id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.639 Rolnummer: Zaak: Arrest 196639 - Onteigeningen - 05/10/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-10-12 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 03:38 Fiche Arrest nr 196.639 van 5 oktober 2009 Overheidsopdrachten en openbare werken - Onteigeningen Beslissing : heropening debatten Samenvoeging prejudiciële vraag Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 196.639 van 5 oktober 2009 in de zaak A. 102.193/X-10.216 (I) A. 102.316/X-10.226 (II) A. 115.285/X-10.748 (III). In zake : I. en II. de c.v.b.a. MAATSCHAPPIJ VOOR COÖRDINATIE VAN PRODUKTIE EN TRANSPORT VAN ELEKTRISCHE ENERGIE, Rechtsgeding hervat door : de n.v. ELIA, thans de n.v. ELIA ASSET, die woonplaats kiest bij advocaten T. VANDENPUT en P. DE MAEYER, kantoor houdende te 1160 BRUSSEL, Tedescolaan 7 III. de n.v. ELIA, thans de n.v. ELIA ASSET, die woonplaats kiest bij advocaten T. VANDENPUT en P. DE MAEYER, kantoor houdende te 1160 BRUSSEL, Tedescolaan 7 tegen : I., II. en III. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat H. SEBREGHTS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 27. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de c.v.b.a. MAATSCHAPPIJ VOOR COÖRDINATIE VAN PRODUKTIE EN TRANSPORT VAN ELEKTRISCHE ENERGIE, thans de n.v. ELIA ASSET, op 23 maart 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 19 oktober 2000 van de Vlaamse minister van Mobiliteit, Openbare Werken en Energie waarbij wordt beslist dat het algemeen nut de onmiddellijke inbezitneming vordert van de percelen, gelegen op het grondgebied van de gemeente Kruibeke, die nodig zijn voor de aanleg van een zandstock en het opstarten van de ringdijken rond het gecontroleerd overstromingsgebied te Kruibeke-Bazel-Rupelmonde langsheen de linkeroever van de Zeeschelde, en welke zijn aangeduid met een gele tint op de erbij X-10.216-10.226-10.748-1/35 behorende ondertekende onteigeningsplannen met de nrs. B4/7882, B4/7883, B4/7884, B4/7885 en B4/7886, en dat de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden, bepaald bij de wet van 26 juli 1962 op de onteigening van de hierboven bedoelde goederen van toepassing is (zaak A. 102.193/X-10.216); Gezien het verzoekschrift dat de c.v.b.a. MAATSCHAPPIJ VOOR COÖRDINATIE VAN PRODUKTIE EN TRANSPORT VAN ELEKTRISCHE ENERGIE, thans de n.v. ELIA ASSET, op 26 maart 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 19 oktober 2000 van de Vlaamse minister van Mobiliteit, Openbare Werken en Energie waarbij wordt beslist dat het algemeen nut de onmiddellijke inbezitneming vordert van de percelen, gelegen op het grondgebied van de gemeente Kruibeke, die nodig zijn voor de aanpassing van de Scheldedijken langs het gecontroleerd overstromingsgebied te Kruibeke-Bazel-Rupelmonde op de linkeroever van de Zeeschelde, en welke zijn aangeduid met een gele tint op de erbij behorende ondertekende onteigeningsplannen met de nrs. B4/7887, B4/7890, B4/7895, B4/7911 en B4/7917, en dat de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden, bepaald bij de wet van 26 juli 1962 op de onteigening van de hierboven bedoelde goederen van toepassing is (zaak A. 102.316/X-10.226); Gezien het verzoekschrift dat de n.v. ELIA, thans de n.v. ELIA ASSET, op 14 januari 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 6 september 2001 van de Vlaamse minister van Mobiliteit, Openbare Werken en Energie waarbij wordt beslist dat het algemeen nut de onmiddellijke inbezitneming vordert van de percelen gelegen op het grondgebied van de gemeente Kruibeke, die nodig zijn voor de aanleg van het gecontroleerd overstromingsgebied te Kruibeke-Bazel-Rupelmonde op de linkeroever van de Zeeschelde en welke zijn aangeduid met een gele tint op de erbij behorende ondertekende onteigeningsplannen met nrs. B4/7967, B4/7968 en B4/7969, en dat de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden, bepaald bij de wet van 26 juli 1962 op de onteigening van de hierboven bedoelde goederen van toepassing is (zaak A. 115.285/X-10.748) Gezien de memories van antwoord in de drie zaken; X-10.216-10.226-10.748-2/35 Gezien de memories van wederantwoord en de verzoeken tot gedinghervatting ingediend door de n.v. ELIA in de zaken A.102.193/X-10.216 en A. 102.316/X-10.226; Gezien de memorie van wederantwoord in de zaak A. 115.285/X-10.748; Gezien de verslagen opgemaakt door eerste auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL in de drie zaken; Gelet op de beschikkingen van 1 december 2006 die de neerlegging ter griffie van de verslagen en van de dossiers in de drie zaken gelast; Gelet op de kennisgeving van de verslagen aan de partijen in de drie zaken; Gezien de laatste memories in de drie zaken; Gelet op de beschikkingen van 25 mei 2009 waarbij de terechtzitting voor de drie zaken bepaald wordt op 12 juni 2009; Gehoord het verslag van staatsraad S. DE TAEYE in de drie zaken; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. DE MAEYER, die verschijnt voor de verzoekende partij in de drie zaken, en van advocaat H. SEBREGHTS, die verschijnt voor de verwerende partij in de drie zaken; Gehoord het advies van eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL in de drie zaken; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; X-10.216-10.226-10.748-3/35 OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De rechtspleging De zaken A. 102.193/X-10.216, A. 102.316/X-10.226 en A. 115.285/X-10.748 zijn dermate met elkaar verbonden dat het wenselijk is dat ze worden samengevoegd. 2. De feiten 2.1. De verzoekende partij is eigenares van een perceel grond, gelegen te Kruibeke, kadastraal bekend sectie A, nr. 428/b. Op dit perceel bevindt zich de mast nr. P4A, geplaatst in het kader van de hoogspanningslijn 150kv, Ex-Schelle- Burcht. Dit perceel betreft de zaak sub I (zaak A. 102.193/X-10.216). 2.2. De verzoekende partij is tevens eigenares van de gronden gelegen te Kruibeke, kadastraal bekend sectie B, nrs. 570/b, 569/a en 568/a. Op deze percelen bevinden zich de masten nrs. P2A, P2 en P2B, geplaatst in het kader van de hoogspanningslijn 150kv, Ex-Schelle-Burcht, de hoogspanningslijn 70kv, Schelle-Langerbrugge en de hoogspanningslijn 150kv, Schelle-Mercator. Deze percelen betreffen de zaak sub II (zaak A. 102.316/X-10.226). 2.3. De verzoekende partij is tenslotte ook eigenares van een perceel grond gelegen te Kruibeke, kadastraal bekend sectie B, nr. 486/a. Op dit perceel bevindt zich de mast nr. 14, geplaatst in het kader van de hoogspanningslijn 380kv, Mercator-Lint. Dit perceel betreft de zaak sub III (zaak A. 115.285/X-10.748). 2.4. Op 18 februari 1977 beslist de ministerraad tot uitvoering van het Sigmaplan voor de beveiliging van de bevolking en haar goederen tegen de gevaren van hoge tijen en overstromingen in het Zeescheldebekken. Blijkens een nota, aan de Vlaamse regering overgemaakt op 16 december 1999, betreft dit plan de “aanleg van het gecontroleerd overstromingsgebied in de polders van Kruibeke-Bazel- Ruppelmonde (Zeeschelde LO)” en betreft zij “het bouwen van een nieuwe ringdijk om het achterland te beschermen tijdens de werking van het G.O.G.”, “het bouwen van een aantal uitwateringsconstructies” en “het verlagen van de Scheldijk en het omvormen tot een overloopdijk”. Aangezien blijkens de voormelde nota “het gebied door de aanleg van het G.O.G. ongeschikt wordt voor bewoning en aangezien er X-10.216-10.226-10.748-4/35 m.b.t. het huidig grondgebruik belangrijke effecten verwacht worden”, wordt erin voorgesteld om dit gebied tevens in te richten voor “natuurontwikkeling”. 2.5. Op 17 december 1999 beslist de Vlaamse regering onder meer “haar goedkeuring te hechten aan het in bovengenoemde nota voorgestelde uitvoerings- en inrichtingsalternatief” en “de Vlaamse minister, bevoegd voor de openbare werken, te gelasten het gecontroleerd overstromingsgebied Kruibeke- Bazel-Ruppelmonde te realiseren en over te gaan tot de onteigening en/of aankoop van de gronden nodig voor de realisatie van de ringdijk en de compartimentering dijken met alle bijhorende infrastructuur, sluizen, wachtbekkens, enz., en tot de eventuele onteigening en/of aankoop van de gronden binnen het gecontroleerd overstromingsgebied Kruibeke-Bazel-Ruppelmonde”. 2.6. Op 19 oktober 2000 beslist de Vlaamse minister van Mobiliteit, Openbare Werken en Energie dat het algemeen nut de onmiddellijke inbezitneming vordert van de percelen, gelegen op het grondgebied van de gemeente Kruibeke, die nodig zijn voor aanleg van een zandstock en het opstarten van de ringdijken rond het gecontroleerd overstromingsgebied te Kruibeke-Bazel-Rupelmonde en langsheen de linkeroever van de Zeeschelde en welke zijn aangeduid met een gele tint op de erbij behorende ondertekende onteigeningsplannen met nrs. B4/7882, B4/7883, B4/7884, B4/7885 en B4/7886, en dat de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden, bepaald bij de wet van 26 juli 1962 op de onteigening van de hierboven bedoelde goederen van toepassing is. Dit is de bestreden beslissing in de zaak sub I. Het onder randnummer 2.1 genoemd perceel nr. 428/b valt binnen de omschrijving van plan B4/7886 van de bij de voormelde bestreden beslissing horende onteigeningsplannen. 2.7. Eveneens op 19 oktober 2000 beslist de Vlaamse minister van Mobiliteit, Openbare Werken en Energie dat het algemeen nut de onmiddellijke inbezitneming vordert van de percelen, gelegen op het grondgebied van de gemeente Kruibeke, die nodig zijn voor de aanpassing van de Scheldedijken langs het gecontroleerd overstromingsgebied te Kruibeke-Bazel-Rupelmonde op de linkeroever van de Zeeschelde en welke zijn aangeduid met een gele tint op de erbij behorende ondertekende onteigeningsplannen met nrs. B4/7887, B4/7890, B4/7895, B4/7911 en B4/7917, en dat de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden, bepaald bij de wet van 26 juli 1962 op de onteigening van de hierboven bedoelde goederen van toepassing is. X-10.216-10.226-10.748-5/35 Dit is de bestreden beslissing in de zaak sub II. De onder randnummer 2.2 genoemde percelen vallen binnen de omschrijving van plan B4/7917 van de bij deze bestreden beslissing horende onteigeningsplannen. 2.8. Op 6 september 2001 beslist de Vlaamse minister van Mobiliteit, Openbare Werken en Energie dat het algemeen nut de onmiddellijke inbezitneming vordert van de percelen, gelegen op het grondgebied van de gemeente Kruibeke, die nodig zijn voor de aanleg van het gecontroleerd overstromingsgebied te Kruibeke- Bazel-Rupelmonde langsheen de linkeroever van de Zeeschelde en welke zijn aangeduid met een gele tint op de erbij behorende ondertekende onteigeningsplannen met nrs. B4/7967, B4/7968 en B4/7969, en dat de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden, bepaald bij de wet van 26 juli 1962 op de onteigening van de hierboven bedoelde goederen van toepassing is. Dit is de bestreden beslissing in de zaak sub III. Het onder randnummer 2.3 genoemde perceel valt binnen de omschrijving van plan B4/7969 van de bij deze bestreden beslissing horende onteigeningsplannen. 