id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.773 Rolnummer: A. 141101/X-11562 Zaak: Arrest 196773 - Monumenten en Landschappen - 09/10/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-10-16 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 03:39 Fiche Arrest nr 196.773 van 9 oktober 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Monumenten en Landschappen Beslissing : Verwerping Kantmelding Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 196.773 van 9 oktober 2009 in de zaak A. 141.101/X-11.562. In zake: de Exploitatiemaatschappij TOLLEBEKERHOUT, b.v. naar Nederlands recht, bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dominique Bunneghem, kantoor houdend te 2000 ANTWERPEN, Verbondstraat 81, bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens, kantoor houdend te 8000 BRUGGE, Gerard Davidstraat 46, bus 1, bij wie woonplaats wordt gekozen. --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep Het beroep, ingesteld op 2 september 2003, strekt tot de nietigver- klaring van het besluit van 13 juni 2003 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken houdende rangschikking als landschap van het gehucht Amelgem en omgeving. II. Verloop van de rechtspleging De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Ann Van Mingeroet heeft op 23 maart 2007 een verslag neergelegd. De Xe kamer heeft op 19 april 2007 het verslag neergelegd. X-11.562-1/12 De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. Met een beschikking van 18 juni 2009 is de datum van de terechtzitting vastgesteld op 11 september 2009. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Nathalie Declercq, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de verwerende partij, is gehoord. Auditeur Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 1. Met het arrest nr. 24.938 van 28 februari 1985 vernietigt de Raad van State het koninklijk besluit van 13 januari 1978 houdende rangschikking als landschap van het kasteeldomein van Ossel en omgeving en het gehucht Amelgem en omgeving gelegen op het grondgebied van Merchtem (Brussegem). 2. Met het arrest nr. 57.161 van 21 december 1995 vernietigt de Raad van State vervolgens het ministerieel besluit van 19 december 1994 houdende bescherming van de hoeve Groot Amelgem en de hoeve Klein Amelgem aan de Amelgemstraat 5 en 7 te Brussegem als monumenten en het gehucht Amelgem en omgeving als dorpsgezicht. 3. Met het arrest nr. 81.382 van 28 juni 1999 beveelt de Raad van State de schorsing van de tenuitvoerlegging van het ministerieel besluit van 17 maart 1998 houdende bescherming als monument, van het voormelde hoevecomplex aan de Amelgemstraat 5, en de hoeve Klein Amelgem aan de Amelgemstraat 7 te Brussegem, en als dorpsgezicht, van het gehucht Amelgem en de omgeving van de X-11.562-2/12 hoeven Groot en Klein Amelgem, te Meise (Brussegem), Kaarlijkstraat, Amelgem- straat, Heirbaan, te Merchtem (Brussegem), Poverstraat, Romeinsebaan, en te Wemmel. Met het arrest nr. 88.984 van 14 juli 2000 vernietigt de Raad van State het ministerieel besluit van 17 februari 1997 en van 17 maart 1998 in zoverre zij het gehucht Amelgem en de omgeving van de hoeven Groot en Klein Amelgem te Meise, Merchtem en Wemmel als dorpsgezicht resp. voorlopig en definitief beschermen. 4. In een motiveringsnota van 25 maart 2002 stelt het bestuur Monumenten en Landschappen voor om het gehucht Amelgem en omgeving als landschap te beschermen omwille van de historische en esthetische waarde. De situering van het gehucht Amelgem en omgeving is als volgt omschreven: “Het voorgestelde landschap is gelegen te noord-westen van Brussel. Het is te situeren tussen de dorpskern van Meise en de ‘Nationale Planten- tuin’ (ten noord-oosten - oosten), de dorpskernen van Wemmel (ten zuiden), Ossel en Brussegem (ten westen) en tenslotte Oppen (ten noorden)”. Wat betreft de “juridische toestand” wordt daarin het volgende gesteld: “Op