← België

Arrest 196694 - Taxis - 08/10/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.694 Rolnummer: A. 144114/IX-3980 Zaak: Arrest 196694 - Taxis - 08/10/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-10-15 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 03:39 Fiche Arrest nr 196.694 van 8 oktober 2009 Economische zaken - Taxis Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. IXe KAMER nr. 196.694 van 8 oktober 2009 in de zaak A. 144.114/IX-3980 In zake :

  1. de vzw Nationale Groepering van de taxiondernemingen en de diensten voor de locatie van voertuigen met chauffeur
  2. de cva Taxi's Autolux
  3. de BVBA DW&Partners
  4. de BVBA FTR
  5. de vzw Taxibond van Oostende
  6. de NV Hasseltse Taximaatschappij
  7. de NV Taxi's Breckpot
  8. de BVBA V-Tax/V-Rent
  9. de BVBA AAAST
  10. de BVBA Ax6
  11. de BVBA MT
  12. de BVBA Roger bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Lindemans kantoor houdend te Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hugo Sebreghts kantoor houdend te Antwerpen Mechelsesteenweg 27 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  13. Het beroep, ingesteld op 17 november 2003, strekt tot de nietig- verklaring van de “afdeling II, -gegevens betreffende de dienst en de ritten- (artikelen 19 t.e.m. 31) van titel II ‘exploitatie’ van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 juli 2003 betreffende de taxidiensten en de diensten voor het verhuren van voertuigen met bestuurder”; IX-3980-1/16 II. Verloop van de rechtspleging
  14. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Jozef Stevens heeft een verslag opgesteld. De partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 september
  15. Kamervoorzitter André Vandendriessche heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Sven Vernaillen, die verschijnt voor de verwerende partij, is gehoord. Eerste auditeur Jozef Stevens heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  16. III. Feiten 3.
  17. Krachtens artikel 6, § 1, X, 8/, van de Bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (hierna: de Bijzondere wet van 8 augustus 1980) zijn de gewesten onder meer bevoegd voor “het taxivervoer”. 3.
  18. Op 20 april 2001 wordt voor het Vlaamse Gewest het decreet betreffende het personenvervoer over de weg en tot oprichting van de Mobiliteits- raad van Vlaanderen uitgevaardigd (hierna : het decreet van 20 april 2001). 3.
  19. In uitvoering van dat decreet, inzonderheid de artikelen 15, 25 tot en met 52 en 73 tot en met 77 wordt het besluit van de Vlaamse Regering van 18 juli IX-3980-2/16 2003 betreffende de taxidiensten en de diensten voor het verhuren van voertuigen met bestuurder (hierna : het besluit van de Vlaamse Regering van 18 juli 2003) uitgevaardigd. Dit besluit treedt in werking de eerste dag van de negende maand, die volgt op de dag van de bekendmaking (art. 85), dit is op 1 juni
  20. Dit besluit is vervolgens gewijzigd bij besluit van de Vlaamse Regering van 28 mei
  21. Dit besluit vormt het voorwerp van het onderhavig beroep. IV. Ontvankelijkheid van het beroep
  22. De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord op dat het beroep onontvankelijk is, aangezien het onmogelijk is de vernietiging van een beperkt aantal artikelen van het bestreden besluit te vorderen. Zij meent dat uit de lezing van het bestreden besluit blijkt dat de basisdoelstellingen die met het bestreden besluit nagestreefd worden, verweven zitten in het besluit van de Vlaamse Regering als geheel genomen. Zo wordt in de nota aan de Vlaamse Regering expliciet opgemerkt dat één van de doelstellingen van het besluit erin bestaat een juridisch kader te scheppen voor een nieuw soort taxidienst, namelijk de collectieve taxidienst. Tevens wordt vermeld dat, middels het besluit, een regeling uitgewerkt wordt voor de verschillende vormen van taxivervoer door het invoeren van een vergunningsplicht voor de diensten van verhuurvoertui- gen met bestuurder, het uitbreiden van de tariefmogelijkheden en het voorzien van een geschikte prijsberekeningsapparatuur voor taxidiensten. Voornoemde doelstellingen dienen als één, onlosmakelijk geheel aanzien te worden en het volledige besluit kadert binnen deze doelstellingen. De vernietiging van een beperkt aantal bepalingen is onmogelijk, omdat de vernietiging de volledige economie van het besluit aantast. Zowel de bepalingen aangaande het afleveren van vergunningen aan taxibedrijven, de bepalingen aangaande het aantal vergunde taxi-eenheden, en de bepalingen betreffende de schorsing en intrekking van vergunningen en de beroepsmogelijkheden worden bij vernietiging grotendeels van hun inhoud en doel ontdaan.
