id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.617 Rolnummer: A. 192776/X-14201 Zaak: Arrest 196617 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 02/10/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-10-12 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 03:38 Fiche Arrest nr 196.617 van 2 oktober 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 196.617 van 2 oktober 2009 in de zaak A. 192.776/X-14.
- In zake :
- Sabrina VAN DOORSELAER,
- Hans DE ROECK, die woonplaats kiezen bij advocaten C. DE WOLF en K. BEKE, kantoor houdende te 9680 MAARKEDAL, Etikhovestraat 6 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat V. TOLLENAERE, kantoor houdende te 9000 GENT, Koning Albertlaan
- tussenkomende partij : Arlette DE COCK, die woonplaats kiest bij advocaat K. COPPENS, kantoor houdende te 9406 NINOVE - OUTER, Rospijkstraat
- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het enig verzoekschrift dat Sabrina VAN DOORSELAER en Hans DE ROECK op 27 mei 2009 hebben ingediend, en waarin zij de schorsing van de tenuitvoerlegging vorderen van het besluit van 8 april 2009 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening houdende afgifte van de stedenbouwkundige vergunning aan Arlette DE COCK voor de regularisatie van het bouwen van 6 garages aan de Ottergemstraat te Lierde, op een perceel kadastraal bekend sectie B, nr. 369/t; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; X-14.201-1/6 Gelet op de beschikking van 3 juli 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 september 2009; Gehoord het verslag van staatsraad J. VAN NIEUWENHOVE; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. BEKE, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat W. LAMMENS, die loco advocaat V. TOLLENAERE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- Rechtspleging. 1.
- Met een verzoekschrift van 15 juni 2009 heeft Arlette DE COCK gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. Er is grond om het verzoek in te willigen. 1.
- De tussenkomende partij heeft op 5 september 2009 een “nota” toegestuurd. Een dergelijke nota is niet voorzien in het toepasselijke procedurereglement tot bepaling van de rechtspleging in kortgeding voor de Raad van State en wordt derhalve uit de debatten geweerd.
- De feiten 2.
- Op 10 januari 1977 wordt door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lierde aan de tussenkomende partij de vergunning verleend voor het bouwen van 10 appartementen en 11 garages, waarvan 6 garages tegen de achterste perceelgrens en 5 garages tegen een scheidingsmuur op de voorste perceelgrens, op een perceel, kadastraal bekend sectie B, nr. 369/t. In afwijking van deze vergunning worden in totaal 6 garages gebouwd, tegen een bestaand gebouw, op de voorste perceelgrens. De garages X-14.201-2/6 worden bovendien 12 meter dichter bij de buurtweg ingeplant. Op de achterste perceelgrens worden geen garages gebouwd. 2.
- De verzoekende partijen zijn de eigenaars van het naburige perceel, kadastraal bekend sectie B, nr. 369/x. Dit perceel paalt aan het betrokken garageblok en het appartementsgebouw. 2.
- Volgens de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan Aalst- Ninove-Geraardsbergen-Zottegem, vastgesteld bij koninklijk besluit van 30 mei 1978, is het perceel deels gelegen in woongebied met landelijk karakter, deels in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Het perceel is niet gelegen binnen de grenzen van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan, noch binnen het gebied van een behoorlijk vergunde, niet vervallen verkaveling. 2.
- Op 11 december 2007 (datum van het ontvangstbewijs) dient de tussenkomende partij bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lierde een aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning in voor de regularisatie van 6 garages. 2.
- Ter gelegenheid van het openbaar onderzoek dient de tweede verzoeker een bezwaarschrift in, waarin hij over de betrokken garages stelt dat ze: “1: Een erge belemmering van (zijn) zicht vormen. 2: Zij (zich) volledig in agrarisch gebied bevinden. 3: Zij niet conform de bouwvergunning geplaatst zijn (op de verkeerde plaats). 4: Er 6 garages staan i.p.v. 5”. 2.
