit van 7 april 1959 geschonden.” V-1768-5/23 Sinds de sluiting van de debatten in de thans voorliggende zaak heeft de Raad van State vastgesteld, bij arrest nr. 192.673 van 27 april 2009, dat het geschorste besluit bij het hierna te noemen koninklijk besluit nr. 7100 van 9 mei 2008 is ingetrokken, zodat het beroep tot nietigverklaring zonder voorwerp is geworden.
- Om gevolg te geven aan het schorsingsarrest nr. 179.861 van 19 februari 2008 stelt de directeur-generaal van de Algemene Directie Juridische Steun en Bemiddeling in een nota van 12 maart 2008 voor om het geschorste besluit in te trekken en om een nieuw benoemingsbesluit voor te bereiden. De procedure zou moeten beginnen met een vergelijking door de bevorderingscomités van de titels en verdiensten van de zes betrokken officieren en van de verzoeker. Op 14 maart 2008 maakt de verzoeker aan de verwerende partij twee nota's over die bepaalde elementen uit de persoonlijkheidsnota's en de bevorderingsvoordrachten moeten verduidelijken. De eerste nota, op 3 maart 2007 opgesteld door de vroegere evaluator van de verzoeker, kapitein-ter-zee Goddyn, bevat een verduidelijking van wat deze in zijn beoordelingsnota van 2005 over de verzoeker heeft opgemerkt in verband met “te verbeteren punten”. De tweede nota, op 7 maart 2007 opgesteld door kolonel Van Impe, bevat een nadere toelichting van de beoordeling die deze in 1999 over de verzoeker heeft gegeven, meer bepaald met betrekking tot de criteria “beschikbaarheid” en “fysieke vaardigheden”. Zoals de verzoeker in zijn schrijven uiteenzet, zijn de nota’s op verzoek van de verzoeker opgesteld, en moesten ze dienen in het kader van zijn beroep tegen het inmiddels geschorste koninklijk besluit van 8 december
- Volgens de verzoeker hebben de nota’s tot doel om “de verkeerde interpretaties van de betrokken feiten [te] vermijden zoals die zich tijdens evaluaties en in het kader van bevorderingsdossiers hebben voorgedaan of verder zouden kunnen voordoen”. Hij vraagt ze in zijn persoonlijk dossier te willen klasseren. Op 14 april 2008 komt het bevorderingscomité van de landmacht, korps van de logistiek, bijeen voor het onderzoek van de kandidaturen van J.M. Verdebout, S. Ranwez, R. Buekenhout, A. Duytschaever en de verzoeker. Het comité rangschikt de kandidaten op grond van de beoordelingen die ze voor tien verschillende criteria krijgen. De mogelijke beoordelingen zijn: “zeer goed” (16 punten), “goed” (14 punten) en “ voldoende” (12 punten). De criteria zijn: “vorming”, “beroepservaring”, “karakteriële vaardigheden”, “fysieke vaardigheden”, “professionele vaardigheden”, “persoonlijke inzet”, “groepsgedrag”, “visie en V-1768-6/23 analyse”, “werkorganisatie” en “resultaatgerichtheid”. De verzoeker wordt op zes criteria als “zeer goed” beoordeeld, op drie criteria (“karakteriële vaardigheden”, “fysieke vaardigheden” en “persoonlijke inzet”) als “goed”, en op één criterium (“vorming”) als “voldoende”. De eindscores van de kandidaten liggen tussen 156 en
- De verzoeker, die 150 punten behaalt, wordt als vijfde gerangschikt. Nadat de voorzitter meegedeeld heeft dat maximum vier plaatsen toegekend kunnen worden, beveelt het comité de eerste vier kandidaten voor bevordering aan. De verzoeker wordt dus niet voorgedragen. Diezelfde dag komt ook het intermachtencomité bijeen voor het onderzoek van de kandidaturen van M. Decolle, L. Lams en de verzoeker. Ook het intermachtencomité rangschikt de kandidaten op grond van hun beoordelingen voor de tien genoemde criteria. De eindscores van de kandidaten liggen tussen 154 en
- De verzoeker wordt als derde gerangschikt. Nadat de voorzitter meegedeeld heeft dat maximum twee plaatsen toegekend kunnen worden, beveelt het comité de eerste twee kandidaten voor bevordering aan. De verzoeker wordt dus niet voorgedragen. De minister sluit zich bij de voorstellen aan. Bij koninklijk besluit nr. 7100 van 9 mei 2008 wordt het bij het arrest nr. 179.861 geschorste koninklijk besluit van 8 december 2006 ingetrokken (artikel 1). Voorts worden A. Duytschaever, S. Ranwez, R. Buekenhout, J.M. Verdebout en M. Decolle opnieuw bevorderd tot majoor, en L. Lams tot de ermee overeenstemmende graad bij de marine, nl. korvetkapitein (artikelen 2 tot 4). Dit besluit wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 16 juli
- De artikelen 2 en volgende van dit besluit vormen het voorwerp van de voorliggende vordering. Tussenkomst
- Met een op 22 oktober 2008 ter post aangetekend verzoekschrift heeft Robert Buekenhout gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. Er is grond om dat verzoek in te willigen. V-1768-7/23 Ontvankelijkheid van de vordering 6.
