← België

Arrest 196801 - Milieuvergunningen - 09/10/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.801 Rolnummer: A. 192368/VII-37359 Zaak: Arrest 196801 - Milieuvergunningen - 09/10/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-10-14 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-30 03:39 Fiche Arrest nr 196.801 van 9 oktober 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 196.801 van 9 oktober 2009 in de zaak A. 192.368/VII-37.359 In zake: de NV NAFTA bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michael Faure kantoor houdend te Antwerpen 1 Mechelsesteenweg 210 A bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Filip Vincke kantoor houdend te Avelgem Kasteelstraat 13 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 27 april 2009, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 23 februari 2009 waarbij de aanvraag tot afwijking van artikel 5.17.3.19, § 4, van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, ingediend door de NV NAFTA voor een tankopslagbedrijf, gelegen aan de Scheldelaan 470 te Antwerpen, gedeeltelijk wordt ingewilligd voor een termijn eindigend op 1 januari 2012. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 196.177 van 18 september 2009 zijn de debatten heropend en werd de zaak vastgesteld op de openbare terechtzitting van 8 oktober 2009. Staatsraad Pierre Barra heeft verslag uitgebracht. VII-37.359-1/16 Advocaat Glenn Geerts, die loco advocaat Michael Faure verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Filip Vincke, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Eric Lancksweerdt heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, en van de artikelen 17 en 18 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. Sedert het eind van de jaren zestig en het begin van de jaren zeventig van de vorige eeuw baat de verzoekende partij in de Antwerpse haven, aan de Haven 643 op de Scheldelaan 470 te 2040 Antwerpen, een tankopslagbedrijf uit. De activiteit bestaat erin dat de verzoekende partij opslagcapaciteit verhuurt aan derden, meestal voor een langere termijn. De opgeslagen producten worden overgeheveld van en naar schepen, tankwagens en spoorwegstations. De verzoekende partij beschikt in totaal over 70 bovengrondse tanks met een totale opslagcapaciteit van 830.000 m³. 4. Voor de uitoefening van haar activiteiten verkrijgt de verzoekende partij op 12 juli 1972 een exploitatievergunning die verstrijkt op 11 juli 2002. Op 31 oktober 2001 bekomt de verzoekende partij een milieuvergunning voor het verder in bedrijf houden en veranderen van haar inrichting, voor een termijn verstrijkend op 31 oktober 2021. 5. De inrichting van de verzoekende partij is onderworpen aan verschillende milieuvoorwaarden, waaronder de voorwaarden opgenomen in afdeling 5.17.3 van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna: Vlarem II) betreffende de opslag van gevaarlijke vloeistoffen in bovengrondse houders. Artikel 5.17.3.16, §2, van Vlarem II bepaalt (onder meer) wat volgt: VII-37.359-2/16 "Ten minste om de 20 jaar moeten de installaties aan een algemeen onderzoek worden onderworpen. Voorafgaand aan dit onderzoek moet de houder inwendig worden gereinigd. Dit onderzoek omvat: (...)". Vlarem II omvat inzake dit algemeen onderzoek evenwel ook overgangsbepalingen. Artikel 5.17.3.19, §4, bepaalt (onder meer) wat volgt: "§ 4. Het algemeen onderzoek bedoeld in artikel 5.17.3.16 dient, voorzover technisch mogelijk, een eerste maal uitgevoerd te worden uiterlijk op de data, vermeld in onderstaande tabel, afhankelijk van de ligging, de aard, de opgeslagen vloeistof en de klasse. ligging t.o.v. waterwingebieden of beschermingszones product klasse binnen buiten P1, P2, P3, P4 1, 2, 3 1 augustus 1998 1 augustus 2000 andere 1, 2, 3 1 januari 2003 1 januari 2005 In afwachting van dit algemeen onderzoek mogen de houders in werking worden gehouden. Vanaf de datum van het eerste algemene onderzoek dienen de periodieke onderzoeken uitgevoerd te worden volgens de bepalingen van artikel 5.17.3.16 en 5.17.3.17. (...)". Uit de bovenstaande regelgeving vloeit voort dat de verzoekende partij in principe tegen 1 augustus 2000 haar installaties aan een algemeen onderzoek diende te onderwerpen. 6. Op 19 september 1996 dient de verzoekende partij een aanvraag in om een afwijking te bekomen van de verplichting om een algemeen onderzoek uit te voeren. Met een ministerieel besluit van 6 januari 1997 wordt met betrekking tot de termijn voor het uitvoeren van het algemeen onderzoek een afwijking toegestaan voor een termijn die eindigt op 12 juli 2002. 7. Op 3 mei 2000 dient de verzoekende partij andermaal een aanvraag in tot afwijking van de voorwaarde inzake het uitvoeren van een algemeen onderzoek tegen 1 augustus 2000. Deze aanvraag wordt verschillende keren geactualiseerd, de laatste keer op 13 augustus 2007. Met een ministerieel besluit van 29 oktober 2007 wordt onder bepaalde voorwaarden een afwijking verleend van de verplichting inzake het algemeen onderzoek van de opslagtanks. De termijn voor VII-37.359-3/16 het algemeen onderzoek eindigt op uiterlijk 1 januari 2009 voor opslagtank 501, en op 1 januari 2010 voor de opslagtanks 405, 406, 503, 504, 505, 506, 507 en 509. 