id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.615 Rolnummer: A. 191423/X-14085 Zaak: Arrest 196615 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 02/10/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-10-12 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 03:38 Fiche Arrest nr 196.615 van 2 oktober 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 196.615 van 2 oktober 2009 in de zaak A. 191.423/X-14.
- In zake :
- Ingrid VANHOUTTE,
- Kurt EXPEELS, die woonplaats kiezen bij advocaten S. SERGEANT en C. ALEXANDER, kantoor houdende te 8000 BRUGGE, Zwijnstraat 3 tegen : de deputatie van de provincieraad van WEST-VLAANDEREN. tussenkomende partij : Ivan TOLPE, die woonplaats kiest bij advocaten S. RONSE en J. RIEMSLAGH, kantoor houdende te 8500 KORTRIJK President Kennedypark 6/
- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het enig verzoekschrift dat Ingrid VANHOUTTE en Kurt EXPEELS op 12 februari 2009 hebben ingediend, en waarin zij de schorsing van de tenuitvoerlegging vorderen van het besluit van 20 november 2008 van de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen waarbij het beroep van Ivan TOLPE tegen het besluit van 22 februari 2008 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Beernem houdende weigering van de vergunning voor de gedeeltelijke regularisatie van varkensstallen en bergingen, de afbraak van varkensstallen, de wijziging van de bestemming van een aantal stallen en de bouw van een nieuwe mestverwerkingsinstallatie op percelen gelegen te Beernem, Legeweg 20, kadastraal bekend sectie A, nrs. 478/l en 527/d, wordt ingewilligd en de gevraagde stedenbouwkundige vergunning onder voorwaarden wordt verleend; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur P. SOURBRON; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; X-14.085-1/8 Gelet op de beschikking van 3 juli 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 september 2009; Gehoord het verslag van staatsraad J. VAN NIEUWENHOVE; Gehoord de opmerkingen van advocaat R. LANDUYT, die loco advocaten S. SERGEANT en C. ALEXANDER verschijnt voor de verzoekende partijen, van adjunct-adviseur A. VAN RIE, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat J. BELEYN, die loco advocaten S. RONSE en J. RIEMSLAGH verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur P. SOURBRON; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- Rechtspleging. Met een verzoekschrift van 26 maart 2009 heeft Ivan TOLPE gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. Er is grond om het verzoek in te willigen.
- De feiten. 2.
- Op 19 december 2007 (datum van het ontvangstbewijs) dient de tussenkomende partij, in zijn hoedanigheid van zaakvoerder van de b.v.b.a. Poldermeat, bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Beernem een aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning in voor het gedeeltelijk regulariseren van varkensstallen en bergingen, de wijziging van de bestemming van een aantal stallen, de afbraak van varkensstallen en de oprichting van een mestverwerkingsinstallatie voor een varkensbedrijf gelegen aan de Legeweg 20 te Beernem, kadastraal bekend sectie A, nrs. 478/l en 527/d. De inrichting beschikt over een milieuvergunning voor het houden van maximaal 1.907 mestvarkens en voor een mestverwerkingsinstallatie, verleend bij besluit van 30 augustus 2007 van de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen. X-14.085-2/8 2.
- De betrokken percelen zijn volgens de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan Brugge-Oostkust, vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 april 1977, gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. 2.
- Bij besluit van 22 februari 2008 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Beernem de gevraagde stedenbouwkundige vergunning, nadat “blijkt dat de aanvraag niet in overeenstemming is met de wettelijke bepalingen, alsook met de goede ruimtelijke ordening en met zijn onmiddellijke omgeving”. Betreffende de goede ruimtelijke ordening oordeelt het college meer bepaald dat er onvoldoende ruimte is om tegelijk een groenscherm met een minimumbreedte van zes meter aan te leggen en een strook van vijf meter bouwvrij te houden voor de uitvoering van onderhoudswerken aan de waterloop, zoals wordt opgelegd door de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen. 2.
- Op 11 maart 2008 stelt de c.v.b.a. DVL namens de tussenkomende partij beroep in bij de deputatie van de provincieraad van West- Vlaanderen tegen de voormelde weigeringsbeslissing. 2.
- Bij het bestreden besluit van 20 november 2008 van de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen wordt het beroep ingewilligd en wordt de gevraagde stedenbouwkundige vergunning verleend op voorwaarde dat het groenscherm aan de kant van de Lijsterbeek wordt verplaatst tot tegen de stallen, velden of vijvers. In de vergunning wordt tevens bepaald dat de groenaanplanting voldoende kwalitatief moet zijn en minstens 3 meter breed langsheen de beek, behalve ter hoogte van de stallen 4, 5 en 6 en ter hoogte van het mengvat, waar de aanplanting de beschikbare vrije breedte moet innemen tussen de stallen en de 5 meter vrije strook langs de beek.
