id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.695 Rolnummer: A. 144129/IX-3981 Zaak: Arrest 196695 - Taxis - 08/10/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-10-15 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 03:39 Fiche Arrest nr 196.695 van 8 oktober 2009 Economische zaken - Taxis Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. IXe KAMER nr. 196.695 van 8 oktober 2009 in de zaak A. 144.129/IX-3981 In zake : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid, thans de minister van Ondernemen en Vereenvoudigen, bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jean-François De Bock kantoor houdend te Brussel Waterloosesteenweg 612 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hugo Sebreghts kantoor houdend te Antwerpen Mechelsesteenweg 27 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 18 november 2003, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 juli 2003 betreffende de taxidiensten en diensten voor het verhuren van voertuigen met bestuurder. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Jozef Stevens heeft een verslag opgesteld. De partijen hebben een laatste memorie ingediend. IX-3981-1/14 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzetting, die heeft plaatsgevonden op 28 september
- Kamervoorzitter André Vandendriessche heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Valérie De Schepper die, loco advocaat Jean-François De Bock verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Sven Vernaillen, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Jozef Stevens heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Krachtens artikel 6, § 1, X, 8/, van de Bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (hierna: de Bijzondere wet van 8 augustus 1980) zijn de gewesten bevoegd voor “het taxivervoer”. 3.
- Op 20 april 2001 wordt voor het Vlaamse Gewest het decreet betreffende het personenvervoer over de weg en tot oprichting van de Mobiliteits- raad van Vlaanderen uitgevaardigd (hierna: het decreet van 20 april 2001). 3.
- In uitvoering van dat decreet, inzonderheid van de artikelen 15, 25 tot en met 52 en 73 tot en met 77, wordt het besluit van de Vlaamse Regering van 18 juli 2003 (hierna: het besluit van de Vlaamse Regering van 18 juli 2003) betreffende de taxidiensten en de diensten voor het verhuren van voertuigen met bestuurder uitgevaardigd. Dit besluit treedt in werking de eerste dag van de negende maand, die volgt op de dag van de bekendmaking (art. 85), dit is op 1juni
- Dit besluit is vervolgens gewijzigd bij besluit van 28 mei
- Dit besluit vormt het voorwerp van het onderhavig beroep. IX-3981-2/14 IX-3981-3/14 IV. Ontvankelijkheid van het beroep
- In haar memorie van antwoord werpt de verwerende partij op dat in het inleidende verzoekschrift de foutieve titulatuur gebruikt is van de Minister die de Belgische Staat in deze zaak vertegenwoordigt en dat de verzoekende partij deze vergissing heeft rechtgezet middels een brief van 20 november 2003 aan de Raad. Volgens de verwerende partij is het niet mogelijk een fout recht te zetten nadat de beroepstermijn verstreken is -wat het geval was op 20 november 2003- zodat het beroep onontvankelijk is.
- De verzoekende partij repliceert terecht dat deze materiële onnauwkeurigheid niet van aard is om de onontvankelijkheid van het beroep met zich te brengen. De verwerende partij heeft de verzoekende partij en de persoon die voor haar optrad duidelijk kunnen identificeren en zij toont ook niet aan op welke wijze de misslag het procesverloop zou vertraagd hebben. De exceptie wordt niet aangenomen. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 6.