8. Op 2 juli 2008 volgt een nieuwe afwijkingsaanvraag die aanleiding zal geven tot de thans bestreden beslissing. Het algemeen onderzoek dient op alle tanks uitgevoerd te zijn uiterlijk op 1 januari 2012; het algemeen onderzoek moet op de tanks 405 en 406 gebeuren vóór dit van de tanks 503, 504, 505, 506, 507 en 509. De beslissing luidt als volgt : "Gelet op de aanvraag, ingediend op 2 juli 2008 door de NV Nafta, hierna aanvrager genoemd, Haven 643, Scheldelaan 470, 2040 Antwerpen, voor een tankopslagbedrijf gelegen op hetzelfde adres, kadastrale percelen, afdeling 18, sectie A, perceelnummer 150/b strekkende tot het bekomen van een afwijking van de volgende bepalingen van titel II van het VLAREM : artikel 5.17.3.19, §4: 'Het algemeen onderzoek bedoeld in artikel 5.17.3.16 dient, voorzover technisch mogelijk, een eerste maal uitgevoerd te worden uiterlijk op de data, vermeld in onderstaande tabel, afhankelijk van de ligging, de aard, de opgeslagen vloeistof en de klasse. ligging t.o.v. waterwingebieden of beschermingszones product klasse binnen buiten P1, P2, P3, P4 1, 2, 3 1 augustus 1998 1 augustus 2000 andere 1, 2, 3 1 januari 2003 1 januari 2005 In afwachting van dit algemeen onderzoek mogen de houders in werking worden gehouden. Vanaf de datum van het eerste algemene onderzoek dienen de periodieke onderzoeken uitgevoerd te worden volgens de bepalingen van artikel 5.17.3.l6 en 5.17.3.17.'; Gelet op het feit dat er een afwijking wordt gevraagd voor de tanks 405, 406, 503, 504, 505, 506, 507 en 509; Gelet op het feit dat de aanvrager voormelde afwijkingsaanvraag motiveert door de volgende technische redenen : • uit de gevoerde bodemonderzoeken, evenals de periodieke analyses van de stalen van de peilputten op de site, blijkt dat geen enkele van de nog te controleren tanks zich bevindt in een zone met een verontreiniging; • in het artikel waarvan afwijking wordt gevraagd, wordt letterlijk vermeld dat het eerste onderzoek tegen 1 augustus 2000 uitgevoerd moet zijn, voor zover technisch mogelijk is; met deze zinsnede geeft de besluitgever zelf aan dat het technisch niet vanzelfsprekend is om deze termijn met betrekking tot de in exploitatie zijnde installaties te respecteren; de achtergrond voor deze zinsnede is : - de veelheid aan te keuren tanks; - het beperkt aanbod van keuringsorganismen; - het omslachtig karakter van een algemeen onderzoek; - het feit dat de houders volledig leeg moeten zijn en de hiermee samen- hangende praktische/economische problemen; - het impact op de praktische bedrijfsvoering; VII-37.359-4/16 • een belangrijke vertragende factor zijn de voorafgaandelijke reinigingsope- raties de niet alleen arbeidsintensief zijn, maar ook bijzondere organisatori- sche, technische en financiële voorzieningen vergen; de uitvoering van reinigingswerkzaamheden, zelfs indien deze slechts plaatsvinden op 1 tank, hebben verregaande operationele gevolgen voor de normale exploitatie; niet alleen de tank in kwestie is volledig buiten gebruik, maar ook moeten de werkzaamheden op de andere tanks binnen dezelfde area en mogelijk ook in een bredere omgeving binnen de tankenopslagplaats uit veiligheidsover- wegingen worden aangepast en dit gedurende het gehele verloop van de reinigingsprocedure; de exploitant geeft er vanuit het oogpunt van goed beheer de voorkeur aan om naar aanleiding van de uitgevoerde onderzoeken en controles meteen ook de herstellingswerken aan de tanks uit te voeren die noodzakelijk of wenselijk zijn; de omvang van deze werken, vanaf de aanvraag van de reiniging tot en met de eventueel noodzakelijke herstelling, is weinig voorspelbaar; een tank kan mogelijk lang buiten gebruik blijven waardoor voldoende andere tanks moeten beschikbaar blijven om een normale en veilige exploitatie te blijven verzekeren; in het allerslechtste geval, dit is als de tankbodem moet worden vervangen, moet de tank volledig worden ondersteund en opgetild zodat de werkzaamheden aan de buitenzijde (onderzijde) van de tankbodem mogelijk worden; deze handeling vergt veel kennis, zeer specifieke en gesofisticeerde technische hulpmidde- len en vooral veel tijd; • de benuttigingsgraad van een tank is sterk variabel en afhankelijk van het marktaanbod; omwille van belangrijke commerciële contracten kan de exploitant niet autonoom beslissen dat een tank moet leeggemaakt worden; • het is onmogelijk om voor de quasi simultane uitvoering van al de reini- gingsoperaties en keuringen voldoende aannemers van werken te vinden die kunnen bogen op de vereiste en zeer specifieke vakkennis; • de resterende tanks die nog aan een algemeen onderzoek moeten worden onderworpen, bevatten allemaal zwaardere producten (zware stookolie); de verwijdering van zware en visceuze producten stelt veel meer problemen; bij tanks die zware of zeer zware stookolie hebben bevat is namelijk de hoeveelheid residu 150 ton en meer en moeilijk te verwijderen en is de verwijderingsoperatie heel arbeidsintensief; de definitieve prijsopgave voor reiniging kan slechts plaatsvinden als de tank reeds geopend werd en de tank aan een eerste visuele inspectie kan worden onderworpen; er moet immers rekening worden gehouden met de moeilijkheidsgraad van verwerking (aantal arbeidsuren en de in te zetten hulpmiddelen), de hoeveelheid die moet worden verwijderd en de geschikte bestemming van de afvalstof; • het heeft 7 maanden in beslag genomen om tank 501 te kunnen leegmaken en reinigen; de eigenaar van het opgeslagen product heeft in het verleden immers aan het tankproduct een stookolie met lage viscositeit toegevoegd wat resulteerde in een kristallisatie van het product in de tank ingevolge een chemische reactie van de opgeslagen vloeistof met de toegevoegde stookolie met lage viscositeit waardoor circa 600 tot 700 ton gekristalliseerd product er handmatig uitgekapt moest worden; de uitvoering van het algemeen onderzoek op tank 501 duurde dan ook in totaal 16 maanden; • uit bevraging bij de producteigenaars van de nog resterende te controleren tanks is het zeker dat al bij tanks 504 en 507 zich een identiek probleem zal stellen en bestaat het vermoeden dat dit ook voor de andere tanks (503, 504, 505, 506, 507 en 509) het geval kan zijn; • de exploitant heeft beslist om de reinigingswerken van de resterende tanks allemaal te laten uitvoeren door 1 reinigingscontractor (namelijk HCI) aangezien dit de snelste manier van handelen is (inmiddels kent de exploitant alle bedrijven die de dienstverlening aanbieden en weet ook of ze VII-37.359-5/16 ofwel de