- Ontvankelijkheid. De verwerende partij en de tussenkomende partij betwisten de tijdigheid van het verzoekschrift en het belang van de verzoekende partijen. Er bestaat vooralsnog geen noodzaak om over deze excepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over deze excepties zijn immers slechts nodig indien zou blijken dat de grondvoorwaarden voor schorsing vervuld zijn, hetgeen te dezen, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. X-14.085-3/8
- Over de grondvoorwaarden tot schorsing. 4.
- Krachtens artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 4.
- Wat de tweede schorsingsvoorwaarde betreft voert de eerste verzoekster aan dat de aan de stedenbouwkundige vergunning verbonden voorwaarde met betrekking tot de aanleg van een groenscherm langs de noordzijde van het bouwperceel verhindert dat zij verder gebruik kan maken van een erfdienstbaarheid die toegang verleent tot een aan de achterzijde van de inrichting gelegen zaailand waarvan zij de eigenaar is. Voorts beroept zij zich op een “drastische vermindering van het woonklimaat” vermits “de exploitatie op die site niet de schaalbeperking in acht neemt die verzoekster (...) voor ogen stond”. Ook de tweede verzoeker voert aan “een moeilijk te herstellen ernstig nadeel (te zullen) lijden door de heropstart van de exploitatie met de betwiste schaalgrootte” en door “de verdere aantasting van zijn uitzicht op het land- schappelijk waardevol agrarisch gebied”. Die visuele aantasting wordt veroorzaakt door het feit dat een populierenrij waarop hij thans uitzicht heeft, gerooid zou worden en tevens doordat de bestreden beslissing achteraan het perceel een aantal nieuwe constructies ten behoeve van de mestverwerkingsinstallatie vergunt, met name percolatievelden, vloeivelden, een argexlagune en eendenkroosvijvers. Voorts beroepen de verzoekende partijen zich nog op de problematiek “van overschrijding van het aantal dieren en overlopende mestkelders”. Ze verwijzen in dat verband naar een reeks overtredingen en incidenten met betrekking tot de vorige eigenaars van de inrichting en benadrukken dat de capaciteit van de infrastructuur groter is dan de capaciteit die volgens de milieuvergunning is toegelaten, dat de biggen in de milieuvergunning buiten beschouwing worden gelaten en dat de bestreden stedenbouwkundige vergunning niet voldoende waarborgen biedt tegen een herhaling van de vroegere overtredingen en incidenten. Tevens voeren de verzoekende partijen nog geur- en stofhinder aan en verwijzen ze in dat verband naar de korte afstand tussen hun percelen en het perceel van de tussenkomende partij. Ten slotte beroepen ze zich op verkeershinder X-14.085-4/8 die voortvloeit uit transporten van varkens, biggen, voeder en mest met zware vrachtwagens over de autoluwe Legeweg. 4.
- Luidens artikel 17, §3 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State dient de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de middelen en de feiten te bevatten die volgens de indiener ervan het bevelen van de schorsing rechtvaardigen. Artikel 8, eerste lid, 3/ van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State, bepaalt dat de vordering tot schorsing dient te bevatten “een uiteenzetting van de feiten die van aard zijn aan te tonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte de verzoekende partij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen, waarbij alle stukken worden gevoegd die het risico op dergelijk nadeel aantonen”. Uit deze bepaling volgt dat een verzoeker in zijn verzoekschrift duidelijk en concreet dient aan te geven waarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat hij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit ondergaat of dreigt te ondergaan. De verzoeker mag zich daarbij niet beperken tot vaagheden en algemeenheden, maar dient integendeel zeer concrete en precieze gegevens aan te brengen waaruit blijkt dat hij persoonlijk een moeilijk te herstellen ernstig nadeel ondergaat of dreigt te ondergaan. 4.
