id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.805 Rolnummer: A. 166688/IX-5085 Zaak: Arrest 196805 - Tucht (openbaar ambt) - 12/10/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-10-15 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 03:40 Fiche Arrest nr 196.805 van 12 oktober 2009 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 196.805 van 12 oktober 2009 in de zaak A. 166.688/IX-
- In zake : Mario AERTS, wonende te TURNHOUT, Steenweg op Oosthoven 155/3 tegen : de NV De Post, die woonplaats kiest bij advocaat C. VAN OLMEN, kantoor houdende te BRUSSEL, Louizalaan
- ----------------------------------------------------------------------------------------------------- -- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Mario AERTS op 7 oktober 2005 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 18 juli 2005 van zijn onmiddellijke chef waarbij hij wordt afgezet en van de beslissing van diezelfde datum van de Employee & Union Relations Director waarbij hij zijn rechten op bevordering en op bevordering tot een hogere wedde niet kan doen gelden van 27 november 2002 tot en met 29 december 2002 en met ingang van 15 januari 2005 en waarbij zijn normale activiteitswedde wordt verminderd gedurende die perioden; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 28 juli 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 28 september 2009; IX-5085-1/16 Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat D. VLIEGEN die, loco advocaat A. VAN DEUN, verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat V. LEROY die, loco advocaat C. VAN OLMEN, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Gegevens van de zaak 1.
- De verzoeker was werkzaam als opsteller bij de NV De Post. 1.
- Wanneer hij op 30 september 2002 en de daarop volgende dagen niet opdaagt op zijn werkplek en blijkbaar ook niets van zich laat horen, vraagt zijn onmiddellijke chef hem op 3 oktober 2002 om uitleg over deze afwezigheid. De verzoeker antwoordt dat hij op 28 september 2002 is aan- gehouden wegens het bezit van softdrugs en dat hij, omdat hij reeds een gerechtelijk verleden heeft inzake drugsdelicten, in voorlopige hechtenis werd genomen, die door de raadkamer werd verlengd met één maand vanaf 4 oktober
- Hij stelt dat hij enkel gebruiker is van softdrugs en verder helemaal niets heeft misdaan, zoals het onderzoek zal uitwijzen. 1.
- Ingevolge deze feiten beslist de Employee Relations Manager op 2 oktober 2002 om de verzoeker met ingang van 3 oktober 2002 te schorsen in het belang van de dienst, zijn bezoldiging te verminderen en hem het recht te ontzeggen zijn aanspraken op bevordering en op weddeverhoging te laten gelden. Op 3 oktober 2002 tekent de verzoeker beroep aan tegen die beslissing. IX-5085-2/16 1.
- In een krantenartikel van 8 oktober 2002 wordt gemeld dat bij de verzoeker een huiszoeking werd verricht en dat er 600 xtc-pillen en meer dan 2000 lege ampules voor vloeibare xtc werden gevonden. Wanneer hij op 5 december 2002 daarover door zijn directe chef om uitleg wordt verzocht, verwijst de verzoeker naar het gerechtelijk onderzoek. 1.
- Volgens de verwerende partij blijft de verzoeker geschorst in het belang van de dienst tot en met 29 december 2002, wanneer bij gebrek aan bewijzen de schorsing wordt beëindigd. Wel wordt de verzoeker bij ordemaatregel overge- plaatst naar een ander postkantoor. 1.