opdracht niet zullen aanvaarden of prijzen zullen aanbieden die financieel niet haalbaar zijn); Gelet op het feit dat de aanvrager in zijn voormelde afwijkingsaanvraag volgende maatregelen voorstelt die van aard zouden moeten zijn gelijkwaardige waarborgen te bieden voor de bescherming van de mens en van het leefmilieu als de milieuvoorwaarden waarvan gevraagd wordt te mogen afwijken: • als eindtermijn van het laatste algemeen onderzoek wordt 31 januari 2013 voorgesteld omwille van de volgende redenen: - in de 8 nog te controleren tanks wordt product opgeslagen van 2 klanten (4 opslagtanks per klant); omwille van commerciële redenen kunnen niet tegelijkertijd 2 opslagtanks van eenzelfde klant buiten gebruik zijn; - tanks 405 en 406 hebben elk een capaciteit van 32.500 m³ en de 6 overige tanks hebben elk een opslagcapaciteit van 10.000 m³; omwille van technische en commerciële redenen kunnen de 2 grote opslagtanks niet na elkaar buiten gebruik worden gesteld; de exploitant voorziet om eerst de werkzaamheden aan te vatten op een 10.000 m³-tank, vervolgens op een 32.500 m³-tank en dit nadien nog eens te herhalen zodat er nadien enkel nog 10.000 m³-tanks overblijven voor controle; - het is onmogelijk om 2 tanks tegelijkertijd te ledigen en te reinigen omwille van de beperkte beschikbaarheid van de contractor; er kunnen wel 2 tanks (van elke klant 1) gedurende een deels overlappende periode buiten gebruik gesteld worden; - in concreto houdt het programma in dat tijdens de revisieperiode (onderhouds- en herstellingswerkzaamheden) van een bepaalde tank, de contractor kan starten met het leegmaken en reinigen van een andere tank; er moet rekening gehouden worden met een gemiddelde reinigingsperiode en revisieperiode van telkenmale 6 maanden; dit resulteert in een planning waarbij op 31 januari 2013 alle nog te keuren tanks een algemeen onderzoek hebben gehad; er kan nog niet in concreto aangegeven worden in welke volgorde de opslagtanks aangepakt zullen worden aangezien de exploitant nog in gesprek is met de betrokken klanten, reinigingsfirma en de contractors voor de onderhoudsnen herstellingswerkzaamheden; tijdens de uitvoering van het programma zal de exploitant telkenmale voorafgaandelijk melden welke opslagtank aan de beurt is; • de prioriteiten en vooropgestelde planning steunen op de risico-evaluatie van een erkend controleorganisme; uit deze risico-evaluatie vloeit voort dat de nog te keuren tanks het minste risico inhouden naar de omgeving (het zijn ook allemaal tanks met zware producten); in het rapport van 31 januari 2008 is de conclusie dat alle nog te keuren tanks geen aanleiding geven tot een dringende uitdienstname of herstelling; er kan zelfs akkoord worden gegaan met een uitdienstname voor onderzoek en onderhoud voor eind 2015; • gespecialiseerde ondernemingen voeren regelmatig tankmetingen uit in het kader van het onderzoek naar de zettingen van de tanks (waterpassing en onderzoek van de ovaliteit (de 'scheefstand' van de tanks moet beneden het toegelaten maximum blijven)); dit onderzoek waarborgt de adequate sluiting van de tanks en verhindert daardoor ook het optreden van lekken en verliezen; • wanddiktemetingen op de tanks; deze wanddiktemetingen zijn allen positief; • alle tanks zijn uitgerust met overvulbeveiligingen; Gelet op het besluit met kenmerk MLAV1/01-267/BV/LH van 31 oktober 2001 van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen, houdende het verlenen van de vergunning aan de NV Nafta (B) gevestigd 2000 Antwerpen, Italiëlei 66, om een tankopslagbedrijf, gelegen te 2040 Antwerpen, Scheldelaan 470 - Haven 643, kadastrale percelen, afdeling 18, sectie A, perceelnummer VII-37.359-6/16 150/b, verder in bedrijf te houden en te veranderen, voor een termijn verstrij- kend op 31 oktober 2021; Gelet op het besluit met kenmerk MLWV/04-44/MV/AG/IG van 9 december 2004 van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen, houdende wijziging van de vergunningsvoorwaarden opgelegd met het besluit met kenmerk MLAV1/01-267/BV/LH van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 31 oktober 2001; Gelet op het besluit met kenmerk MLAV1/05-160/MV/AG van 29 september 2005 van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen, houdende het verlenen van vergunning aan de NV Nafta (B), gevestigd te 2018 Antwerpen, Van Putlei 32 voor de verandering door uitbreiding en wijziging van een tankopslagbedrijf gelegen te 2040 Antwerpen, Haven 643, Scheldelaan 470; Gelet op het besluit met kenmerk MLAN3/06-19/ES van 24 augustus 2006 van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen, houdende aktename van de melding van de NV Nafta (B), gevestigd te 2018 Antwerpen, Van Putlei 32 van een klasse-3-onderdeel zijnde stalplaatsen voor 3 bedrijfsvoertuigen en divers ander rollend materieel, op het tankopslagbedrijf gelegen te 2040 Antwerpen, Haven 643, Scheldelaan 470; Gelet op het besluit met kenmerk MLAV1/07-157/ES van 12 juli 2007 van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen, houdende het verlenen van vergunning aan de NV Nafta (B), gevestigd te 2018 Antwerpen, Van Putlei 32, voor de verandering van een tankopslagbedrijf gelegen te 2040 Antwerpen, Haven 643, Scheldelaan 470; Gelet op het ministerieel besluit nr. AMV/045887/1000C van 29 oktober 2007 houdende het verlenen van een toelating aan de NV Nafta (B), exploitant van een inrichting gelegen te 2040 Antwerpen, Scheldelaan 470 Haven 643, kadastrale percelen, afdeling 18, sectie A, perceelnummer 150/b, om af te wijken van artikel 5.17.3.19, §4 van titel II van het VLAREM, voor wat betreft de opslagtanks die geschikt of voorbehouden zijn voor de opslag van P2/P3 of P3-producten, namelijk de tanks met nummers 405, 406, 501, 503, 504, 505, 506, 507 en 509; Gelet op het gunstige subadvies van 1 augustus 2008 van de afdeling Stedenbouwkundig Beleid en Onroerend Erfgoedbeleid