- In zoverre de eerste verzoekster aanvoert dat de vergunning het gebruik van een erfdienstbaarheid verhindert, dient te worden vastgesteld dat de eventuele hinder die door het groenscherm zou blijken voor het genot van de erfdienstbaarheid, voor de gewone rechter kan worden aangevochten. Alleszins wordt niet aangetoond dat een dergelijke hinder voortvloeit uit de bestreden vergunning. Om deze reden kan het betrokken nadeel niet worden aangenomen. Voorts blijkt uit de gegevens van het dossier dat de eerste verzoekster weliswaar mede-eigenaar is van de woonhuizen die grenzen aan de betrokken bouwpercelen, maar zelf haar woonplaats heeft in de Kortrijkstraat 110 te Oostkamp. Er kan in die omstandigheid niet worden ingezien hoe haar woonklimaat nadelig kan worden beïnvloed door de exploitatie van het betrokken varkensbedrijf. De aangevoerde nadelen met betrekking tot de geur- en stofhinder vloeien niet rechtstreeks voort uit de bestreden stedenbouwkundige vergunning, maar wel uit de voor de betrokken exploitatie verleende, definitief geworden milieuvergunning, die dienaangaande bijzondere voorwaarden bevat. X-14.085-5/8 Met betrekking tot de verkeershinder gaan de verzoekende partijen uit van een inrichting met 5.000 varkens en biggen en begroten zij zelf het aantal transporten op “minimum 393 vrachten per jaar”, wat evenwel op zich niet als een ernstige verkeershinder kan worden beschouwd. Zij voegen daar aan toe dat het in werkelijkheid om veel meer transporten gaat “daar bij volledige opvulling van de vergunde stallen, veel meer varkens/biggen geplaatst kunnen worden”. Die laatste argumentatie is evenwel louter speculatief en zou bovendien ingaan tegen de in de milieuvergunning toegestane capaciteit. Wat betreft de aangevoerde problematiek van de lekkende en overlopende mestkelders, blijken aan de milieuvergunning van 30 augustus 2007 onder meer de volgende bijzondere voorwaarden te zijn verbonden: “- De exploitant dient binnen het jaar na het definitief worden van de milieuvergunning aan te tonen dat de kelders mestdicht zijn en volledig beantwoorden aan de Vlarem II-regelgeving. Daartoe dient hij een rapport in vijfvoud te bezorgen aan de deputatie. De peilmetingen bij de mestkelders dienen ook daarna verder periodiek - in overleg met afdeling Milieu- inspectie en de Vlaamse Landmaatschappij - opgevolgd te worden. - Enkel in de stallen waarvan onomstotelijk aangetoond kan worden dat ze mestdicht zijn, mogen dieren gestoken worden en mestverwerkingsinstallaties ingeplant worden. De deputatie moet hiertoe eerst - op basis van voormeld rapport - expliciet de toestemming geven. Bij het beoordelen hiervan zal de Bestendige Deputatie - gelet op de specifieke situatie en de ligging in agrarisch landschappelijk waardevol gebied - enkel toestaan dat de huisvesting van de varkens zal gebeuren in stallen die ruimtelijk aaneensluitend zijn”. Gezien deze bijzondere voorwaarden kan niet worden ingezien welk bijkomend risico de bestreden stedenbouwkundige vergunning dienaangaande zou kunnen vormen of welke bijkomende waarborgen door de laatstgenoemde vergunning moeten worden geboden, nu de verzoekende partijen niet aanvoeren, laat staan aantonen dat de bijzondere voorwaarden in de milieuvergunning niet zouden volstaan. Het betoog van de verzoekende partijen met betrekking tot de bedrijfsvoering door de vorige exploitant is niet relevant voor de beoordeling van de nadelen die gepaard zouden gaan met de thans bestreden stedenbouwkundige vergunning. Wat de aangevoerde visuele hinder betreft, moet worden vastgesteld dat ingevolge de tenuitvoerlegging van de bestreden vergunning een aantal voor het uitzicht van de verzoekende partijen storende constructies zullen verdwijnen. De verdere aantasting van het uitzicht van de tweede verzoeker door de constructies die behoren bij de nieuw geplande mestverwerkingsinstallatie, kan niet als ernstig worden beschouwd, vermits de betrokken constructies zich onder het X-14.085-6/8 maaiveld bevinden en de tweede verzoeker geen rechtstreeks uitzicht heeft op een aantal van deze constructies. Overigens woont de tweede verzoeker niet in een ongerept open landschap, aangezien in zijn onmiddellijke omgeving verscheidene gebouwen werden opgericht, waaronder een andere varkensfokkerij, bestaande uit meerdere stallen. Uit al het bovenstaande blijkt dat de verzoekende partijen niet aannemelijk maken dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit hun een moeilijk te herstellen ernstig nadeel berokkent of dreigt te berokkenen. 4.
- Er is niet voldaan aan één van de door artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te bevelen. Deze vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het verzoek tot tussenkomst van Ivan TOLPE in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de tussenkomst wordt uitgesteld. X-14.085-7/8 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twee oktober 2009, door : de H. J. VAN NIEUWENHOVE, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. VAN NIEUWENHOVE. X-14.085-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.615 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.215.464 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div