2.9. Bij besluit van de Vlaamse regering van 14 mei 2004 tot wijziging van de installaties voor de geleiding van electriciteit door middel van bovengrondse hoogspanningsleidingen ten behoeve van het gecontroleerd overstromingsgebied op het grondgebied van de gemeente Bazel-Kruibeke-Dendermonde, wordt de verzoekende partij het bevel gegeven “om haar hoogspanningslijnen aanwezig binnen de omschrijving van het overstromingsgebied op het grondgebied Kruibeke- Bazel-Rupelmonde te wijzigen ten behoeve van de aanleg van het overstromingsgebied zodanig dat de veiligheid integraal gegarandeerd wordt overeenkomstig het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties”. Het betreft in het bijzonder de volgende hoogspanningslijnen : “- 380 kV lijn Mercator - Lint/Massenhoven 3/4 dr. 380-59/380-60/380-61 - 150 kV lijn Mercator - Schelle A I/I dr. 150-123 - 150 kV lijn Mercator - Schelle B I/I dr. 150-122 - 70 kV Langerbrugge - Schelle 2/2 dr. 70-703/70-704”. X-10.216-10.226-10.748-6/35 3. Over de gegrondheid van het beroep in de zaken sub I en II (A. 102.193/X-10.216 en A. 102.316/X-10.226) 3.1. Het eerste middel 3.1.1. Het aangevoerde eerste middel 3.1.1.1. De verzoekende partij neemt een eerste middel, in hoofdorde, uit de schending van “artikel 33 van de Grondwet, uit de schending van artikel 1 van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte, uit de schending van artikel 2 van het decreet van 13 april 1988 tot bepaling van de gevallen en de modaliteiten waarbij de Vlaamse Executieve kan overgaan tot onteigeningen ten algemenen nutte inzake de gewestelijke aangelegenheden, uit de onbevoegdheid van de auteur van de bestreden handelingen uit machtsoverschrijding” : “Doordat het bestreden besluit door de Vlaamse minister van Mobiliteit, Openbare Werken en Energie genomen werd. Terwijl krachtens bovenvermelde bepalingen, inzonderheid artikel 1 van de wet van 26 juli 1962 en artikel 2 van het decreet van 13 april 1988, een besluit van de Vlaamse regering vereist is om vast te stellen dat onmiddellijke inbezitneming van een of meer onroerende goederen ten algemenen nutte onontbeerlijk is en om tot deze onteigening over te gaan. Zodat de Vlaamse minister van Mobiliteit, Openbare Werken en Energie niet bevoegd was om de bestreden handeling te stellen. Toelichting bij het eerste middel Hoewel delegatie van bevoegdheid ‘vanuit een publiekrechtelijk oogpunt verwerpelijk (is)’ (...) wordt een bevoegdheidsoverdracht, om praktisch organisatorische redenen evenwel toegelaten mits deze de bevoegdheid om detailmaatregelen aan te nemen niet overschrijdt en voor zover deze door een uitdrukkelijke tekst voorzien is (...). In casu verleent artikel 1 van bovenvermelde wet van 26 juni 1962 aan de Koning (of de gewestelijke of gemeenschappelijke regering) de bevoegdheid om vast te stellen dat ‘de onmiddellijke inbezitneming van een of meer onroerende goederen ten algemenen nutte onontbeerlijk is’ en bepaalt artikel 2 van bovenvermeld Vlaams decreet van 13 april 1988 dat ‘de Executieve gemachtigd (wordt) over te gaan tot onteigeningen ten algemenen nutte van de onroerende goederen in de gevallen waarin zij oordeelt dat de verkrijging ervan noodzakelijk is (...) voor het beleid inzake de gewestelijke aangelegenheden, zoals bepaald in de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen’. Geen van deze twee wetteksten, die in de aanhef van de bestreden handeling worden aangehaald, voorzien in enige delegatie ten voordele van een minister alleen in de uitoefening van de bevoegdheden die hem toebehoren. Bij gebrek aan enige delegatie was een Besluit van de Vlaamse regering dus vereist om tot de betrokken onteigening over te gaan. Ten overvloede citeert men hierbij Martin DENYS in zijn werk over ‘Onteigening en planschade’ : X-10.216-10.226-10.748-7/35 ‘Bij ons weten heeft er nooit een algemene delegatiebevoegdheid bestaan op grond waarvan de Koning gerechtigd was zijn onteigeningsbevoegdheid te delegeren aan zijn Ministers. Men is dan ook zeer verwonderd te moeten vaststellen dat de gewesten en gemeenschappen in een aantal gevallen onteigeningsbesluiten laten nemen, niet door hun respectievelijke Regeringen maar door individuele Gemeenschaps- of Gewestministers. Dergelijke beslissingen lijken ons volkomen onregelmatig voor te komen omdat volgens een vaste rechtsleer en rechtspraak de delegatie van dergelijke wettelijke bevoegdheden alleen mogelijk is indien zij uitdrukkelijk in de habilitatiewet is voorzien.’ (...). Het middel is kennelijk gegrond”. 3.1.1.2. In ondergeschikte orde voert de verzoekende partij nog de volgende schending aan : “2) In ondergeschikte orde In ondergeschikte orde, en in de veronderstelling dat een Besluit van de Vlaamse regering in casu niet vereist was -quod non- dan nog dient er opgemerkt te worden dat de Vlaamse minister van Mobiliteit, Openbare Werken en Energie in ieder geval niet bevoegd was om de bestreden handeling alleen te stellen. Het eerste middel is, in ondergeschikte orde, afgeleid uit de schending van artikel 15, § 1, 6/, en § 2, van het Besluit van de Vlaamse regering van 13 juli 1999 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse regering, uit de schending van artikel 2, 3, 4, 2de lid, 5, 3de, 8, 1ste lid, e.v. van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte, uit de onbevoegdheid van de auteur van de bestreden beslissing, minstens uit de schending van een substantiële vormvereiste, en uit machtsoverschrijding. Doordat het bestreden besluit door de Vlaamse minister van Mobiliteit, Openbare Werken en Energie alleen genomen werd. Terwijl het bestreden besluit, krachtens artikel 15, § 1, 6/, van het Besluit van de Vlaamse regering van 13 juli 1999 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse regering, diende genomen te worden ‘met het akkoord van het lid van de Vlaamse regering dat bevoegd is voor de begroting’. Zodat de Vlaamse minister van Mobiliteit, Openbare Werken en Energie onbevoegd was om de bestreden beslissing alleen te nemen zonder het akkoord van de Vlaamse minister bevoegd voor de begroting of, minstens, nagelaten heeft een substantiële vormvereiste na te leven door het akkoord van deze minister niet te vragen. Toelichting 1. Artikel 15, § 1, 6/, van het Besluit van de Vlaamse regering van 13 juli 1999 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse regering bepaalt het volgende : ‘De leden van de Vlaamse regering hebben, ieder wat hem betreft, delegatie voor : (...) 6/ de verwerving, kosteloos of onder bezwarende titel, van onroerende domein goederen ten bate van de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest, met het akkoord van het lid van de Vlaamse regering dat bevoegd is voor de begroting. Dit akkoord is evenwel niet vereist voor de verwerving : (...) X-10.216-10.226-10.748-8/35
- b)van onroerende goederen voor de uitvoering van het beleid inzake de openbare werken en het vervoer, zoals vermeld in artikel 6, § 1, X, van de bijzondere wet, voor zover de budgettaire weerslag van de verwerving niet meer dan 40 miljoen frank bedraagt; (...)
- d)van onroerende goederen, wanneer deze verwerving gebeurt op basis van een goedgekeurd budgettair implementatieplan overeenkomstig de bepalingen van het besluit van de Vlaamse regering van 16 november 1994 tot regeling van de begrotingscontrole, voor zover de budgettaire weerslag niet meer dan 10 miljoen frank afwijkt van de raming in het budgettair implementatieplan’ (...). 2. Een onteigening ten algemenen nutte houdt onbetwistbaar een verwerving ten bezwarende titel in. Uit de samenlezing van de artikels 3, 4, 2de lid, 5, 3de lid, 8, 1ste lid, e.v. van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte blijkt zelfs dat de onteigenaar een voorstel van prijs dient over te maken aan de eigenaar van het betrokken onroerend goed alvorens hij de gerechtelijk fase van de onteigeningsprocedure mag inleiden zodat het bestaan van een verwerving ten bezwarende titel niet kan worden betwist. 3. Artikel 2 van de wet van 26 juli 1962 bepaalt dat ‘de achtereenvolgens uitgevaardigde onteigeningen voor een zelfde doel als één geheel (worden) beschouwd bij de schatting van de waarde van de onteigende goederen’. 4. In casu, bedragen de gronden die in het kader van de aanleg van het overstromingsgebied, het habitatrichtlijngebied en het vogelrichtlijngebied dienen te worden onteigend een totale oppervlakte van 578 ha, zijnde 5.780.000 m². De prijs van 1m² grond zou de som van 6,9 BEF dan ook niet mogen overschrijden op straffe van artikel 15, § 1, 6/, van het Besluit van de Vlaamse regering van 13 juli 1999 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse regering te schenden om reden dat een totaal bedrag van 40 miljoen BEF zou worden overschreden bij de aanwerving van onroerende goederen ten bezwarende titel. De prijs van 6,9 BEF/m² zal ongetwijfeld overtroffen worden. Het voorafgaandelijk akkoord van de Vlaamse minister bevoegd voor de begroting was dan ook vereist. Niets in de bestreden beslissing laat toe te vermoeden dat dit akkoord gevraagd werd, laat staan bekomen. De, in ondergeschikte orde, aangevoerde bepalingen werden dan ook, in ieder geval, geschonden. Het middel is kennelijk gegrond”. 3.1.2. Beoordeling 3.1.2.1. Volgens artikel 68 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen regelt elke regering haar werkwijze. Artikel 69 bepaalt dat elke regering collegiaal beraadslaagt, onverminderd de door haar toegestane delegaties. Hieruit volgt dat de verdeling van de bevoegdheden in de schoot van de Vlaamse regering uitsluitend een zaak van die regering is. Artikel 79, § 1 van de voormelde bijzondere wet, luidens hetwelk “onverminderd § 2, de regeringen (kunnen) overgaan tot onteigeningen ten algemene nutte in de gevallen en volgens de modaliteiten bepaald bij decreet, met in achtneming van de bij de wet X-10.216-10.226-10.748-9/35 vastgestelde gerechtelijke procedures en van het principe van de billijke en voorafgaande schadeloosstelling bepaald bij artikel 11 van de Grondwet (...)” doet hieraan geen afbreuk. Het decreet van 13 april 1988 tot bepaling van de gevallen en de modaliteiten waarbij de Vlaamse Executieve kan overgaan tot onteigeningen ten algemenen nutte inzake de gewestelijke aangelegenheden machtigt in artikel 2 de Executieve -thans de Vlaamse regering- om over te gaan tot onteigeningen ten algemenen nutte van de onroerende goederen in de gevallen waarin zij oordeelt dat de verkrijging ervan noodzakelijk is voor de uitbouw van de infrastructuur of voor het beleid inzake de gewestelijke aangelegenheden, zoals bepaald in de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. Bij besluit van de Vlaamse regering van 13 juli 1999 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse regering, en vervolgens bij besluit van de Vlaamse regering van 13 juli 2001 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse regering -voor wat het bestreden besluit in de zaak sub III betreft- wordt Steve Stevaert, minister vice-president van de Vlaamse regering, de bevoegdheid verleend met betrekking tot, onder meer, de openbare werken en het vervoer, zoals vermeld in artikel 6, § 1, X van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. Bij besluit van 17 december 1999, waarnaar in de bestreden besluiten uitdrukkelijk wordt verwezen, beslist de Vlaamse regering “de Vlaamse minister, bevoegd voor de openbare werken, te gelasten het gecontroleerd overstromingsgebied Kruibeke-Bazel-Ruppelmonde te realiseren en over te gaan tot de onteigening en/of aankoop van de gronden nodig voor de realisatie van de ringdijk en de compartimentering dijken met alle bijhorende infrastructuur, sluizen, wachtbekkens, enz., en tot de eventuele onteigening en/of aankoop van de gronden binnen het gecontroleerd overstromingsgebied Kruibeke-Bazel-Ruppelmonde”. De bestreden besluiten zijn ook effectief door Steve Stevaert genomen. 3.1.2.2. Daargelaten de vraag of artikel 15, § 1, 6/ van het voormelde besluit van de Vlaamse regering van 13 juli 1999 toepassing vindt, moet worden vastgesteld dat het akkoord van de minister bevoegd voor de begroting een formaliteit is die uitsluitend in het belang van het bestuur is gesteld. Particulieren kunnen zich derhalve, tot staving van een beroep tot nietigverklaring, niet op het niet vervuld zijn van die formaliteit beroepen. X-10.216-10.226-10.748-10/35 3.1.2.3. Prejudiciële vraag De verzoekende partij vraagt in haar memorie van wederantwoord dat “indien voormelde artikelen 68 en 69 derwijze geïnterpreteerd zou(den) kunnen worden dat het een onbeperkte delegatiemogelijkheid zou inhouden in hoofde van de Vlaamse Regering voor alle bevoegdheden die haar op welke wijze ook werden toegewezen”, aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag zou worden gesteld : “Schenden de artikelen 68 en 69 van de Bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet indien zij aldus worden geïnterpreteerd dat zij aan de Vlaamse regering een onbeperkte delegatiemogelijkheid zouden toekennen voor alle bevoegdheden die aan voormelde regering door de wet werden toegewezen, zonder de nodige waarborgen voor de aan die regeling onderworpen rechtsonderhorigen, terwijl de federale uitvoerende macht niet over zulke onbeperkte mogelijkheid beschikt voor de aan haar toegewezen bevoegdheden en terwijl de rechtsonderhorigen die aan de regels van de Vlaamse regering onderworpen zijn in tegenstelling met de rechtsonderhorigen die aan de federale overheid onderworpen zijn aldus niet over de waarborgen beschikken die hen tegen willekeur beschermen ?”