id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.810 Rolnummer: A. 176353/X-13000 Zaak: Arrest 196810 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 12/10/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-10-16 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 03:40 Fiche Arrest nr 196.810 van 12 oktober 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 196.810 van 12 oktober 2009 in de zaak A. 176.353/X-13.
- In zake: de c.v.b.a. DE VLASHAARD bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Antoon Lust kantoor houdend te 8310 BRUGGE Baron Ruzettelaan 27 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Yves François kantoor houdende te 8790 WAREGEM Eertbruggestraat 10 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: Angeline SPILLEBEEN Rechtsgeding hervat door :
- Luc VALCKE
- Martine VALCKE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dirk Van Heuven en Jan Beleyn kantoor houdend te 8500 KORTRIJK President Kennedeypark 6/24 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 31 augustus 2006, strekt tot de nietigver- klaring van: - het besluit van 16 augustus 2006 van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar houdende weigering van een verkavelingsvergunning aan de c.v.b.a. De Vlashaard voor een goed met als ligging Wevelgem, Menenstraat zijstraat, kadastraal bekend Wevelgem sectie C, nr. 0 (1/ blad), 124/a. - de fictieve beslissing sine die van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar houdende weigering van een verkavelingsvergunning aan de c.v.b.a. De X-13.000-1/14 Vlashaard voor een goed met als ligging Wevelgem, Menenstraat zijstraat, kadastraal bekend Wevelgem sectie C, nr. 0 (1/ blad), 124/a. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 18 oktober
- De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Adjunct-auditeur A. Van Den Broeck heeft op 13 maart 2009 een verslag neergelegd. Met een beschikking van 18 juni 2009 is de datum van de terechtzitting vastgesteld op 11 september
- Staatsraad J. Clement heeft verslag uitgebracht. Advocaat I. Bockstaele, die loco advocaat Y. François verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat J. Beleyn, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur A. Van Den Broeck, daartoe gemachtigd bij beslissing van 31 oktober 2008 van de adjunct-auditeur-generaal, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Op 10 november 2004 (datum van het ontvangstbewijs) dient de verzoekende partij bij de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar een verkavelingsaanvraag in voor een perceel gelegen te Wevelgem, Menenstraat X-13.000-2/14 zijstraat, kadastraal bekend sectie C, nr. 0 (1/ blad), 124/a. De verkaveling voorziet 36 loten voor gesloten en halfopen woningen ten behoeve van sociale woningbouw alsook de aanleg van een nieuwe wegenis. 3.
- Volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 4 november 1977 vastgestelde gewestplan Kortrijk is het voornoemde perceel deels gelegen in woonuitbreidingsgebied, deels in agrarisch gebied. Het voornoemd perceel is gelegen binnen een zone voor woningen van het type aaneengesloten, halfopen en open bebouwing van het bij ministerieel besluit van 26 februari 1987 goedgekeurd bijzonder plan van aanleg nr. 29 “Normandiëstraat”. 3.
- Ter gelegenheid van het openbaar onderzoek van 14 februari 2005 tot 16 maart 2005 dient de tussenkomende partij een bezwaarschrift in. 3.
- Op 7 juni 2005 bevindt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Wevelgem het bezwaarschrift ontvankelijk doch ongegrond. Het college brengt tevens een gunstig advies uit over de aanvraag. 3.
- Op 18 november 2005 keurt de gemeenteraad het tracé van de wegenis goed. 3.
- Met een aangetekend schrijven van 5 april 2006 stelt de verzoekende partij de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar onder verwijzing naar artikel 14, § 3 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State in gebreke om binnen de termijn van vier maanden een beslissing over de aanvraag te nemen. 3.