- De tussenkomende partij vraagt zich af of de verzoeker nog wel van het vereiste belang doet blijken. Zij merkt op dat de verzoeker op 27 oktober 2008 is overgeplaatst van de landmacht naar de zeemacht, meer bepaald naar het dicht bij zijn woonplaats gelegen Zeemachtcommando. Het is niet onredelijk om te denken, zo meent de tussenkomende partij, dat de verzoeker deze mutatie zelf heeft aangevraagd teneinde zijn carrière te kunnen beëindigen op een post dichter bij zijn woonplaats, die hem een groter comfort geeft bij het nakende einde van zijn loopbaan. Dit soort van mutatie wordt in de regel alleen maar toegekend aan personeelsleden die niet langer kandidaat zijn voor bevordering. 6.
- De Raad van State ziet niet in waarom het feit dat de verzoeker de mutatie zou hebben gevraagd en verkregen, zijn belang zou doen verdwijnen. De tussenkomende partij voert in elk geval geen rechtsregel aan waaruit zou blijken dat ingevolge die mutatie de verzoeker de bevordering niet meer zou kunnen verkrijgen. Ter zitting heeft de verzoeker bovendien uitdrukkelijk verklaard dat hij nog steeds de ambitie heeft om tot majoor bevorderd te worden. Hij bevestigt aldus zijn belangstelling voor de zaak. Er is in de gegeven omstandigheden geen reden om te twijfelen aan het belang van de verzoeker bij zijn vordering tot schorsing van de bestreden bevorderingen. 7.
- Zowel de verwerende partij als de tussenkomende partij werpen voorts een exceptie van onontvankelijkheid van de vordering op, in zoverre deze de schorsing beoogt van de impliciete weigering om de verzoeker te bevorderen. Beide partijen voeren in essentie aan dat een impliciete beslissing om iemand niet te benoemen geen voor vernietiging of schorsing vatbare handeling is, tenzij de overheid verplicht is om de betrokkene te benoemen. Te dezen bestaat er volgens de genoemde partijen geen dergelijke rechtsplicht. Zij voeren voorts aan dat, anders dan de verzoeker betoogt, de omstandigheid dat het de derde keer is dat hij niet bevorderd is, niet meebrengt dat de vordering tot schorsing van de impliciete beslissing nu ontvankelijk is. V-1768-8/23 7.
- De verzoeker voert aan dat de overheid in principe weliswaar over een discretionaire bevoegdheid beschikt, maar dat dit niet inhoudt dat zij arbitrair te werk mag gaan en het gezag van gewijsde van de arresten van de Raad van State mag miskennen. Dit is wat te dezen gebeurt nu de verwerende partij ten derde male zonder motief weigert de verzoeker te benoemen. De verzoeker verwijst naar de arresten Van Poucke, nr. 72.652, van 24 maart 1998 en Audenaarde, nr. 98.070, van 27 juli
- In het arrest Van Poucke leest hij dat ervan uitgegaan mag worden dat bij herneming van de procedure bijzondere aandacht wordt besteed aan alle elementen van het dossier, waardoor het niet aannemelijk is dat de overheid andere dan de door haar in aanmerking genomen motieven zou kunnen bedenken om de verzoeker niet te benoemen. Uit het arrest Audenaarde citeert hij de redenering dat, indien de verwerende partij er tot viermaal toe niet in slaagt motieven aan te halen waarom zij de blijkens de schorsingsarresten prima facie enige in rechte in aanmerking komende kandidaat niet benoemt, zij geacht moet worden geen rechtsgeldige motieven te hebben, met als gevolg dat de verzoeker geacht moet worden recht te hebben op de aanstelling. De verzoeker is van mening dat de verwerende partij te dezen voor de derde keer geen afdoende motief formuleert. Zij vergenoegt zich ermee de nota's die door een onbevoegde dienst zijn opgesteld te bevestigen en doet zelfs geen moeite om het motief dat tot het eerste arrest heeft geleid grondig te expliciteren in haar nieuwe beslissing. Hij benadrukt verder dat hij nu al jaren een rechtsstrijd voert en dat hem is meegedeeld dat die rechtsstrijd geen zin heeft omdat toch telkens weer hetzelfde zal beslist worden. Door toepassing van de principes van de geciteerde arresten kan wel degelijk effectieve rechtsbescherming worden geboden. 7.