- Op 20 februari 2004 wordt de verzoeker door de Correctionele Rechtbank van Turnhout veroordeeld tot onder meer een gevangenisstraf van één jaar wegens het bezit van en de handel in verdovende middelen. Het Hof van beroep te Antwerpen bevestigt in zijn arrest van 2 december 2004 dit vonnis en verhoogt de opgelegde gevangenisstraf tot 18 maanden omdat de verzoeker zich in staat van herhaling bevond daar hij reeds in 1996 voor gelijkaardige feiten was veroordeeld tot een gevangenisstraf van één jaar met uitstel. De verwerende partij krijgt kennis van het arrest van het Hof van beroep en op 15 december 2004 vraagt zij aan de verzoeker of de feiten kloppen en of hij nog rechtvaardiging en of opmerkingen kan doen gelden. De verzoeker antwoordt op 21 december 2004 dat hij zich wel schuldig heeft gemaakt aan het gebruik van verboden verdovende middelen maar dat hij geen drugsdealer was en zeker geen hoofddealer. Hij gaat niet akkoord met zijn veroordeling maar stelt om financiële redenen af te zien van een voorziening in cassatie. Hij verklaart dat hij te allen tijde bereid is om zich ook ten overstaan van de verwerende partij te rechtvaardigen voor de hem ten laste gelegde feiten van handel in verdovende middelen, daar hij onschuldig is. Hij wijst er ook op dat hij zich ten overstaan van de verwerende partij altijd correct heeft gedragen zowel vóór de feiten als nadien en hoopt dat hij zijn werk niet zal verliezen omdat hij het graag doet. 1.
- Op 7 januari 2005 beslist de Employee & Union Relations Director om de verzoeker met ingang van 15 januari 2005 opnieuw te schorsen in IX-5085-3/16 het belang van de dienst, zijn bezoldiging te verminderen en hem het recht te ontzeggen zijn aanspraken op bevordering en op weddeverhoging te laten gelden. De verzoeker tekent opnieuw beroep aan tegen deze beslissing. 1.
- Op 10 januari 2005 wordt de verzoeker door zijn hiërarchische chef uitgenodigd voor een onderhoud met betrekking tot diens intentie om de verzoeker de tuchtstraf van de afzetting op te leggen. De verzoeker stelt onder meer dat er zich tijdens zijn dienstuitvoe- ring nooit problemen hebben voorgedaan, ook niet na zijn overplaatsing, en dat er bijgevolg geen sprake kan zijn van een vertrouwensbreuk met de verwerende partij. Met een brief van 17 januari 2005 maakt hij nog bijkomende stukken over waarin zijn opeenvolgende directe chefs verklaren dat zij nooit moeilijkheden hebben ondervonden met de wijze van dienen van de verzoeker. 1.
- Zijn onmiddellijke chef is evenwel van mening dat hij zijn initieel voorstel moet behouden en straft de verzoeker met de afzetting bij beslissing van 9 februari
- Ter motivering stelt zijn onmiddellijke chef onder meer dat de zware veroordeling een onherstelbare vertrouwensbreuk veroorzaakt ten aanzien van de verzoeker, de waardigheid van het ambt aantast en afbreuk doet aan de goede naam van de verwerende partij. Voorts stelt zijn chef dat het feit dat de verzoeker geen geheim maakt van zijn veroordeling ten aanzien van zijn medewerkers waarover hij als dienstleider van de morgenvacatie de leiding heeft, een verdere samenwerking onmogelijk maakt vermits zijn onontbeerlijk gezag en aanzien in het gedrang komt, alsook het vertrouwen bij de collega’s in het algemeen. Op 18 februari 2005 stelt de verzoeker beroep in tegen die beslissing bij de commissie van beroep. 1.
- De commissie van beroep behandelt het beroep van de verzoeker op haar zitting van 29 juni
- Op die zitting behandelt zij niet alleen het beroep tegen de afzetting, maar ook het beroep tegen de beslissingen van 2 oktober 2002 en van 7 januari 2005 waarbij hij werd geschorst in het belang van de dienst met IX-5085-4/16 vermindering van bezoldiging en met ontzegging van het recht zijn aanspraken op bevordering en op weddeverhoging te laten gelden. De commissie gaat unaniem akkoord met de genomen maat- regelen. 1.
- Op dezelfde dag beslist de gedelegeerd bestuurder van de verwerende partij dat in afwijking van artikel 10 van de bijlage bij zijn beslissing van 18 januari 2002 inzake delegatie van bevoegdheden, de bevoegdheid tot het nemen van de beslissing tot schorsing in het belang van de dienst, zoals bepaald in artikel 98 van het administratief statuut van de postambtenaren en in artikel 7, eerste lid, van de richtlijn over de ordemaatregelen, in de procedure ingeleid tegen de verzoeker, wordt gedelegeerd aan de Employee & Union Relations Director. 1.