  23. De verzoekende partijen repliceren dat een gedeeltelijke vernietiging slechts dan onmogelijk is wanneer wordt aangetoond dat zij het globale evenwicht van het besluit in zijn geheel in het gedrang zou brengen en zo de IX-3980-3/16 toepassing van de niet-vernietigde delen onmogelijk of zinloos zou maken. De verwerende partij beweert alleen maar dat een gedeeltelijke vernietiging van het bestreden besluit de samenhang en de economie ervan zou verstoren. Uit lezing van het besluit blijkt volgens de verzoekende partijen dat het perfect mogelijk is de “overgebleven” bepalingen te blijven toepassen na een vernietiging.
  24. Het loutere feit dat de doelstellingen die de verwerende partij nastreeft met het voormeld besluit als één, onlosmakelijk geheel aanzien moeten worden, volstaat geenszins om te besluiten tot de onontvankelijkheid van het verzoek tot gedeeltelijke vernietiging van het bestreden besluit. Daarvoor is het noodzakelijk dat het bestreden besluit wat de inhoud betreft en los van de doelstellingen een onlosmakelijk geheel uitmaakt. De verzoekende partijen vragen de vernietiging van de bepalingen inzake de taxameter en de tarieven, de dienststaten, het vervoersbewijs en het controlerapport. Die bepalingen zijn afscheidbaar van de overige bepalingen van het besluit of omgekeerd, de overige bepalingen, waarvan de vernietiging niet wordt gevraagd, zijn toepasbaar zonder de bepalingen, waarvan de vernietiging is gevraagd. De exceptie is ongegrond. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  25. In een eerste middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 6, §1, VI, vijfde lid, 9/, van de Bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen doordat de bestreden bepalingen een aangelegenheid regelen die behoort tot het bevoegdheidsdomein van de metrologie en de normalisa- tie, zonder dat dit noodzakelijk zou zijn voor de uitoefening van de gewestelijke bevoegdheid, terwijl dit bevoegdheidsdomein de federale overheid toebehoort. Volgens de verzoekende partijen strekken de bestreden bepalingen er met name toe de voertuigen te doen uitrusten met een taxameter en randapparatuur, die minstens bestaat uit een apparaat met opslagcapaciteit en een printer. IX-3980-4/16 Volgens de verzoekende partijen hebben de bestreden bepalingen, zoals blijkt uit artikel 20, tweede lid, en 27, betrekking op meetinstrumenten, waarvoor een specifieke federale wetgeving bestaat en de verwerende partij toont niet aan dat zij zich te dezen kon beroepen op haar impliciete bevoegdheden. Zij voegen daaraan toe dat de taxameters ook op het Europees niveau het voorwerp uitmaken van een regeling die betrekking heeft op de meetinstrumenten.