- Het eerste middel is geput uit de schending van de artikelen 39 en 134 van de Grondwet en van de artikelen 6, § 1, VI, laatste lid, 3/, 6, § 1, X, 8/, en 6, § 4, 3/, van de Bijzondere wet van 8 augustus 1980 en verwijst naar bevoegd- heidsoverschrijding. In een eerste onderdeel van dat eerste middel voert de verzoeken- de partij aan dat de artikelen 21, 22, 23, 24, 25, 29, 30 en 31 van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 juli 2003, de plaatsing, de werking, het prijsberekenings- mechanisme en de bepaling van de tarieven van de taxameter en de randapparatuur regelen, en dat artikel 32 van dat besluit de aanwezigheid van een taxilicht op het dak van elk taxivoertuig oplegt terwijl artikel 6, § 1, X, 8/, van de Bijzondere wet van 8 augustus 1980 de bevoegdheid inzake het vervoer, en meer bepaald inzake het taxivervoer, “heeft toegekend aan de gewesten, mits een aantal uitzonderingen”. Volgens de verzoekende partij dient op grond van artikel 6, § 4, 3/, van de IX-3981-4/14 Bijzondere wet van 8 augustus 1980 te worden besloten dat het regelen van de werking en de plaatsing van de taxameter en de randapparatuur moet worden beschouwd als behorende tot de regels van algemene politie en tot de reglemente- ring inzake verkeer en vervoer. Wanneer bijgevolg het bestreden besluit van de Vlaamse Regering in de in het middel aangegeven artikelen de plaatsing, de werking, het prijsbereke- ningsmechanisme en de bepaling van de tarieven van de taxameter en de randappa- ratuur behandelt, wordt een aangelegenheid geregeld die onder de algemene regels van politie valt, hetgeen tot de bevoegdheid van de federale overheid behoort. Ook het regelen van de aanwezigheid van een licht op de taxi behoort tot de algemene regels van politie, zodat artikel 32 van het bestreden besluit, waar het een taxilicht verplicht stelt, een aangelegenheid regelt die behoort tot de federale overheid. 6.
- In een tweede onderdeel van het eerste middel voert de verzoeken- de partij aan dat de artikelen 24 en 25 van het besluit van 18 augustus 2003 bepalen dat de minister maximumprijzen voor het taxivervoer vastlegt en de taxameter enkel die tarieven bevat die in de vergunning vermeld zijn, terwijl artikel 6, § 1, X, 8/, van de Bijzondere wet van 8 augustus 1980 de gewesten enkel bevoegd gemaakt heeft voor het vervoer, en meer bepaald voor het taxivervoer. Artikel 11 van de wet van 27 december 1974 betreffende de taxidiensten maakt de minister van Economische Zaken bevoegd om de grenzen van de perimeter vast te leggen binnen dewelke de terugrit van de taxi naar zijn standplaats de klant niet aangerekend wordt. Dit artikel kadert binnen het prijsbeleid en betreft meer in het bijzonder de bepaling van maximumprijzen, die kunnen aangerekend worden door taxi’s, zodat de federale overheid bevoegd blijft om de grenzen van de perimeter vast te stellen. Waar artikel 24 van het bestreden besluit de Vlaamse minister bevoegd maakt om de maximum- prijzen voor het taxivervoer vast te stellen, gaat het in tegen de federale bevoegd- heid, zoals die bepaald is door artikel 11 van de wet van 27 december
- Artikel 24 miskent dan ook de bevoegdheidsverdelende regels, wanneer dit zou inhouden dat een Vlaamse minister zelf de perimeters vaststelt, binnen dewelke de terugrit van de taxi naar zijn standplaats de klant niet kan worden aangerekend, of dat de Vlaamse minister geen rekening moet houden met de perimeters vastgesteld op federaal niveau. 7.