- Op 18 juli 2005 beslist zijn onmiddellijke chef om de verzoeker af te zetten. Dit is de eerste bestreden beslissing. Op dezelfde datum beslist de Employee & Union Relations Director dat de verzoeker zijn rechten op bevordering en op bevordering tot een hogere wedde niet kan doen gelden van 27 november 2002 tot en met 29 december 2002 en met ingang van 15 januari 2005 en dat ook zijn normale activiteitswedde wordt verminderd gedurende die perioden. Dit is de tweede bestreden beslissing. Gegrondheid 2.
- In een eerste middel voert de verzoeker aan dat de motivering van de bestreden beslissingen onjuist is, waar zij stelt dat de verwerende partij slechts na het arrest van 2 december 2004 van het Hof van beroep te Antwerpen officieel op de hoogte werd gebracht van de feiten. Met name werden in 2002 en 2004 naar aanleiding van die feiten reeds een schorsing en een mutatie opgelegd. IX-5085-5/16 Bovendien kon volgens de verzoeker geen enkele onregelmatig- heid worden vastgesteld in zijn tewerkstelling, zodat er geen sprake kan zijn van een onherstelbare vertrouwensbreuk. 2.
- De verwerende partij antwoordt dat de schorsing in het belang van de dienst en de overplaatsing van de verzoeker ordemaatregelen zijn en geen tuchtmaatregelen. De schorsing van de verzoeker in het belang van de dienst is volgens haar het gevolg van de veroordeling van de verzoeker door het Hof van beroep waarvan zij pas op 15 december 2004 kennis kreeg. De schorsing was een “voorzorgsmaatregel”. Zij erkent dat zij reeds voordien kennis had van het feit dat de verzoeker verdacht werd van het bezit van, en de handel in verdovende middelen, maar argumenteert dat het onomstotelijke juridische bewijs van deze feiten pas geleverd werd door het arrest van het Hof van beroep. Voorts betoogt zij dat die veroordeling een onherstelbare vertrouwensbreuk heeft veroorzaakt en dat dit bestraft werd met de afzetting. Deze sanctie is volgens haar op afdoende wijze gemotiveerd, nu uit de beslissing duidelijk blijkt welke feiten tot de tuchtstraf aanleiding hebben gegeven en om welke reden. Met name is afbreuk gedaan aan de goede naam van de verwerende partij en aan het gezag dat de ambtenaar nodig heeft voor het uitoefenen van zijn functie, is de waardigheid van het ambt aangetast en is een onherstelbare vertrouwensbreuk veroorzaakt. 2.