van het departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed; Gelet op het voorwaardelijk gunstige advies van 26 november 2008 van de afdeling Milieuvergunningen van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie; Gelet op het voorwaardelijk gunstige advies van 2 december 2008 van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie; Gelet op de ligging van de inrichting in industriegebied volgens gewestplan 'Antwerpen', goedgekeurd hij koninklijk besluit van 3 oktober 1979; Overwegende dat de aanvraag een tankenopslagbedrijf betreft; dat voor 8 bovengrondse tanks afwijking wordt gevraagd van de termijn waarop het eerste algemeen onderzoek op de bovengrondse tanks moet uitgevoerd worden; dat normaal volgens de bepalingen van het VLAREM op deze tanks een algemeen onderzoek moet uitgevoerd zijn tegen 1 augustus 2000; Overwegende dat het tankopslagbedrijf in totaal over 70 bovengrondse tanks beschikt met een totale opslagcapaciteit van 830.000 m³; dat afwijking wordt gevraagd voor 8 tanks die in totaal een opslagcapaciteit van 125.000 m³ hebben; Overwegende dat de exploitant in het verleden reeds verscheidene keren voor het betreffende artikel toelating tot afwijking heeft aangevraagd; Overwegende dat een eerste toelating tot afwijking werd aangevraagd op 19 september 1996 en dit voor alle tanks; dat met het ministerieel besluit van 6 januari 1997 toelating tot afwijking werd verleend waarbij het eerste VII-37.359-7/16 algemeen onderzoek voor alle tanks moet uitgevoerd zijn uiterlijk 12 juli 2002, de eindtermijn van de toen lopende basisvergunning; Overwegende dat een tweede toelating tot afwijking werd aangevraagd op 3 mei 2000 met als eindtermijn het jaar 2020; dat de minister toelating tot afwijking verleende op 29 oktober 2007 voor de tanks waarvoor op die datum nog geen eerste algemeen onderzoek uitgevoerd was, maar niet tot 2020 zoals het bedrijf voorstelde; dat namelijk voor opslagtank 501 een eindtermijn tot 1 januari 2009 werd gegeven en voor de tanks 405, 406, 503, 504, 505, 506, 507 en 509 een eindtermijn tot 1 januari 2010; Overwegende dat ondertussen nog op 1 tank, namelijk tank 501, het algemeen onderzoek uitgevoerd werd; dat met de betreffende aanvraag een nieuwe toelating tot afwijking wordt gevraagd voor de resterende tanks 405, 406, 503, 504, 505, 506, 507 en 509; dat het gaat over 2 tanks van elk 32.500 m³ (405 en 406) en 6 tanks van elk 10.000 m³ (503, 504, 505, 506, 507 en 509); dat deze tanks P3-producten bevatten (stookolie en zware stookolie); Overwegende dat de aanleiding tot deze nieuwe afwijkingsaanvraag te zoeken valt bij de moeizame lediging en reiniging van tank 501; dat de producteigenaar in deze tank een stookolie met lage viscositeit bij het opgeslagen product had toegevoegd wat had geresulteerd in een uitgekristalli- seerd residu van 600 à 700 ton welk moeilijk te verwijderen viel en waardoor het leegmaken en reinigen van de tank 7 maanden in beslag nam; dat de exploitant naar aanleiding van een navraag bij zijn klanten (de producteige- naars) meent dat zich een identiek probleem zal voordoen bij de tanks 504 en 507 en dat er een kans is dat dit probleem zich ook kan voordoen bij de andere resterende tanks 405, 406, 503, 505, 506 en 509; Overwegende dat volgens de exploitant de herstellingswerken ook veel tijd in beslag kunnen nemen; dat de exploitant daarom voorstelt om voor de uitvoering van het algemeen onderzoek op een tank een periode te voorzien van telkens 6 maanden voor het leegmaken en reinigen en telkens 6 maanden voor de herstellingswerken; dat, omwille van economische en organisatorische redenen enkel 2 tanks parallel kunnen aangepakt worden waarbij het ledigen en reinigen van de eerste tank gebeurt tijdens het herstellen van een tweede tank; dat, als de reiniging en herstelling van de 8 overblijvende tanks op die wijze op een tijdschema wordt uitgezet, het eerste algemeen onderzoek op de laatste tank zal uitgevoerd zijn uiterlijk 31 januari 2013; Overwegende dat bij de verslagen van onderzoek van 28 oktober 2002 en van 31 januari 2008 van (een) erkende milieudeskundige(

  1. n)in de discipline houders van gassen en gevaarlijke stoffen, voor alle betrokken tanks een individuele evaluatie werd gemaakt om na te gaan of de bedrijfszekerheid voldoet tot de geplande uitdienstname voor onderzoek en onderhoud (dit wil zeggen eind 2007 in de verklaring van 28 oktober 2002 en eind 2015 in de verklaring van 31 januari 2008); dat de installaties in de voorbije 3 jaar werden onderworpen aan een beperkt onderzoek; dat er toen geen gebreken werden vastgesteld die aanleiding kunnen geven of gegeven hebben tot verontreiniging buiten de houder; dat tijdens een visuele controle van de betreffende tanks geen bijkomende tekortkomingen werden vastgesteld; dat de tanks werden gebouwd op een fundering voorzien van een menglaag asfalt en olie; dat onder de mantel een ring is geplaatst in asfaltbeton; dat volgens de hierboven vermelde risico-evaluatie van de tankbodems geen bedrijfstermijn (levensduur) werd vastgesteld die korter is dan voorzien in de planning (dit wil zeggen eind 2007 in de verklaring van 28 oktober 2002 en eind 2015 in de verklaring van 31 januari 2008); dat de verklaring tenslotte vermeldt dat op basis van de uitgevoerde onderzoeken besloten kan worden dat de vermelde bovengrondse opslagtanks, onder de normale bedrijfsomstandigheden, geen aanleiding zullen geven tot een dringende uitdienstname of herstelling; VII-37.359-8/16 Overwegende dat uit telefonische navraag blijkt dat met normale bedrijfs- omstandigheden wordt bedoeld een gelijke productklasse, geen water in de tank ten gevolge van condensatie (tijdelijke draining) en geen andere restproducten in de tank; Overwegende dat volgens de risico-evaluatie gevoegd bij de verklaring van de erkend deskundigen, een beoordeling van de bodem van de tanks