- De verwerende partij antwoordt op het eerste onderdeel van het middel dat het uitgangspunt van de verzoekende partij foutief is aangezien het IX-3981-5/14 koninklijk besluit van 2 april 1975, artikel 16 van de wet van 27 december 1974 uitvoert. Door middel van het decreet van 20 april 2001 werd artikel 16 van voornoemde wet echter opgeheven, zodat het door de verzoekende partij aangehaal- de koninklijk besluit geen rechtskracht meer heeft, bij gebrek aan enige wettelijke grondslag. Het voorontwerp van laatstgenoemd decreet is voorgelegd aan de afdeling Wetgeving van de Raad van State en deze heeft expliciet geoordeeld dat er geen enkel bezwaar bestond tegen het feit dat voormeld artikel 16 van de wet van 27 december 1974, en bijgevolg het koninklijk besluit van 2 april 1975, opgeheven zouden worden. Uit dat advies volgt dat “de algemene politie van het taxivervoer” zoals omschreven door de verzoekende partij, en zoals eertijds vervat in het koninklijk besluit van 2 april 1975, niet tot de bevoegdheid van de federale overheid behoort, aangezien de gewesten ingevolge artikel 6, § 1, X, 8/, van de Bijzondere wet van 8 augustus 1980 bevoegd zijn voor het taxivervoer. De gewestelijke bevoegdheid om ter zake een echt beleid te voeren brengt logischerwij- ze met zich dat de gewesten, binnen die bevoegdheid, alle maatregelen mogen nemen om dit beleid ook ten uitvoer te leggen. Zou aanvaard worden, zoals de verzoekende partij voorhoudt, dat het Vlaamse Gewest geen reglementering tot stand mag brengen die een weerslag heeft op taxameters, dan zou de bevoegdheid van het Gewest, voortvloeiend uit artikel 6, § 1, X, 8/, van de Bijzondere wet van 8 augustus 1980 volledig worden uitgehold. Het voeren van een goed beleid aangaande het taxivervoer impliceert immers dat waarborgen voor de gebruikers van het taxivervoer ingebouwd worden, wat hier gebeurt door de bestaande geijkte en gehomologeerde taxameters. 7.
- De verwerende partij antwoordt op het tweede onderdeel van het middel dat zij ingevolge artikel 6 § 1, X, 8/, van de Bijzondere wet van 8 augustus 1980, de bevoegdheid heeft om reglementering tot stand te brengen inzake de taxidiensten en het verhuren van voertuigen met chauffeur. Deze bevoegdheid betekent dat de gewesten een volledig beleid inzake het taxivervoer kunnen en moeten voeren. Uit het arrest nr. 56/96 van 15 oktober1996 van het Grondwettelijk Hof, volgt dat de bevoegdheid van de federale overheid inzake het prijsbeleid niet impliceert dat de gemeenschappen en de gewesten geen enkele bevoegdheid zouden hebben om de prijs te bepalen voor goederen of diensten die binnen hun regelge- vingbevoegdheid vallen. De gewestelijke overheid zal bij het vaststellen van de tarieven wel rekening moeten houden met het algemene prijsbeleid dat door de federale overheid wordt gevoerd, met name met de regels vastgesteld door of krachtens de wet betreffende de economische reglementering en de prijzen. De IX-3981-6/14 verwerende partij verwijst ook nog naar het arrest nr. 25/2004 van het Grondwette- lijk Hof van 11 februari 2004 waaruit volgt dat de bevoegdheid die inzake taxivervoer aan de gewesten is toegekend, de bevoegdheid omvat om de tarieven vast te stellen die op het taxivervoer toepasselijk zijn. Die bevoegdheid kan worden ingeperkt bij de uitoefening ervan, wanneer geraakt wordt aan een aangelegenheid waarvoor de bijzondere wetgever een andere regeling heeft getroffen. Zo moet de gewestelijke overheid ook rekening houden met de maatregelen die de federale overheid op grond van artikel 6, § l, VI, vijfde lid, 3/, van de Bijzondere wet van 8 augustus 1980 neemt inzake het prijs- en inkomensbeleid. Aldus zijn, niettegen- staande de bevoegdheid van de federale overheid om de maximumprijzen vast te stellen die in geen enkel gewest zullen mogen worden overschreden, ook de gewesten bevoegd de prijzen te bepalen voor taxidiensten, voor zover dit geen afbreuk doet aan de federale bevoegdheden inzake prijsbeleid. De federale overheid beschikt over de mogelijkheid om maximumprijzen op te leggen, wat echter de mogelijkheid van de gewesten niet uitsluit om hetzelfde te doen, hierbij rekening houdend met de bestaande federale regelgeving. 8.