  26. De verwerende partij antwoordt dat luidens artikel 6, § 1, VI, vijfde lid, 9/, van de Bijzondere wet van 8 augustus 1980 de federale overheid bij uitsluiting bevoegd is voor de metrologie en de normalisatie, maar dat de gewesten, overeenkomstig artikel 6, § 1, X, 8/, van de Bijzondere wet van 8 augustus 1980, bevoegd zijn voor het taxivervoer. De federale bevoegdheid inzake metrologie en normalisatie betreft de goedkeuring van de modellen van taxameters, het bepalen van productnormen voor deze taxameters en het ijken ervan. Deze algemene bevoegdheid van de federale overheid verhindert echter niet dat ook de gewesten een aantal modaliteiten met betrekking tot de taxameters kunnen vaststellen. Immers zijn de gewesten bevoegd voor de regelgeving inzake de activiteiten van het taxivervoer. Wanneer de verschillende diensten die aldus tot stand worden gebracht tegen een verschillende prijs geleverd worden, spreekt het voor zich dat de taxameters die gehanteerd worden, ook correct de verleende diensten en de te betalen bedragen moeten kunnen berekenen. Dat is het enige wat het bestreden besluit nastreeft, en dus wordt er geen afbreuk gedaan aan de federale bevoegdhe- den. De bevoegdheid die is toegekend aan de gewesten inzake het taxivervoer, strekt ertoe aan de gewesten de mogelijkheid te bieden een echt beleid te voeren binnen dit domein. Dit brengt met zich mee dat de gewesten, binnen de hen toegekende bevoegdheden, alle maatregelen mogen nemen om dit beleid ten uitvoer te leggen. Het is duidelijk dat het Vlaamse Gewest met voorliggend besluit de bedoeling heeft om, middels het opleggen van een aantal bijkomende voorwaarden met betrekking tot de taxameters, de bescherming van de gebruikers van taxi's en hun veiligheid te verhogen. De federale overheid ter zake een bevoegdheid verlenen zou leiden tot het uithollen van de gewestelijke bevoegdheid.
  27. De verzoekende partijen repliceren dat de verwerende partij al te makkelijk besluit tot het bestaan van een gewestelijke bevoegdheid te dezen, op grond van de doelstellingen van het bestreden besluit, doch verzuimt rekening te houden met het effect van de bestreden maatregel die de genoemde federale bevoegdheid volkomen uitholt, aangezien die nog enkel mag nagaan of de IX-3980-5/16 taxameters voldoen aan de regels die op gewestelijk niveau vastgelegd zijn. Die interpretatie is niet te verzoenen met de bedoeling die de bijzondere wetgever had, wanneer hij op grond van artikel 6, § 1, VI, vijfde lid, 9/, van de Bijzondere wet van 8 augustus 1980 de federale wetgever blijvend bevoegd wou maken voor de metrologie en de normalisatie. Zoals blijkt uit de parlementaire voorbereiding van deze bepaling werd hiermee gedoeld op alle uitvoeringsbesluiten van de wet van 1 oktober 1885 betreffende de maten en de gewichten en de wet van 16 juni 1970 betreffende de meeteenheden, de meetstandaarden en de meetwerktuigen. Alleen al uit de titel van laatstgenoemde wet kan worden afgeleid dat de bevoegdheid inzake metrologie en normalisatie verder gaat dan de loutere controle op gewestelijk vastgestelde normen, maar onder meer inhoudt dat de regelgeving inzake de te ijken technische mogelijkheden van meetinstrumenten, wat het wezen zelf is van de taxameter, een federale bevoegdheid blijft.