het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse heeft het voorgestelde landschap volgende bestemmingen : C landschappelijk waardevol agrarisch gebied C bosgebied C parkgebied (smalle strook langsheen de westelijke en zuidelijke grens van het landschap) C natuurgebied (smalle strook langsheen de Molenbeek)”. De voormelde waarden worden er als volgt omschreven: “10. Evaluatie Het algemeen belang dat de bescherming verantwoordt, wordt door het gezamenlijk voorkomen en de onderlinge samenhang van de volgende intrinsieke waarden gemotiveerd : Historische waarde: De afbakening omvat niet alleen reeds beschermde hoeven Klein Amelgem, Groot Amelgem en de kapel van Onze-Lieve-Vrouw-Geboorte met de daarrond gelegen huizen die grotendeels teruggaan tot de oude bebouwing van het gehucht, maar komt ook overeen met het historische abdijdomein zoals het wordt beschreven in 1554: in hei totaal 147 ha begrensd door de Heerbaan in het noorden en de Molenbeek in het X-11.562-3/12 zuiden, en dat nog steeds een visueel geheel en een aaneengesloten landbouwareaal vormt met ongeveer dezelfde oppervlakte, begrenzing (Klein Cabbeek, Cabbeek, Lindeveld, etc.) en elementen (akkers, weiden, hooibeemden, bos). Groot Amelgem vormt nog steeds de zetel van een landbouwbedrijf hetgeen bijdraagt tot de authenticiteit van de site. Esthetische waarde: Het gebied heeft een nog grotendeels ongerept landelijk karakter, met contrasten tussen de open kouters en de diep ingesneden colluviale dalen en met vergezichten vanaf de Heerbaan. Het vormt bovendien een ongerepte visuele eenheid, die bijdraagt tot de intrinsieke waarde en de authenticiteit van de betrokken monumenten. De combinatie van deze waarden maken van ‘het gehucht Amelgem en omgeving’ een landschap dat van belang is op Vlaams niveau”. De volgende beheersdoelstellingen worden daarin voorgesteld: “11. Doelstellingen van het, toekomstige beheer, die de optimale verwezen- lijking van de waarden die aanleiding hebben gegeven tot de bescherming, omschrijven. Het toekomstig beheer moet erop gericht zijn het landschap als structureel geheel te bewaren met respect voor zijn historische en esthetische waarde. Het behoud van de landbouwkundige context is hierbij belangrijk. Om de instandhouding van deze waarden blijvend te verzekeren kunnen volgende beheersdoelstellingen worden opgenomen : C het bewaren van het open landschap of hiervan het herstel nastreven C omwille van de kwetsbaarheid van het gebied de recreatie in het gebied beperken tot passieve recreatie Volgende handelingen zijn niet wenselijk : voor het behoud van de historische waarde C het wijzigen van de geomorfologie van terrein, de aard en de structuur van de grond, het uitzicht of het reliëf van het terrein C het verharden van de bestaande wegen evenals het aanleggen van nieuwe wegen en paden C het oprichten van constructies C het ontwateren of draineren van het terrein C het lozen van vloeistoffen of gassen die schadelijk zijn voor fauna en flora C het gebruik van chemische verdelgingsmiddelen C het omzetten van akkerland naar grasland of bos, het omzetten van de moerassige gronden naar eender welk ander bodemgebruik C het vellen of beschadigen van bomen en het beschadigen van de struik- en de kruidlaag voor het behoud van de esthetische waarde C het aanbrengen van afsluitingen C het oprichten en verbouwen van gebouwen en het plaatsen van construc- ties en verplaatsbare inrichtingen C het achterlaten, opslaan of verwerken van schroot, afval en vuilnis C het aanbrengen en voeren van reclame C het plaatsen of vervangen van leidingen C het wijzigen van de aard en de structuur van de grond en het uitzicht of het reliëf van het terrein C het aanleggen, verbreden, opbreken of afsluiten van wegen en paden C het verharden van wegen en paden. C het verstoren van de rust en de stilte X-11.562-4/12 C het leggen van gifaas en klemmen Met het oog op de bescherming zijn van toepassing : De beschikkingen van het besluit van de Vlaamse regering van 3 juni 1997, houdende algemene beschermingsvoorschriften, advies- en toestemmingsproce- dure, instelling van een register en vaststelling van een herkenningsteken voor beschermde landschappen (Belgisch staatsblad 7 oktober 1997)”. 