- De verzoekende partij repliceert met betrekking tot het eerste onderdeel dat artikel 6, § 4, 3/, van de Bijzondere wet van 8 augustus 1980 voorziet dat de regeringen betrokken worden bij het ontwerpen van de regels van de algemene politie en de reglementering op het verkeer en vervoer, alsook van de technische voorschriften inzake verkeers- en vervoermiddelen, en dat onder andere op grond van deze bepaling moet worden besloten dat de regels van de algemene politie en de reglementering op het verkeer en vervoer niet behoren tot de bevoegdheid die met betrekking tot openbare werken en vervoer aan de gewesten is toegewezen. De politiereglementen van toepassing op de verschillende vervoers- wijzen, -waaronder de politie van het taxivervoer en het verhuren van auto's met chauffeur- worden als regels van algemene politie beschouwd. Er is dus geen sprake van het negeren van de bevoegdheid van de verwerende partij inzake taxivervoer. Bovendien blijft de federale overheid, wat de economie betreft, uitdrukkelijk bevoegd inzake de metrologie en de normalisatie, overeenkomstig artikel 6, § 1, VI, 9/, van de Bijzondere wet van 8 augustus
- Met betrekking tot dit aspect wordt benadrukt dat de taxameters, die in het bestreden besluit voorzien worden, gehomologeerd dienen te worden door de bevoegde diensten metrologie van de verzoekende partij. Er kan niet ingezien worden hoe het gebruik van taxameters, die niet door de federale overheid gehomologeerd zouden worden, verplicht gemaakt zou kunnen worden hoewel dit met het bestreden besluit het geval is. Hierdoor gaat IX-3981-7/14 men kennelijk voorbij aan de exclusieve federale bevoegdheid inzake metrologie en normalisatie. 8.
- De verzoekende partij repliceert met betrekking tot het tweede onderdeel dat volgens haar de federale bevoegdheid voor het prijs- en inkomensbe- leid luidens artikel 6, § 1, VI, vijfde lid, 3/, van de Bijzondere wet van 8 augustus 1980 een uitzondering vormt op de gewestelijke bevoegdheden inzake economisch beleid die ten aanzien van alle gemeenschaps- en gewestbevoegdheden geldt, en dat het Grondwettelijk Hof zich op het vlak van taxivervoer herhaaldelijk heeft uitgesproken over de respectieve bevoegdheden van de federale en gewestelijke overheden terzake, onder meer in het arrest nr. 56/96 van 15 oktober 1996 en het arrest nr. 25/2004 van 11 februari
- Ook de afdeling Wetgeving van de Raad van State zou, volgens de verzoekende partij, in haar advies bij het ontwerp van het federaal ministerieel besluit van 16 januari 2004 tot wijziging van het ministerieel besluit van 11januari 2002 houdende vaststelling van de maximumprijzen voor het vervoer met taxi's er van uitgegaan zijn dat de federale overheid ook met betrekking tot aangelegenheden waarvoor de gemeenschappen en gewesten bevoegd zijn, het kader mag bepalen dat door die overheden moet worden gerespecteerd bij het invoeren van tarieven, wat zou impliceren dat de verwerende partij bevoegd is om maximumtarieven in te stellen inzake het taxivervoer. 9.
- In haar laatste memorie benadrukt de verzoekende partij aangaande het eerste onderdeel nog dat zij niet inziet waarom politiereglementen, die op verschillende vervoerswijzen van toepassing zijn, ook niet zouden gelden op het vlak van het taxivervoer. 9.
- Over het tweede onderdeel stelt de verzoekende partij in haar laatste memorie nog dat het Grondwettelijk Hof niet overwogen heeft dat de gewesten minimumtarieven kunnen opleggen of dat de bevoegdheid van de federale overheid beperkt zou zijn tot het vaststellen van maximumtarieven. Zij voegt daar aan toe dat de Vlaamse Regering met het bestreden besluit het ministerieel besluit van 11 januari 2002 opgeheven heeft, hetgeen duidelijk een bevoegdheidsoverschrij- ding uitmaakt. IX-3981-8/14 Beoordeling 10.