- Zoals de Raad van State onder meer in het arrest nr. 181.549, Boomputte, van 31 maart 2008 heeft overwogen, kan een afzonderlijk beroep tegen de impliciete weigering om een teleurgestelde kandidaat te benoemen in beginsel niet tot een ruimer herstel leiden dan het herstel dat voortvloeit uit de eventuele vernietiging van de beslissing waarbij een concurrent is benoemd. In beginsel heeft V-1768-9/23 een verzoeker dan ook geen belang bij een dergelijk beroep. Hetzelfde geldt voor een vordering tot schorsing van een impliciete weigering tot benoeming. Weliswaar kunnen er uitzonderlijk omstandigheden zijn die met zich brengen dat een verzoeker wel belang heeft bij het bestrijden van de impliciete beslissing om hem niet te benoemen. Te dezen voert de verzoeker aan dat het feit dat hij al drie keer niet bevorderd is, zonder dat het bestuur daarvoor over een materiële motivering beschikt, een zodanige omstandigheid is. Tot staving van die zienswijze verwijst hij naar de aangehaalde arresten Van Poucke en Audenaerde. Uit die arresten leidt hij af dat, als een overheid bij voortduring in gebreke blijft om toereikende motieven te geven voor de aanstelling van andere kandidaten dan de verzoeker, die overheid geacht moet worden geen rechtsgeldige motieven te hebben en de verzoeker geacht moet worden een recht te hebben op de aanstelling. Het is juist dat de verwerende partij thans voor de derde keer de concurrenten van de verzoeker bevordert, ondanks de schorsing van twee eerdere beslissingen in die zin. Er moet echter vastgesteld worden dat de Raad van State enkel in het eerste schorsingsarrest, namelijk het arrest nr. 162.708 van 25 september 2006, gesteld heeft dat de materiële motivering ontoereikend was. Uit de motieven van dat arrest blijkt voorts niet dat er geen redenen konden zijn om de verzoeker niet te verkiezen boven zijn concurrenten. Uit die motieven blijkt alleen dat de aanbeveling van de bevorderingscomités en de notulen ervan op het eerste gezicht niet toelieten te begrijpen waarom de bevorderingscomités andere kandidaten dan de verzoeker aan de minister aanbevolen hadden en waarom de minister vervolgens op grond van de enkele verwijzing naar die aanbeveling de bestreden beslissingen had genomen. Na de schorsing van de bestreden beslissingen heeft de verwerende partij het onderzoek van de kandidaturen overgedaan. Zij heeft de concurrenten van de verzoeker weliswaar opnieuw bevorderd, maar zij heeft dat dan gedaan op grond van een andere motivering. In het tweede schorsingsarrest, namelijk het arrest nr. 179.861 van 19 februari 2008, heeft de Raad van State een procedurele onregelmatigheid vastgesteld, en op grond daarvan de bestreden benoemingen geschorst. In dat arrest wordt niets gezegd over de inhoud van de nieuwe motivering. Aldus lijkt uit de twee eerdere arresten in kort geding niet te kunnen worden afgeleid dat de verzoeker de enige in rechte in aanmerking komende kandidaat zou zijn, of dat hij althans eerder dan zijn concurrenten voor bevordering in aanmerking zou komen. Evenmin kan uit die arresten worden afgeleid dat de verwerende partij in geen geval rechtsgeldige redenen zou kunnen hebben om de verzoeker niet te bevorderen. V-1768-10/23 Voorshands maakt de verzoeker dan ook niet aannemelijk dat er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat zijn vordering, in zoverre ze gericht is tegen de impliciete weigering om hem te bevorderen, ontvankelijk zou zijn. De exceptie lijkt in de huidige stand van de rechtspleging gegrond. Onderzoek van de vordering
- Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Ernst van de middelen Tweede middel 9.
- De verzoeker roept een tweede middel in, afgeleid uit de schending van het gelijkheidsbeginsel, de materiële motiveringsplicht, het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Hij wijst erop dat hij, na inzage van zijn dossiers, twee verduidelijkende persoonlijkheidsnota’s heeft overgemaakt, waarin vroegere beoordelaars hun toenmalige beoordeling toelichten. De eerste nota is die van kapitein-ter-zee Goddyn van 3 maart 2007, die zijn beoordeling van verzoekers gespecialiseerde kennis voor het evaluatiejaar 2005 toelicht. De verzoeker kreeg toen voor dat aspect een 7 in plaats van een 8, en pro-activiteit en initiatief werden als “te verbeteren punten” aangeduid. Uit de verduidelijkende nota blijkt dat de bedoelde beoordeling niet mag worden gelezen alsof de verzoeker, die een zeer initiatiefrijk man is, plots getuigd zou hebben van een inzinking en van een minder adequate mentaliteit. Het ging er immers om dat aan de verzoeker een nieuwe materie was toebedeeld, waarvoor hij in den beginne een zekere schroom in acht nam. De evaluator gaf enkel aan dat de verzoeker, na verdieping van zijn kennis, het vanaf het volgende jaar anders zou kunnen opnemen. De tweede nota is die van kolonel Van Impe van 7 maart 2007, die zijn beoordeling van de beschikbaarheid en de fysieke vaardigheden van de verzoeker voor het evaluatiejaar 1999 toelicht. V-1768-11/23 De evaluator merkt op, enerzijds, dat hij de fysieke vaardigheid zeer goed heeft bevonden, en anderzijds, dat hij in verband met het criterium beschikbaarheid voor 1999 weliswaar een opmerking heeft geformuleerd, maar dat verzoekers beschikbaarheid nadien gunstig is geëvolueerd. De verzoeker voert aan dat op geen enkele wijze is rekening gehouden met die twee verduidelijkende nota's. De verzoeker voegt hieraan toe dat hij met deze nota’s geen spijkers op laag water zoekt. Bij de eerste oordeelsvorming heeft de verwerende partij immers verwezen naar het principe van de homothetie, dat inhield dat men gemiddelden maakte bij de verschillende machten en de beoordelingen op een of andere wijze op elkaar afstemde. Aldus werd het verschil tussen de verschillende machten, ten gevolge van verschillende beoordelingen van verschillende personen, die elk vanuit hun eigenheid en schaal beoordeelden, afgezwakt. Dit neemt niet weg dat elke beoordelaar zich op een bepaald ogenblik strenger of milder zal opstellen, ook binnen dezelfde macht. De nota van kapitein-ter-zee Goddyn komt erop neer dat door deze beoordelaar wordt aangegeven waarom hij hier even wat strenger is geweest, een andere beoordelaar zou eventueel anders hebben kunnen oordelen. De verzoeker besluit dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de nota van kapitein-ter-zee Goddyn voor de beoordeling van het criterium karakteriële vaardigheden, en dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de twee nota’s voor de beoordeling van het criterium inzet. 9.2.
