← België

Arrest 196803 - Onteigeningen - 12/10/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.803 Rolnummer: A. 102636/X-10239 Zaak: Arrest 196803 - Onteigeningen - 12/10/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-10-16 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-30 03:40 Fiche Arrest nr 196.803 van 12 oktober 2009 Overheidsopdrachten en openbare werken - Onteigeningen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 196.803 van 12 oktober 2009 in de zaak A. 102.636/X-10.

  1. In zake :
  2. Werner BRANS,
  3. Noël CLAERHOUT,
  4. Yves FIERENS,
  5. Noël VAN HIJFTE, die woonplaats kiezen bij advocaat P. DILLEMANS, kantoor houdende te 3040 HULDENBERG, Loonbeekstraat 25 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. BERGÉ, kantoor houdende te 3000 LEUVEN, Naamsestraat
  6. tussenkomende partij : de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening, die woonplaats kiest bij advocaat M. VAN BEVER, kantoor houdende te 1850 GRIMBERGEN, Pastoor Woutersstraat 32/
  7. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Werner BRANS, Noël CLAERHOUT, Yves FIERENS en Noël VAN HIJFTE op 31 maart 2001 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 5 januari 2001 van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw waarbij de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening wordt gemachtigd over te gaan tot onteigening ten algemene nutte van onroerende goederen gelegen in de gemeente Huldenberg bestemd voor de uitvoering van drinkwatervoorzieningswerken; Gelet op het arrest nr. 102.320 van 21 december 2001 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; X-10.239-1/7 Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 4 februari 2002 ingediend door Werner BRANS, Noël CLAERHOUT, Yves FIERENS en Noël VAN HIJFTE; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 20 maart 2002 ingediend door de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening; Gelet op de beschikking van 22 april 2002 die de tussenkomst van de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 23 mei 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partijen; Gelet op de beschikking van 16 april 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 mei 2009; Gehoord het verslag van staatsraad J. VAN NIEUWENHOVE; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. DILLEMANS, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat J. SIMENON, die loco advocaat J. BERGÉ verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat T. CORNELISSEN, die loco advocaat M. VAN BEVER verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; X-10.239-2/7 OVERWEEGT WAT VOLGT :
  8. De feiten 1.
  9. Bij het bestreden besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 5 januari 2001 wordt de tussenkomende partij gemachtigd over te gaan tot onteigening ten algemene nutte van onroerende goederen gelegen in de gemeente Huldenberg, deelgemeente Neerijse, bestemd voor de uitvoering van drinkwatervoorzieningswerken. Het bestreden besluit wordt als volgt gemotiveerd: “Overwegende dat om de drinkwatervoorziening in Vlaams-Brabant in de nabije toekomst veilig te stellen een oppervlaktewaterwinning van 36.000 m³/dag uitbreidbaar tot 50.000 m³/dag wordt opgezet, omdat het hydrologisch moeilijk te verantwoorden is steeds dezelfde grondwaterlagen meer te belasten en volgens de prognoses in 2007 een verhoging van de drinkwaterproductiecapaciteit met 29.000 m³ noodzakelijk is; Overwegende dat de Dijle opwaarts Leuven over een basisdebiet beschikt waarvan het zwaartepunt van dit gebied in de bestaande drinkwater- infrastructuur van winningen en toevoerleidingen van Vlaams-Brabant ligt waardoor vooralsnog geen grootse toevoersystemen moeten aangelegd worden; Overwegende dat dit drinkwaterproject, L.I.J.N.-project genoemd gerealiseerd wordt binnen de bepalingen van het gewestplan Leuven, zoals het bij besluit van 23 juni 1998 door de Vlaamse regering is vastgesteld; Overwegende dat de aankoop van sommige onroerende goederen noodzakelijk is voor de verwezenlijking van het maatschappelijk doel van genoemde maatschappij; Overwegende dat de onmiddellijke inbezitneming van bedoelde onroerende goederen onontbeerlijk is voor het algemeen nut”. 1.
  10. De eerste verzoeker is mede-eigenaar van een perceel grond gelegen te Huldenberg, kadastraal bekend sectie B, nr. 327/e. Een gedeelte van dit perceel vormt de inneming nr.
  11. 1.
  12. De tweede verzoeker heeft verscheidene percelen grond in eigendom en in huur die binnen het gebied van de onteigeningsmachtiging zijn gelegen. De percelen gelegen te Huldenberg, kadastraal bekend sectie B, nrs. 375/a en 376 die de tweede verzoeker in eigendom heeft, vormen de innemingen nrs. 97 en 96 op het onteigeningsplan. 1.
  13. De derde verzoeker is mede-eigenaar van een perceel grond gelegen te Huldenberg, kadastraal bekend sectie B, nr. 327/d. Een gedeelte van dit perceel vormt de inneming nr.
  14. X-10.239-3/7 1.
  15. De vierde verzoeker is mede-eigenaar van een perceel grond gelegen te Huldenberg, kadastraal bekend sectie B, nr. 327/c. Een gedeelte van dit perceel vormt de inneming nr.