5. Met het besluit van 29 maart 2002 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Buitenlands beleid wordt de voorlopige bescherming als landschap van “het gehucht Amelgem en omgeving vastgesteld wegens zijn historische en esthetische waarde. 6. De verzoekende partij is eigenaar van een aantal percelen die in het door het beschermingsbesluit geviseerde landschap vallen. Die percelen zijn volgens het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Een afschrift van het voorlopig beschermingsbesluit wordt bij aangetekende brief van 14 juni 2002 verstuurd naar de betrokken eigenaars en besturen. Het voorlopig beschermingsbesluit wordt bij uittreksel bekendge- maakt in het Belgisch Staatsblad van 31 mei 2002. 7. De verzoekende partij dient een bezwaarschrift in tijdens het openbaar onderzoek. 8. De ingediende bezwaarschriften en adviezen worden uiteengezet en besproken in het verslag van het bestuur Monumenten en Landschappen. 9. Op 6 februari 2003 brengt de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen van het Vlaamse Gewest haar advies uit waarin de voormelde waarden en beheersdoelstellingen worden overgenomen. 10. Op 13 juni 2003 beslist de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken om “het gehucht Amelgem en omgeving” als landschap te beschermen omwille van de voormelde waarden en met de voormelde beheersdoelstellingen. Dit is het bestreden besluit dat aan de verzoekende partij wordt betekend met een aangetekende brief van 4 juli 2003. X-11.562-5/12 Dat besluit wordt aan de verzoekende partij met een aangetekende brief van 10 juli 2003 nogmaals betekend omdat “er mogelijk een administratieve vergissing gebeurd is bij het kopiëren van het definitieve beschermingsbesluit, u toegezonden op 4 juli 2003”. Het bestreden besluit wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 27 februari 2004. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel 11.1. In het eerste middel voert de verzoekende partij de schending aan van de artikelen 7, § 1, 8, §§ 1 en 5, en 9 van het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg (hierna: het landschapsdecreet). De verzoekende partij argumenteert dat het bestreden besluit werd genomen na het verstrijken van de vervaltermijn van twaalf maanden bedoeld in artikel 8, § 5 van het landschapsdecreet. Zij betwist dat de aanleiding voor een tweede betekening van het beschermingsbesluit “een administratieve vergissing” was omdat “de tekst van het MB van 13 juni 2003 verzonden op 4 juli 2003 (...) fundamenteel verschillend (
- is)met de tekst verzonden op 15 juli 2003”, de op 4 juli 2003 “toegezonden tekst een correcte kopie was van de tekst die toen op 13 juni 2003 bestond” en “deze oorspronkelijke tekst (werd) aangevuld” met de woorden “volgende handelingen zijn niet wenselijk”. 11.2. De verzoekende partij betwist niet dat het besluit dat hem werd betekend bij aangetekend schrijven van 4 juli 2003, genomen werd op 13 juni 2003, dit is binnen de vervaltermijn van twaalf maanden bedoeld in artikel 8, § 5 van het landschapsdecreet. 11.3. Uit de gegevens van het dossier blijkt dat in de motiveringsnota van het bestuur monumenten en landschappen een lijst van handelingen werd opgegeven die op uitdrukkelijke wijze als niet wenselijk werden gekwalifceerd voor het behoud van de historische en/of esthetische waarde van dat landschap. Ook in het aan de verzoekende partij betekende voorlopig beschermingsbesluit, evenals in het advies van de KCML, worden diezelfde handelingen als niet wenselijk opgesomd. Het is in die omstandigheden aannemelijk dat het wegvallen in het aan de verzoekende partij op 4 juli 2003 betekende exemplaar van het besluit van X-11.562-6/12 13 juni 2003, van de zinsnede “volgende handelingen zijn niet wenselijk” vóór de opsomming van dezelfde handelingen bedoeld als hiervoor in de motiveringsnota, het voorlopig beschermingsbesluit en het advies van de KCML berusten op een administratieve vergissing te meer omdat deze opgesomde handelingen bezwaarlijk kunnen worden beschouwd als handelingen in het kader van een beheer dat “de optimale verwezenlijking van de (genoemde) waarden” van dat landschap betracht. 