- In hoofdorde antwoordt de verwerende partij dat er fundamentele bezwaren bestaan tegen het aanwenden van de verklaringen van kapitein-ter-zee Goddyn en kolonel Van Impe door de bevorderingscomités. Het is immers duidelijk dat deze nota's zijn opgesteld in tempore suspecto, d.w.z. nadat de verzoeker zijn eerste beroep aanhangig had gemaakt bij de Raad van State. Het zijn “geprepareerde” verklaringen. Volgens de verwerende partij is er geen enkel rechtsbeginsel dat het bestuur zou verplichten om bij haar besluitvorming rekening te houden met argumenten die door een verzoeker zijn ontwikkeld in een beroep voor de rechter. In ieder geval mocht het bestuur bij de beoordeling in 2008 van vacatures uit 2005 alleen rekening houden met het persoonlijk dossier van de kandidaten en de documenten zoals die in 2005 V-1768-12/23 voorlagen. Dat wordt trouwens uitdrukkelijk in het bestreden besluit vermeld, en daartegen levert de verzoeker geen kritiek. De bevorderingscomités zouden volgens haar het gelijkheidsbeginsel miskennen door kennis te nemen van latere gegevens. Zo waren zij ook niet gerechtigd om rekening te houden met de ondertussen opgedane ervaring van de andere kandidaten of nieuwe beoordelingen m.b.t. deze kandidaten. Zoniet hadden zij ook aan de andere kandidaten de mogelijkheid moeten bieden om verklaringen in te dienen die hen in een betere daglicht zouden hebben kunnen plaatsen. 9.2.
- Subsidiair meent de verwerende partij dat de verzoeker geen voldoende duidelijk middel aanvoert omdat hij nalaat aan te geven welke elementen van de door de bevorderingscomités aangewende criteria niet correct werden beoordeeld, gelet op de voorgelegde verklaringen. Voorts merkt de verwerende partij op dat kapitein-ter-zee Goddyn in zijn beoordeling van 2005 heeft vermeld dat de verzoeker de gespecialiseerde kennis en ervaring in zijn nieuw vakgebied mist. De bevorderingscomités maken melding van datzelfde gegeven bij de beoordeling van het criterium “beroepservaring”, maar ze voegen er onmiddellijk aan toe dat de verzoeker inspeelt op het gemis aan gespecialiseerde kennis en ervaring door zich aan te bieden voor het volgen van specifiek verrijkende cursussen. De bevorderingscomités geven hem voor het genoemde criterium de beoordeling “zeer goed”. Het valt volgens de verwerende partij dan ook niet in te zien welk belang de verzoeker heeft bij het argument dat de bevorderingscomités geen rekening hebben gehouden met de verklaring a posteriori van kapitein-ter-zee Goddyn, nu hij onmogelijk meer dan de maximumscore kan krijgen. In verband met de verklaring van kolonel Van Impe, die het heeft over de rubrieken beschikbaarheid en fysieke vaardigheden in zijn evaluatie van 1999, merkt de verwerende partij op dat die verklaring in feite enkel relevant is voor het aspect “fysieke vaardigheden” als gedefinieerd door de bevorderingscomités, aangezien die comités bij dat criterium ook melding maken van de “beschikbaarheid” van de kandidaten. Welnu, voor het criterium “fysieke vaardigheden” verkreeg de verzoeker de vermelding “goed”, waarbij melding werd gemaakt van het probleem qua beschikbaarheid in
- Alle andere kandidaten verkregen voor het criterium “fysieke vaardigheden” de vermelding “zeer goed”, om V-1768-13/23 redenen die hen op het punt van de beschikbaarheid onderscheidden van de verzoeker. Het is volgens de verwerende partij duidelijk dat de verklaring van kolonel Van Impe niets zou hebben bijgebracht aan het oordeel van de bevorderingscomités. Kolonel Van Impe bevestigde immers verzoekers uitzonderlijke “zwakheid” in 1999 en hij ontkracht helemaal niet het gegeven dat de verzoeker nooit een uitdrukkelijke positieve vermelding heeft gekregen voor zijn beschikbaarheid. Uiterst subsidiair merkt de verwerende partij nog op dat indien de verzoeker voor het criterium “fysieke vaardigheden” de score “zeer goed” zou hebben gekregen, hem dat maar twee punten bijkomend zou hebben opgeleverd. In dat geval zou hij op gelijke hoogte zijn gekomen met A. Duytschaever in het bevorderingscomité logistiek, maar zou hij in het intermachtencomité nog steeds na zijn concurrenten komen. Indien verzoekers argumentatie aanvaard zou worden, zou dit dus enkel kunnen leiden tot een schorsing van de bevordering van A. Duytschaever, niet tot die van de bevordering van de andere kandidaten. 9.