  28. In hun laatste memorie stellen de verzoekende partijen dat ook rekening gehouden moet worden met het evenredigheidsbeginsel, op grond waarvan een bevoegde overheid geen maatregelen mag beslissen die het handelen van een andere overheid binnen haar eigen bevoegdheidsdomein buitenmatig hindert of onmogelijk maakt. Welnu, zo aangenomen moet worden dat de federale overheid nog steeds maatregelen kan treffen inzake de ijking van de taxameters -meetinstrumenten- en inzake de vermeldingen op de meters, dan wordt die bevoegdheid in feite volkomen uitgehold wanneer met de bestreden bepalingen het gebruik van deze meetinstrumenten onmogelijk gemaakt wordt. Beoordeling
  29. Beide partijen zijn het erover eens dat de federale overheid alleen bevoegd is voor de metrologie en de normalisatie. De verwerende partij erkent dat de federale overheid bevoegd is de modellen van de taxameters goed te keuren, productnormen te bepalen voor de taxameters en deze te ijken en te homologeren. Onder de metrologie en de normalisatie vallen, zoals blijkt uit de parlementaire voorbereiding van de Bijzondere Wet van 8 augustus 1980, de rechtsregels betreffende de maten en gewichten, meeteenheden, meetstandwaarden, meetwerktuigen alsook de normalisering van producten in de zin van de besluitwet van 10 september 1945 en de uitvoeringsbesluiten daarvan. IX-3980-6/16 De verzoekende partijen hebben specifiek een probleem met artikel 20, tweede lid, en artikel 27 van het bestreden besluit. In het tweede lid van artikel 20 van het bestreden besluit wordt bepaald dat de elektronische gegevens beveiligd zijn in die zin dat de integriteit, de oorsprong en het niet-weerlegbare karakter ervan gewaarborgd zijn. De verzoekende partijen tonen niet aan op welke wijze deze bepaling een inbreuk zou uitmaken op de bevoegdheid van de federale overheid inzake de metrologie. Artikel 27 heeft betrekking op de dienststaten en vermeldt de gegevens die de taxameter met zijn randapparatuur moet kunnen verstrekken bij de aanvang van de dienst, tijdens de dienst en aan het einde van de dienst. Het gaat om het elektronisch bijhouden van de gegevens verzameld gedurende dienst (het vroegere rittenblad). Ook hier maken de verzoekende partijen niet duidelijk op welke wijze, door dergelijke gegevens te vereisen, inbreuk zou worden gepleegd op de bevoegdheid van de federale overheid inzake de metrologie. Uit de nota van het bestuur aan de Vlaamse Regering aangaande het bestreden besluit blijkt dat “aan de technische eisen van de taxameter niet wordt geraakt” en dat “de goedkeuring en de ijking door het (federale) ministerie van Economische Zaken de beveiliging van de gegevens inhoudt”. Met de verwerende partij kan derhalve gesteld worden dat de algemene bevoegdheid van de federale overheid inzake de metrologie niet verhindert dat het Vlaamse Gewest bevoegd is om modaliteiten inzake de taxameters te bepalen, gelet op haar bevoegdheid inzake de regelgeving voor de activiteiten van het taxivervoer. Bovendien formuleert het advies van de afdeling Wetgeving van de Raad van State geen enkele opmerking of bezwaar wat de bestreden bepalingen betreft. Het is inderdaad zo dat taxameters die door de federale overheid niet goedgekeurd worden, niet kunnen worden gebruikt en dat taxameters die wel door de federale overheid goedgekeurd worden, mogelijk niet kunnen worden gebruikt indien zij niet voldoen aan de bestreden bepalingen van de verwerende partij. Dat laatste betekent evenwel niet dat “de federale bevoegdheid inzake de metrologie uitgehold wordt”. Taxameters kunnen voldoen aan de federale bepalingen inzake metrologie maar kunnen niet voldoen aan de bijkomend opgelegde gewestelijke bepalingen, die niet behoren tot de metrologie. IX-3980-7/16 Het eerste middel is ongegrond. IX-3980-8/16 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  30. In een tweede middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 6, § 1, VI, vijfde lid, 3/, van de Bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, doordat artikel 24 van het bestreden besluit de gewestminister opdraagt de maximumprijzen vast te stellen voor het taxivervoer, terwijl dit bevoegdheidsdomein uitdrukkelijk is voorbehouden aan de federale overheid. De verzoekende partijen verwijzen naar het arrest nr. 56/96 van 15 oktober 1996 van het Grondwettelijk Hof waarin aangenomen is dat de bevoegdheid van de gewestelijke overheid om minimumprijzen vast te stellen voor diensten inzake verhuur van voertuigen met chauffeur, verenigbaar is met de federale bevoegdheid inzake het prijsbeleid. In dit geval gaat het evenwel om de vaststelling van maximumprijzen. Aannemen dat de gewesten bevoegd zijn voor zowel de maximum- als de minimumtarieven is niet te verzoenen met de economie van artikel 6, §1, VI, van de Bijzondere wet van 8 augustus 1980, waarin het onderscheid gehanteerd wordt tussen de federale kader-bevoegdheid inzake economie, en de exclusieve federale bevoegdheid van de federale overheid inzake het prijsbeleid.