- Op 16 augustus 2006 weigert de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar de gevraagde verkavelingsvergunning. Dit is het eerste bestreden besluit waarin onder meer het volgende wordt overwogen: “De aanvraag ligt tevens in het BPA (art. 15, vroeger art. 17) ‘NORMANDIESTRAAT’ (MB 26/02/1987) in een zone die voorbehouden is voor woningen van het type aaneengesloten, halfopen en open bebouwing. In deze zone gelden de stedenbouwkundige voorschriften die inherent verbonden zijn aan dit BPA. Bepaling van het plan dat van toepassing is op de aanvraag Het bijzonder plan van aanleg dateert van na de vaststelling van het gewestplan, zodat hier wordt geoordeeld op basis van het voor het goed meer gedetailleerde gemeentelijk plan van aanleg, zijnde het BPA ‘Normandiëstraat’. De aanvraag ligt tevens binnen de afbakening van het regionaal stedelijk gebied Kortrijk goedgekeurd bij BVR dd. 20/1/
- X-13.000-3/14 Overeenstemming met dit plan Principieel is het voorwerp van de aanvraag, vanuit louter planologisch oogpunt, in overeenstemming met de vastgelegde ordening van het gewestplan. De ruimtelijke en stedenbouwkundige toetsing blijkt uit de hierna volgende rubrieken. (...) ANDERE ZONERINGSGEGEVENS Op heden is een ontwikkeling aan de gang van een Gewestelijk Ruimtelijk Uitvoeringsplan (GRUP), genaamd ‘Leievalei en open ruimte omgeving Kortrijk’. Dit Gewestelijk RUP kadert in de door de Vlaamse regering vastgestelde afbakening van het regionaal stedelijk gebied van Kortrijk en geeft uitvoering aan de beslissing van de Vlaamse regering van 10.12.
- Dit Gewestelijk RUP beoogt een invulling te geven van de ontwikkelingsperspectieven voor de natuurlijke structuur - concreet voor riviervalleien van Vlaams niveau - en van de ontwikkelingsperspectieven voor het vrijwaren van het buitengebied voor de structuurbepalende functies landbouw en bos. Uiteraard voorziet dit Gewestelijk RUP geen toelating tot het bouwen van woningen op de betreffende zone. De vergunningverlenende overheid, in dit geval de Vlaamse regering of de gewestelijk stedenbouwkundige ambtenaar, kan bij het verlenen van de vergunning onder bepaalde voorwaarden afwijken van bestaande ruimtelijke uitvoeringsplannen zodra zij kennis heeft van de resultaten van het openbaar onderzoek dat over het ontwerp van het nieuwe uitvoeringsplan is gehouden. Dit Gewestelijk RUP bevindt zich in een voorontwerpfase waarvoor door de Vlaamse regering op heden nog geen voorlopig vaststelling werd gedaan. Op 14.02.2006 werd dit voorontwerp in plenaire vergadering besproken. Er werd nog geen openbaar onderzoek (cfr. art. 103 van het DRO) gehouden. Binnen de hiërarchie van de in overweging te nemen aanlegplannen heeft dit Gewestelijk RUP in ontwikkeling derhalve nog geen juridische waarde en primeert het BPA als planologisch referentiekader nog boven dit voorontwerp-Gewestelijk RUP. Toch is het vanuit behoorlijk bestuur, rekening houdend met de opties in de afbakening van het regionaal stedelijk gebied en verwijzende naar artikel 4 van het decreet, aangewezen rekening te houden met de gekende beoogde ruimtelijke ontwikkeling van het gebied in kwestie. (...) HISTORIEK Voor het betreffende gebied werd, overeenkomstig de bepalingen van het art. 15 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 met latere wijzigingen, halfweg de jaren tachtig het BPA ‘Normandiëstraat’ ontwikkeld. Hiermee werd de aanleg beoogd van een gegroepeerde bouw van volkswoningen met een sociaal karakter. Dit BPA bevat een deel van het vroegere BPA ‘Posthoorn Wijziging D’ dat bij KB van 03.09.1954 werd goedgekeurd. Momenteel wordt als gevolg van de afbakening van het ‘Regionaal Stedelijk Gebied Kortrijk’ een GRUP ontwikkeld (zie rubriek ‘Andere zoneringsgegevens’). Deze GRUP in ontwikkeling bevindt zich op