← België

Arrest 196667 - Examens (onderwijs) - 06/10/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.667 Rolnummer: A. 194061/XII-5961 Zaak: Arrest 196667 - Examens (onderwijs) - 06/10/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-10-07 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 03:38 Fiche Arrest nr 196.667 van 6 oktober 2009 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 196.667 van 6 oktober 2009 in de zaak A.194.061/XII-5961 In zake: Faye YLEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jos Mombaers en An-Sofie Limme kantoor houdend te Tienen, O.L.Vr.-Broederstraat 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VZW VRIJ TECHNISCH INSTITUUT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Luc Forier kantoor houdend te Bree, Malta 9 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. De vordering, ingesteld op 24 september 2009, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van de delibererende klassenraad van 23 juni 2009 waarbij het C-attest werd toegekend aan [Faye Ylen,] van de tweede beslissing van de delibererende klassenraad van 29 juni 2009 die [...] besliste tot de bevestiging van het C-attest [...], alsmede [van] de beslissing van de delibererende klassenraad van 28 augustus 2009 die, gelet op het beroep van verzoekende partij en na advies van de interne beroepscommissie bijeengeroepen werd op verzoek van het Schoolbestuur, besloten heeft dat verzoekende partij het oriëntatieattest C behaalt voor het schooljaar 2008- 2009”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. XII-5961-1\7 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2009, om 10.30 uur. Staatsraad Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat An-Sofie Limme, die verschijnt voor verzoekster en advocaat Luc Forier, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Diane Mareen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. Verzoekster is tijdens het schooljaar 2008-2009 leerling in het Vrij Technisch Instituut (VTI) te Hasselt, in het tweede jaar van de derde graad techniek- wetenschappen (TSO). 3.
  5. Op 23 juni 2009 beslist de delibererende klassenraad om haar een oriënteringsattest C te geven. Na overleg tussen verzoekster, haar moeder en de directeur, beslist deze om de klassenraad opnieuw samen te roepen. 3.
  6. Op 29 juni 2009 bevestigt de delibererende klassenraad het C- attest. Hiertegen wordt beroep aangetekend bij de beroepscommissie. Op advies van de beroepscommissie beslist het schoolbestuur vervolgens om de klassenraad nogmaals samen te roepen. 3.
  7. Op 28 augustus 2009 handhaaft de delibererende klassenraad het uitgereikte C-attest. XII-5961-2\7 Deze beslissing wordt op 3 september 2009 aan verzoekster verstuurd. Op 15 september 2009 vragen de raadslieden van verzoekster de notulen van de klassenraden en de “andere stukken van het leerlingendossier” op bij de directeur van het VTI. IV. Ontvankelijkheid van het beroep
  8. Wanneer zoals te dezen een leerling haar oriënteringsattest betwist en het georganiseerd beroep doorloopt zoals het is geregeld bij de artikelen 68 en volgende van het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs (het organisatiebesluit), lijkt enkel de beslissing waarmee die procedure wordt afgesloten de eindbeslissing te zijn die ontvankelijk kan worden bestreden voor de Raad van State. De eindbeslissing in deze zaak is de beslissing van 28 augustus 2009 van de delibererende klassenraad. Die beslissing is in de plaats gekomen van zijn eerdere beslissingen van 23 juni 2009 en van 29 juni
  9. De vordering is dus niet ontvankelijk wat het eerste en het tweede voorwerp betreft.
  10. In haar advies ter terechtzitting heeft de eerste auditeur opgewor- pen dat na inzage van de thans aan de Raad van State beschikbare documenten ernstig twijfel rijst of verzoekster wel zelf, en tijdig, het in artikel 72 van het organisatiebesluit bedoeld beroep bij de beroepscommissie heeft ingesteld. Het niet op ontvankelijke wijze uitputten van het georganiseerd administratief beroep brengt de ontvankelijkheid in het gedrang van het er op volgende annulatieberoep bij de Raad van State - en dus ook van de voorliggende vordering die het accessorium is van dat beroep. De kwestie mag echter in de huidige stand van de procedure verder onbesproken blijven, nu hierna zal blijken dat de vordering hoe dan ook niet kan worden ingewilligd. XII-5961-3\7 V. De schorsingsvoorwaarden
  11. Luidens artikel 17, §§ 1 en 2, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerleg- ging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. VI. Beoordeling van de uiterst dringende noodzakelijkheid
  12. Verzoekster merkt in verband met de eerste schorsingsvoorwaarde op dat een uitspraak volgens de gewone vordering tot schorsing onherroepelijk te laat zou komen om nog met succes aan de hogeschool ingeschreven te kunnen worden en er de lessen te volgen, minstens om zonder significante achterstand te kunnen deelnemen aan de semesterexamens. Haar proceshouding noemt zij “kennelijk in overeenstemming met de uiterst dringende noodzakelijkheid, rekening houdend met de complexiteit van het dossier”. Ter terechtzitting voegt zij hier nog aan toe dat zij pas in de loop van de maand september alle documenten heeft ontvangen van de school om met kennis van zaken een verzoekschrift te kunnen opstellen dat zo volledig en onderbouwd is als het in een procedure voor de Raad van State verwacht mag worden.