. Er is aanleiding om de voormelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen. 3.2. Het tweede en het derde middel 3.2.1. Het aangevoerde tweede en derde middel 3.2.1.1. De verzoekende partij neemt een tweede middel uit de schending van “artikel 16 van de Grondwet, van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van bestuurshandelingen alsook uit de schending van de algemene motiveringsplicht, uit de manifeste beoordelingsvergissing in rechte en in feite en uit machtsoverschrijding” : “Doordat het bestreden besluit toepassing maakt van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte. Terwijl de noodzakelijkheid om te onteigenen, enerzijds, en de noodzakelijkheid beroep te doen op een hoogdringende procedure, anderzijds, op niet pertinente motieven berust. Zodat de verwerende partij de bestreden beslissing niet op afdoende wijze gemotiveerd heeft en bijgevolg de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele X-10.216-10.226-10.748-11/35 motivering van bestuurshandelingen en de algemene motiveringsplicht heeft geschonden en haar macht heeft overschreden. Toelichting bij het tweede middel. 1. De beslissing om tot onteigening over te gaan wordt in de bestreden handeling als volgt gemotiveerd: ‘Overwegende dat op het grondgebied van de gemeente Kruibeke gronden moeten worden ingenomen voor de aanleg van ringdijken langs het gecontroleerd overstroombaar gebied ; Overwegende dat de toepassing van het decreet betreffende de waterkeringen van 26 april 1996 het meeste adequate middel zou zijn om deze gronden in te nemen ; Overwegende dat de toepassing van het decreet betreffende de waterkeringen dd. 26 april 1996 slechts een erfdienstbaarheid oplegt en geen gelijktijdige onteigening en onmiddellijke vergoeding voorziet ; Overwegende dat door een volledige inlijving van de gronden in het overstromingsgebied de eigendomsrechten niet beperkt, maar quasi ontnomen worden, zodat na afweging van belangen, het redelijk is de eigenaars onmiddellijk te vergoeden door middel van onteigening;’ (...). 2. De artikels 4 en 6 van het decreet van 16 april 1996 betreffende de waterkeringen bepalen het volgende : ‘Art. 4. Het Vlaamse Gewest kan alle noodzakelijke waterkeringswerken, alle werken tot de aanleg of aanpassing van overstromingsbekkens en wachtbekkens, en alle werken tot de aanleg of aanpassing van de rechtstreekse toegangswegen naar de waterkeringswerken, overstromingsbekkens en wachtbekkens uitvoeren op onroerende goederen, bedoeld in artikel 3. (...) Art. 6. Behalve in geval van onteigening als bedoeld in artikel 7 brengen de uitvoering van de in artikel 4 bedoelde werken en de bijhorende voorbereidingen en activiteiten geen bezitsverlies mee, maar vormen ze een erfdienstbaarheid van openbaar nut. Indien voor het realiseren van de in artikel 4 bedoelde werken bijkomende grondinnemingen noodzakelijk zijn, is het Vlaamse Gewest verplicht, op vraag van de eigenaar van het erf dat met deze erfdienstbaarheid bezwaard is, het benodigde bijkomende terrein aan te kopen of te onteigenen. Het indienen van de aanvraag schorst de uitvoering van de werken niet. Wanneer de aankoop niet in der minne geregeld kan worden, is de procedure van artikel 7 van toepassing.’ Bovenvermelde bepalingen van het decreet van 16 april 1996 betreffende de waterkeringen laten het Vlaamse Gewest dus toe de nodige werken uit te voeren zonder tot onteigening over te gaan. 3. De Vlaamse minister van Mobiliteit, Openbare Werken en Energie meent evenwel ‘na afweging van de belangen’ dat het ‘redelijk is de eigenaars onmiddellijk te vergoeden door middel van onteigening’ om reden dat een inlijving van de gronden in het overstromingsgebied de eigendomsrechten quasi ontneemt. Verzoekende partij stelt hierbij vast dat de aangehaalde ‘afweging van de belangen’ nergens, in de bestreden handeling, uiteengezet wordt zodat er onmogelijk kan geweten worden of en op welke wijze deze afweging geschiedde, enerzijds, en dat de kwalificatie van ‘quasi ontneming van eigendomsrechten’ niet met de werkelijkheid strookt voor wat de eigendommen van verzoekende partij betreft, anderzijds, zodat de motivering dienaangaande als ontoereikend en, in ieder geval, als niet afdoende moet worden beschouwd. Bovendien is het ook nog zo dat de betrokken hoogspanningsmasten, mits naleving van de bepalingen van het Algemeen reglement betreffende de elektriciteitsinstallaties (hierna A.R.E.I.), zéér goed bewaard kunnen blijven in X-10.216-10.226-10.748-12/35 een overstromingsgebied zodat de inlijving van verzoekers percelen in zulk een gebied geenszins een quasi ontneming van haar eigendomsrechten voor gevolg heeft. Hieruit blijkt dat de bestreden handeling geen blijkt geeft van enige belangenafweging, enerzijds, en de specifieke situatie van verzoekers eigendom geenszins onderzocht heeft, anderzijds, zodat zij ook niet op afdoende wijze gemotiveerd werd. 4. De noodzaak beroep te doen op een hoogdringende procedure wordt als volgt gemotiveerd : ‘Gelet op de beslissing van de Vlaamse regering van 14 februari 1996 tot aanduiding van de polders van Kruibeke-Bazel-Rupelmonde als habitatrichtlijngebied ; Gelet op de beslissing van de Vlaamse regering van 23 juni 1998 om, ter compensatie van delen van het habitatrichtlijngebied ‘Schelde en Durma-estuarium van de Nederlandse grens tot Wetteren’ en van de vogelrichtlijngebieden nr. 3.5 ‘Schorren en polders van de Beneden Schelde’ en 3.4 ‘Durme en middenloop van de Schelde’ als gevolg van de aanleg van het Deurganckdok te Doel, het volledige projectgebied van het gecontroleerd overstromingsgebied Kruibeke-Bazel-Rupelmonde voor te stellen aan de Europese Commissie als vogelrichtlijngebied ; Gelet op de beslissing van de Vlaamse regering van 17 december 1999 tot inrichting van het gecontroleerd overstromingsgebied Kruibeke-Bazel-Rupelmonde ten behoeve van natuurontwikkeling ; Overwegende dat de natuurontwikkeling binnen het gecontroleerd overstromingsgebied Kruibeke-Bazel-Rupelmonde kadert binnen de in de Europese richtlijnen 79/409/EEG (vogelrichtlijn) - en 92/43/EEG (habitatrichtlijn) verplichte beschermings- en instandhoudingsmaatregelen en daardoor een daadwerkelijke compensatie wordt ; Overwegende dat de klacht ingesteld bij de Europese Commissie door verscheidene milieugroeperingen (DG XI BE
(98)X/028618), de overheid ertoe verplicht met de vereiste spoed en hoogdringendheid haar beleidsbeslissingen inzake compensaties voor het vogelrichtlijngebied naar aanleiding van de aanleg van het Deurganckdok te Doel uit te voeren; Overwegende dat de principes van behoorlijk bestuur en in het bijzonder de zorgvuldigheidsplicht de overheid ertoe noopt ingevolge deze hoogdringendheid de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemene nutte toe te passen ;’.
- De hoogdringendheid wordt dus gemotiveerd door te verwijzen naar een klacht hangende voor de Europese Commissie met betrekking tot de inrichting van een vogelrichtlijngebied ter compensatie van het opheffen van een vogelrichtlijngebied naar aanleiding van de aanleg van het Deurganckdok te Doel.
- In hoofdorde, doet verzoekende partij opmerken dat de ingeroepen hoogdringendheid volledig vreemd is aan de beweerdelijke noodzaak te onteigenen. Het is inderdaad zo dat de Europese Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand die door de verwerende partij wordt ingeroepen geenszins de verplichting oplegt om tot onteigening over te gaan alvorens een vogelrichtlijngebied te kunnen inrichten, enerzijds, en dat nergens in de bestreden handeling wordt gesteld dat de inrichting van het overstromingsgebied hoogdringend zou zijn. Hoewel het overstromings- en het vogelrichtlijngebied blijkbaar op dezelfde percelen zullen komen te staan, zijn het twee onderscheiden projecten. X-10.216-10.226-10.748-13/35 Dit blijkt duidelijk, enerzijds, uit de bestreden handeling waarin zij afzonderlijk worden besproken en, anderzijds, uit de antwoorden van Minister Stevaert op de vragen gesteld door Vlaams parlementslid Jos Stassen waarin men het volgende leest : ‘Vooreerst dient gesteld dat het gecontroleerd overstromingsgebied te Kruibeke wordt aangelegd ten behoeven van de beveiliging van het Zeescheldebekken tegen stormvloeden. Anderzijds bieden deze ingrepen ook opportuniteiten. Zo kan de natuur zich daar volledig ontwikkelen en een belangrijke meerwaarde betekenen voor ons leefmilieu. De inrichting van het gecontroleerd overstromingsgebied t.b.v. natuurontwikkeling is ook noodzakelijk om voldoende invulling te geven aan de compensaties voor het verlies aan Vogel- en Habitat) richtlijngebied door de aanleg van het Deurganckdok.’ (...). Er wordt dus slechts gebruik gemaakt van de opportuniteit die het overstromingsgebied biedt om het vogelrichtlijngebied in te richten. Aangezien de inrichting van het vogelrichtlijngebied geen onteigening vereist, betekent dit echter niet dat de inrichting van het overstromingsgebied hoogdringend is. Daar waar het bestreden besluit de hoogdringendheid motiveert ten opzichte van de klacht die neergelegd werd bij de Europese Commissie m.b.t. de inrichting van het vogelrichtlijngebied heeft deze motivatie dus niet betrekking op de inrichting van het overstromingsgebied waarvoor een onteigening (volgens de verwerende partij) wel nodig zo zijn. Er bestaat dus geen enkel verband tussen de beweerdelijke noodzakelijkheid te onteigenen en de aangehaalde hoogdringendheid. De in het middel aangehaalde bepalingen werden dan ook geschonden.
- In ondergeschikte orde, en in de veronderstelling dat de aangehaalde hoogdringendheid wel enig verband zou houden met de beweerdelijke noodzakelijkheid te onteigenen -quod non-, wenst verzoekende partij het volgende te doen gelden ter ondersteuning van hetzelfde middel. De beslissing om de polders van Kruibeke-Bazel-Rupelmonde als habitatrichtlijngebied aan te duiden dateert van 14 februari 1996 en de beslissing om het gecontroleerd overstromingsgebied Kruibeke-Bazel-Rupelmonde ter compensatie van de aanleg van het Deurganckdok te Doel als vogelrichtlijngebied in te richten dateert van 23 juni
- Uit de bestreden handeling blijkt dat het niet uitvoeren van deze beslissingen door de verwerende partij een aantal milieugroeperingen aangezet heeft klacht in te dienen bij de Europese Commissie. Daargelaten de vraag te weten of een hoogdringende onteigeningsprocedure (met alle gevolgen van dien voor de betrokken eigenaars) wel mag aangewend worden om de overheid toe te laten aan de gevolgen van haar nalatigheid te ontsnappen dient er vastgesteld te worden dat het verband tussen de neergelegde klacht en de beweerdelijke hoogdringendheid nergens uit blijkt. De bestreden handeling vermeldt niet wanneer de betrokken klacht ingediend werd, noch welke gevolgen de Europese Commissie er gebeurlijk aan gegeven heeft, noch welke consequenties zij op zéér korte termijn zal hebben voor de verwerende partij en die de verwerende partij er toe aanzetten beroep te doen op een hoogdringende onteigeningsprocedure. De ingeroepen hoogdringendheid wordt bijgevolg niet op afdoende wijze gemotiveerd en de werkelijkheid ervan kan dan ook, aan de hand van de bestreden handeling alleen, niet nagegaan worden.