gebeurt waarbij als referentie tanks worden gekozen die uit dienst zijn geweest, mogelijk geplaatst zijn binnen hetzelfde tankenpark en gelijkaardige producten bevatten; dat volgens de risicoberekening van 2002 voor tanks 405 en 406 de levensduur van de bodem berekend wordt tot 2023 en voor de tanks in zone 500 de levensduur van de bodem berekend wordt tot 2012; dat volgens de meest recente risico-evaluatie, namelijk de evaluatie van januari 2008, de berekende levensduur van alle resterende tanks 2019 is; dat bij telefonische navraag bij de erkend deskundige blijkt dat de laatste risico-evaluatie nauwkeuriger is dan deze van 2002 aangezien nu in 2008 de toestand van meer tanks gekend is (aangezien er nu al veel meer uit dienst zijn genomen geweest en het algemeen onderzoek zijn gepasseerd); Overwegende dat hij de risico-evaluatie in 2008 alle resterende 500-tanks worden vergeleken met de toestand van tanks 508 (4 mm inwendige corrosie in juli 2002), 501 (3 mm inwendige corrosie in januari 2008) en 502 (3,5 mm inwendige corrosie in oktober 2006) terwijl in 2002 deze enkel vergeleken werden met de referentietoestand van tank 508 die in juli 2002 een inwendige corrosie aangaf van 4 mm; dat het logisch is dat bijgevolg bij de meest recente evaluatie in 2008 de 500-tanks beter scoren in levensduurberekening (namelijk 2019 in plaats van 2012) aangezien ze vergeleken worden met tanks die het iets beter deden; Overwegende dat bij de risico-evaluatie in 2002 tanks 405 en 406 vergele- ken werden met referentietanks 402 en 404 die elk in januari 2001 een inwendige corrosie aangeven van 2 mm; dat bij de risico-evaluatie in 2008 tanks 405 en 406 worden vergeleken met de toestand van tanks 508 (4 mm inwendige corrosie in juli 2002), 501 (3 mm inwendige corrosie in januari 2008) en 502 (3,5 mm inwendige corrosie in oktober 2006) zodat bij de risico- evaluatie in 2008 de 405 en 406 een kortere levensduur bekomen (tot 2019 in plaats van tot 2023) aangezien de referentietanks het iets minder goed deden; Overwegende dat er een grote variabiliteit is op de metingen en berekening- en; dat het resultaat sterk afhankelijk is van de aannames en referentiepunten; Overwegende dat bij de levensduurberekeningen van de bodem van de tank moet gesteld worden dat er wordt uitgegaan van een restdikte van 1,25 mm op het einde van de levensduur; dat de erkend deskundigen rekening houden met de som van de algemene corrosiesnelheid en de kuiltjes-makende-('pitting') -corrosiesnelheid; Overwegende dat overeenkomstig de API-norm 653 de einddikte van een bodemplaat minimaal 0,1 inch of 2,5 mm moet zijn; dat API voor deze basiswaarde de minimale waarde met of inwendige of uitwendige corrosie neemt zodat een grotere restwaarde, namelijk 2,5 mm, moet aangehouden worden; dat bijgevolg volgens de erkend deskundige nog een aantal factoren in rekening mogen worden gebracht zoals de in- en uitwendige corrosie als vastgesteld bij de visuele controle en ultrasonische diktemetingen; dat volgens de erkend deskundige als restwaarde voor de bodemdikte 1,25 mm moet genomen worden; dat dit een zeer kleine waarde is voor de plaatdikte van de bodem, gezien het volume/gewicht van de tanks (2 tanks van elk 32.500 m³ en 6 tanks van elk 10.000 m³) en gezien voor nieuwe tanks een bodemplaatdikte wordt genomen van 5 à 6 mm plus nog circa 2 mm (corrosiemogelijkheid); Overwegende dat de exploitant er zeker van is dat er zich een identiek probleem als bij tank 501 (zijnde het voorkomen van een grote hoeveelheid uitgekristalliseerd residu dat uit de tank gekapt moet worden) zal voordoen bij VII-37.359-9/16 de tanks 504 en 507; dat er volgens hem eveneens een kans is dat dit probleem zich ook kan voordoen bij de andere resterende tanks 405, 406, 503, 505, 506 en 509; dat de exploitant bijgevolg bij de berekening van de termijnen voor het eerste algemene onderzoek uitgaat van de 'worst scenario' (slechtste scenario) waarbij voor de lediging en de reiniging van elke tank 6 maanden voorzien wordt; dat het evenwel helemaal niet zeker is dat deze situatie zich ook bij deze tanks zal voordoen; dat het evenmin zeker is dat voor de herstelling van elke tank eveneens 6 maanden zal nodig zijn; Overwegende dat de erkend deskundige voor de 500-tanks in de laatste risico-evaluatie (januari 2008) de uitdienstname vóór 2015 voorzag; dat echter, gelet op het in rekening brengen van een minimale dikte van de bodemplaat van maar 1,25 mm en dit voor zo'n grote tanks, het aangewezen is om de tanks vroeger uit dienst te nemen; dat de exploitant in de aanvraag een eindtermijn van het laatste algemeen onderzoek van 31 januari 2013 voorziet; dat het echter aangewezen is om, gezien het veiligheidsrisico, deze termijn nog te verkorten; dat het bovendien enkel voor tanks 504 en 507 zeker is dat de lediging en reiniging van de tank meer tijd in beslag zal nemen dan normaal; dat voor de andere tanks de kans groot is dat de lediging en reiniging veel vlotter zal verlopen; dat, indien gerekend wordt op een termijn van telkens circa 3 à 4 maand voor de reiniging en lediging van elk van de resterende tanks exclusief de tanks 504 en 507, de eindtermijn van het eerste algemeen onderzoek ruim een dik jaar vroeger kan gehaald worden; Overwegende dat het daarom aangewezen is om de uitvoering van het algemeen onderzoek voor de resterende 500-tanks vóór 1 januari 2012 op te leggen; Overwegende dat de exploitant voorstelt om de grote opslagtanks van zone 400 omwille van technische en commerciële redenen niet na elkaar buiten gebruik te stellen; dat de exploitant voorziet om eerst de werkzaamheden aan te vatten op een 10.000 m³-tank, vervolgens op een 32.500 m³-tank en dit nadien nog eens te herhalen zodat er nadien enkel nog 10.000 m³-tanks overblijven voor controle; Overwegende dat volgens de e-mail van 20 november 2008 van de erkend deskundige de tanks van zone 