  13. Verwerende partij werpt in de nota met opmerkingen op dat verzoekster zonder rechtvaardiging heeft getalmd om voorliggende vordering in te dienen, dat uit de rechtspraak van de Raad van State blijkt dat het ruimschoots te laat is om twintig dagen, of -althans de door hem geciteerde arresten waarover verzoekster opwerpt dat ze niet op examengeschillen betrekking hebben- zelfs maar dertien dagen, te wachten en dat de bestreden beslissing het resultaat was van een beroepsprocedure die zij zelf had ingesteld en waarvan zij in de ene of andere zin een antwoord mocht verwachten.
  14. Het bestaan van de uiterst dringende noodzakelijkheid tot schorsing wordt mede afgemeten naar de haast die de verzoekende partij zelf betoont bij het instellen van haar vordering. De noodzaak om na de kennisname van de XII-5961-4\7 griefhoudende beslissing met passende voortvarendheid de vordering bij de Raad van State in te leiden is immers inherent aan het zeer uitzonderlijk en zeer ongewoon karakter van de uiterst dringende procedure. Diligent optreden is een gegeven dat bijgevolg vervat is in de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid en is een dwingende vereiste die moet zijn vervuld opdat de Raad van State een verzoekende partij mag toelaten tot de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Van de eisende partij -die haar nadeel immers zo ziet dreigen dat zij zelfs de gewone schorsing niet kan afwachten- wordt gevergd dat zij al het nodige heeft gedaan om de schade te voorkomen en om de zaak zo spoedig mogelijk aanhangig te maken bij de Raad van State.
  15. De bestreden beslissing is aan verzoekster ter kennis gebracht met een aangetekend schrijven op donderdag 3 september
  16. Zij verklaart het op vrijdag 4 september 2009 ontvangen te hebben. Die beslissing is, zoals verwerende partij terecht opmerkt, niet zomaar een beslissing die plots of onverwachts over haar is genomen. Ze is het resultaat van een beroepsprocedure die verzoekster zelf -of haar moeder- heeft ingesteld tegen een eerdere, ook reeds door haar bestreden beslissing van de delibererende klassenraad en waarvan zij in de ene of andere zin het antwoord mocht verwachten. De voorliggende vordering is niettemin pas op 24 september 2009 -dus twintig dagen of bijna drie weken later- ingesteld. Dit is voor een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, schromelijk laat. In haar verzoekschrift geeft verzoekster voor haar dralen geen enkele verantwoording, behalve dan de vermeende complexiteit van het dossier. Voor zover betwistingen in het examencontentieux complex zijn én complexiteit als reden al aanvaardbaar is, belemmert dat evenwel in de regel verzoekers niet om wél binnen luttele dagen de Raad van State te vatten. Daaraan zal allicht niet vreemd zijn dat tijdens het overleg en het -schriftelijk en gemotiveerd- bezwaar in de administra- tieve beroepsfase het geschil voldoende is uitgekristalliseerd om na een negatieve eindbeslissing de blijvende grieven spoedig aan de beoordeling van de rechter voor te leggen. De Raad van State leidt uit de stukken 8 en 9 van het administra- tief dossier nog af dat verzoekster reeds op 3 juli 2009 toestemming kreeg om haar examens waarop een jaaronvoldoende werd behaald op school te komen inkijken en er tegen betaling afschrift van te ontvangen en dat haar moeder op diezelfde dag reeds twee cursusbundels heeft opgehaald evenals kopie van haar examens wiskunde XII-5961-5\7 en examens en dagelijks werk toegepaste fysica. Uit stuk 17 blijkt dan weer dat verzoekster reeds op 29 september 2009 kopie heeft gekregen van negen notulen en verslagen van de oriënterende, de begeleidende en de delibererende klassenraden van het vijfde en het zesde jaar. Aangenomen dat verzoekster voorts geacht moet worden te beschikken over haar rapporten en haar schoolagenda, is het voor de Raad van State een raadsel welke documenten verzoekster dan nog op 15 september 2009 zo nodig moest opvragen waarzonder het onmogelijk was om haar verzoekschrift met kennis van zaken op te stellen. Verzoekster toont niet aan dat haar zaak van zo een grote complexiteit getuigt dat het haar talmen om in rechte te treden kan verschonen. Het tijdsverloop tussen de kennisgeving van de bestreden beslissing en het instellen van de vordering houdt te dezen de negatie van de uiterst dringende noodzakelijkheid in. Er is dan ook niet voldaan aan een van de voorwaarden, gesteld in artikel 17, § 2, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. BESLISSING
  17. De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing bij uiterst dring- ende noodzakelijkheid.
  18. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op 175 euro. XII-5961-6\7 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 6 oktober 2009, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, staatsraad, waarnemend voorzitter met bijstand van Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Geert Van Haegendoren XII-5961-7\7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.667 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.