  31. De verwerende partij antwoordt dat de federale bevoegdheid inzake prijsbeleid, luidens 6, § 1, VI, vijfde lid, 3/, van de Bijzondere wet van 8 augustus 1980, restrictief dient te worden opgevat en dat deze bevoegdheid niet impliceert dat de gemeenschappen en gewesten geen enkele bevoegdheid zouden hebben om de prijs te bepalen voor goederen of diensten die binnen hun regelings- bevoegdheid vallen. Zij betoogt dat de verzoekende partijen het arrest van het Grondwettelijk Hof nr 56/96 van 15 oktober 1996 te strikt opvatten door er uitsluitend de bevoegdheid van de gewesten in te onderkennen om minimumtarieven uit te vaardigen. Zij verwijst op haar beurt naar een arrest nr. 25/2004 van het Grondwettelijk Hof van 11 februari 2004 waarin wordt aangenomen dat de gewesten over de volledige bevoegdheid beschikken om de tarieven van het taxivervoer vast te stellen, voor zover dit geen afbreuk doet aan de federale bevoegdheden inzake het prijsbeleid. De federale overheid blijft dus over de mogelijkheid beschikken maximumprijzen op te leggen, en de gewesten kunnen hetzelfde doen, voor zover IX-3980-9/16 zij rekening houden met de bestaande federale regelgeving. De verwerende partij meent dat er niet wordt aangetoond

(1)wat het prijsbeleid van de federale overheid in deze materie is en
(2)op welke wijze de bestreden bepalingen afbreuk doen aan dit federaal beleid.
  1. De verzoekende partijen repliceren dat het door de verwerende partij aangehaalde arrest nr. 25/2004 van het Grondwettelijk Hof van 11 februari 2004 geenszins afbreuk doet aan het exclusieve karakter van de federale bevoegd- heid ter zake en dat de mogelijkheid van het naast elkaar bestaan van twee bevoegde overheden voor eenzelfde materie restrictief dient te worden benaderd.
  2. In hun laatste memorie stellen de verzoekende partijen nog dat een beslissing van de federale overheid dat er geen aanleiding meer is om nog maximumprijzen voor taxi’s vast te leggen tot gevolg moet hebben dat de gewesten op dat vlak geen handelingsbevoegdheid meer hebben, aangezien concurrerende bevoegdheden niet aanvaard kunnen worden. Volgens hen bevat het arrest nr. 25/2004 van het Grond-wettelijk Hof geen basis om die stelling tegen te spreken. Er is desgevallend reden om aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag te stellen over de verenigbaarheid van artikel 24 van het bestreden besluit met de bevoegdheidsverdelende regel van artikel 6, §1, VI, vijfde lid, 3/, van de Bijzondere Wet tot hervorming der Instellingen. Beoordeling
  3. Het middel is gericht tegen artikel 24 van de bestreden regeling, waarin bepaald wordt: “Binnen de grenzen van het algemeen prijzenbeleid, bepaald door de federale regering, stelt de minister de maximumprijzen vast voor het taxivervoer”.