- De tussenkomende partij stelt dat het principe van de homothetie niet noodzakelijk ertoe moet leiden dat elke ongewone beoordeling moet worden geweerd; aan een dergelijke beoordeling moet alleen niet te veel gewicht worden gehecht. Het enkele feit dat de zwakke punten uit bepaalde evaluaties van de verzoeker worden geciteerd in de notulen van de bevorderingscomités betekent niet dat die punten doorslaggevend zijn geweest voor de beoordeling van verzoekers kandidatuur. Daarenboven is de verzoeker niet de enige waarvoor punctuele evaluaties in aanmerking werden genomen. Dat is ook het geval voor de kandidaten Lams en Ranwez. Daaruit blijkt dat niet alleen voor de verzoeker rekening is gehouden met éénmalige opmerkingen in oude evaluaties. De verwerende partij heeft ten opzichte van alle kandidaten rekening gehouden met alle evaluaties die volgens haar op redelijke gronden steunen. Die werkwijze is niet betwistbaar vanuit het oogpunt van de zorgvuldigheid, de materiële motivering of de gelijkheid. 9.4.
- Voorshands kan de verwerende partij niet gevolgd worden waar deze stelt dat de bevorderingscomités het gelijkheidsbeginsel miskend zouden hebben als ze kennis genomen zouden hebben van de twee verduidelijkende persoonlijkheidsnota's. Het gaat immers niet om latere gegevens maar om verduidelijkingen betreffende gegevens die reeds in 2005 bestonden, namelijk de V-1768-14/23 toen bestaande evaluaties. De nota's doen niets anders dan die evaluaties toelichten. Ze brengen geen nieuwe gegevens aan en zeker geen gegevens die zijn ontstaan na de eerste beoordeling van de kandidaturen. Het feit dat de nota’s op vraag van de verzoeker zijn opgesteld lijkt bovendien van weinig belang. Ook al zou dat het geval zijn, dan zou dit immers nog niet betekenen dat de nota’s noodzakelijkerwijze niet met de werkelijkheid zouden overeenstemmen. Ter zitting voert de verwerende partij nog aan dat de verzoeker de nota’s niet heeft overgemaakt aan de dienst HRE, die belast is met het onderzoek van de kandidaturen, maar aan de personeelsdienst (ASE 165), die een louter administratieve dienst is. De Raad van State ziet echter niet in hoe dit feit zou kunnen verantwoorden dat de nota’s een maand later nog niet bij de juiste dienst zouden zijn terechtgekomen, en nog minder dat de bevoegde dienst de nota’s niet bij de benoemingsdossiers zou voegen. Voorshands neemt de Raad van State dan ook aan dat de bevorderingscomités wel degelijk rekening moesten houden met de door de verzoeker voorgelegde verduidelijkende nota's. 9.4.