- De verzoeker repliceert dat zijn overplaatsing in 2002 werd genomen om hem “te beschermen tegen het wantrouwen bij de collega’s en om de goede werking van de dienst te verzekeren”, dat hem door de zonemanager is voorgehouden dat hij zelfs met een veroordeling kon blijven werken in een niet- commerciële functie en dat hij tussen 2002 en eind 2004 steeds tot tevredenheid van zijn werkgever heeft gewerkt. Er kan volgens hem dan ook geen sprake zijn van een vertrouwensbreuk. Hij stelt dat het verweer van de verwerende partij voorbijgaat aan het feit dat hij reeds was veroordeeld in eerste aanleg bij vonnis van 20 februari IX-5085-6/16 2004 dat onmiddellijk is meegedeeld aan de verwerende partij en dat hij desalniette- min nog tien maanden tot ieders tevredenheid heeft gefunctioneerd. Volgens hem kan de veroordeling in beroep dan ook niet tot een vertrouwensbreuk hebben geleid, vermits dit evenmin het geval was na de veroordeling in eerste aanleg. Ook gaat de verwerende partij volgens hem voorbij aan het feit dat hij nog een voorziening in cassatie kon instellen, zodat het arrest van het Hof van beroep niet het onomstotelijk bewijs van de feiten leverde. Hoewel hij toegeeft aan de verwerende partij te hebben meegedeeld om financiële redenen geen cassatievoorziening te zullen instellen, voert hij aan dat op het ogenblik van die mededeling de termijn om in cassatie te gaan nog niet verstreken was en dat hij eventueel de kosteloze rechtspleging had kunnen aanvragen. Het motief van de tuchtbeslissing dat hij ten aanzien van zijn collega’s waarover hij de leiding heeft geen geheim zou maken van zijn veroorde- ling is volgens hem geen pertinent motief, aangezien hiervan het bewijs niet wordt geleverd en het niet aan hem te wijten is dat zijn collega’s van de feiten op de hoogte zouden zijn geweest, nu die in een krantenartikel waren verschenen. Voorts betoogt hij dat de afzetting niet in verhouding staat tot de feiten. Met name dient niet enkel rekening te worden gehouden met de persoonlijke situatie van de betrokkene, maar ook met het belang van de dienst waarvoor hij instaat. Vermits zich geen problemen hebben voorgedaan wat zijn tewerk- stelling betreft, van 2002 tot eind 2004, hij reeds sinds 1 januari 1991 bij de verwerende partij is tewerkgesteld, hem werd beloofd dat hij in dienst zou kunnen blijven zelfs na een veroordeling en hij in een niet-commerciële functie werkte, is de opgelegde sanctie volgens hem buiten redelijke verhouding tot de feiten, nu hij hierdoor zijn inkomen, zijn anciënniteit en zijn pensioenrechten verliest en hij mede gezien zijn leeftijd nog moeilijk ander werk zal vinden. 2.4.1.
- De verzoeker voert aan dat de motivering van de bestreden beslissingen feitelijk onjuist is. Met name betwist hij dat de verwerende partij slechts na het arrest van 2 december 2004 van het Hof van beroep te Antwerpen officieel op de hoogte was van de feiten, vermits reeds in 2002 en 2004 naar aanleiding van die feiten maatregelen tegen hem zijn genomen. IX-5085-7/16 2.4.1.
- In oktober 2002 nam de verwerende partij kennis van het feit dat de verzoeker vervolgd werd voor het bezit van en handel in verdovende middelen. Als gevolg hiervan werd de verzoeker met ingang van 3 oktober 2002 geschorst in het belang van de dienst en werden hem begeleidende maatregelen opgelegd. Al deze maatregelen zijn maatregelen van inwendige orde die geen bestraffend oogmerk hebben. Vermits de verwerende partij geen zekerheid had over de schuld van de verzoeker, besloot zij om hem met ingang van 30 december 2002 niet langer preventief te schorsen. Wel werd de verzoeker bij wijze van ordemaatregel overgeplaatst. Op 21 december 2004 heeft de verzoeker naar aanleiding van het arrest van 2 december 2004 van het Hof van beroep te Antwerpen aan de verweren- de partij meegedeeld dat hij geen voorziening in cassatie ging instellen om financiële redenen. Slechts op dat ogenblik kreeg de verwerende partij uitsluitsel over de schuld van de verzoeker, vermits zij er nu mocht van uitgaan dat zijn veroordeling door het Hof van beroep definitief was. Aldus heeft de verwerende partij gewacht met het instellen van de tuchtprocedure tot er uitsluitsel bestond wat de schuld van de verzoeker betreft. Dit kan haar niet ten kwade worden geduid, nu tuchtfeiten pas voldoende bewezen worden geacht wanneer de tuchtoverheid voldoende bewijskrachtige gegevens heeft verzameld. 2.4.2.
- Voorts stelt de verzoeker dat er geen enkele onregelmatigheid kan worden vastgesteld in zijn wijze van dienen, zodat er geen sprake kan zijn van een vertrouwensbreuk. In die zin wijst hij er op dat tot zijn overplaatsing in 2002 beslist werd om hem te beschermen, dat hem door de zonemanager werd voorgehouden dat hij kon blijven werken zelfs met een veroordeling en dat hij tussen 2002 en eind 2004 steeds tot tevredenheid van zijn werkgever heeft gepresteerd. 2.4.2.
