← België

Arrest 196619 - Handelsvestigingen - 02/10/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.619 Rolnummer: A. 192528/VII-37697 Zaak: Arrest 196619 - Handelsvestigingen - 02/10/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-10-12 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 03:38 Fiche Arrest nr 196.619 van 2 oktober 2009 Economische zaken - Handelsvestigingen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 196.619 van 2 oktober 2009 in de zaak A. 192.528/X-14.

  1. In zake : de stad AARSCHOT, die woonplaats kiest bij advocaat W. DIERICK, kantoor houdende te 3200 AARSCHOT, Symelsesteenweg 81 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door :
  2. de minister van Ondernemen,
  3. het Interministerieel Comité voor de Distributie, dat woonplaats kiest bij advocaat J.-F. DE BOCK, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Waterloosesteenweg
  4. tussenkomende partij : de n.v. MITISKA VENTURES, die woonplaats kiest bij advocaat W. DE CUYPER, kantoor houdende te 9100 SINT-NIKLAAS, Vijfstraten
  5. DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het enig verzoekschrift dat de stad AARSCHOT op 11 mei 2009 heeft ingediend, en waarin zij de schorsing van de tenuitvoerlegging vordert van de beslissing van 10 maart 2009 van het Interministerieel Comité voor de Distributie waarbij het beroep van de n.v. MITISKA VENTURES tegen het besluit van 15 januari 2009 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Aarschot ontvankelijk en gegrond wordt verklaard en socio-economische vergunning wordt verleend voor de inplanting van een handelscomplex voor een schoenenzaak met een totale netto verkoopsoppervlakte van 731 m² aan de Liersesteenweg te Aarschot; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur I. MARTENS; X-14.177-1/6 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 29 juni 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 september 2009; Gehoord het verslag van staatsraad J. VAN NIEUWENHOVE; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. ARNAUTS, die loco advocaat W. DIERICK verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat J. MOENS, die loco advocaat J.-F. DE BOCK verschijnt voor de Belgische Staat, en van advocaat E. RENTMEESTERS, die loco advocaat W. DE CUYPER verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  6. Rechtspleging. Met een verzoekschrift van 27 mei 2009 heeft de n.v. MITISKA VENTURES gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. Er is grond om het verzoek in te willigen.
  7. Feiten 2.
  8. Op 12 december 2008 dient de tussenkomende partij een aanvraag in bij het college van burgemeester en schepenen van de stad Aarschot tot het verkrijgen van een socio-economische vergunning voor de inplanting van een schoenenzaak “Brantano” met een totale netto handelsoppervlakte van 731 m2 aan de Liersesteenweg te Aarschot, overeenkomstig artikel 5 van de wet van 13 augustus 2004 betreffende de vergunning van handelsvestigingen. X-14.177-2/6 2.
  9. Op 15 januari 2009 beslist het college van burgemeester en schepenen van de stad Aarschot de aanvraag te weigeren. 2.
  10. Op 11 februari 2009 stelt de tussenkomende partij beroep in tegen deze weigeringsbeslissing bij het Interministerieel Comité voor de Distributie. 2.
  11. Op 10 maart 2009 verklaart het Interministerieel Comité voor de Distributie het ingestelde beroep ontvankelijk en gegrond en verleent het de gevraagde vergunning.
  12. Ontvankelijkheid De verwerende partij en de tussenkomende partij betwisten het belang van de verzoekende partij. Er bestaat vooralsnog geen noodzaak om over deze excepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over deze excepties zijn immers slechts nodig indien zou blijken dat de grondvoorwaarden voor schorsing vervuld zijn, hetgeen te dezen, zoals hierna zal blijken, niet het geval is.
  13. Ten gronde 4.
  14. Krachtens artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 4.
  15. De verzoekende partij stelt met betrekking tot de tweede schorsingsvoorwaarde dat de opening van de betrokken handelszaak zou leiden tot een bijkomend handelscentrum aan de stadsrand. Hierdoor zullen klanten uit het centrum van Aarschot verdwijnen, wat zal leiden tot verlies van werkgelegenheid in de winkels in het centrum. De winkelleegstand zal de aantrekkelijkheid van het centrum aantasten en de onveiligheid doen toenemen. De verzoekende partij stelt voorts dat de Liersesteenweg een drukke verkeersweg is. De vestiging van grootschalige perifere shoppingcentra aan X-14.177-3/6 dergelijke wegen heeft een negatieve impact op de mobiliteit en op de verkeersveiligheid. 4.
  16. Luidens artikel 17, § 3 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State dient de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de middelen en de feiten te bevatten die volgens de indiener ervan het bevelen van de schorsing rechtvaardigen. Artikel 8, eerste lid, 3° van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State, bepaalt dat de vordering tot schorsing dient te bevatten “een uiteenzetting van de feiten die van aard zijn aan te tonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte de verzoekende partij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen, waarbij alle stukken worden gevoegd die het risico op dergelijk nadeel aantonen”. Uit deze bepaling volgt dat een verzoeker in zijn verzoekschrift duidelijk en concreet dient aan te geven waarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat hij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit ondergaat of dreigt te ondergaan. De verzoeker mag zich daarbij niet beperken tot vaagheden en algemeenheden, maar dient integendeel zeer concrete en precieze gegevens aan te brengen waaruit blijkt dat hij persoonlijk een moeilijk te herstellen ernstig nadeel ondergaat of dreigt te ondergaan. 4.
  17. Voor een openbare overheid als de verzoekende partij is het nadeel slechts persoonlijk indien de bestreden beslissing de uitoefening van de overheidstaak of de bestuursopdracht waarmee die overheid is belast, verhindert of in ernstige mate in het gedrang brengt. Het aangevoerde moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan bijgevolg enkel vanuit dit oogpunt worden beoordeeld. De door de verzoekende partij aangevoerde nadelen met betrekking tot de leegloop, het verlies van werkgelegenheid en de toename van de onveiligheid in het stadscentrum worden niet met concrete en specifieke gegevens onderbouwd. In die omstandigheden kan niet worden aangenomen dat de opening van één -weliswaar grote- handelszaak aan de rand van de stad de door de verzoekende partij geschetste gevolgen teweeg zou brengen. De aangevoerde nadelen met betrekking tot de mobiliteit en de verkeersveiligheid op de Liersesteenweg worden evenmin concreet uitgewerkt. Uit de gegevens van het dossier blijkt dat in de buurt van de betrokken handelszaken en aan dezelfde steenweg andere grote handelszaken zijn gevestigd en dat de Liersesteenweg in het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan van de verzoekende partij als handelslint is aangeduid. Het feit dat de verzoekende partij naar eigen X-14.177-4/6 zeggen dit handelslint wenst te beperken, doet geen afbreuk aan de vaststelling dat zij geen concrete gegevens aanbrengt waaruit kan blijken dat de vestiging van een bijkomende handelszaak de mobiliteit en de verkeersveiligheid op de Liersesteenweg in die mate in het gedrang brengt dat sprake kan zijn van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Uit het betoog van de verzoekende partij kan bijgevolg niet worden opgemaakt dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing de werking van haar diensten in het gedrang zou brengen of ingrijpende gevolgen zou hebben voor de uitoefening van haar beleid of de vervulling van haar taken. 4.
  18. Er is niet voldaan aan één van de door artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te bevelen. Deze vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  19. Het verzoek tot tussenkomst van de n.v. MITISKA VENTURES in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel
  20. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  21. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de tussenkomst wordt uitgesteld. X-14.177-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twee oktober 2009, door : de H. J. VAN NIEUWENHOVE, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. VAN NIEUWENHOVE. X-14.177-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.619 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.034 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.