  16. Ten gronde 2.1.
  17. Een tweede middel wordt afgeleid uit de schending van artikel1 van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte. De verzoekers stellen dat er geen sprake is van hoogdringendheid. Uit de tijdstabel voor de uitvoering van de werken blijkt dat de werken aan het oostelijk bekken waarop de onteigeningen die de verzoekers treffen, betrekking hebben, worden aangevat in 2008, hetgeen de hoogdringendheid tegenspreekt. De overweging in het bestreden besluit “dat de onmiddellijke inbezitneming van bedoelde goederen onontbeerlijk is voor het algemeen nut” houdt geen concrete verantwoording in waaruit de noodzaak van de onmiddellijke inbezitneming blijkt. 2.1.
  18. De verwerende partij repliceert dat de onmiddellijke inbezitneming noodzakelijk is omdat de werken reeds ter voorbereiding van de verhoging van de drinkwaterproductiecapaciteit moeten worden aangevat. Nog voor het uitgraven ervan zou het oostelijk bekken dienen als terrein voor een tijdelijke ophoging. Daarenboven moeten er voor het westelijk en het oostelijk bekken gemeenschappelijke leidingen aangelegd worden die tevens over het terrein van het oostelijk bekken lopen. De verwerende partij verwijst verder nog naar de stavingsnota van de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening bij de aanvraag om een besluit tot onteigeningsmachtiging. 2.1.
  19. De tussenkomende partij stelt dat de hoogdringendheid in voldoende mate valt af te leiden uit het bestreden besluit. Om de noodzakelijke verhoging van de drinkwaterproductiecapaciteit te kunnen bereiken is een strikt tijdschema nodig waardoor de onmiddellijke inbezitneming van het oostelijk bekken noodzakelijk is. 2.1.
  20. In de memorie van wederantwoord dupliceren de verzoekers dat de hoogdringendheid niet met concrete gegevens gestaafd wordt. Uit de verklaringen van de bevoegde Vlaamse minister in het Vlaams parlement blijkt dat X-10.239-4/7 er geen noodzaak bestaat tot bijkomende waterwinning en zeker niet dat er sprake is van hoogdringendheid. 2.2.
  21. Naar luid van artikel 1 van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte, kan de onteigening volgens de regels van die wet slechts geschieden “wanneer de Koning vaststelt dat de onmiddellijke inbezitneming van een of meer onroerende goederen ten algemenen nutte onontbeerlijk is”. De aanwending van de uitzonderingsprocedure vastgesteld in de wet van 26 juli 1962, uitsluitend verantwoord door redenen van algemeen belang, is dan ook slechts toegestaan wanneer de “onmiddellijke inbezitneming” van het goed door de onteigenende overheid “onontbeerlijk is”. 2.2.
  22. Het onteigeningbesluit zelf toont de dringende noodzakelijkheid niet aan. Het overweegt wel dat de inbezitneming van de bedoelde onroerende goederen onontbeerlijk is voor het algemeen nut, met name het veilig stellen van de drinkwatervoorziening in Vlaams-Brabant in de nabije toekomst, maar daarmee is de noodzakelijkheid van een onmiddellijke inbezitneming niet aangetoond. 2.2.
  23. Ook de stavingsnota van de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening bij de aanvraag om een besluit tot onteigeningsmachtiging beperkt zich tot de noodzaak tot onteigening en toont niet aan dat de onmiddellijke inbezitneming van de betrokken onroerende goederen door de overheid onontbeerlijk is, zoals vereist is om toepassing te kunnen maken van de procedure bedoeld in de wet van 26 juli
  24. Bovendien wordt in de aanhef van de beslissing van 29 september 2000 van de raad van bestuur van de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening waarmee om een machtiging tot onteigening volgens de procedure bij hoogdringende omstandigheden werd verzocht, vermeld “dat de plannen voor de realisatie van dit project stilaan in concrete vorm dienen te worden gegoten (...)”. Hieruit blijkt duidelijk dat het project op dat moment nog niet zover was gevorderd dat de onmiddellijke inbezitneming van de goederen noodzakelijk was. Uit het bestreden besluit kan voorts evenmin worden opgemaakt dat de situatie sinds de voormelde beslissing zodanig was geëvolueerd dat de onmiddellijke inbezitneming noodzakelijk was. X-10.239-5/7 2.2.
  25. Het bestreden besluit miskent bijgevolg artikel 1 van de wet van 26 juli
  26. 2.
  27. Het tweede middel is gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  28. Vernietigd wordt het besluit van 5 januari 2001 van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw waarbij de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening wordt gemachtigd over te gaan tot onteigening ten algemene nutte van onroerende goederen gelegen in de gemeente Huldenberg bestemd voor de uitvoering van drinkwatervoorzieningswerken, in zoverre dat besluit betrekking heeft op de percelen gelegen te Huldenberg, kadastraal bekend sectie B, nrs. 327/e (inneming nr. 92), 375/a (inneming nr. 97), 376 (inneming nr. 96), 327/d (inneming nr. 91) en 327/c (inneming nr. 93). Artikel
  29. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 1394,12 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. X-10.239-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf oktober 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, J. VAN NIEUWENHOVE, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. R. STEVENS. X-10.239-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.803 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2001:ARR.102.320 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.