- De verzoekende partij verwijst naar de wet van 27 december 1974 betreffende de taxidiensten en het uitvoeringsbesluit van 2 april 1975 om aan te tonen dat de artikelen van het bestreden besluit dat zij in dit middel betrekt, een politionele aangelegenheid vormen waarvoor de federale overheid bevoegd gebleven is. Zij verliest daarbij uit het oog dat de wet van 27 december 1974 door het decreet van 20 april 2001 opgeheven is. Ook het artikel 16 werd opgeheven, hetgeen blijkens het advies van de afdeling Wetgeving nr. L 29.982/3 van 4 juli 2000 bij het voorontwerp dat het decreet van 20 april 2001 geworden is, toelaatbaar was, aangezien daarin geen aangelegenheid geregeld werd die tot de bevoegdheid van de federale overheid behoorde. Voortbouwend op de redenering, ontwikkeld door de afdeling Wetgeving, ziet de Raad van State thans geen reden om de bestreden bepalingen te beschouwen als een aangelegenheid die zou behoren tot een aan de federale overheid voorbehouden bevoegdheid. Het eerste onderdeel van het middel is niet gegrond. 10.
- In het arrest nr. 25/2004 van 11 februari 2004 oordeelt het Grondwettelijk Hof dat krachtens artikel 6, § 1, X, 8/, van de Bijzondere wet van 8 augustus 1980 de gewesten bevoegd zijn voor “het gemeenschappelijk stads- en streekvervoer, met inbegrip van de bijzondere vormen van geregeld vervoer, het taxivervoer en het verhuren van auto’s met chauffeur”, dat voor zover zij er niet anders over hebben beschikt, de Grondwetgever en de bijzondere wetgever aan de gemeenschappen en de gewesten de volledige bevoegdheid hebben toegekend tot het uitvaardigen van de regels die eigen zijn aan de hun toegewezen aangelegenhe- den en dat de bevoegdheid die inzake taxivervoer aan de gewesten is toegekend, de bevoegdheid insluit de tarieven vast te stellen die op het taxivervoer toepasselijk zijn. Die bevoegdheid kan echter worden ingeperkt bij de uitoefening ervan indien geraakt wordt aan een aangelegenheid waarvoor de bijzondere wetgever een andere regeling heeft getroffen. Wanneer zij de op het taxivervoer toepasselijke tarieven vaststelt, moet de gewestelijke overheid dan ook rekening houden met de maat- regelen die de federale overheid zou nemen bij het uitoefenen van de voorbehouden bevoegdheid die haar bij artikel 6, § 1, VI, vijfde lid, 3/, van de Bijzondere wet van 8 augustus 1980 is toegekend inzake prijs- en inkomensbeleid, en die onder meer betrekking heeft op het vaststellen van maximumprijzen. Dat bevoegdheidsvoor- IX-3981-9/14 behoud kan evenwel niet zo ver reiken dat de gewesten de tarieven niet meer zouden mogen vaststellen voor de diensten die deel uitmaken van de aan hen toegewezen aangelegenheden. De bevoegdheid van de gewesten inzake de taxidiensten en de diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur omvat aldus de bevoegd- heid om de tarieven voor die diensten vast te stellen. Die bevoegdheid wordt evenwel begrensd door de bevoegdheid van de federale overheid om, in het licht van het prijsbeleid, maximumprijzen vast te stellen. Treedt de federale overheid aldus regelend op, dan moet de gewestelijke overheid die regeling eerbiedigen. Artikel 24 van het bestreden besluit is conform de vermelde bevoegdheidsverdeling tussen de federale en de gewestelijke overheid. Het middel is niet gegrond. B. tweede middel Uiteenzetting van het middel