  4. In het arrest nr. 25/2004 van 11 februari 2004 oordeelde het Grondwettelijk Hof dat krachtens artikel 6, § 1, X, 8/, van de Bijzondere wet van 8 augustus 1980 de gewesten bevoegd zijn voor “het gemeenschappelijk stads- en streekvervoer, met inbegrip van de bijzondere vormen van geregeld vervoer, het taxivervoer en het verhuren van auto’s met chauffeur”, dat voor zover zij er niet anders over hebben beschikt, de grondwetgever en de bijzondere wetgever aan de gemeenschappen en de gewesten de volledige bevoegdheid hebben toegekend tot het uitvaardigen van de regels die eigen zijn aan de hun toegewezen aangelegenhe- IX-3980-10/16 den en dat de bevoegdheid die inzake taxivervoer aan de gewesten is toegekend, de bevoegdheid insluit de tarieven vast te stellen die op het taxivervoer toepasselijk zijn. Die bevoegdheid kan echter worden ingeperkt bij de uitoefening ervan indien geraakt wordt aan een aangelegenheid waarvoor de bijzondere wetgever een andere regeling heeft getroffen. Wanneer zij de op het taxivervoer toepasselijke tarieven vaststelt, moet de gewestelijke overheid dan ook rekening houden met de maatregelen die de federale overheid zou nemen bij het uitoefenen van de voorbehouden bevoegdheid die haar bij artikel 6, § 1, VI, vijfde lid, 3/, van de Bijzondere wet van 8 augustus 1980 is toegekend inzake prijs- en inkomensbeleid, en die onder meer betrekking heeft op de vaststelling van maximum-prijzen. Dat bevoegdheidsvoorbehoud kan evenwel niet zo ver reiken dat de gewesten de tarieven niet meer zouden mogen vaststellen voor de diensten die deel uitmaken van de aan hen toegewezen aangelegenheden. De bevoegdheid van de gewesten inzake de taxidiensten en de diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur omvat aldus de bevoegd- heid om de tarieven voor die diensten vast te stellen. Die bevoegdheid wordt wel begrensd door de bevoegdheid van de federale overheid om, in het licht van het prijsbeleid, maximumprijzen vast te stellen. Treedt de federale overheid aldus regelend op, dan moet de gewestelijke overheid die regeling eerbiedigen. Artikel 24 van het bestreden besluit is conform de vermelde bevoegdheidverdeling tussen de federale en de gewestelijke overheid. De verzoekende partijen vragen dat de Raad van State, ingeval hij het middel niet gegrond bevindt, aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag zou stellen over de conformiteit van de bestreden bepaling met de Bijzondere wet van 8 augustus
  5. De bestreden regeling gaat evenwel niet uit van een wetgevend orgaan, zodat het Grondwettelijk Hof ter zake niet bevoegd is.
  6. Het middel is niet gegrond. IX-3980-11/16 C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  7. De verzoekende partijen voeren in een derde middel de schending aan van de artikelen 25, 27 en 73 tot en met 76 van het decreet van het Vlaams Parlement van 20 april 2001 betreffende de organisatie van het personenvervoer over de weg en tot oprichting van de Mobiliteitsraad van Vlaanderen, in samenle- zing met het redelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel. Zij stellen dat Afdeling II (artikelen 18 tot 31) van het bestreden besluit het gebruik van apparatuur voorschrijft die nog niet gehomologeerd is voor gebruik in Vlaanderen, terwijl de decreetgever de regering niet toegelaten heeft om het gebruik van (nog) niet bestaande apparatuur op te leggen aan taxidiensten. In ieder geval schendt de verwerende partij op dat vlak volgens hen het redelijkheidsbeginsel. Gewis stelt het bestreden besluit een overgangsfase in (artikel 79) maar overgangsmaatregelen dienen om een bestaande toestand aan de nieuwe regeling aan te passen, dit wil zeggen taxi’s die bij de inwerkingtreding van de nieuwe regeling reeds uitgerust zijn met een taxameter die niet beantwoordt aan de nieuwe normen. Wanneer evenwel de nieuwe taxameter niet beschikbaar is, moeten de bedrijven nu investeren in een oud model om het binnen vijf jaar opnieuw te vervangen. Vijf jaar is veel te kort en bovendien is niet te voorzien wanneer de gehomologeerde toestellen op de markt zullen komen.