- Uit de notulen van de bevorderingscomités blijkt duidelijk welke evaluaties over de voorbije jaren hebben bijgedragen tot de oordeelsvorming met betrekking tot de door de comités gehanteerde criteria. Zo blijkt uit de beoordelingen van de verzoeker dat voor de beoordeling van de criteria “beroepservaring” en “karakteriële vaardigheden” rekening is gehouden met zijn evaluatie over het jaar 2005, en dat voor de beoordeling van het criterium “fysieke vaardigheden”rekening is gehouden met zijn evaluatie over het jaar
- Het is met betrekking tot de twee genoemde evaluaties dat de verzoeker een bijkomende duiding vanwege de betrokken evaluatoren heeft voorgelegd. Weliswaar kreeg de verzoeker voor het criterium “beroepservaring” de maximumscore (“zeer goed”), zodat niet valt in te zien welk belang hij erbij heeft om aan te voeren dat er voor dat criterium niet voldoende met de bijkomende duidingsgegevens rekening zou zijn gehouden. Voor de criteria “karakteriële vaardigheden” en “fysieke vaardigheden” verkreeg de verzoeker echter telkens slechts de beoordeling “goed”. In verband met de “karakteriële vaardigheden” worden de volgende “te verbeteren punten” vermeld: “eigen V-1768-15/23 initiatief” en “pro-activiteit”; in verband met de “fysieke vaardigheden” is het “te verbeteren punt”: “beschikbaarheid buiten normale Log opdracht (o.a. sport, PR)”. Het zijn precies de genoemde punten die worden toegelicht, in een voor de verzoeker op het eerste gezicht gunstige zin, in de verklarende nota’s van kapitein-ter-zee Goddyn en kolonel Van Impe. Het staat niet aan de Raad van State om in de plaats van de verwerende partij te oordelen over het impact dat deze verduidelijkingen moeten hebben op de beoordeling van de verzoeker en op de rangschikking van de kandidaten. Het is voldoende om vast te stellen dat die verduidelijkingen slaan op gegevens die in het nadeel van de verzoeker zijn gebruikt en dat, indien die verduidelijkingen in het voordeel van de verzoeker zouden spelen, een andere beoordeling op de twee laatstgenoemde criteria mogelijk zou zijn (“zeer goed” in plaats van “goed”), dat dit in het voor de verzoeker meest gunstige geval zou resulteren in een eindscore die vier punten hoger is (154 in plaats van 150), en dat hij in dat geval in het bevorderingscomité niet als vijfde, maar als derde of vierde zou zijn gerangschikt, en in het intermachtencomité niet noodzakelijk als derde, maar mogelijk als eerste of tweede. Het is dus mogelijk dat de verzoeker gunstiger gerangschikt zou zijn, met als gevolg dat hij voorgedragen zou zijn. Uit de verslagen van de bevorderingscomités blijkt niet dat deze kennis hebben kunnen nemen van de twee toelichtende nota’s. Uit het verweer dat de tegenpartij voor de Raad van State voert, blijkt integendeel dat die twee nota’s niet zijn voorgelegd aan de bevorderingscomités. Zoals hiervóór is uiteengezet, is er voorshands echter geen reden om aan te nemen dat de nota’s buiten de beoordeling gehouden mochten worden. Door de nota’s niet bij de beoordelingsdossiers te voegen, lijkt de verwerende partij dan ook te hebben gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Het middel is in zoverre ernstig. Derde middel 10.
- De verzoeker roept een derde middel in, afgeleid uit de schending van het gezag van gewijsde van de arresten nrs. 162.708 en 179.861, de materiële motiveringsplicht, het gelijkheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel, het consistentiebeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. V-1768-16/23 De verzoeker herinnert eraan dat de Raad van State in zijn arrest nr. 162.708 van 25 september 2006 heeft overwogen dat de minister rekening diende te houden met het resultaat van het examen grondige kennis tweede taal, en dat hij in zijn arrest nr. 179.861 van 19 februari 2008 heeft overwogen dat de bevorderingen niet konden plaatsvinden zonder een nieuwe beoordeling door de bevorderingscomités. De comités zijn deze keer weliswaar opnieuw bijeengekomen, maar volgens de verzoeker blijkt dat zij enkel zijn opgeroepen “om een verplicht nummer op te voeren”. De door de bevorderingscomités gehanteerde vergelijkingsmethode is thans anders dan de methode die de eerste keer gevolgd is, maar toch wordt hetzelfde eindresultaat bereikt. Concreet voert de verzoeker aan dat de bevorderingscomités voor de beoordeling van de kandidaturen op 14 april 2008 hebben gewerkt met beoordelingen “zeer goed”, “goed” en “voldoende”, waaraan telkens een aantal punten wordt toegekend (respectievelijk 16, 14 en 12), terwijl een dergelijk puntensysteem niet werd gebruikt in de beoordelingen van 20 oktober
- Volgens de verzoeker wordt dit nieuwe systeem op het getouw gezet om te verhinderen dat men zou moeten motiveren waarom de verzoeker, ondanks zijn tweetaligheid, niet kan voorgaan op zijn concurrenten, en waarom men een groot belang blijft hechten aan een aantal niet-optimale elementen uit zijn dossier, alhoewel die reeds lang zijn weerlegd. Het nieuwe systeem verhindert volgens de verzoeker iedere transparantie ten aanzien van de gehele beoordeling en laat niet toe dat concreet wordt aangetoond hoe het element dat door de Raad van State werd onderstreept -de grondige kennis van de tweede taal- is verdisconteerd. De verzoeker besluit dat de verwerende partij zich “klaarblijkelijk al te zeer [heeft] laten leiden door de vaste wil om bij elke besluitvorming uit te komen waar men in den beginne uitkwam”. 10.