- In een tweede middel voert de verzoekende partij de schending aan van de gecoördineerde wetten op de Raad van State van 12 januari 1973, onder meer de artikelen 3, § 1, en 84, eerste lid, 1/, alsook de schending van een substantiële vormvereiste, doordat het ontwerp van het bestreden besluit in toepassing van artikel 84, eerste lid, 1/, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State voor advies aan de afdeling Wetgeving van de Raad van State werd voorgelegd, terwijl op grond van artikel 3, § 1, van de gecoördineerde wetten alle reglementaire besluiten en dus ook besluiten van de Vlaamse Regering, alvorens te worden bekrachtigd, voor advies moeten worden voorgelegd aan de afdeling Wetgeving . Zij betogen dat, bij gebrek aan een bepaling in artikel 3, § 1, van de gecoördineerde wetten, de Raad van State vrij is om zelf het ogenblik te bepalen waarop zij haar advies uitbrengt. Artikel 84, eerste lid, 1/, van de gecoördineerde wetten formuleert een uitzondering op de voornoemde principiële vrijheid van de Raad van State om zelf een termijn te bepalen. De principiële adviesverplichting van artikel 3, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State is een substantiële vormvereiste waarvan de miskenning leidt tot de vernietiging van betrokken besluit. Het oneigenlijk gebruik van een uitzondering op dit artikel 3 § 1, zoals artikel 84, IX-3981-10/14 eerste lid, 1/, moet eveneens als een miskenning van dezelfde substantiële vormvereiste worden beschouwd. In de onderhavige zaak is op een oneigenlijke en ongerechtvaardigde wijze beroep gedaan op artikel 84, eerste lid, 1/, van de gecoördineerde wetten aangezien de Vlaamse Regering een advies binnen de maand had gevraagd, maar dan toch nog bijna drie maanden gewacht heeft, alvorens het bestreden besluit te bekrachtigen. Bovendien bepaalt artikel 85 van het bestreden besluit dat het in werking treedt de eerste dag van de negende maand, volgend op de dag van bekendmaking in het Belgische Staatsblad. Ook dat spreekt de hoogdringendheid tegen waarmee de Vlaamse Regering een advies wou verkrijgen van de Raad van State.
- De verwerende partij antwoordt dat de verzoekende partij artikel 84, eerste lid, 1/, verwart met artikel 84, eerste lid, 2/, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Artikel 84, eerste lid, 2/, bepaalde dat de mogelijkheid bestaat om, in geval van hoogdringendheid, aan de Raad van State te vragen om binnen de drie dagen een (beperkt) advies te geven, waarbij deze hoogdringendheid uitvoerig gemotiveerd dient te zijn. Artikel 84, eerste lid, 1/, echter maakt het voor het bestuur mogelijk om de Raad van State om advies te vragen binnen een termijn van één maand. Het zou verkeerd zijn hieruit af te leiden dat, ook wanneer gebruik wordt gemaakt van de adviestermijn van één maand, er sprake dient te zijn van hoog-dringendheid, aangezien artikel 84, eerste lid, 1/, geen enkele voorwaarde dienaangaande vermeldt. Er is ook geen afbreuk gedaan aan de hoogdringendheid door een aantal maanden te wachten met de afkondiging van een besluit.