- De ingeroepen zorgvuldigheidsplicht verandert hier niets aan. Men vraagt zich zelfs af welk verband de zorgvuldigheidsplicht -zijnde de verplichting tot het zorgvuldig verzamelen van de feitelijke gegevens, het zorgvuldig afwegen van deze gegevens en het zorgvuldig opstellen van de te X-10.216-10.226-10.748-14/35 nemen administratieve beslissing- wel heeft met de ingeroepen hoogdringendheid ? Gezien het nauw verband dat er bestaat tussen het zorgvuldigheidsbeginsel, enerzijds, en de motiveringsplicht en de verplichte nauwgezette belangenafweging, anderzijds, is verzoekende partij eerder van mening dat het zorgvuldigheidsbeginsel, in casu, niet geëerbiedigd werd. Wat er ook van moge zijn, dient er in ieder geval vastgesteld te worden dat het louter inroepen van bovenvermeld beginsel niets afdoet aan het gebrekkig karakter van de motivering van de bestreden handeling voor wat betreft de ingeroepen hoogdringendheid.
- Tenslotte blijkt uit de aangetekende brief waarbij de bestreden beslissing aan verzoekende partij werd bekendgemaakt dat eenzelfde onteigeningsbesluit reeds genomen werd op 25 februari 2000 doch dat dit besluit op 19 oktober 2000 ingetrokken werd zodat de aangevoerde hoogdringendheid, hoe dan ook, niet overtuigend blijkt. Het tweede middel is dan ook gegrond”. 3.2.1.
- De verzoekende partij neemt een derde middel uit de schending van “artikel 1 van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte” : “Doordat de bestreden beslissing bepaalt dat ‘het algemeen nut de onmiddellijke inbezitneming van de betrokken percelen (vordert)’. Terwijl de werkelijkheid van de ingeroepen hoogdringendheid nergens uit blijkt. Zodat het bestreden besluit ten onrechte beroep doet op een spoedprocedure en artikel 1 van bovenvermelde wet van 26 juli 1962 schendt. Toelichting bij het derde middel
- Artikel 1 van bovenvermelde wet van 26 juli 1962 bepaalt het volgende : ‘Wanneer de Koning vaststelt dat de onmiddellijke inbezitneming van een of meer onroerende goederen ten algemenen nutte onontbeerlijk is, geschiedt de onteigening van die goederen overeenkomstig de navolgende regels.’ (...).
- De wet van 26 juli 1962 voorziet bijgevolg in een afwijkende spoedprocedure die slechts aangewend mag worden in die gevallen waarin de onmiddellijke inbezitneming onontbeerlijk is (...). Uw Raad heeft in dit verband gesteld dat zelfs het nut van een spoedige onteigening niet voldoende is, een noodzaak tot onmiddellijke inbezitneming is vereist (...).
- Zoals hierboven uitvoerig werd uiteengezet is de noodzaak voor de verwerende partij om onmiddellijk in bezit te treden van het betrokken perceel geenszins aanwezig. Het middel is dan ook gegrond”. 3.2.
- Beoordeling 3.2.2.
- Met haar betoog “(...) dat de betrokken hoogspanningsmast, mits naleving van de bepalingen van het Algemeen reglement betreffende de elektriciteitsinstallaties (...), zeer goed bewaard kan blijven in een X-10.216-10.226-10.748-15/35 overstromingsgebied zodat de inlijving van verzoekers perceel in zulk een gebied geenszins een quasi ontneming van haar eigendomsrechten voor gevolg heeft”, gaat de verzoekende partij er in haar verzoekschrift aan voorbij dat het bestreden besluit in de zaak sub I de inneming van gronden beoogt “voor de aanleg van ringdijken” langs het gecontroleerd overstroombaar gebied en het bestreden besluit in de zaak sub II de inneming van de gronden “voor de aanpassing van de scheldedijken” langs dit gebied. In acht genomen deze omstandigheden toont de verzoekende partij niet aan dat de beslissingen tot onteigening van haar gronden kennelijk onredelijk zouden zijn. De verwijzing in de memorie van wederantwoord van de verzoekende partij naar het verslag van een vergadering van 13 maart 2001, waarbij naast vertegenwoordigers van de rechtsvoorganger van de verzoekende partij ook vertegenwoordigers van de verwerende partij aanwezig waren en waarin wordt gesteld dat “er in principe geen probleem (is) met de aanwezigheid van de hoogspanningsleidingen en masten”, dat “de masten in principe niet (moeten) verplaatst worden maar een aanpassing aan de nieuwe omstandigheden misschien (wel) zal nodig zijn”, en dat “indien de masten er niet tegen kunnen ze (moeten) verplaatst of aangepast worden maar de inplantingsplaats in principe geen probleem (is)”, volstaat daartoe niet. Het in de laatste memorie aangevoerde betoog van de verzoekende partij dat haar percelen met de erop staande pylonen zich, na uitvoering van de werken, naast de dijken bevinden en de verplaatsing ervan niet zou vereist zijn, betreft de uitvoering van de bestreden besluiten, en is evenmin van aard om de onwettigheid van deze besluiten aan te tonen. 3.2.2.
- De verzoekende partij maakt voorts niet aannemelijk dat de voorgenomen natuurontwikkeling binnen het gecontroleerd overstromingsgebied Kruibeke-Bazel-Rupelmonde, die kadert binnen de in de Europese richtlijnen 79/409/EEG (vogelrichtlijn) en 92/43/EEG (habitatrichtlijn) verplichte beschermings- en instandhoudingsmaatregelen en waarmee luidens de bestreden besluiten een daadwerkelijke compensatie wordt beoogd, ingevolge de klacht ingesteld bij de Europese Commissie door verscheidene milieugroeperingen (DG XI B3
(98)X/028618), geen onteigening middels de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden zou verantwoorden. De omstandigheid dat in de bestreden besluiten niet wordt vermeld “wanneer de betrokken klacht ingediend werd, noch welke gevolgen de Europese Commissie er gebeurlijk aan gegeven heeft, noch welke consequenties zij op zéér korte termijn zal hebben voor de verwerende partij”, brengt niet mee dat de X-10.216-10.226-10.748-16/35 ingeroepen hoogdringendheid tot onteigening niet op afdoende wijze zou zijn gemotiveerd. De bestreden besluiten vermelden uitdrukkelijk de referentie van de betreffende klacht, zodat de stand ervan ook door de verzoekende partij kon worden opgevolgd, terwijl de bestreden besluiten voorts geen motieven van de motieven dienen te vermelden. Het betoog van de verzoekende partij dat “eenzelfde onteigeningsbesluit reeds genomen werd op 25 februari 2000 doch dat dit besluit op 19 oktober 2000 ingetrokken werd zodat de aangevoerde hoogdringendheid, hoe dan ook, niet overtuigend blijkt”, toont verder evenmin het gemis aan de noodzaak tot onteigening bij hoogdringendheid aan. De middelen zijn ongegrond. 3.
- Het vierde middel 3.3.
- Het aangevoerde vierde middel De verzoekende partij neemt een vierde middel uit de schending van “artikel 544 B.W., van artikel 16 van de Grondwet, en van artikel 1 van het Eerste aanvullend Protocol van 20 maart 1952 bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 4 november 1950, uit de schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid van de algemene motiveringsplicht en de zorgvuldigheids-, redelijkheids- en evenredigheidsbeginselen, en uit machtsoverschrijding” : “Doordat de Vlaamse minister van Mobiliteit, Openbare Werken en Energie besloten heeft tot de onteigening van de betrokken percelen over te gaan i.p.v. het decreet van 16 april 1996 betreffende de waterkeringen toe te passen. Terwijl de noodzakelijkheid om tot onteigening over te gaan, vooreerst, niet afdoende gemotiveerd is, de gevolgen van deze onteigening voor de elektriciteitspylonen en de hoogspanningslijnen gevestigd op en boven de betrokken percelen, vervolgens, niet onderzocht werden en deze gevolgen, tenslotte, niet op redelijke wijze kunnen geacht worden in verhouding te staan met het voordeel dat de verwerende partij uit de beoogde onteigening zal halen. Zodat de verwerende partij, door beroep te doen op de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte i.p.v. het decreet van 16 april 1996 betreffende de waterkeringen de in het middel aangehaalde bepalingen en beginselen van behoorlijk bestuur geschonden heeft en machtsoverschrijding gepleegd heeft. Toelichting bij het vierde middel
- Bij het stellen van een administratieve handeling die lasten oplegt aan rechtsonderhorigen of een weerslag kan hebben op hun fundamentele rechten of vrijheden moet de overheid steeds alle aanwezige belangen onderzoeken en zorgvuldig tegen elkaar afwegen. X-10.216-10.226-10.748-17/35 Wanneer blijkt dat de overheid het doel dat zij voor ogen heeft op verschillende wijzen kan bereiken moet zij die wijze kiezen die het minste lasten oplegt aan de particulieren of die hun fundamentele rechten of vrijheden het minste beperkt. Op straffe van schending van artikel 16 van de Grondwet, houdt het beginsel van de gelijkheid t.a.v. de gemene lasten ook nog in ‘dat de overheid niet zonder vergoeding lasten kan opleggen die groter zijn dan die welke een particulier in het gemeenschappelijk belang moet dragen’ (...).
- Bij het nemen van haar besluit van 2 februari 1994 heeft de verwerende partij besloten de polder van Kruibeke-Bazel-Rupelmonde als overstromingsgebied in te richten. Bij besluit van 23 juni 1998 heeft de verwerende partij besloten het volledige projectgebied van het gecontroleerd overstromingsgebied Kruibeke-Bazel- Rupelmonde voor te stellen aan de Europese Commissie als vogelrichtlijngebied (cfr. bestreden handeling) en bij haar besluit van 17 december 1999 werd dit gecontroleerd overstromingsgebied ingericht ten behoeve van natuurontwikkeling.
- Het bestreden besluit beoogt bovenvermelde besluiten uit te voeren door het ganse gebied te onteigenen.
- Verzoekende partij wenst hier vooreerst te doen opmerken dat het behoud van de betrokken pylonen en hoogspanningslijnen de realisatie van het beoogde overstromings- en vogelrichtlijngebied geenszins belemmerd daar de pylonen (mits naleving van de bepalingen van het A.R.E.I.) voldoende geïsoleerd kunnen worden tegen het water, enerzijds, en de hoogspanningslijnen geen gevaar vormen voor de natuur, anderzijds. Het bestreden besluit spreekt dit trouwens niet tegen.
- De artikels 4, 5, lste en 3de lid, en 6 van het decreet van 16 april 1996 betreffende de waterkeringen bepalen het volgende : ‘Art.
- Het Vlaamse Gewest kan alle noodzakelijke waterkeringswerken, alle werken tot de aanleg of aanpassing van overstromingsbekken en wachtbekkens, en alle werken tot de aanleg of aanpassing van de rechtstreekse toegangswegen naar de waterkeringswerken, overstromingsbekken en wachtbekkens uitvoeren op onroerende goederen, bedoeld in artikel
- (...) Art.
- De uitvoering van de werken bedoeld in artikel 4 mag pas aangevat worden 30 dagen nadat de eigenaars van de onroerende goederen, waarop de werken worden uitgevoerd, bij een ter post aangetekende brief hiervan in kennis zijn gesteld. (...) In dringende gevallen evenwel mag met de uitvoering van de werken worden begonnen onmiddellijk nadat daarvan kennis is gegeven aan de burgemeesters van de gemeenten op het grondgebied waarvan de betrokken onroerende goederen gelegen zijn. Art.