11.4. Het middel is ongegrond. In zoverre de verzoekende partij voor het eerst in de memorie van wederantwoord aanvoert dat een betekening slechts rechtsgeldig is als alle relevante elementen van de administratieve rechtshandeling ter kennis van de betrokkene worden gebracht en in de laatste memorie dat het bestreden besluit niet op 13 juni maar op 15 juli 2003 werd genomen, voert zij op onontvankelijke wijze nieuwe middelen aan. B. Tweede middel 12.1. Het tweede middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, § 2, en 12 van het landschapsdecreet. De verzoekende partij voert aan dat haar “gronden (...) volgens het gewestplan (...) de bestemming landschappelijk waardevol agrarisch gebied (hebben)”, zij “landbouwexploitatie tot doel” heeft, het “niet wenselijk” achten in het bestreden besluit van de daarin opgesomde handelingen “een eufemistische omschrijving (
- is)om een aantal noodzakelijke landbouwactiviteiten te verbieden of op zijn minst te verhinderen”. 12.2. De verzoekende partij beperkt dit middel tot haar percelen die volgens het voornoemde gewestplan gelegen zijn in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Het middel heeft derhalve geen relevantie voor zover het bestreden besluit betrekking heeft op haar eigendom dat in natuur-, park- of bosgebied is gelegen. 12.3. Artikel 12 van het landschapsdecreet, zoals het van toepassing was ten tijde van het bestreden besluit, bepaalde wat volgt : “Het besluit tot voorlopige of definitieve bescherming als landschap is bindend. Er mag alleen van worden afgeweken in de door dit decreet bepaalde gevallen en vormen. X-11.562-7/12 De besluiten tot voorlopige of definitieve bescherming als landschap hebben een individueel karakter en fungeren als aanvulling en verfijning op de sectoriële wetgevingen. Zij mogen geen erfdienstbaarheden vaststellen die in absolute zin werken of handelingen verbieden die met de geldende plannen van aanleg overeenstemmen, noch de verwezenlijking van die plannen en hun bestemmingsvoorschriften kunnen verhinderen”. Inzake de wetsgeschiedenis van deze bepaling - waarvan de definitieve tekst het gevolg is van een amendement (Parl. St. Vl. Parl. B.Z.1995, nr. 69-3, 7) - stelt de toelichting bij het wetsvoorstel dat het voornoemd decreet van 16 april 1996 is geworden, wat volgt : “De besluiten tot voorlopige of definitieve bescherming als landschap hebben een individueel karakter en mogen geen erfdienstbaarheden opleggen of voorschriften vaststellen die in absolute zin handelingen of werken verbieden die met de geldende plannen van aanleg overeenstemmen, noch de verwezenlij- king van die plannen kunnen verhinderen”. Voorts is in deze toelichting inzake de hiërarchie der rechtsnor- men gesteld wat volgt (Parl. St. Vl. Parl. B.Z. 1995, nr. 69-1, 5) : “De beschermingsbesluiten mogen geen erfdienstbaarheden opleggen of voorschriften vaststellen die in absolute zin handelingen of werken verbieden die met de geldende plannen van aanleg overeenstemmen, of die de verwezen- lijking van die plannen kunnen verhinderen”. Verder inzake deze hiërarchie der rechtsnormen geeft de indiener van het voorstel van decreet in de bevoegde commissie de volgende verduidelijking (Parl. St. Vl. Parl. B.Z. 1995, nr. 69-4, 4) : “Alhoewel sommige bepalingen van een beschermingsbesluit een meer algemene draagwijdte vertonen, zijn de belangrijkste bepalingen in feite gericht tot individuele burgers. ‘Het individuele rechtskarakter blijft met andere