- De verzoekende partij herhaalt vervolgens dat er in deze sprake is van het oneigenlijk en onbehoorlijk gebruik van een procedure die als een substantiële vormvereiste wordt beschouwd zodat de miskenning ervan leidt tot de vernietiging van het reglementair besluit. Het oneigenlijk gebruik van een uitzondering op artikel 3, § 1, zoals artikel 84, eerste lid, 1/, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, moet als een miskenning van deze substantiële vormvereiste worden beschouwd. Beoordeling
- Het advies van de afdeling Wetgeving van de Raad van State is gegeven met toepassing van artikel 84, eerste lid, 1/, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Uit de uiteenzetting van de verzoekende partij blijken geen IX-3981-11/14 elementen die erop wijzen dat de verwerende partij een “oneigenlijk” gebruik van die bepaling zou hebben gemaakt. Overigens laat de wet het bestuur de ruimste beoordelingsbevoegdheid aangezien het in zijn adviesaanvraag niet moet mededelen waarom een advies binnen de termijn van één maand wordt gevraagd. Het middel is niet gegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- In een derde middel voert de verzoekende partij de schending aan van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel, doordat in de artikelen 18 tot 31 van het bestreden besluit het gebruik van apparatuur wordt voorgeschreven die nog niet in een goedgekeurde uitvoering bestaat, terwijl elke overheid bij het voorbereiden van een beslissing zorgvuldig tewerk moet gaan en in elk geval een beslissing dient te nemen die de toetsing aan het redelijkheidsbeginsel kan doorstaan. Volgens de verzoekende partij zijn de taxameter en de randapparatuur, die worden voorzien in het bestreden besluit, nog niet in goedgekeurde vorm op de markt. Hoewel het bestreden besluit in artikel 79 voorziet in een overgangsperiode van 5 jaar, ontneemt dit op zich niet het onredelijk karakter van de genomen maatregel: de taxidiensten die nu een nieuwe taxameter of randapparatuur kopen zullen een installatie hebben, die binnen de 5 jaar niet meer conform zal zijn met de huidige reglementering terwijl de apparatuur op 5 jaar niet versleten is zodat de taxidiensten verplicht worden om op 5 jaar tijd twee keer taxameters met randapparatuur aan te kopen.
- De verwerende partij erkent dat er op dit ogenblik nog geen gehomologeerde taxameters met uitgebreide tariefmogelijkheden op de markt zijn omdat er tot nogtoe slechts twee tarieven bestonden -tarief I en tarief II-, maar dit neemt volgens haar niet weg dat de bestaande apparatuur nu reeds meerdere tariefmogelijkheden kan verwerken. De meeste taxi-exploitanten beschikken reeds over die apparatuur sinds zij de invoering van de euro in hun installaties hebben moeten implementeren. Met andere woorden, de apparaten in de taxi’s kunnen nu reeds meerdere tariefmogelijkheden aan, maar zij zijn daarvoor nog niet gehomolo- geerd omdat de bestaande regeling slechts in twee tarieven voorzag. Wat de duur van de overgangsperiode betreft wijst zij op de marginale toetsingsbevoegdheid van IX-3981-12/14 de Raad van State, op het feit dat de verzoekende partij de kennelijke onredelijkheid van de termijn van vijf jaar niet bewijst en op het feit dat de termijn steunt op concrete feitelijke gegevens. Beoordeling
- Het bestreden besluit, dat bekendgemaakt is in het Belgisch Staatsblad van 19 september 2003, is blijkens artikel 85, in werking getreden op 1 juni
- De artikelen 79 tot 82 bevatten overgangsbepalingen met betrekking tot de taxameter en de randapparatuur. Onder meer wordt de daadwerkelijke inwerking- treding van een aantal bepalingen van het besluit, gedurende een bepaalde periode uitgesteld omdat de noodzakelijke apparatuur om de nieuwe regeling volledig te implementeren, nog niet beschikbaar is. In de mate de verzoekende partij zich verzet tegen de verplichting om in de voertuigen nieuwe apparatuur te installeren die evenwel nog niet gehomologeerd is, stelt de Raad van State vast dat zij de uiteenzetting van de verwerende partij in de memorie van antwoord niet ontkracht. Precies wegens het ontbreken van homologatie wordt het verplicht gebruik van de taxameters uitgesteld. De verzoekende partij betwist niet dat de taxibedrijven de bestaande apparatuur verder gebruiken in afwachting dat de gehomologeerde toestellen beschikbaar zijn en er was verwacht dat daarvoor vijf jaar nodig zou zijn. Dergelijke bepaling is niet onredelijk en getuigt ook niet van onzorgvuldig bestuur. Wat de beoordeling van de duur van de overgangstermijn betreft, beschikt de Raad van State slechts over een marginaal toetsingsrecht op de motieven van het bestuur. De verzoekende partij toont de kennelijke onredelijkheid van de bestreden maatregel niet aan. Het middel is niet gegrond. BESLISSING
- Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. IX-3981-13/14 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 8 oktober 2009, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, met bijstand van Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts André Vandendriessche IX-3981-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.695 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div