- Behalve in geval van onteigening als bedoeld in artikel 7 brengen de uitvoering van de in artikel 4 bedoelde werken en de bijhorende voorbereidingen en activiteiten geen bezitsverlies mee, maar vormen ze een erdienstbaarheid van openbaar nut. Indien voor het realiseren van de in artikel 4 bedoelde werken bijkomende grondinnemingen noodzakelijk zijn, is het Vlaamse Gewest verplicht, op vraag van de eigenaar van het erf dat met deze erfdienstbaarheid bezwaard is, het benodigde bijkomende terrein aan te kopen of te onteigenen. Het indienen van de aanvraag schorst de uitvoering van de werken niet. Wanneer de aankoop niet in der minne geregeld kan worden, is de procedure van artikel 7 van toepassing.’ (...). X-10.216-10.226-10.748-18/35 Bovenvermelde bepalingen van het decreet van 16 april 1996 betreffende de waterkeringen laten het Vlaamse Gewest dus toe de nodige werken uit te voeren zonder tot onteigening over te gaan. Zij laten bovendien ook nog toe deze werken onverwijld aan te vatten na eenvoudige kennisgeving aan de burgemeesters van de gemeenten op het grondgebied waarvan de betrokken onroerende goederen gelegen zijn (art. 5, 3de lid) zodat deze procedure de verwerende partij zelfs toelaat de werken nog sneller uit te voeren dan wanneer zij de betrokken eigenaars eerst moet onteigenen. Uiteindelijk laat bovenvermeld decreet de eigenaars die dit wensen ook toe de onteigening aan te vragen (art. 6, 2de lid) zonder dat de eigenaars die dit niet wensen ook van hun eigendom zouden ontriefd worden, en voorziet het in een schadevergoeding voor diegenen wiens onroerende goederen door de uitvoering van de werken in waarde dalen (art. 8) zodat het decreet van 16 april 1996 betreffende de waterkeringen ongetwijfeld ‘het meeste adequate middel’ is om de beoogde werken uit te voeren, zoals de verwerende partij in de 9de alinea van het bestreden besluit zelf stelt.
- Er kan dan ook, in alle redelijkheid, niet worden ingezien waarom de verwerende partij van de toepassing van dit decreet heeft afgezien. In dit verband leest men in het bestreden besluit dat ‘de toepassing van het decreet betreffende de waterkeringen dd. 16 april 1996 slechts een erfdienstbaarheid oplegt en geen gelijktijdige onteigening en onmiddellijke vergoeding voorziet’ en dat het, na afweging van belangen5, ‘redelijk is de eigenaars onmiddellijk te vergoeden door middel van onteigening’.
- Verzoekende partij merkt hierbij vooreerst op dat artikel 7 van bovenvermeld decreet bepaalt dat het Vlaamse Gewest te allen tijde kan onteigenen, o.m., voor de uitvoering van de in artikel 4 bedoelde werken en dat die onteigeningen dan gebeuren overeenkomstig de spoedprocedure bepaald in artikel 5 van de wet van 26 juli 1962 zodat het onjuist is te stellen dat het decreet het Vlaamse Gewest niet de mogelijkheid geeft te onteigenen waar dit nodig of gerechtvaardigd zou zijn.
- Door er slechts een mogelijkheid van te maken laat het decreet integendeel het Vlaamse Gewest toe een geïndividualiseerde aanpak te realiseren door slechts te onteigenen waar het nodig of gerechtvaardigd is en elders slechts een erfdienstbaarheid van openbaar nut op te leggen. Welnu dit is juist wat de verwerende partij nalaat te doen door alle eigenaars van het betrokken gebied te onteigenen zonder de specifieke situatie van elk van hen onder ogen te nemen. Deze ongenuanceerde aanpak waarbij de belangen van verzoekende partij en de gevolgen van de bestreden onteigening niet in aanmerking worden genomen houdt een duidelijke schending in van het eigendomsrecht van de verzoekende partij alsook van de aangehaalde beginselen van behoorlijk bestuur en inzonderheid van de algemene motiveringsplicht en de zorgvuldigheids-, redelijkheids- en evenredigheidsbeginselen. Het middel is gegrond”. 3.3.
- Beoordeling 3.3.2.
- De door de verwerende partij aangevoerde “exceptio obscuri libelli” kan niet worden aangenomen. Het middel is voldoende duidelijk geformuleerd en de verwerende partij is erin geslaagd om het middel te beantwoorden, zodat zij in haar rechten van verweer niet wordt geschaad. X-10.216-10.226-10.748-19/35 3.3.2.
- Zoals reeds vastgesteld bij de bespreking van het tweede en het derde middel, gaat de verzoekende partij eraan voorbij dat het bestreden besluit in de zaak sub I de inneming van gronden beoogt “voor de aanleg van ringdijken” langs het gecontroleerd overstroombaar gebied en het bestreden besluit in de zaak sub II de inneming van de gronden “voor de aanpassing van de scheldedijken” langs dit gebied. In acht genomen deze omstandigheden toont de verzoekende partij niet aan dat de bestreden beslissingen de in het middel aangevoerde bepalingen zouden schenden. Het middel is ongegrond.
- Over de gegrondheid van het beroep in de zaak sub III (zaak A. 115.285/X- 10.748) 4.
- Het eerste middel 4.1.
- Het aangevoerde eerste middel 4.1.1.
- De verzoekende partij neemt een eerste middel, in hoofdorde, uit de schending van “artikel 33 van de Grondwet, uit de schending van artikel 1 van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte, uit de schending van art. 79 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen, uit de schending van artikel 2 van het decreet van 13 april 1988 tot bepaling van de gevallen en de modaliteiten waarbij de Vlaamse Executieve kan overgaan tot onteigeningen ten algemenen nutte inzake de gewestelijke aangelegenheden, uit de onwettigheid van het besluit van 13 juli 1999 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse regering, uit de onwettigheid van de beslissing van de Vlaamse regering van 17 december 1999 tot inrichting van het gecontroleerd overstromingsgebied Kruibeke-Bazel-Rupelmonde ten behoeve van natuurontwikkeling en om de Minister, bevoegd voor de openbare werken, te gelasten over te gaan tot de eventuele onteigening en/of aankoop van de gronden binnen het gecontroleerd overstromingsgebied Kruibeke-Bazel-Rupelmonde, uit de onbevoegdheid van de auteur van de bestreden handeling en uit machtsoverschrijding” : “Doordat het bestreden besluit door de Vlaamse minister van Mobiliteit, Openbare Werken en Energie genomen werd. X-10.216-10.226-10.748-20/35 Terwijl krachtens bovenvermelde bepalingen, inzonderheid artikel 1 van de wet van 26 juli 1962, art. 79 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 en artikel 2 van het decreet van 13 april 1988, een besluit van de Vlaamse regering vereist is om vast te stellen dat de onmiddellijke inbezitneming van een of meer onroerende goederen ten algemenen nutte onontbeerlijk is en om tot onteigening over te gaan. Zodat de Vlaamse minister van Mobiliteit, Openbare Werken en Energie niet bevoegd was om de bestreden handeling te stellen. Toelichting bij het eerste middel
- Hoewel delegatie van bevoegdheid ‘vanuit een publiekrechtelijk oogpunt verwerpelijk (is)’ (...) wordt een bevoegdheidsoverdracht, om praktisch organisatorische redenen evenwel toegelaten mits deze bevoegdheid om detailmaatregelen aan te nemen niet overschrijdt en voor zover deze door een uitdrukkelijke tekst voorzien is (...). In casu verleent artikel 1 van bovenvermelde wet van 26 juni 1962 aan de Koning (of de gewestelijke of gemeenschappelijke regering) de bevoegdheid om vast te stellen dat ‘de onmiddellijke inbezitneming van een of meer onroerende goederen ten algemenen nutte onontbeerlijk is’ en bepaalt artikel 2 van bovenvermeld Vlaams decreet van 13 april 1988 dat ‘de Executieve gemachtigd (wordt) over te gaan tot onteigeningen ten algemenen nutte van de onroerende goederen in de gevallen waarin zij oordeelt dat de verkrijging ervan noodzakelijk is (...) voor het beleid inzake de gewestelijke aangelegenheden, zoals bepaald in de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen’. Geen van deze twee wetteksten, die in de aanhef van de bestreden handeling worden aangehaald, voorzien in enige delegatie ten voordele van een minister alleen in de uitoefening van de bevoegdheden die hem toebehoren. Ook artikel 79 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 voorziet niet in zulke delegatiemogelijkheid. Bij gebrek aan enige delegatie was een Besluit van de Vlaamse regering dus vereist om tot de betrokken onteigening over te gaan. Ten overvloede citeert men hierbij Martin DENYS in zijn werk over ‘Onteigening en planschade’ : ‘Bij ons weten heeft er nooit een algemene delegatiebevoegdheid bestaan op grond waarvan de Koning gerechtigd was zijn onteigeningsbevoegdheid te delegeren aan zijn Ministers. Men is dan ook zeer verwonderd te moeten vaststellen dat de gewesten en gemeenschappen in een aantal gevallen onteigeningsbesluiten laten nemen, niet door hun respectievelijke Regeringen maar door individuele Gemeenschaps- of Gewestministers. Dergelijke beslissingen lijken ons volkomen onregelmatig voor te komen omdat volgens een vaste rechtsleer en rechtspraak de delegatie van dergelijke wettelijke bevoegdheden alleen mogelijk is indien zij uitdrukkelijk in de habilitatiewet is voorzien.’ (...).
- Voor een goed begrip van zaken wenst verzoekende partij thans reeds duidelijk te benadrukken dat haar middel niet aldus mag begrepen worden dat in de wet of het decreet een delegatiebevoegdheid ten voordele van een welbepaalde minister van de Vlaamse Regering diende te worden opgenomen. Verzoekende partij stelt evenwel uitdrukkelijk dat de wet of het decreet de mogelijkheid tot delegatie moet voorzien. Het komt vanzelfsprekend aan de Vlaamse Regering toe om, wanneer de mogelijkheid daartoe wordt voorzien in de wet of het decreet, deze delegatiemogelijkheid zelf te benutten. Er dient evenwel een fundamenteel onderscheid te worden gemaakt tussen enerzijds de wettelijke of decretale toelating om een toegewezen bevoegdheid X-10.216-10.226-10.748-21/35 te kunnen delegeren en anderzijds het uitvoeringsbesluit dat aan die delegatiemogelijkheid concreet gestalte verleent. Het bepalen van de mogelijkheid tot delegatie komt uitsluitend aan de wetgever of decreetgever toe die de betrokken bevoegdheden (waarvoor de delegatie zou gelden) heeft toegewezen, terwijl de concrete uitvoering van die mogelijkheid uiteraard uitsluitend toekomt aan de overheid aan wie voormelde bevoegdheden werden toegewezen en aan wie voormelde delegatiemogelijkheid werd toegekend. Indien de wetgever of de decreetgever geen delegatiemogelijkheid heeft voorzien kan de overheid aan wie bevoegdheden werden toegewezen geenszins tot delegatie daarvan overgaan. Dit is precies wat in onderhavig geval wel is geschied. Inderdaad, noch artikel 1 van de wet van 26 juli 1962, noch artikel 2 van het decreet van 13 april 1988, noch artikel 79 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 voorzien in de mogelijkheid om de toegewezen bevoegdheid om tot onteigening over te gaan te delegeren. De onteigeningsbeslissing diende dus hoe dan ook door de Vlaamse Regering te worden genomen.
- Artikel 68 en 69 van de Bijzondere Wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen doen aan hetgeen voorafgaat niets af. Voormelde artikelen regelen immers uitsluitend de werkwijze van de Vlaamse Regering en bevestigen het principe dat de regering collegiaal optreedt, behoudens in de gevallen waarin delegaties zijn toegestaan. Welnu, de ‘toegestane delegaties’ vermeld in het betrokken artikel 69 kunnen slechts die delegaties zijn waarvoor de wet of het decreet concreet de mogelijkheid heeft voorzien. In dezelfde bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen wordt in art. 79 uitdrukkelijk bepaald dat het de Vlaamse Regering zelf is die bevoegd is om tot onteigening over te gaan. Over een delegatiemogelijkheid wordt in voormeld artikel evenmin gesproken. Ook de bijzondere wetgever heeft derhalve de onteigeningsbevoegdheid aan de regering toegewezen en niet voorzien dat er delegatie zou kunnen gegeven worden. De bestreden beslissing kan ook om die reden niet door de betrokken Minister alleen worden genomen.