  8. De verwerende partij erkent dat er momenteel geen geijkt toestel met uitgebreide tariefmogelijkheden op de markt beschikbaar is. Er was ook geen nood aan, omdat er slechts twee tariefmogelijkheden bestonden. Evenwel, ondanks het ontbreken van homologatie, zijn de recente taxameters, die momenteel reeds in de taxi's gebruikt worden, in staat om meerdere tarieven te verwerken. Onder de vroegere regelgeving waren er wel slechts twee tariefmogelijkheden maar dit neemt niet weg dat de mogelijkheid “om er meerdere te verwerken potentieel aanwezig is in de bestaande apparatuur”. Bij de invoering van de euro hebben de meeste taxi- exploitanten een taxameter geïnstalleerd die voldoet aan de voorschriften. De overgangsbepalingen, opgenomen in het bestreden besluit, brengen met zich mee dat de exploitanten hun oude modellen nog tot in 2009 zullen mogen gebruiken. Zelfs de modellen die zeer recent in gebruik werden genomen, zullen op dat ogenblik dus reeds afgeschreven zijn. Nieuwe exploitanten of IX-3980-12/16 exploitanten die bijkomende wagens willen inzetten, weten sinds de publicatie van het besluit welke de voorwaarden zijn om een taxidienst uit te baten. Ofwel kan de betrokkene een eenvoudiger, tweedehands toestel kopen, ofwel kan hij reeds beslissen een meer gesofisticeerd toestel te kopen, dat eventueel na de homologatie geherprogrammeerd kan worden. Wat de miskenning van het redelijkheids- en zorgvuldigheidsbe- ginsel betreft, wijst de verwerende partij op de marginale toetsingsbevoegdheid van de Raad van State en op het feit dat de verzoekende partijen niet aantonen op welk vlak de bestreden bepalingen kennelijk onredelijk zouden zijn. In ieder geval is de overgangsperiode van vijf jaar gesteund op objectieve criteria, die verband houden met de duur van de homologatieprocedure en met de fiscale en boekhoudkundige afschrijvingstermijn. De exploitanten mogen hun oude toestellen nog tot in 2009 gebruiken en op dat ogenblik zullen de meters afgeschreven zijn. Nieuwe exploitanten weten onmiddellijk waaraan zij zich moeten houden: ofwel een eenvoudig tweedehands toestel ofwel een gesofisticeerder toestel dat na homologatie geherprogrammeerd kan worden.
  9. In hun memorie van wederantwoord wijzen de verzoekende partijen erop dat de federale minister van Economie besloten heeft geen taxameters te laten homologeren zodat zij verplicht worden een nieuwe taxameter te installeren terwijl er geen gehomologeerde exemplaren van bestaan. Door zich niet te informeren over het realistisch karakter van de nieuwe regeling, is zij onuitvoerbaar.
  10. In de laatste memorie wijzen de verzoekende partijen er nog op dat het schema dat de verwerende partij in het dossier heeft neergelegd om de overgangstermijn van vijf jaar te rechtvaardigen, achterhaald is en dat de voorziene termijn van ingebruikneming niet langer haalbaar is, terwijl niet aangetoond wordt welke externe factoren de vertraging kunnen verantwoorden. Zij blijven erbij dat de overgangstermijn niet vastgesteld is aan de hand van een zorgvuldige appreciatie van de relevante feiten. Zij vinden steun voor hun standpunt in de vaststelling dat de Vlaamse Regering op 27 juni 2008 de overgangsperiode op zes jaar gebracht heeft en dat de termijn bij besluit van 30 april 2009 nogmaals verlengd is. Bespreking IX-3980-13/16
  11. Het bestreden besluit is, blijkens artikel 85, in werking getreden op 1 juni
  12. Artikel 79 tot 82 bevatten overgangsbepalingen met betrekking tot de taxameter en de randapparatuur. Onder meer wordt de daadwerkelijke inwerking- treding van een aantal bepalingen van het besluit gedurende een bepaalde periode uitgesteld omdat de noodzakelijke apparatuur om de nieuwe regeling volledig te implementeren, nog niet beschikbaar is. In de mate de verzoekende partijen zich verzetten tegen de verplichting om in de voertuigen nieuwe apparatuur te installeren die evenwel nog niet gehomologeerd is, stelt de Raad van State vast dat zij de uiteenzetting van de verwerende partij in de memorie van antwoord niet ontkrachten. De taxibedrijven kunnen de bestaande apparatuur verder gebruiken in afwachting dat de gehomolo- geerde toestellen beschikbaar zijn en er was verwacht