- Uit de omstandigheid dat de verwerende partij de verzoeker heeft laten verderwerken vanaf 30 december 2002 en ook na zijn veroordeling in eerste aanleg, kan niets doorslaggevends worden afgeleid inzake het al dan niet bestaan van een vertrouwensbreuk. De verwerende partij had op dat ogenblik immers nog geen uitsluitsel over de schuld van de verzoeker. Zoals reeds overwogen, kon zij er slechts op 21 december 2004 van uitgaan dat de veroordeling van de verzoeker door het Hof van beroep definitief was. Het argument dat de verzoeker tot eind 2004 zijn werk steeds tot tevredenheid van zijn werkgever heeft uitgevoerd, is niet relevant, IX-5085-8/16 nu de feiten waarvoor de verzoeker is veroordeeld geen verband houden met de uitvoering van zijn taak. Bijgevolg toont de verzoeker niet aan dat er geen sprake zou zijn van een vertrouwensbreuk tussen de verwerende partij en hemzelf. Bovendien blijkt uit de motivering van de eerste bestreden beslissing dat de vertrouwensbreuk niet het enige motief is. De afzetting is ook gesteund op de aantasting van de waardigheid van het ambt en op de aantasting van het gezag van de verzoeker als leidinggevende, nu hij ten aanzien van zijn collega’s waarover hij de leiding had geen geheim maakte van zijn veroordeling. 2.4.3.
- In zijn memorie van wederantwoord voert de verzoeker de schending aan van het evenredigheidsbeginsel. Hij schrijft dat de sanctie van de afzetting buiten verhouding staat tot de feiten. 2.4.3.
- Het gaat om een nieuw middel, dat de verzoeker reeds in zijn verzoekschrift had kunnen aanvoeren. Nu dit middel niet de openbare orde raakt, kan hij het dan ook niet op ontvankelijke wijze voor het eerst aanvoeren in zijn memorie van wederantwoord. 2.4.
- Het middel is niet gegrond. 3.
- In een eerste onderdeel van een tweede middel voert de verzoeker aan dat in de bestreden beslissingen niet wordt aangetoond dat de procedures op wettelijke wijze zijn verlopen, vermits het statuut van de postambtenaren en de richtlijnen bij dat statuut niet openbaar zijn gemaakt en hem niet bekend zijn. In een tweede onderdeel stelt hij dat de bestreden beslissingen niet tijdig zijn genomen en dat de termijn om over te gaan tot de afzetting dus niet is nageleefd, aangezien de verwerende partij reeds geruime tijd op de hoogte was van de feiten. In een derde onderdeel betoogt hij dat in de bestreden beslissingen niet wordt aangegeven waar hij in beroep dient te gaan en tegen wie. IX-5085-9/16 In een vierde onderdeel voert hij aan dat het onduidelijk is wie de bestreden beslissingen heeft genomen en of zij al dan niet daartoe bevoegd waren. 3.