- De verwerende partij antwoordt dat de wets- en reglements- bepalingen die de bevordering van officieren regelen niet bepalen hoe het bestuur de vergelijking van de titels en de verdiensten in concreto moet doen. Het bestuur, dat terzake over een discretionaire bevoegdheid beschikt, moet er alleen voor zorgen dat de kandidaten deugdelijk worden vergeleken, met eerbiediging van het gelijkheidsbeginsel en de door de wetgever vooropgezette criteria. De enige pertinente vraag is dus of de bevorderingscomités op 14 april 2008 overgegaan zijn tot een adequate vergelijking van de titels en de verdiensten. V-1768-17/23 De verwerende partij wijst er voorts op dat de bevorderings- comités in 2008 anders waren samengesteld dan in 2005, en dat elk bevorderingscomité vrij is om een eigen methodiek te hanteren. Bovendien was de situatie in 2008 wezenlijk anders dan in 2005, vermits de verzoeker nu maar met een beperkt aantal concurrenten moest worden vergeleken (in het bevorderingscomité Logistiek met vier andere kandidaten i.p.v. met 44, in het intermachtencomité met twee andere kandidaten i.p.v. met 190). Het bestuur heeft in 2008 geopteerd voor een meer kwalitatieve vergelijking, die mogelijk was geworden door het kleine aantal te vergelijken kandidaten, i.p.v. voor het eerder mathematische model dat in 2005 is aangewend, toen grote aantallen kandidaten moesten worden vergeleken. De verwerende partij wijst erop dat de verzoeker zelf de motivering van 2005 en dus ook de toen gevolgde werkwijze in vraag heeft gesteld in de zaak die aanleiding gaf tot het eerste schorsingsarrest. Zij begrijpt dan ook niet dat de verzoeker nu de toepassing vraagt van de methodiek die hij zelf bekritiseerd heeft. 10.
- De tussenkomende partij verwijst naar het verweer van de tegenpartij. 10.
- Uit de beschrijving van de door de bevorderingscomités gehanteerde criteria blijkt dat de “vormingen op het vlak van de taalvaardigheden” een element vormen van het criterium “vorming”. Op dat criterium heeft de verzoeker slechts de beoordeling “voldoende” gekregen. De verzoeker voert terecht aan dat uit de door de bevorderingscomités gehanteerde werkwijze niet kan worden afgeleid in welke mate is rekening gehouden met zijn grondige kennis van het Frans. Uit de motivering met betrekking tot het criterium “vorming” blijkt immers wel dat de grondige kennis van het Frans in de beoordeling is betrokken, maar er wordt niet verduidelijkt hoe zwaar dit element heeft gewogen. Op zich is niet vereist dat voor elk aspect dat relevant is voor de beoordeling van een bepaald criterium, precies zou worden aangegeven in welke mate dat aspect meespeelt in de score die voor het geheel van dat criterium is behaald. V-1768-18/23 Te dezen dienden de bevorderingscomités aan de grondige kennis van het Frans evenwel een bijzondere aandacht te besteden. In zijn arrest nr. 162.708 van 25 september 2006 heeft de Raad van State immers vastgesteld, enerzijds, dat de verwerende partij de kennis van de tweede landstaal door de officieren als zeer belangrijk beschouwde, en anderzijds, dat het feit dat de verzoeker in september 2005 geslaagd was voor het wettelijk examen over de grondige kennis van de tweede landstaal ten onrechte noch door de bevorderingscomités, noch door de minister in aanmerking was genomen bij de beoordeling van de kandidaturen in
- In het licht van dat arrest mocht de verzoeker verwachten dat hij bij een nieuwe beoordeling, ditmaal met inachtneming van het bewijs van zijn grondige kennis van het Frans, normaal een betere score zou behalen. Weliswaar beschikt de verwerende partij inzake de bevordering van officieren over een ruime discretionaire bevoegdheid. De verwerende partij wijst er dan ook terecht op dat zij bij de vergelijking van de titels en de verdiensten van de kandidaten er alleen voor moet zorgen dat de kandidaten deugdelijk worden vergeleken, met eerbiediging van het gelijkheidsbeginsel en de door de wetgever vooropgezette criteria. Dit neemt niet weg dat de verwerende partij, ter wille van de transparantie van het beoordelingssysteem, in concreto een methode dient te volgen die het de kandidaten mogelijk moet maken om na te gaan in hoeverre eerder vastgestelde gebreken in de besluitvorming zijn rechtgezet. Te dezen kan van de gevolgde methode bezwaarlijk gezegd worden dat ze een dergelijk nazicht mogelijk maakt. De verwerende partij, geconfronteerd met een arrest waarin gesteld wordt dat haar beoordeling op een bepaald punt betwistbaar was, beperkt zich niet tot een punctuele correctie van de eerder gegeven beoordeling, maar past een heel andere methode toe. Noch in de nota’s die aan de bevorderingscomités zijn voorgelegd, noch in de verslagen van die comités zelf, noch in het bestreden besluit wordt uiteengezet waarom thans, bij de derde beoordeling van de kandidaturen en na twee schorsingsarresten, geopteerd wordt voor die wezenlijk verschillende beoordelingsmethode. Een en ander heeft tot gevolg dat de verzoeker zich terecht vragen kan stellen bij de integriteit van het beoordelingsproces, nu de gevolgde procedure de indruk kan wekken dat een bepaald resultaat bereikt moest worden en de methode zo geconcipieerd werd dat ze alleen maar tot dat resultaat kon leiden. V-1768-19/23 In zoverre in het middel een schending wordt aangevoerd van de materiële motiveringsplicht, is het ernstig. Moeilijk te herstellen ernstig nadeel 11.