- In elk geval betwist verzoekende partij dat de delegatie van de bevoegdheid om tot onteigening over te gaan zou voortvloeien uit het Besluit van 13 juli 1999 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse Regering, inzonderheid artikel 5, 1/ en artikel 13, 8/ van voormeld besluit. Verzoekende partij wenst in dit verband vooreerst te verwijzen naar artikel 79 van dezelfde bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, hetwelk uitdrukkelijk stelt : ‘ (...) §
- Onverminderd §2, kunnen de regeringen overgaan tot onteigeningen ten algemene nutte in de gevallen en volgens de modaliteiten bepaald bij decreet, met in achtneming van de bij de wet vastgestelde gerechtelijke procedures en van het principe van de billijke en voorafgaande schadeloosstelling bepaald bij artikel 11 van de Grondwet. (...)’(...) Artikel 79 zoals hiervoor geciteerd kent derhalve de bevoegdheid om te onteigenen uitdrukkelijk aan de Vlaamse Regering toe. Wanneer daarentegen het besluit van 13 juli 1999 van de Vlaamse Regering tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse Regering wordt nagelezen, dan dient er vastgesteld te worden dat voormelde bevoegdheid om over te gaan tot onteigeningen ter algemene nutte geenszins wordt vermeld in artikel 5, 1/, noch in artikel 13, 8/ van het betrokken besluit. X-10.216-10.226-10.748-22/35 Artikel 5, 1/ spreekt inderdaad slechts over de openbare werken en het vervoer, zoals vermeld in artikel 6, §1, X, van de bijzondere wet, alsook over de individuele maatregelen voor de toepassing van de regelgeving inzake de erkenning der aannemers van werken, terwijl artikel 13, 8/ spreekt over ‘het verlenen van onteigeningsmachtigingen’ Er dient evenwel een fundamenteel onderscheid te worden gemaakt tussen enerzijds de beslissing om tot onteigening over te gaan en anderzijds de beslissing om een onteigeningsmachtiging te verlenen (aan andere rechtspersonen, zoals daar zijn de gemeenten, de provincies, de intercommunale verenigingen en de gewestelijke ontwikkelingsmaatschappijen). Daar waar in onderhavige hypothese in meest ondergeschikte orde nog kan aangenomen worden dat voormelde machtiging om tot onteigening over te gaan, te geven aan rechtspersonen die onder het toezicht van de verwerende partij staan, zou kunnen gegeven worden door een individuele minister, die aangeduid wordt in voormeld besluit van 13 juli 1999, dan geldt de delegatie van bevoegdheid geenszins voor de beslissing waarbij de verwerende partij zelf tot onteigening zou overgaan. Voormelde beslissingen maken niet het voorwerp uit van het besluit van 13 juli 1999 en dienen derhalve nog steeds door de Vlaamse Regering zelf te worden genomen. In de mate dat in artikel 5, 1/ en 13, 8/ van het besluit van 13 juli 1999 alsnog de bevoegdheid tot onteigenen zou kunnen gelezen worden, dient de onwettigheid van voormeld besluit te worden vastgesteld wegens strijdigheid met art. 79 van de Bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, evenals met art. 2 van het decreet van 13 april 1988, hierboven geciteerd. Ook het Besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 1999, waarnaar door de verwerende partij wordt verwezen, is om dezelfde redenen onwettig. Verzoekende partij is derhalve van oordeel dat het betrokken onteigeningsbesluit genomen is door een onbevoegde overheid en dat om die reden het besluit reeds vernietigd dient te worden. Het eerste onderdeel van het eerste middel is kennelijk gegrond”. 4.1.1.
- In ondergeschikte orde voert de verzoekende partij nog de volgende schending aan : “2) In ondergeschikte orde In ondergeschikte orde, en in de veronderstelling dat een Besluit van de Vlaamse regering in casu niet vereist was -quod non- dan nog dient er opgemerkt te worden dat de Vlaamse minister van Mobiliteit, Openbare Werken en Energie in ieder geval niet bevoegd was om de bestreden handeling alleen te stellen. Het eerste middel is, in ondergeschikte orde, afgeleid uit de schending van artikel 15, § 1, 6/, en § 2, van het Besluit van de Vlaamse regering van 13 juli 1999 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse regering, uit de schending van artikel 2, 3, 4, 2de lid, 5, 3de lid, 8, 1ste lid, e.v. van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte, uit de onbevoegdheid van de auteur van de bestreden beslissing, minstens uit de schending van een substantiële vormvereiste, en uit machtsoverschrijding. Doordat het bestreden besluit door de Vlaamse minister van Mobiliteit, Openbare Werken en Energie alleen genomen werd. X-10.216-10.226-10.748-23/35 Terwijl het bestreden besluit, krachtens artikel 15, § 1, 6/, van het Besluit van de Vlaamse regering van 13 juli 1999 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse regering, diende genomen te worden ‘met het akkoord van het lid van de Vlaamse regering dat bevoegd is voor de begroting’. Zodat de Vlaamse minister van Mobiliteit, Openbare Werken en Energie onbevoegd was om de bestreden beslissing alleen te nemen zonder het akkoord van de Vlaamse minister bevoegd voor de begroting of, minstens, nagelaten heeft een substantiële vormvereiste na te leven door het akkoord van deze minister niet te vragen. Toelichting
- Artikel 15, § 1, 6/, van het Besluit van de Vlaamse regering van 13 juli 1999 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse regering bepaalt het volgende: ‘De leden van de Vlaamse regering hebben, ieder wat hem betreft, delegatie voor : (...) 6/ de verwerving, kosteloos of onder bezwarende titel, van onroerende domeingoederen ten bate van de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest, met het akkoord van het lid van de Vlaamse regering dat bevoegd is voor de begroting. Dit akkoord is evenwel niet vereist voor de verwerving : (...) b) van onroerende goederen voor de uitvoering van het beleid inzake de openbare werken en het vervoer, zoals vermeld in artikel 6, § 1, X, van de bijzondere wet, voor zover de budgettaire weerslag van de verwerving niet meer dan 40 miljoen frank bedraagt ; (...) d) van onroerende goederen, wanneer deze verwerving gebeurt op basis van een goedgekeurd budgettair implementatieplan overeenkomstig de bepalingen van het besluit van de Vlaamse regering van 16 november 1994 tot regeling van de begrotingscontrole, voor zover de budgettaire weerslag niet meer dan 10 miljoen frank afwijkt van de raming in het budgettair implementatieplan’ (...).
- Een onteigening ten algemenen nutte houdt onbetwistbaar een verwerving ten bezwarende titel in. Uit de samenlezing van de artikels 3, 4, 2de lid, 5, 3de lid, 8, 1ste lid, e.v. van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte blijkt zelfs dat de onteigenaar een voorstel van prijs dient over te maken aan de eigenaar van het betrokken onroerend goed alvorens hij de gerechtelijk fase van de onteigeningsprocedure mag inleiden zodat het bestaan van een verwerving ten bezwarende titel niet kan worden betwist.
- Artikel 2 van de wet van 26 juli 1962 bepaalt dat ‘de achtereenvolgens uitgevaardigde onteigeningen voor een zelfde doel als één geheel (worden) beschouwd bij de schatting van de waarde van de onteigende goederen’.
- In casu bedragen de gronden die in het kader van de aanleg van het ganse overstromingsgebied, het habitatrichtlijngebied en het vogelrichtlijngebied dienen te worden onteigend een totale oppervlakte van 578 ha, zijnde 5.780.000 m². De prijs van 1m² grond zou de som van 6,9 BEF dan ook niet mogen overschrijden op straffe van artikel 15, § 1, 6/, van het Besluit van de Vlaamse regering van 13 juli 1999 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse regering te schenden om reden dat een totaal bedrag van 40 miljoen BEF zou worden overschreden bij de aanwerving van onroerende goederen ten bezwarende titel. De prijs van 6,9 BEF/m² zal ongetwijfeld overtroffen worden. Het voorafgaandelijk akkoord van de Vlaamse minister bevoegd voor de begroting was dan ook vereist. X-10.216-10.226-10.748-24/35 Niets in de bestreden beslissing laat toe te vermoeden dat dit akkoord gevraagd werd, laat staan expliciet bekomen.
- Volledigheidshalve herhaalt verzoekende partij dat artikel 13, 8/ van het besluit van 13 juli 1999 zoals hierboven vermeld niet het overgaan tot onteigening betreft, doch uitsluitend betrekking heeft op het verlenen van onteigeningsmachtigingen. Derhalve zou geenszins kunnen gesteld worden dat de onteigeningen door een afzonderlijk artikel worden gevat. In de hypothese dat het overgaan tot onteigening wel degelijk het voorwerp van het besluit van 13 juli 1999 zou uitmaken, quod non, dan dienen deze beslissingen om tot onteigening over te gaan in elk geval teruggevonden te worden onder artikel 15, §1, 6/ van voormeld besluit waarin over de verwerving onder bezwarende titel van onroerende domeingoederen ten bate van het Vlaamse Gewest wordt gesproken. Als er dan al een artikel van het besluit van 13 juli 1999 van toepassing zou kunnen zijn in onderhavig geval dan is het wel voormeld artikel 15, §1, 6/ waarin over de uitdrukkelijke verwerving van onroerende goederen wordt gesproken. In die omstandigheden diende de bestreden beslissing wel degelijk door zowel de minister die thans de beslissing heeft genomen als door de minister van begroting te worden genomen. Het volstaat niet dat de betrokken minister op de hoogte is van voormelde beslissing, doch wel dat de betrokken beslissing gezamenlijk wordt genomen. Slechts op die wijze kan er van een akkoord sprake zijn zoals bepaald in voormeld besluit van 13 juli
- De tussenkomst van het overigens onwettige (zie supra) besluit van 17 december 1999 doet daaraan niets af. Het tweede onderdeel van het middel is derhalve in ondergeschikte orde eveneens gegrond”. 4.1.
- Beoordeling Wat de beoordeling van het middel betreft, kan worden verwezen naar het gestelde onder de randnummers 3.1.2.1, 3.1.2.2 en 3.1.2.
- 4.
- Het tweede en het derde middel 4.2.
- Het aangevoerde tweede en derde middel 4.2.1.
- De verzoekende partij neemt een tweede middel uit de schending van “artikel 16 van de Grondwet, van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen alsook uit de schending van de algemene motiveringsplicht, uit de manifeste beoordelingsvergissing in rechte en in feite en uit machtsoverschrijding” : X-10.216-10.226-10.748-25/35 “Doordat de noodzakelijkheid om te onteigenen, enerzijds, en de noodzakelijkheid beroep te doen op een hoogdringende procedure, anderzijds, op niet pertinente motieven berust. Terwijl slechts in de in de grondwet voorziene uitzonderlijke omstandigheden tot onteigening ten algemenen nutte mag overgegaan worden en de onteigenende overheid gehouden is het onteigeningsbesluit uitdrukkelijk en afdoende te motiveren. Zodat de verwerende partij de bestreden beslissing niet op afdoende wijze gemotiveerd heeft en bijgevolg de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van bestuurshandelingen en de algemene motiveringsplicht heeft geschonden en haar macht heeft overschreden. Toelichting bij het tweede middel.