400, namelijk de tanks 405 en 406, vooraan in de planning van uitdienstname moeten genomen worden; dat deze aanname kan aangenomen worden aangezien dit de tanks zijn met het grootste volume (32.500 m³) die bijgevolg in geval van breuk dan ook de grootste impact zullen hebben; Overwegende dat dit concreet betekent dat eerst met de 400-tanks moet begonnen worden en daarna met de 500-tanks waarbij het eerste algemeen onderzoek op de laatste 500-tank moet uitgevoerd zijn uiterlijk 1 januari 2012; Overwegende dat het aangewezen is dat de exploitant zesmaandelijks de stand van zaken aan de afdeling Milieu-inspectie en de afdeling Milieuvergun- ningen rapporteert; dat dit in een bijzondere voorwaarde moet opgelegd worden; Overwegende dat de exploitant in de aanvraag nog de volgende alternatieve maatregelen voorstelt : - tankmetingen in het kader van het onderzoek naar de zettingen van de tanks (waterpassing en onderzoek van de ovaliteit (de 'scheefstand' van de tanks moet beneden het toegelaten maximum blijven)); dit onderzoek waarborgt de adequate sluiting van de tanks en verhindert daardoor ook het optreden van lekken en verliezen; - wanddiktemetingen op de tanks; - alle tanks zijn uitgerust met overvulbeveiligingen; - grondwateronderzoek; dat de voorlaatste maatregel van overvulbeveiligingen al sowieso opgenomen is in de bepalingen van het VLAREM en dus niet meer expliciet opgelegd moet VII-37.359-10/16 worden; dat er bij de eerste 2 maatregelen geen termijn wordt opgelegd; dat het aangewezen is om de wanddiktemetingen en de tankmetingen in het kader van de zettingen van de tanks op te leggen tijdens de uitvoering van een beperkt onderzoek; dat het eveneens aangewezen is om deze maatregelen, behalve de overvulbeveiliging, op te leggen in een bijzondere voorwaarde; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat de gevraagde toelating tot afwijking, mits oplegging van aangepaste voorwaarden, in te willigen, B E S L U 1 T: Artikel 1. De vraag van de NV Nafta, Haven 643, Scheldelaan 470, 2040 Antwerpen, wordt voor de tanks 405, 406, 503, 504, 505, 506, 507 en 509 van het tankopslagbedrijf gelegen op hetzelfde adres, kadastrale percelen, afdeling 18, sectie A, perceelnummer 150/b, onder de voorwaarden bepaald in onderhavig besluit, om af te wijken van de volgende bepalingen van titel II van het VLAREM: artikel 5.17.3.19, §4 : 'Het algemeen onderzoek bedoeld in artikel 5.17.3.16 dient, voorzover technisch mogelijk, een eerste maal uitgevoerd te worden uiterlijk op de date, vermeld in onderstaande tabel, afhankelijk van de ligging, de aard, de opgeslagen vloeistof en de klasse. ligging t.o.v. waterwingebieden of beschermingszones product klasse binnen buiten P1, P2, P3, P4 1, 2, 3 1 augustus 1998 1 augustus 2000 andere 1, 2, 3 1 januari 2003 1 januari 2005 In afwachting van dit algemeen onderzoek mogen de houders in werking worden gehouden. Vanaf de datum van het eerste algemene onderzoek dienen de periodieke onderzoeken uitgevoerd te worden volgens de bepalingen van artikel 5.17.3.16 en 5.17.3.17.", wordt ingewilligd. Art. 2. Deze afwijking wordt verleend voor een termijn die : 1/ aanvangt op de datum van ondertekening van onderhavig besluit; 2/ eindigt op 1 januari 2012. Art. 3. Deze afwijking is afhankelijk van de strikte naleving van de volgende voorwaarden : • het algemeen onderzoek dient op alle tanks uitgevoerd te zijn uiterlijk 1 januari 2012; • het algemeen onderzoek op tanks 405 en 406 gebeurt vóór het algemeen onderzoek van de tanks 503, 504, 505, 506, 507 en 509; • voor de opslagtanks wordt een aangepast tijdsplan ten laatste twee maanden na de ondertekening van onderhavig besluit overgemaakt aan de afdeling Milieuvergunningen (hoofdbestuur en buitendienst Antwerpen) en de afdeling Milieu-inspectie; • de exploitant maakt zesmaandelijks de stand van zaken over aan de afdeling Milieu-inspectie en de afdeling Milieuvergunningen (hoofdbestuur en buitendienst Antwerpen); • tijdens de uitvoering van een beperkt onderzoek worden wanddiktemetingen en tankmetingen uitgevoerd in het kader van het onderzoek naar de zettingen van de tanks (waterpassing en onderzoek van de ovaliteit (de 'scheefstand' van de tanks moet beneden het toegelaten maximum blijven)); • conform de bepalingen in de lopende vergunning wordt voorzien in de monitoring van de grondwaterkwaliteit door jaarlijkse onderzoeken. Art. 4. Deze afwijking doet geen afbreuk aan de rechten van derden". VII-37.359-11/16 IV. Moeilijk te herstellen ernstig nadeel Standpunt van de partijen 9. In haar inleidend verzoekschrift voert de verzoekende partij het volgend moeilijk te herstellen ernstig nadeel aan : "De onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing dreigt in hoofde van de verzoekende partij onmiddellijk een reëel ernstig nadeel te veroorzaken. Het staat immers nu reeds vast dat de verzoekende partij nooit zal kunnen voldoen aan de vooropgestelde termijnen en voorwaarden voorzien in het bestreden besluit. Dit is alleen al het geval omdat de verzoekende partij, in afwachting van de beslissing, reeds een aanvang heeft genomen met de uitvoering van het schema voorzien in haar afwijkingsaanvraag zodat op het ogenblik dat de bestreden beslissing aan de verzoekende partij werd betekend, reeds een 500-tank was geledigd en gereinigd en klaargemaakt voor revisie (stuk 11). De niet-na1eving van milieuvergunningsvoorwaarden is op basis van de thans geldende tekst van artikel 39 van het Milieuvergunningsdecreet een misdrijf dat wordt gesanctioneerd met een gevangenisstraf van 8 dagen tot 1 jaar en een geldboete van 100 tot 100.000 frank. Vanaf de inwerkingtreding per 1 mei 2009 van het Decreet van 21 december 2007 tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel XVI 'Toezicht, handhaving en veiligheidsmaatregelen', valt het bovendien niet uit te sluiten dat hetzij bestuurlijke maatregelen