- Wat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft, voert de verzoeker in de eerste plaats aan dat hij door het bestreden besluit een moreel nadeel lijdt. Hij wijst erop dat hij duidelijk primeert, dat het de laatste maal is dat hij kandidaat kan zijn, en dat hij moet ervaren dat jongere kandidaten, die slechts voor de eerste of de tweede maal deelnemen, hem over het hoofd springen. Dit nadeel is des te onverdraaglijker, omdat de verzoeker bij elke evaluatie uiterst lovend wordt beoordeeld. Daarnaast wijst de verzoeker erop dat het zijn laatste kans was om tot majoor te worden bevorderd en dat hij in zijn huidige graad uiterlijk in april 2014 op pensioen zal worden gesteld. Een vernietiging die pas zou tussenkomen na een normale annulatieprocedure zou impliceren dat hij pas in de nadagen van zijn carrière in aanmerking zou komen voor een bevordering. Tevens zou elke verdere bevordering vanuit de graad van majoor onherstelbaar verloren zijn. Hij stelt verder dat het ook ten aanzien van de benoemde kandidaten aangewezen is dat onherstelbare gevolgen worden vermeden. Bij een volledige vernietiging wordt het rechtsherstel voor alle andere kandidaten een bijna onoplosbare puzzel want inmiddels zullen er anderen bevorderd zijn, die bevorderd blijven en die het aantal vacatures zullen bepalen. 11.
- In haar memorie van antwoord gedraagt de verwerende partij zich met betrekking tot het moeilijk te herstellen nadeel naar de wijsheid van de Raad van State. Ter terechtzitting wijst zij op de gevolgen die een schorsing van de bestreden bevorderingen zou meebrengen. Zij voert aan dat de goede werking van de dienst verstoord zou worden en dat het gezag van de benoemde kandidaten aangetast zou worden. Zij vraagt dan ook om het belang van de verzoeker bij een schorsing van het bestreden besluit af te wegen tegen het belang van de verwerende partij bij een verdere uitvoering van dat besluit, en om te concluderen dat er geen aanleiding bestaat om de schorsing te bevelen. V-1768-20/23 11.
- De tussenkomende partij gedraagt zich op dit punt naar de wijsheid van de Raad van State. 11.
- Weliswaar moet iemand die zich voor een bepaalde benoeming kandidaat stelt, rekening houden met een afwijzing van zijn kandidatuur zodat die mislukking in beginsel geen bron kan zijn van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Zulks zal echter wel het geval zijn wanneer de verzoeker bijzondere gegevens aanvoert die aantonen dat hij zich in een uitzonderlijke situatie bevindt die toch een schorsing verantwoordt. Te dezen moet vastgesteld worden dat de verzoeker voor de vijfde keer deelneemt aan de bevorderingsronde voor majoor, dat het vanuit statutair oogpunt om zijn laatste kans gaat, en dat hij binnen zijn korps over de hoogste graadanciënniteit beschikt en daarom als eerste voorkwam op de lijst van kandidaten die aan de bevorderingsronde deelnamen. Bovendien heeft de verzoeker van zijn hiërarchische meerderen een advies “zeer goed” met lovende kritiek gekregen. In die omstandigheden voert de verzoeker terecht aan dat het voorbijgaan aan zijn kandidatuur zijn imago sterk aantast. Omwille van deze specifieke redenen dient de verzoeker niet langer dan strikt noodzakelijk te wachten om zijn geschil met het bestuur definitief beslecht te zien. Op grond van deze beschouwingen aanvaardt de Raad van State dat er ook te dezen, zoals in de twee vorige schorsingszaken, in hoofde van de verzoeker een moeilijk te herstellen ernstig nadeel is. Met betrekking tot de door de verwerende partij gevraagde belangenafweging merkt de Raad van State op dat een schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit geen dermate zware gevolgen heeft voor het bestuur en voor de benoemde kandidaten, dat die schorsing daardoor onaanvaardbaar zou worden. De benoemde kandidaten zouden immers terugvallen op de graad die ze vóór de bestreden bevorderingen hadden en zij kunnen verder belast worden met functies die met die graad overeenstemmen. Bovendien maakt de verwerende partij niet aannemelijk dat haar belang bij een verdere uitvoering van het bestreden besluit zwaarder zou wegen dan het belang van de verzoeker bij een schorsing van dat besluit. V-1768-21/23
- Er is voldaan aan de bij artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging te bevelen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het verzoek tot tussenkomst van Robert Buekenhout in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel
- Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van de artikelen 2 tot 4 van het koninklijk besluit nr. 7100 van 9 mei 2008 waarbij A. Duytschaever, S. Ranwez, R. Buekenhout, J.M. Verdebout en M. Decolle met ingang van 26 december 2005 worden benoemd tot majoor in het kader van de beroepsofficieren, en waarbij L. Lams met ingang van dezelfde dag wordt benoemd tot korvetkapitein in het kader van de beroepsofficieren. Artikel
- De vordering wordt voor het overige verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Artikel
- Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het geschorste besluit. V-1768-22/23 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 1 oktober 2009, door de Ve kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, J. JAUMOTTE, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. V-1768-23/23 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.613 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.210.667 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.