- De beslissing om tot onteigening over te gaan in de bestreden handeling als volgt wordt gemotiveerd : ‘(...) Overwegende dat dit overstromingsgebied past in de langetermijnvisie voor het Schelde-estuarium waarin een verdere beveiliging van het Zeescheldebekken vooropgesteld wordt zonder grote stormvloedkering maar met een uitbreiding van het areaal gecontroleerde overstromingsgebieden; (...) Overwegende dat het gecontroleerde overstromingsgebied KRUIBEKE-BAZEL-RUPELMONDE in werking zal treden bij waterstanden van 6,80 m T.A.W. en hoger, dit om een aftopping van de hoogwaterstand bij stormvloed op de Zeeschelde te bekomen en op deze manier een optimale bescherming van het land te garanderen; Overwegende dat daarbij de polder met enkele decimeters tot enkele meters brak water gevuld zal worden; Overwegende dat in het betrokken gebied, door natuurontwikkeling, leefgebieden zullen worden gecreëerd voor vogelsoorten ter compensatie van het gedeeltelijk verlies aan leefgebieden die het gevolg is van de aanleg van het Deurganckdok, met name slikplaten en schorren door het instellen van een gecontroleerd gereduceerd getij en extensief begraasde graslanden van het glanshavertype, om daarmee te voldoen aan de verplichte beschermings- en instandhoudingsmaatregelen vervat in de Europese richtlijnen 79/409/EEG (vogelrichtlijn) en 92/43/EEG (habitatrichtlijn); Overwegende dat door het instellen van een gecontroleerd gereduceerd getij een deel van de polder tweemaal daags tijdens vloed zal overstromen en dat de werking van het water tot het ontstaan van een krekenpatroon zal leiden met slikken en schorren; Overwegende dat de geplande ingrepen ervoor zullen zorgen dat een hoger waterpeil in het ganse gebied wordt bekomen; Overwegende dat het inrichten van het gebied ter compensatie voor het verlies van leefgebieden in het gebied van Deurganckdok het regelmatig laten overstromen, de creatie van moerassen, broekbossen en van een begrazingsgebied met winter- en zomerruigten waar aan extensieve jaarrondbegrazing wordt gedaan met daaraan aangepaste soorten met zich meebrengt; Overwegende dat, in het kader van artikel 90bis van het bosdecreet van 13 juni 1990, de geplande compenserende bebossing, voor de ontbossing noodzakelijk voor de aanleg van het gecontroleerd overstromingsgebied, gelegen is in het gecontroleerd overstromingsgebied; Overwegende dat dit volledige project, dat tot doel heeft de bevolking te beschermen tegen hoogwaterstanden en het ecologisch netwerk van gebieden van communautair belang te vrijwaren, van openbaar nut is; X-10.216-10.226-10.748-26/35 Overwegende dat het instellen van een gecontroleerd overstromingsgebied, het verwezenlijken van de boscompensatie, het verwezenlijken van een gecontroleerd gereduceerd getijgebied en het realiseren van de overige leefgebieden ter compensatie van het gedeeltelijk verlies aan leefgebieden door de aanleg van het Deurganckdok, duidelijk niet bestaanbaar zijn met het huidige gebruik van de polders; Overwegende dat daarom tot de onteigening van het ganse gebied, aangeduid met gele tint in de hierbij behorende plannen, moet worden overgegaan; (...)
- De artikels 4 en 6 van het decreet van 16 april 1996 betreffende de waterkeringen bepalen het volgende : ‘Art.
- Het Vlaamse Gewest kan alle noodzakelijke waterkeringswerken, alle werken tot de aanleg of aanpassing van overstromingsbekkens en wachtbekkens, en alle werken tot de aanleg of aanpassing van de rechtstreekse toegangswegen naar de waterkeringswerken, overstromingsbekkens en wachtbekkens uitvoeren op onroerende goederen, bedoeld artikel
- (...) Art.
- Behalve in geval van onteigening als bedoeld in artikel 7 brengen de uitvoering van de in artikel 4 bedoelde werken en de bijhorende voorbereidingen en activiteiten geen bezitsverlies mee, maar vormen ze een erfdienstbaarheid van openbaar nut. Indien voor het realiseren van de in artikel 4 bedoelde werken bijkomende grondinnemingen noodzakelijk zijn, is het Vlaamse Gewest verplicht, op vraag van de eigenaar van het erf dat met deze erfdienstbaarheid bezwaard is, het benodigde bijkomende terrein aan te kopen of te onteigenen. Het indienen van de aanvraag schorst de uitvoering van de werken niet. Wanneer de aankoop niet in der minne geregeld kan worden, is de procedure van artikel 7 van toepassing.’ Bovenvermelde bepalingen van het decreet van 16 april 1996 betreffende de waterkeringen laten het Vlaamse Gewest dus toe de nodige werken uit te voeren zonder tot onteigening over te gaan.
- De Vlaamse minister van Mobiliteit, Openbare Werken en Energie meent blijkbaar dat het redelijk is de eigenaars onmiddellijk te vergoeden door middel van onteigening om reden dat een inlijving van de gronden in het overstromingsgebied de eigendomsrechten quasi ontneemt, zoals hij in de samenhangende zaken G/A 102.193/X - 10.216 en 102.316/X -10.296 overigens uitdrukkelijk heeft gesteld. Verzoekende partij stelt hierbij vast dat de in die zaken aangehaalde ‘afweging van de belangen’ nergens, in de bestreden handeling, uiteengezet wordt zodat er onmogelijk kan geweten worden of en op welke wijze deze afweging geschiedde, enerzijds, en dat de kwalificatie van ‘quasi ontneming van eigendomsrechten’ niet met de werkelijkheid strookt voor wat de eigendom van verzoekende partij betreft, anderzijds, zodat de motivering dienaangaande als ontoereikend en, in ieder geval, als niet afdoende moet worden beschouwd. Bovendien is het ook nog zo dat de betrokken hoogspanningsmast, mits naleving van de bepalingen van het Algemeen reglement betreffende de elektriciteitsinstallaties (hierna A.R.E.I.), zéér goed bewaard kan blijven in een overstromingsgebied zodat de inlijving van verzoekers perceel in zulk een gebied geenszins een quasi ontneming van haar eigendomsrechten voor gevolg heeft. Zulks blijkt vooreerst uit een verslag van de vergadering met betrekking tot de hoogspanningsleidingen nr.1 van dinsdag 13 maart 2001, waarbij naast vertegenwoordigers van de rechtsvoorganger van verzoekende partij, ook vertegenwoordigers van de verwerende partij aanwezig waren. (...) X-10.216-10.226-10.748-27/35 In voormeld verslag, dat overigens binnen de schoot van de verwerende partij werd opgesteld, wordt het volgende uitdrukkelijk gesteld : ‘(...) Momenteel wordt de onteigening van het volledige overstromingsgebied voorbereid. Deze onteigening gebeurt in verschillende fasen : - onteigeningen voor de werken; - zandstock I (besluit genomen, onderhandelingen gestart); - ringdijken (besluit genomen, onderhandelingen gestart); - scheldedijken, (besluit genomen, onderhandelingen gestart); - zandstock II; - wachtbekken(s); - onteigeningen voor de inrichting van het gebied; - polder van Kruibeke; - polder van Bazel; - polder van Rupelmonde. Er is in principe geen probleem met de aanwezigheid van de hoogspanningsleidingen en masten. Indien de masten er niet tegen kunnen moeten ze verplaatst of aangepast worden maar de inplantingsplaats is in principe geen probleem. De masten moeten in principe niet verplaatst worden maar een aanpassing aan de nieuwe omstandigheden zal misschien wel nodig zijn (...)’ Uit voormeld verslag blijkt derhalve overduidelijk dat het bestaan van de leiding, met inbegrip van de mast, weldegelijk verzoenbaar is met het overstromingsgebied waarnaar in het bestreden besluit werd verwezen. Uit wat voorafgaat blijkt dan ook dat er in de bestreden beslissing, en gelet op de weldegelijk bestaande keuzemogelijkheid om al dan niet te onteigenen, niet uitdrukkelijk wordt gemotiveerd waarom er tot onteigening van de kwestieuze gronden van verzoekende partij diende te worden overgegaan. Op dat punt is de bestreden beslissing dan ook reeds niet afdoende gemotiveerd. Uit de rechtsleer terzake blijkt immers dat krachtens artikel 16 van de Grondwet de overheid alleen kan onteigenen ten algemene nutte. Een nauwkeurige omschrijving van het doel van de onteigening is dan ook vereist. Uit de motivering van het openbaar nut moet kunnen worden afgeleid dat de onteigening noodzakelijk is voor het nagestreefde doel van algemeen belang en niet geïnspireerd is door machtsafwending of machtsoverschrijding. (...). Bovendien moet uit de motivering blijken om welke technische, sociaal- economische, planologische of andere redenen precies die gronden of masten moeten worden onteigend om het doel van algemeen nut te bereiken en niet de aanpalende percelen of goederen. (...) Het is vaststaande rechtspraak van Uw Raad dat die motivering in de beslissing zelf moet terug te vinden zijn en niet a posteriori kan worden gegeven. (...). Hieruit blijkt dat de bestreden handeling geen blijkt geeft van enige belangenafweging, enerzijds, en de specifieke situatie van verzoekers eigendom geenszins onderzocht heeft anderzijds, zodat zij ook om die reden niet op afdoende wijze gemotiveerd werd. Het middel is wat dit onderdeel betreft gegrond.
- De noodzaak beroep te doen op een hoogdringende procedure wordt verder als volgt gemotiveerd : ‘Overwegende dat de steeds vaker voorkomende extreme waterstanden in het Scheldebekken, veroorzaakt door inpolderingen, vaargeulverdieping, zeespiegelrijzing en bodemdaling de verdere uitvoering van het Sigmaplan en dus de aanleg van het gecontroleerd X-10.216-10.226-10.748-28/35 overstromingsgebied KRUIBEKE-BAZEL-RUPELMONDE hoogdringend maken; Overwegende dat het aanvatten van de werken voor de aanleg van het Deurganckdok te Doel in oktober 1999 en de klacht ingesteld bij de Europese Commissie door verscheidene milieugroeperingen (DG Xl B3
(98)X/028618), de overheid ertoe verplicht met de vereiste spoed haar beleidsbeslissing inzake compensaties voor het vogelrichtlijngebied naar aanleiding van de aanleg van het Deurganckdok te Doel, uit te voeren en ook dat dus hoogdringend is; Overwegende dat dit alles verantwoordt dat gebruik wordt gemaakt van de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemene nutte, vervat in artikel 5 van de wet van 26 juli 1962 betreffende de onteigeningen ten algemene nutte en de concessies voor de bouw van de autosnelwegen’
- Wat de motivering van de dringende noodzaak van de onteigening betreft verwijst de verwerende partij in het bestreden besluit dus vooreerst naar de verdere uitvoering van het Sigmaplan. Verzoekende partij is de mening toegedaan dat voormeld motief geenszins pertinent is om de hoogdringendheid van de door te voeren onteigening op te steunen. De juridische grondslag van het eerste ingeroepen niet pertinente motief is immers terug te vinden in een besluit van de Vlaamse Regering van 17 januari 1977 inzake de uitvoering van het Sigmaplan. Er kan bezwaarlijk worden aangenomen dat de onteigening waartoe in 2001 wordt besloten hoogdringend zou zijn omdat het kadert in de uitvoering van een besluit van 17 januari
- De hoogdringendheid wordt daarnaast eveneens gemotiveerd door te verwijzen naar een klacht hangende voor de Europese Commissie met betrekking tot de inrichting van een vogelrichtlijngebied ter compensatie van het opheffen van een vogelrichtlijngebied naar aanleiding van de aanleg van het Deurganckdok te Doel.
- In hoofdorde, doet verzoekende partij in dit verband opmerken dat de ingeroepen hoogdringendheid volledig vreemd is aan de beweerdelijke noodzaak te onteigenen. Het is inderdaad zo dat de Europese Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand die door de verwerende partij wordt ingeroepen geenszins de verplichting oplegt om tot onteigening over te gaan alvorens een vogelrichtlijngebied te kunnen inrichten, enerzijds, en dat nergens in de bestreden handeling wordt gesteld dat de inrichting van het overstromingsgebied hoogdringend zou zijn, anderzijds. Hoewel het overstromings- en het vogelrichtlijngebied blijkbaar op dezelfde percelen betrekking hebben, zijn het twee onderscheiden projecten. Dit blijkt duidelijk, enerzijds, uit de bestreden handeling waarin zij in afzonderlijke overwegingen worden besproken en, anderzijds, uit de antwoorden van Minister Stevaert op de vragen gesteld door Vlaams parlementslid Jos Stassen waarin men het volgende leest : ‘Vooreerst dient gesteld dat het gecontroleerd overstromingsgebied te Kruibeke wordt aangelegd ten behoeve van de beveiliging van het Zeescheldebekken tegen stormvloeden. Anderzijds bieden deze ingrepen ook opportuniteiten. Zo kan de natuur zich daar volledig ontwikkelen en een belangrijke meerwaarde betekenen voor ons leefmilieu. De inrichting van het gecontroleerd overstromingsgebied t.b.v. natuurontwikkeling is ook noodzakelijk om voldoende invulling te geven aan de compensaties voor het verlies aan Vogel- en Habitatrichtlijngebied door de aanleg van het Deurganckdok.’ (...). X-10.216-10.226-10.748-29/35 Er wordt dus slechts gebruik gemaakt van de opportuniteit die het overstromingsgebied biedt om het vogelrichtlijngebied in te richten. Aangezien de inrichting van het vogelrichtlijngebied geen onteigening vereist, betekent dit echter niet dat de inrichting van het overstromingsgebied hoogdringend is. Daar waar het bestreden besluit de hoogdringendheid motiveert ten opzichte van de klacht die neergelegd werd bij de Europese Commissie m.b.t. de inrichting van het vogelrichtlijngebied heeft deze motivatie dus geen betrekking op de inrichting van het overstromingsgebied waarvoor een onteigening (volgens de verwerende partij) wel nodig zou zijn. Er bestaat dus geen enkel verband tussen de beweerdelijke noodzakelijkheid te onteigenen en de aangehaalde hoogdringendheid. De in het middel aangehaalde bepalingen werden dan ook geschonden.