woorden de dominante hoofdtrek van de beschermingsbesluiten’. Deze besluiten zijn derhalve juridisch-hiërarchisch ondergeschikt aan de plannen van aanleg, die een algemeen verordenend karakter hebben. De eigendomsbeperkingen die door een beschermingsbesluit worden opgelegd, kunnen de realisatie van de door het gewestplan vastgestelde bestemming niet onmogelijk maken. Deze stelling vindt men volgens de indiener van het voorstel in de constante rechtspraak van de Raad van State. Beschermingsvoorschriften kunnen echter wel nadere voorwaarden opleggen zonder dat de eigenlijke realisatie van de ruimtelijke bestemming wordt verhinderd. De vaststelling van de bestemming impliceert niet de integrale uitvoering van wat door deze bestemming principieel wordt mogelijk gemaakt, aldus de indiener van het voorstel van decreet”. X-11.562-8/12 Bij de bespreking in de bevoegde commissie van het amendement dat leidde tot het artikel 12, stelde de bevoegde minister inzonderheid dat “(...) de beschermingsvoorschriften niet strijdig mogen zijn met de algemene bestemming van het gewestplan” (Parl. St. Vl. Parl. B.Z. 1995, nr. 69-4, 22). In het eerder ontwerp van decreet - dat daarna overgenomen werd in voornoemd voorstel van decreet - stelde de toenmalige minister dat een individueel beschermingsbesluit van een landschap een reglementair besluit niet kan “vernietigen” (Parl. St. Vl. Parl. 1994-95, nr. 731-3, 13). Tot slot blijkt uit de memorie van toelichting bij het ontwerp dat het decreet van 13 februari 2004 houdende maatregelen tot behoud van erfgoedland- schappen is geworden, dat de aanpassing door voornoemd decreet van 13 februari 2004 van artikel 12 van het landschapsdecreet een actualisering is ten gevolge van de wetgeving ruimtelijke ordening en het natuurdecreet (Parl. St. Vl. Parl. 2002- 2003, nr. 1804-1, 8 en nr. 1804-5, 9). Bij de bespreking van deze wijzigingsbepa- ling, werd de oorspronkelijke bedoeling en draagwijdte van artikel 12 niet in vraag gesteld. Gelet op de ratio legis van artikel 12, tweede lid van het landschapsdecreet, heeft het in deze bepaling gestelde verbod dat besluiten tot voorlopige of definitieve bescherming als landschap geen erfdienstbaarheden mogen vaststellen die in absolute zin werken of handelingen verbieden die met de geldende plannen van aanleg overeenstemmen, noch de verwezenlijking van die plannen en hun bestemmingsvoorschriften kunnen verhinderen, een algemene draagwijdte. Immers uit de wetsgeschiedenis van deze bepaling blijkt duidelijk dat het niet de bedoeling van de decreetgever was om door middel van individuele besluiten die beschermingsbesluiten zijn, afwijkingen toe te staan die de realisatie van de door het gewestplan vastgestelde bestemming onmogelijk maken. 12.4. Voor de in dit middel bedoelde percelen van de verzoekende partij gelden de stedenbouwkundige voorschriften van de artikelen 11.4.1 en 15.4.6.1 van het inrichtingsbesluit, die respectievelijk bepalen wat volgt: “De agrarische gebieden zijn bestemd voor de landbouw in de ruime zin. Behoudens bijzondere bepalingen mogen de agrarische gebieden enkel bevatten de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven. Gebouwen bestemd voor niet aan de grond gebonden agrarische bedrijven met industrieel karakter of voor intensieve veeteelt, mogen slechts opgericht worden op ten ministe 300 m van een woongebied of op ten minste 100 m van een woonuitbreidingsgebied, tenzij het een woongebied met landelijk karakter betreft. De afstand van 300 m en 100 m geldt evenwel niet in geval van X-11.562-9/12 uitbreiding van bestaande bedrijven. De overschakeling naar bosgebied is toegestaan overeenkomstig de bepalingen van artikel 35 van het Veldwetboek, betreffende de afbakening van de landbouw- en bosgebieden” en “De landschappelijk waardevolle gebieden zijn gebieden waarvoor bepaalde beperkingen gelden met het doel het landschap te beschermen of aan land- schapsontwikkeling te doen. In deze gebieden mogen alle handelingen en werken worden uitgevoerd die overeenstemmen met de in grondkleur aangegeven bestemming, voor zover zij de schoonheidswaarde van het landschap niet in het gevaar brengen”. 