- Op het eerste onderdeel antwoordt de verwerende partij dat het administratief statuut van de Post tot stand is gekomen op basis van artikel 33 van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven. Zij stelt dat dit statuut de rechtspositie van de ambtenaren bij de Post bepaalt en de basistekst vormt van hun loopbaan. Het is volgens haar dan ook zeer onwaarschijnlijk dat deze tekst aan de verzoeker niet bekend was, nu hij voornoemd statuut steeds kon raadplegen. Zij meent dat de verwijzingen naar het administratief statuut dan ook duidelijk zijn voor de verzoeker. Met betrekking tot het tweede onderdeel stelt de verwerende partij dat de bestreden beslissingen gegrond zijn op de veroordeling van de verzoeker van 2 december 2004 voor de handel in en het bezit van verdovende middelen, waarvan zij op 15 december 2004 kennis heeft genomen. Zij stelt dat artikel 95, § 3, van het administratief statuut in een verjaringstermijn voorziet van zes maanden voor het opstarten van de tuchtprocedure en dat die termijn gerespecteerd is, nu die procedure is opgestart in januari
- Voorts betoogt zij dat de verzoeker op 15 januari 2005 is geschorst in het belang van de dienst nadat hij reeds eerder een vraag om inlichtingen had ontvangen, dat hij op 10 januari 2005 werd uitgenodigd voor een onderhoud over de feiten, dat hij op 18 februari 2005 op de hoogte is gebracht van de beslissing van zijn onmiddellijke chef om hem af te zetten, dat de commissie van beroep zich op 29 juni 2005 akkoord heeft verklaard met de schorsing en de afzetting en dat de eindbeslissing is genomen op 18 juli
- Bijgevolg meent zij te hebben gehandeld binnen een redelijke termijn. Wat het derde onderdeel betreft, schrijft de verwerende partij dat in de beide procedures de verzoeker op de hoogte is gebracht van de mogelijkheid om tegen de beslissingen beroep aan te tekenen, wat hij ook heeft gedaan en wat heeft geleid tot het advies van de commissie van beroep. Voorts betoogt zij dat de bestreden beslissingen duidelijk de vermelding bevatten dat tegen deze beslissingen een schriftelijk beroep, bij aangetekend schrijven, kan worden ingediend bij de Raad van State binnen een termijn van zestig dagen na de betekening ervan. Bijgevolg is IX-5085-10/16 volgens haar voldaan aan artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Op het vierde onderdeel antwoordt de verwerende partij dat de bestreden tuchtsanctie overeenkomstig artikel 91 van het statuut genomen is door de onmiddellijke chef van de verzoeker. Zij stelt dat artikel 118 van het statuut bepaalt dat wanneer de commissie van beroep zich akkoord verklaart met de tuchtsanctie, de onmiddellijke chef de uiteindelijke tuchtsanctie oplegt, wat te dezen gebeurd is. De beslissing om de verzoeker zijn rechten op bevordering en op bevordering tot een hogere wedde te ontnemen, is volgens haar overeenkomstig artikel 98 van het statuut genomen door de gemachtigde van de afgevaardigd bestuurder op voorstel van de onmiddellijke chef van de betrokkene. Zij betoogt dat de onmiddellijke chef van de verzoeker op 27 december 2004 de maatregel heeft voorgesteld en dat deze is genomen door de Employee & Union Relations Director die daartoe door de gedelegeerd bestuurder was gemachtigd bij beslissing van 29 juni
- 3.
- De verzoeker repliceert dat de verwerende partij wel stelt dat de procedures correct zijn verlopen, maar dat zij het administratief statuut nog steeds niet heeft voorgelegd, zodat hij, noch de Raad van State er kennis kunnen van nemen. Bovendien voert hij aan dat geen formeel bewijs wordt geleverd van het feit dat hij toegang zou hebben gehad tot een computer in elk postkantoor, om het statuut te raadplegen, dat zelfs indien hij die toegang zou hebben gehad, in elk geval zijn rechten van verdediging zijn geschonden, vermits hij zich bij de inzage van de reglementering niet zou hebben kunnen laten bijstaan door zijn raadsman en dat hij trouwens geen toegang meer had tot de computer van een postkantoor, omdat hij disciplinair werd gestraft. Hij voegt daaraan toe dat de verwerende partij reeds in 2002 op de hoogte was van de feiten en dat zij ook onmiddellijk in kennis is gesteld van het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg, zodat de termijn van zes maanden om de tuchtvordering in te stellen niet is gerespecteerd en de duur van de procedure onredelijk lang is. IX-5085-11/16 Voorts betoogt hij dat het hem onduidelijk was of hij beroep diende in te stellen tegen degene die de beslissing had genomen, tegen de bureauchef, tegen de postmeester, tegen zijn postkantoor, tegen de verwerende partij of tegen de leden van de commissie van beroep en op welk adres dat beroep dan moest worden aangetekend. 3.4.