- Na een ongunstig advies van zowel de afdeling Duurzame Landbouwontwikkeling Oost-Vlaanderen als van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar, weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lierde bij besluit van 15 april 2008 de gevraagde vergunning. 2.
- Op 6 mei 2008 stelt de tussenkomende partij administratief beroep in bij de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen. X-14.201-3/6 2.
- Op 4 november 2008 stelt de tussenkomende partij administratief beroep in bij de Vlaamse Regering tegen het uitblijven van een beslissing van de deputatie. 2.
- Op 13 november 2008 weigert de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen alsnog de vergunning. 2.
- Bij het bestreden besluit van 8 april 2009 verleent de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening de vergunning op voorwaarde dat “de nodige voorzieningen worden getroffen voor de opvang en afvoer van het hemelwater van het dak en de verharding”.
- De grondvoorwaarden tot schorsing 3.
- Krachtens artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 3.
- Wat de tweede schorsingsvoorwaarde betreft beroepen de verzoekende partijen zich op een ernstige schending van hun privacy en van hun woongenot. Ze stellen dat de werken weliswaar reeds werden uitgevoerd, aangezien de bestreden beslissing een regularisatie betreft, maar dat er nog werkzaamheden gepland zijn, waarbij een gedeeltelijk ingevallen muur opnieuw zal worden opgebouwd. Verder argumenteren de verzoekende partijen dat zij na de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing “de nuttige en/of noodzakelijke maatregelen kunnen nemen om de doorlopende ernstige schending van hun leefomgeving en woonkwaliteit ongedaan te maken”. In het andere geval zullen zij “nog gedurende jaren geconfronteerd (worden) met een toestand van absolute rechtsonzekerheid”. 3.
- Luidens artikel 17, §3 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State dient de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de middelen en de feiten te bevatten die volgens de indiener ervan het bevelen van de schorsing rechtvaardigen. Artikel 8, eerste lid, 3/ van het koninklijk besluit van 5 december X-14.201-4/6 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State, bepaalt dat de vordering tot schorsing dient te bevatten “een uiteenzetting van de feiten die van aard zijn aan te tonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte de verzoekende partij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen, waarbij alle stukken worden gevoegd die het risico op dergelijk nadeel aantonen”. Uit deze bepaling volgt dat een verzoeker in zijn verzoekschrift duidelijk en concreet dient aan te geven waarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat hij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit ondergaat of dreigt te ondergaan. De verzoeker mag zich daarbij niet beperken tot vaagheden en algemeenheden, maar dient integendeel zeer concrete en precieze gegevens aan te brengen waaruit blijkt dat hij persoonlijk een moeilijk te herstellen ernstig nadeel ondergaat of dreigt te ondergaan. 3.
- Het door de verzoekende partijen aangevoerde nadeel kan thans niet meer worden voorkomen door een schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, nu het de regularisatie van reeds uitgevoerde werken betreft. Het gegeven dat een “gedeeltelijk ingevallen muur (...) opnieuw zal worden opgebouwd” doet aan die vaststelling geen afbreuk. Er moet dan ook worden vastgesteld dat een schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit voor de verzoekende partijen zonder nut is. Voorts is rechtsonzekerheid inherent aan elke betwisting in rechte. Het aanvaarden van die rechtsonzekerheid als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel erop zou neerkomen dat de desbetreffende bepaling van artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State zinledig wordt. De verzoekende partijen kunnen de door hen geschetste “toestand van absolute rechtsonzekerheid” dan ook niet met goed gevolg als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel aanvoeren. 3.
- Er is niet voldaan aan één van de door artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te bevelen. Deze vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. X-14.201-5/6 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het verzoek tot tussenkomst van Arlette DE COCK in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de tussenkomst wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twee oktober 2009, door : de H. J. VAN NIEUWENHOVE, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. VAN NIEUWENHOVE. X-14.201-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.617 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.213.639 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div