- In ondergeschikte orde, en in de veronderstelling dat de aangehaalde hoogdringendheid wel enig verband zou houden met de beweerdelijke noodzakelijkheid te onteigenen -quod non-, wenst verzoekende partij het volgende te doen gelden ter ondersteuning van hetzelfde middel. De beslissing om de polders van Kruibeke-Bazel-Rupelmonde als habitatrichtlijngebied aan te duiden dateert van 14 februari
- De beslissing om het gecontroleerd overstromingsgebied Kruibeke-Bazel-Rupelmonde ter compensatie van de aanleg van het Deurganckdok te Doel als vogelrichtlijngebied in te richten dateert van 23 juni
- Uit de bestreden handeling blijkt dat het niet uitvoeren van deze beslissingen door de verwerende partij een aantal milieugroeperingen aangezet heeft klacht in te dienen bij de Europese Commissie. Daargelaten de vraag te weten of een hoogdringende onteigeningsprocedure (met alle gevolgen van dien voor de betrokken eigenaars) wel mag aangewend worden om de overheid toe te laten aan de gevolgen van haar nalatigheid te ontsnappen dient er vastgesteld te worden dat het verband tussen de neergelegde klacht en de beweerdelijke hoogdringendheid nergens uit blijkt. De bestreden handeling vermeldt niet wanneer de betrokken klacht ingediend werd, noch welke gevolgen de Europese Commissie er gebeurlijk aan gegeven heeft, noch welke consequenties zij op zéér korte termijn zal hebben voor de verwerende partij en die de verwerende partij er toe aanzetten beroep te doen op een hoogdringende procedure. De ingeroepen hoogdringendheid wordt bijgevolg niet op afdoende wijze gemotiveerd en de werkelijkheid ervan kan dan ook, aan de hand van de bestreden handeling alleen, niet nagegaan worden, zodat het middel, ook wat dit onderdeel betreft, als gegrond moet worden beschouwd. Het tweede middel is hoedanook gegrond”. 4.2.1.
- De verzoekende partij neemt een derde middel uit de schending van “artikel 1 van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte” : “Doordat de bestreden beslissing bepaalt dat ‘het algemeen nut de onmiddellijke inbezitneming van de percelen (vordert)’, zonder dat die hoogdringendheid wordt aangetoond. Terwijl de wet van 26 juli 1962 slechts in hoogdringende omstandigheden mag aangewend worden. Zodat het bestreden besluit ten onrechte beroep doet op een spoedprocedure en artikel 1 van bovenvermelde wet van 26 juli 1962 aldus wordt geschonden. Toelichting bij het derde middel X-10.216-10.226-10.748-30/35
- Artikel 1 van bovenvermelde wet van 26 juli 1962 bepaalt het volgende : ‘Wanneer de Koning vaststelt dat de onmiddellijke inbezitneming van een of meer onroerende goederen ten algemenen nutte onontbeerlijk is, geschiedt de onteigening van die goederen overeenkomstig de navolgende regels.’ (...).
- De wet van 26 juli 1962 voorziet bijgevolg in een afwijkende spoedprocedure die slechts aangewend mag worden in die gevallen waarin de onmiddellijke inbezitneming onontbeerlijk is (...). Uw Raad heeft in dit verband gesteld dat zelfs het nut van een spoedige onteigening niet voldoende is, een noodzaak tot onmiddellijke inbezitneming is vereist (...).
- Zoals hierboven uitvoerig werd uiteengezet is de noodzaak voor de verwerende partij om onmiddellijk in bezit te treden van het betrokken perceel geenszins aanwezig.
- Bovendien is verzoekende partij van oordeel dat de gewijzigde rechtspraak van de Raad van State de onteigende overheid niet vrijstelt van elke motivering van de urgentie bij de toepassing van de spoedprocedure. Het feit dat de spoedprocedure thans de gemeenrechtelijke procedure geworden is zal eventueel de beoordeling van het al dan niet voldaan zijn aan de motiveringsplicht verlichten, doch geenszins een vrijgeleide geven voor de onteigenende overheid om willekeurig gebruik te maken van de afwijkende procedure. Derhalve blijft het bestuur verplicht om in het onteigeningsbesluit zelf voldoende precies de motieven aan te duiden die het gebruik van de spoedprocedure zouden kunnen verantwoorden. Uit de bestreden beslissing blijkt die noodzaak om onmiddellijk in bezit te treden van het betrokken perceel in hoofde van de verwerende partij geenszins. Integendeel, uit de feitelijke vaststellingen blijkt dat de bouwvergunning die noodzakelijk is voor de aanleg van de ringdijken van de Kruibeekse potpolder (dewelke dus ook betrekking heeft op de gronden van verzoekende partij) ten vroegste in 2003 zou kunnen afgeleverd worden. In dit verband dient overigens volledigheidshalve nog te worden opgemerkt dat de verwerende partij voor de aanvraag tot bouwvergunning over geen enkele titel beschikte vanwege verzoekende partij, voor wat het kwestieuze te onteigenen perceel betreft. Deze vertraging in de planning blijkt inzonderheid uit de persberichten uit de Financieel Economische Tijd van 3 mei 2001, waarin wordt verwezen naar een schriftelijke vraag van Vlaams parlementslid Jos STASSEN aan de Minister van Ruimtelijke Ordening Dirk VAN MECHELEN, waarop laatstgenoemde voormeld antwoord heeft geformuleerd. (...) Uit deze feitelijke vaststelling kan integendeel worden afgeleid dat er geenszins een dringende noodzaak bestond om thans reeds tot onteigening van de betrokken gronden over te gaan. In die omstandigheden kan er, ook al gaat het om de zogenaamd gemeenrechtelijke procedure, geen toepassing gemaakt worden van de procedure voorzien in de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemene nutte. Dat ook het derde middel gegrond dient te worden verklaard”. 4.2.
- Beoordeling 4.2.2.
- Wat de noodzaak tot onteigening van het overstromingsgebied betreft, overweegt het bestreden besluit wat volgt : X-10.216-10.226-10.748-31/35 “(...) Overwegende dat dit volledige project, dat tot doel heeft de bevolking te beschermen tegen hoogwaterstanden en het ecologisch netwerk van gebieden van communautair belang te vrijwaren, van openbaar nut is; Overwegende dat het instellen van een gecontroleerd overstromingsgebied, het verwezenlijken van de boscompensatie, het verwezenlijken van een gecontroleerd gereduceerd getijgebied en het realiseren van de overige leefgebieden ter compensatie van het gedeeltelijk verlies aan leefgebieden door de aanleg van het Deurganckdok, duidelijk niet bestaanbaar zijn met het huidige gebruik van de polders; Overwegende dat daarom tot de onteigening van het ganse gebied, aangeduid met gele tint in de hierbij behorende plannen, moet worden overgegaan”. 4.2.2.
- Met haar betoog dat “de betrokken hoogspanningsmast, mits naleving van de bepalingen van het Algemeen reglement betreffende de elektriciteitsinstallaties (...), zéér goed bewaard kan blijven in een overstromingsgebied zodat de inlijving van verzoekers perceel in zulk gebied geenszins een quasi ontneming van haar eigendomsrechten voor gevolg heeft”, toont de verzoekende partij de feitelijke onjuistheid of de kennelijke onredelijkheid van de voormelde overwegingen niet aan. De verwijzing van de verzoekende partij naar het verslag van een vergadering van 13 maart 2001, waarbij naast vertegenwoordigers van de rechtsvoorganger van de verzoekende partij ook vertegenwoordigers van de verwerende partij aanwezig waren en waarin wordt gesteld dat “er in principe geen probleem (is) met de aanwezigheid van de hoogspanningsleidingen en masten”, dat “de masten in principe niet (moeten) verplaatst worden maar een aanpassing aan de nieuwe omstandigheden misschien (wel) zal nodig zijn”, en dat “indien de masten er niet tegen kunnen ze (moeten) verplaatst of aangepast worden maar de inplantingsplaats in principe geen probleem (is)” volstaat daartoe evenmin. Hetzelfde geldt voor het betoog in de laatste memorie van de verzoekende partij dat zij, ter uitvoering van het wijzigingsbevel van de Vlaamse regering van 14 mei 2004 “op grond van art. 13 lid 3 van de wet van 10 maart 1925 (...) slechts één mast (zal) dienen te verplaatsen en één andere mast zal worden verhoogd” en zij steeds over de mogelijkheid zal moeten beschikken om onderhouds- en instandhoudingswerken uit te voeren aan de betrokken leidingen. 4.2.2.
- Waar de verzoekende partij aanvoert dat ten onrechte een beroep op de rechtspleging tot onteigening bij hoogdringende omstandigheden werd gedaan, kan worden verwezen naar het gestelde onder randnummer 3.2.2.
- Bovendien toont de verzoekende partij de feitelijke onjuistheid of kennelijke onredelijkheid van de overweging in het bestreden besluit “dat de steeds vaker X-10.216-10.226-10.748-32/35 voorkomende extreme waterstanden in het Scheldebekken, veroorzaakt door inpolderingen, vaargeulverdieping, zeespiegelrijzing en bodemdaling de verdere uitvoering van het Sigmaplan en dus de aanleg van het gecontroleerd overstromingsgebied KRUIBEKE-BAZEL-RUPELMONDE hoogdringend maken” niet aan. De omstandigheid dat “de juridische grondslag” van het voormelde motief “terug te vinden is in een besluit van de Vlaamse Regering van 17 januari 1977 inzake de uitvoering van het Sigmaplan”, volstaat daartoe niet. 4.2.2.
- De omstandigheid dat de vereiste stedenbouwkundige vergunning ten vroegste in 2003 zal kunnen worden afgeleverd, volstaat voorts evenmin om de onrechtmatigheid van de procedure tot onteigening bij hoogdringende omstandigheden aan te tonen. Het middel is ongegrond. 4.
- Het vierde middel 4.3.
- Het aangevoerde vierde middel Wat de uiteenzetting van dit middel betreft, volstaat het te verwijzen naar het gestelde onder randnummer 3.3.
- 4.3.
- Beoordeling 4.3.2.
- De door de verwerende partij aangevoerde “exceptio obscuri libelli” kan niet worden aangenomen. Het middel is voldoende duidelijk geformuleerd en de verwerende partij is erin geslaagd om het middel te beantwoorden, zodat zij in haar rechten van verweer niet wordt geschaad. 4.3.2.
- Om de reden vermeld onder het randnummer 4.2.2.1, dient ook dit middel ongegrond te worden bevonden. Het middel is ongegrond. X-10.216-10.226-10.748-33/35 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- De zaken A. 102.193/X-10.216, A. 102.316/X-10.226 en A. 115.285/X-10.748 worden gevoegd. Artikel
- De debatten worden heropend. Artikel
- Aan het Grondwettelijk Hof wordt de volgende prejudiciële vraag gesteld : “Schenden de artikelen 68 en 69 van de Bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet indien zij aldus worden geïnterpreteerd dat zij aan de Vlaamse regering een onbeperkte delegatiemogelijkheid zouden toekennen voor alle bevoegdheden die aan voormelde regering door de wet werden toegewezen, zonder de nodige waarborgen voor de aan die regeling onderworpen rechtsonderhorigen, terwijl de federale uitvoerende macht niet over zulke onbeperkte mogelijkheid beschikt voor de aan haar toegewezen bevoegdheden en terwijl de rechtsonderhorigen die aan de regels van de Vlaamse regering onderworpen zijn in tegenstelling met de rechtsonderhorigen die aan de federale overheid onderworpen zijn aldus niet over de waarborgen beschikken die hen tegen willekeur beschermen ?”. Artikel
- Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt er mee gelast, na ontvangst van het arrest van het Grondwettelijk Hof het onderzoek van de zaak voort te zetten. X-10.216-10.226-10.748-34/35 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf oktober 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. CLEMENT, staatsraad, S. DE TAEYE, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-10.216-10.226-10.748-35/35 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.639 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div