- Wat het eerste onderdeel betreft, heeft de verwerende partij met een brief van 23 februari 2009 op een vraag van het auditoraat geantwoord dat een integrale versie van de diverse boekdelen van het personeelsstatuut (administratief statuut, richtlijnen, ...) door alle personeelsleden op het intranet van de verwerende partij kan worden geraadpleegd en dat er in elk postkantoor minstens één computer staat waarop het intranet van de verwerende partij kan worden geraadpleegd. De verzoeker ontkent dit niet expliciet, maar stelt enkel dat de verwerende partij hiervan geen formeel bewijs levert en voorts gaat hij tweemaal in op de hypothese dat die computers wel ter beschikking waren. De verwerende partij maakt bijgevolg aannemelijk dat de personeelsleden van de verwerende partij in elk postkantoor het statuut via de computer kunnen raadplegen op het intranet. Aldus kon de verzoeker de bepalingen van het statuut wel degelijk kennen. Het lijkt ook erg onwaarschijnlijk dat de verzoeker en zijn raadsman de toegang tot de computer van het postkantoor waar eerstgenoemde was tewerkgesteld zou zijn geweigerd, wanneer de verzoeker na de bestreden beslissingen dit zou hebben gevraagd, met het oog op het instellen van een annulatieberoep. Bovendien blijkt niet dat de verzoeker vóór het indienen van zijn verzoekschrift de verwerende partij tevergeefs zou hebben verzocht het statuut over te maken. Bijgevolg kan de verzoeker bezwaarlijk volhouden dat het hem onmogelijk was kennis te nemen van het statuut met het oog op het onderhavig beroep. Voorts geniet een rechtshandeling het vermoeden van wettigheid. Aldus rust het initiatief om aan te tonen dat een rechtshandeling wettig is niet bij de verwerende partij. Het is aan de verzoeker om concrete elementen aan te voeren die tot de conclusie leiden dat de rechtshandeling onwettig is. Daarna is het aan de verwerende partij om zich hiertegen te verdedigen en te bewijzen dat de rechtshandeling wettig is. Een middel waarin wordt aangevoerd dat “niet (wordt) aangetoond dat de procedures (...) op wettelijke wijze tot stand zijn gekomen”, is dan ook geen ontvankelijk middel. Het onderdeel is niet ontvankelijk. IX-5085-12/16 3.4.
- Wat het tweede onderdeel betreft, luidt artikel 95, § 3, eerste lid, van het administratief statuut van de postambtenaren, zoals van toepassing ten tijde van de bestreden beslissingen, als volgt: “De tuchtvordering mag alleen op feiten slaan die zich hebben voorgedaan of die werden vastgesteld binnen een periode van zes maanden, voorafgaand aan de datum waarop de tuchtvordering wordt ingesteld.” Te dezen konden de feiten pas als voldoende vastgesteld worden beschouwd na de afloop van de gerechtelijke procedure, in het bijzonder nu die feiten zich in de privé-sfeer van de verzoeker situeren en hij de handel in verdovende middelen steeds heeft betwist. De verwerende partij stelt op 15 december 2004 kennis te hebben genomen van het arrest van het Hof van beroep. Dit wordt niet betwist door de verzoeker. Vermits de tuchtprocedure werd opgestart in de loop van de maand januari 2005, is de termijn van zes maanden waarvan sprake in voormeld artikel 95, § 3, eerste lid, gerespecteerd. Voor zover de verzoeker aanvoert dat de tuchtprocedure zelf onredelijk lang heeft aangesleept, dient te worden vastgesteld dat de eindbeslissing is genomen op 18 juli 2005, zodat de volledige tuchtprocedure, met inbegrip van de interne beroepsprocedure, in totaal 6,5 maanden heeft geduurd. Een dergelijke duur kan niet als onredelijk lang worden beschouwd. Ook van de tweede bestreden beslissing kan niet worden gesteld dat zij laattijdig is genomen, vermits ook zij is gesteund op de veroordeling van de verzoeker door het Hof van beroep en is genomen, na een interne beroepsprocedure, op dezelfde dag als de bestreden tuchtbeslissing. Bijgevolg is het onderdeel niet gegrond. 3.4.