dat daarvoor vijf jaar nodig zou zijn. Voor het nemen van een dergelijk besluit is geen decretale machtiging vereist. Wat de beoordeling van de duur van de overgangstermijn betreft, beschikt de Raad van State slechts over een marginaal toetsingsrecht op de motieven van het bestuur. De verzoekende partijen tonen de kennelijke onredelijkheid van het besluit niet aan. Die kennelijke onredelijkheid kan ook niet afgeleid worden uit de later tussengekomen verlengingen van de overgangstermijn, aangezien objectieve gegevens dat uitstel kunnen verantwoorden en de verzoekende partijen ter zake geen nadere informatie verstrekken. Het middel is niet gegrond. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
  13. In een vierde middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 3 van de richtlijn 77/95/EEG van de Raad van 21 december 1976 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake taxameters evenals van het evenredigheidsbeginsel. Het bestreden besluit zal er volgens de verzoekende partijen toe leiden dat taxameters die voorzien zijn van het EEG modelgoedkeuringsteken niet gebuikt zullen kunnen worden in het Vlaams IX-3980-14/16 Gewest, terwijl artikel 3 van de richtlijn 77/95/EEG alle maatregelen uitsluit die het in de handel brengen van deze meters weigert, verbiedt of beperkt.
  14. De verwerende partij stelt in haar memorie van antwoord dat de verzoekende partijen de facto een schending van de beginselen van de Europese vrije markt opwerpen. Naar hun zeggen zou de bestreden reglementering tot gevolg hebben dat niet alle taxameters meer op de Belgische markt gebracht kunnen worden. Geen van de verzoekende partijen blijkt echter importeur of producent van taxameters te zijn. Zij zijn enkel gebruiker. Zij kunnen zich niet op ontvankelijke wijze op de schending van voornoemde richtlijn beroepen en ontberen aldus het vereiste belang bij het middel.
  15. De verzoekende partijen repliceren op deze exceptie dat de vernietiging van het bestreden besluit op grond van een schending van de aangehaalde regelgeving hen een voordeel zal verschaffen en dat de aangevoerde schending hen benadeelt, doordat zij in de onmogelijkheid zijn om buitenlandse taxameters aan te kopen en voor homologatie voor te leggen.
  16. In hun laatste memorie stellen de verzoekende partijen dat de richtlijn, gelezen in het licht van artikel 100 van het EG-verdrag, ten goede komt aan de producenten en aan de consumenten van taxameters en dat zij er als consument belang bij hebben dat de richtlijn correct wordt toegepast. In ieder geval heeft niet alleen de verdeler van taxameters, maar hebben ook zij als afnemer belang bij de vernietiging van de bestreden maatregel. De verwerende partij daarentegen zet in haar laatste memorie uiteen dat de richtlijn 77/95/EEG waar het middel naar verwijst, ingetrokken is door de richtlijn 2004/22/EG van 31 maart 2004 en dat de verzoekende partijen bijgevolg geen actueel belang meer hebben bij het middel.
  17. Daargelaten de vraag of de verzoekende partijen zich kunnen beroepen op een richtlijn die inmiddels ingetrokken is en die overigens aan de lidstaten gericht is, stelt de Raad van State met de verwerende partij vast dat de richtlijn 77/95/EEG tot doel heeft eenheid te brengen in de disparate bepalingen aangaande de constructie van de taxameters. De verzoekende partijen zijn geen constructeur van dergelijke apparaten; zij zijn ook niet betrokken bij de communau- taire handel ervan. Zij kunnen de miskenning van de richtlijn niet inroepen om de nietigverklaring te verkrijgen van een internrechtelijke regel die mogelijk de intracommunautaire handel beperkt. IX-3980-15/16 Het middel is niet ontvankelijk. BESLISSING
  18. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen.
  19. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 2.100 euro, ieder voor hun deel. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 8 oktober 2009, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, met bijstand van Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts André Vandendriessche IX-3980-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.694 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.