worden opgelegd, gaande van het bevel om activiteiten of werkzaamheden stop te zetten, het verbod op het gebruik van of verzegeling van de installaties die in overtreding zijn, of een bestuurlijke geldboete opgelegd en zelfs strafrechtelijk kan worden gesanctioneerd. Het niet respecteren van de artikelen 5.17.3.16§1 r, 5.17.3.19 Vlarem II wordt ook na 1 mei 2009 beschouwd als een milieumisdrijf aangezien het niet opgenomen is in de lijst van bijlage VII bij het Besluit van de Vlaamse Regering tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende de algemene bepalingen inzake milieubeleid. Het staat vast dat door de niet-naleving van de voorwaarden opgenomen in de bestreden beslissing, de verzoekende partij zich sowieso blootstelt aan belangrijke strafrechtelijke en administratieve sancties, die in het ergste geval kunnen leiden tot een gehele of gedeeltelijke sluiting van de installaties die in strijd met de bepalingen wordt geëxploiteerd. In het geval van de verzoekende partij zou zulks ertoe kunnen leiden dat naast en buiten een eventuele administratieve of strafrechtelijke geldboete, de exploitatie van de 8 nog niet gecontroleerde opslagtanks buiten gebruik zouden worden gesteld. Dit nadeel is bovendien moeilijk te herstellen. Uw Raad heeft reeds in het verleden meermaals aanvaard dat het nadeel dat voortvloeit uit de permanente overtreding van de bestreden beslissing en de blootstelling aan allerhande administratieve en strafrechtelijke sancties moeilijk te herstellen is (R.v.St. nr. 50.957 van 22 december 1994; zie ook R.v.St. nr. 64.592, 18 februari 1997). Wanneer ook het risico reëel is dat vanuit vermeende veiligheidsoverwe- gingen een verbod wordt opgelegd tot exploitatie van de 8 geviseerde opslagtanks, zullen de financiële gevolgen van deze buitengebruikstelling VII-37.359-12/16 dermate hoog oplopen dat zelfs op korte termijn het voortbestaan van de onderneming in het gedrang dreigt te komen en de vennootschap gedwongen zal worden de boeken neer te leggen. Minstens zal daardoor het financieel evenwicht van de vennootschap ernstig in het gedrang komen. Daarnaast brengt ook het door de overheid opgelegde tijdschema alleen al, los van eventuele strafrechtelijke en bestuursrechtelijke maatregelen aan de verzoekende partij een belangrijke financiële en commerciële schade toe, die ernstig is en op korte termijn een belangrijke weerslag zal hebben op de financiële resultaten van de verzoekende partij. Door het feit dat er een jaar beknibbeld is op de door de verzoekende partij aangevraagde realistische termijn betekent dit dat er minimaal drie tanks tegelijk buiten gebruik moeten worden gesteld. In principe zijn dit er twee maar als de laatste tank buiten gebruik gaat één dag voor het verstrijken van de termijn en buiten gebruik blijft tot deze weer een Vlarem keuring heeft gekregen is er in principe niets aan de hand. De praktijk leert dat de benodigde werkzaamheden voor het inspecteren en aansluitend herstellen van stookolie tanks (gebaseerd op de ervaringen met de tanks in area 5) al gauw minimaal 6 maanden in beslag nemen en dat daar grote kosten mee gepaard gaan. Momenteel gebeurt dit op een gecontroleerde manier in samenspraak met de klant in kwestie, immers de residuen die zich op de bodem van de tank bevinden worden op kosten van de klant verwijderd. Indien er simultaan drie tanks buiten gebruik worden gesteld heeft dit verregaande gevolgen want dan is er geen sprake meer van gecontroleerd buiten dienst stellen. De gevolgen kunnen samengevat worden als volgt: a. De klant zal de verzoekende partij beschuldigen van contractbreuk en een schadevergoeding eisen; b. De verzoekende partij zal bij wijze van compensatie tegenover de klant op eigen kosten elders opslagcapaciteit moet gaan huren. Het is een binnen de sector algemeen gekend gegeven dat op de huurmarkt de beschikbare tankopslagcapaciteit bijna onbestaande is, voor zover deze al beschikbaar zou zijn; c. Het leegruimen en verwerken van de residuen in de tank, een niet te onderschatten kost, wordt nu door de klant betaald. Indien de verzoekende partij de klant verplicht om meerdere tanks buiten gebruik te stellen, zal de verzoekende partij worden verplicht om deze aanzienlijke kosten te dragen; d. Er is een derving van inkomsten die voortvloeit uit het buiten gebruik stellen van deze tanks; e. De beschikbare budgetten voor de hele terminal zullen integraal dienen gebruikt te worden voor het inspecteren en herstellen van deze tanks, en zullen meer dan waarschijnlijk onvoldoende zijn door de derving van inkomsten. Dit betekent dat problemen in andere delen van de terminal niet optimaal kunnen worden aangepakt; f. Door het feit dat er drie tanks simultaan buiten dienst worden gesteld resulteert dit ook in een verminderde trafiek van zeeschepen en lichters en bijgevolg in een daling van de secundaire inkomsten als gevolg van een vermindering van diensten voor laden/lossen/tranfers; g. Er is een vrij grote kans dat de benodigde fondsen voor het inspecteren en herstellen van deze tanks een impact zullen hebben op de uitbetaling van de lonen van het personeel, met als mogelijk gevolg dat er personeelsleden moeten ontslagen worden en de tewerkstelling van om en bij de 75 personeelsleden in het gedrang komt; h. Er is een risico analyse uitgevoerd door een erkend deskundige die stelt dat de door de verzoekende partij gevraagde termijn nog ruimschoots kan overschreden worden. De manier waarop de behandelende ambtenaar met VII-37.359-13/16 deze risico analyse omgaat is zeer merkwaardig want het komt er op neer dat ze boudweg stelt dat de erkend deskundige niet weet waarover hij het heeft. i. De overheid erkent ook onrechtstreeks dat zij akkoord is met de modus operandi die de verzoekende partij hanteert bij het uitvoeren van de Vlarem inspecties op de opslagtanks. Een kort overzicht van de kosten — gebaseerd op inspectie van tank in area 5 - ziet er als volgt uit: • Leegruimen en verwerken van residus: i 500.000 • Reinigen van tank en verwerking spoelwaters: i 100.000 • Herstelling van tank (op basis van eerdere tanks): i 600.000 (zie stukken 12 t.e.m. 14). De kostprijs per tank bedraagt dus ongeveer 10 à 15% van de totale jaaromzet die wordt gegenereerd door de verhuur van tanks (code 70 van de jaarrekening 14.446.550,43 Euro) en neemt dus een zeer belangrijke plaats in de kostenstructuur van de onderneming van de verzoekende partij (stuk 15). Deze kosten houden nog geen rekening met de te verwachten schadevergoeding van de klanten en het huren van alternatieve opslagcapaciteit voor de klant en dit op kosten van de verzoekende partij (tarieven op de spotmarket zijn fundamenteel hoger dan deze voor lange termijn verhuur) en de derving van inkomsten door het buiten gebruik stellen en door een verminderde extra diensten als gevolg van een afname in de trafieken op de terminal. Het is nu eenmaal zo dat de stookolie klanten tot de actiefste klanten behoren. Uit het ontwerp van jaarrekening voor het inkomstenjaar 2008 blijkt dat de onderneming een verlies heeft geleden van 11.000.000 euro (stuk 15). De kredietlijnen bij de banken zijn optimaal benut en de banken hebben bovendien meermaals te kennen gegeven dat zij niet bereid zijn deze kredietlij- nen op te trekken (stuk 16). Dit betekent dat bijkomende investeringen die door de verzoekende partij zouden moeten gedragen worden op korte termijn het financieel evenwicht van de onderneming en zelfs haar voortbestaan in het gedragen zouden brengen. Uit het bovenstaande blijkt dat het financieel/economisch nadeel dat voortvloeit uit de bestreden beslissing ernstig is en bovendien moeilijk herstelbaar". 10. De verwerende partij merkt op dat de verzoekende partij zelf de toestand heeft gecreëerd waarover ze zich thans beklaagt; de verzoekende partij weet al veertien jaar dat de tanks een grondige keuring dienen te ondergaan. Het nadeel is volgens haar voorts financieel; de strafrechtelijke sancties zijn geen persoonlijk nadeel; de eventuele administratieve sancties brengen enkel een financieel nadeel mee wat niet aanvaardbaar is als moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Beoordeling 11. Luidens de bestreden beslissing beschikt de verzoekende partij in totaal over 70 bovengrondse tanks met een totale opslagcapaciteit van 830.000 m³, terwijl de gevraagde afwijking betrekking heeft op 8 tanks met een totale opslagca- VII-37.359-14/16 paciteit van 125.000 m³. Voor het overgrote deel van de tanks en de opslagcapaciteit stelt er zich dus geen gelijkaardig probleem. 12. Luidens haar aanvraag wenst de verzoekende partij een afwijking te bekomen die er op neerkomt dat zij tegen 31 januari 2013 alle nog te keuren tanks aan een algemeen onderzoek zal hebben onderworpen. In bijlage 6 bij de aanvraag zit een voorstel van timing voor de uitvoering van het algemeen onderzoek, waarbij per tank wordt aangegeven welke de start- en einddatum van de reinigings- en revisieperiode zijn. Elke reinigings- en revisieperiode bedraagt 6 maanden. Volgens de planning van de verzoekende partij moet de hele operatie voor de 8 tanks voltrokken zijn tegen 31 januari 2013. Volgens de bestreden beslissing wordt evenwel slechts een afwijking toegestaan die eindigt op 1 januari 2012. Dit betekent dat, volgens de planning van de verzoekende partij, er voor drie tanks een probleem rijst om de opgelegde datum te halen. Voor één van die drie tanks is er slechts een termijnoverschrijding van één maand. 13. Het lijkt op het eerste gezicht weinig overtuigend dat het tijdelijk buiten gebruik stellen, gedurende ongeveer één jaar, van drie tanks met een totale capaciteit van 30.000 m³, op een totaal aantal van zeventig tanks met een totale capaciteit van 830.000 m³, voor de verzoekende partij zulke zware financiële gevolgen zou hebben dat haar voortbestaan in gevaar komt. De verzoekende partij maakt niet aannemelijk dat dit haar voor onoverkomelijke problemen plaatst die haar in haar voortbestaan kunnen treffen. Evenmin wordt aannemelijk gemaakt dat een dergelijke beperkte en perfect voorzienbare vermindering van opslagcapaciteit, de verzoekende partij voor onoverkomelijke problemen plaatst ten opzichte van haar klanten. Op te merken valt ook dat de verzoekende partij reeds sedert de inwerkingtreding van Vlarem II in 1995 op de hoogte is van de verplichting tanks aan een algemeen onderzoek te onderwerpen. 14. De verzoekende partij betoogt dat zij het risico loopt om strafrechtelijk vervolgd te worden of om een administratieve sanctie opgelegd te krijgen. In elk geval moet men vaststellen dat de verzoekende partij prima facie pas vanaf 1 januari 2012 in overtreding kan zijn voor de tanks die op dat moment nog niet aan een algemeen onderzoek zijn onderworpen en die zij nog zou exploiteren. In het slechtst denkbare scenario volstaat het dat de verzoekende partij tegen VII-37.359-15/16 1 januari 2012 drie kleinere tanks buiten gebruik stelt tot zij aan een algemeen onderzoek zijn onderworpen om aan straf- of administratieve sancties te ontsnappen. 15. Aan de schorsingsvoorwaarde van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is niet voldaan. Die vaststelling volstaat om de vordering te verwerpen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen oktober tweeduizend en negen, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Pierre Barra, staatsraad, waarnemend voorzitter, met bijstand van Dieter Decock, griffier. De griffier De voorzitter Dieter Decock Pierre Barra VII-37.359-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.801 Gerelateerde publicatie(
  2. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.177 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.216.150 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.