12.5. Om wettig te zijn moet een beschermingsbesluit, zoals iedere individuele overheidsbeslissing, kunnen worden ingepast in de bestaande wetten en in de bestaande, regelmatig vastgestelde hogere rechtsnormen, zijnde niet alleen de normen die de tot beschermen bevoegde overheid zelf heeft vastgesteld, doch ook de verordenende bepalingen die andere administratieve overheden tot stand hebben gebracht, zoals met name de voorschriften van definitief vastgestelde plannen van aanleg. Uit wat voorafgaat volgt niet dat de bescherming van een landschap ipso facto in strijd is met de bestemming landschappelijk waardevol agrarisch gebied en dat in een dergelijk gebied geen bescherming als landschap mogelijk is. Van een onwettigheid van het beschermingsbesluit wegens schending van de voormelde bestemmingsvoorschriften kan slechts sprake zijn wanneer bepaalde voorschriften van het beschermingsbesluit de verwezenlijking ervan verhinderen. De verzoekende partij houdt niet voor en toont dus niet aan dat de in artikel 3 van het bestreden besluit aangehaalde beschikkingen van het besluit van de Vlaamse regering van 3 juni 1997 houdende algemene beschermingsvoorschrif- ten, advies- en toestemmingsprocedure, instelling van een register en vaststelling van een herkenningsteken voor beschermde landschappen, de verwezenlijking van de voormelde gewestplanbestemming zouden verhinderen. Het bestreden besluit stelt met het oog op de instandhouding van de historische en esthetische waarden van het beschermde landschap, enerzijds, dat een aantal beheersdoelstellingen kunnen worden opgenomen, meer bepaald het bewaren van het open landschap of hiervan het herstel nastreven en de recreatie in het gebied omwille van de kwetsbaarheid ervan beperken tot passieve recreatie, en anderzijds, dat de opgesomde handelingen “niet wenselijk” zijn. De verzoekende X-11.562-10/12 partij houdt evenmin voor en toont derhalve niet aan dat de faculteit om de voormelde beheersdoelstellingen op te nemen de verwezenlijking van de voormelde gewestplanbestemming zou verhinderen. Het feit dat de in dit middel bedoelde percelen van de verzoekende partij de voormelde gewestplanbestemming hebben gekregen, heeft niet voor gevolg dat zij op deze percelen hoe dan ook de door haar beoogde, in het bestreden besluit niet wenselijk geachte, handelingen in het kader van haar landbouwexploitatie kan stellen. De verzoekende partij gaat in haar argumentatie algeheel voorbij aan het feit dat krachtens het gewestplan enkel met de agrarische bestemming overeenstemmen- de handelingen en werken mogelijk zijn die de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengen. De verzoekende partij toont niet aan dat het niet wenselijk achten van deze handelingen voor het behoud van de historische en esthetische waarden van dat landschap door het bestreden besluit, de verwezenlij- king van de gewestplanbestemming zou verhinderen. Anders dan de verzoekende partij wil doen aannemen moet worden vastgesteld dat het bestreden besluit niet strijdig is met de voormelde gewestplanbestemming. Het middel is niet gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De Raad van State beveelt de kantmelding van dit arrest op de kant van de overschrijving in de registers van het zesde hypotheekkantoor te Brussel. 3. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de in punt 2 vermelde kantmelding. X-11.562-11/12 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen oktober 2009, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, met bijstand van Astrid Truyens, griffier. De griffier De voorzitter Astrid Truyens Roger Stevens X-11.562-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.773 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div