- Met betrekking tot het derde onderdeel kan de verzoeker niet worden gevolgd waar hij stelt dat in de bestreden beslissingen niet wordt aangegeven waar hij in beroep dient te gaan. Beide beslissingen vermelden immers expliciet dat “een schriftelijk beroep, per aangetekend schrijven voor de afdeling Administratie van de Raad van State kan worden gebracht door elke partij die doet IX-5085-13/16 blijken van een benadeling of van een belang en dit binnen de termijn van 60 dagen vanaf de betekening van de beslissing”. Daarmee is voldaan aan het voorschrift van artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State om bij de betekening van de eindbeslissing de bestaande beroepen te vermelden alsook de in acht te nemen vormvoorschriften en termijnen. Hierbij is niet vereist dat ook de eventuele tegenpartij wordt vermeld. Bovendien zou een eventuele schending van die bepaling niet van invloed zijn op de regelmatigheid van de beslissing zelf, maar slechts tot gevolg hebben dat de beroepstermijn niet begint te lopen, zodat dit onderdeel niet tot vernietiging kan leiden. Het onderdeel is niet dienstig. 3.4.
- Wat het vierde onderdeel betreft, blijkt duidelijk uit de bestreden tuchtbeslissing dat zij is genomen door de onmiddellijke chef van de verzoeker, zijnde de postmeester van het kantoor Schilde. Uit de tweede bestreden beslissing blijkt duidelijk dat zij is genomen door de Employee & Union Relations Director. De verzoeker voert aan dat het onduidelijk is of zij al dan niet daartoe bevoegd waren. Zoals reeds overwogen, geniet een rechtshandeling het vermoeden van wettigheid. Aldus rust het initiatief om aan te tonen dat een beslissing is genomen door de daartoe bevoegde persoon niet bij de verwerende partij. Het is aan de verzoeker om concrete elementen aan te voeren die tot de conclusie nopen dat de beslissing is genomen door een onbevoegd persoon. Bijgevolg is dit deel van het vierde onderdeel, zoals geformuleerd door de verzoeker, niet ontvankelijk. In ondergeschikte orde bepaalt artikel 91 van het administratief statuut, zoals van toepassing ten tijde van de bestreden beslissingen, dat de tuchtstraf voor andere ambtenaren dan deze van de rangen 17, 16 en 15 wordt uitgesproken door de onmiddellijke chef of een andere hiërarchische meerdere. Artikel 118, § 2, tweede lid, van dat statuut bepaalt dat indien het advies van de IX-5085-14/16 commissie van beroep ongunstig is voor de verzoeker, de betwiste beslissing definitief wordt en er geen nieuwe beslissing moet worden genomen. Vermits de onmiddellijke chef van de verzoeker de afzettingsbeslissing zowel in eerste aanleg als na beroep heeft genomen, is die beslissing in elk geval, gelet op beide bepalingen, door de bevoegde persoon genomen. Krachtens artikel 98 van dat statuut wordt de schorsing in het belang van de dienst, die overeenkomstig artikel 99 van dat statuut kan gepaard gaan met het ontzeggen van het recht op bevordering en op bevordering tot een hogere wedde en met een vermindering van wedde, uitgesproken door de gedelegeerd bestuurder of zijn afgevaardigde. Te dezen was de afgevaardigde van de gedelegeerd bestuurder de Employee & Union Relations Director, zoals blijkt uit de beslissing van 29 juni 2005 van de gedelegeerd bestuurder inzake de delegatie van bevoegdheden vervat in het personeelsstatuut van de Post. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. 3.4.
- Het middel kan niet worden aangenomen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoeker. IX-5085-15/16 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 12 oktober 2009, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-5085-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.805 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.