vandaag in een stadium van voorontwerp dat nog niet voorlopig werd vastgesteld en waarvoor derhalve nog geen openbaar onderzoek is gebeurd. BESCHRIJVING VAN DE OMGEVING EN DE AANVRAAG IN OMGEVING ‘Het voorgestelde plangebied sluit aan bij de bestaande bebouwing en de urbanisering langs de Menenstraat. Deze bebouwing langs de Menenstraat, die behoort tot de periferie van de woonkern van Wevelgem, wordt gekenmerkt X-13.000-4/14 door een vrij heterogeen karakter met de woonfunctie als overwegende bestemming. Het plangebied zelf fungeert momenteel als landbouwgebied (akkerbouw), zie in dit verband het advies ter zake vanwege de afdeling Land. Het betreft een vraag tot verkavelen ten behoeve van sociale woningbouw van het type gesloten en halfgesloten woningen. De geplande verkaveling voorziet 36 loten alsook de aanleg van nieuwe wegenis vanaf de Menenstraat. Door de gemeenteraad werd het tracé van deze nieuwe wegenis goedgekeurd. Met dit ontwerp van verkaveling wordt uitvoering gegeven aan de met het BPA vastgelegde ordening. (...) BEOORDELING VAN DE GOEDE RUIMTELIJKE ORDENING Met haar advies geeft het college van burgemeester en schepenen duidelijk te kennen dat zij het betreffende gebied wilt ontwikkelen voor sociale woningbouw, zoals dit trouwens werd voorzien en vastgelegd in het BPA Normandiëstraat, tenzij garantie wordt gegeven inzake compensaties. Betreffende gebied wordt bovendien opgenomen in de gemeentelijke ‘sectorstudie wonen’ als een te ontwikkelen zone. Deze sectorstudie kadert in de visievorming die eerlang wordt vastgelegd in het in ontwikkeling zijnde Gemeentelijke Ruimtelijk Structuurplan. De GECORO heeft zich over dit standpunt omtrent de betreffende sectorstudie positief uitgesproken. Het gemeentebestuur stelt dat met een in voorkomend geval, in het licht van de eerder vermelde Gewestelijk RUP-ontwikkeling, schrappen van het gebied Posthoorn, de vastgelegde doelstellingen inzake sociale woningenbouw worden gehypothekeerd. Hieromtrent wordt verwezen naar het voorstel van afbakening van het regionaal stedelijk gebied Kortrijk BVR dd. 20/1/2006, waar in tabel 9 (...) het betrokken gebied nummer 227 het vrijwaren van de Leievallei voorstaat, indien dit gebied wordt gecompenseerd. In essentie wordt er over de compensatie duidelijkheid geschapen in de actie projectzone 5 (...) voor plangebied 7a Kleine Molen. Daar wordt voor het Gemengd woon-werkgebied stationsomgeving Wevelgem een ruimtelijk ontwikkelingsperspectief vooropgesteld door het formuleren van een visie voor de ontwikkeling van de stationsomgeving Wevelgem als gemengd woon-werkgebied die de principes omvat voor de inrichting en ontsluiting van dit stedelijk woon-werkgebied. Een fasering en de ontwikkeling van de beoogde typologie van wooneenheden en bedrijvigheid komen hierin aan bod. Bijzondere aandacht gaat uit naar de sociale huisvestingsmaatschappij in de ontwikkeling van het gebied. Dit kan een compensatie vormen voor het herbestemmen van de gronden van de sociale huisvestingsmaatschappij in de Leievallei. Deze compensatie heeft betrekking op het verwerven van de grond, de stedenbouwkundige voorschriften inzake de sociale woningbouw en de financiering. Het Vlaamse Gewest bakent in de verordenende bepalingen van het ruimtelijk uitvoeringsplan van de afbakening het gemengde woon-werkgebied aan. Hierbij wordt het sociale woningbouw karakter aangegeven. Met de ontwikkeling en de vastlegging van het betreffende BPA art. 15 werd in eerste instantie een invulling gegeven van het in het gewestplan vastgelegd ‘woonuitbreidingsgebied’. Dit betreffende gebied sluit aan achter de bebouwde omgeving van de Menenstraat en zoekt zijn ontsluiting via nieuw aan te leggen wegenis van 250 meter lang waarbij de aanleg erop is gericht ook latere bouwfasen in deze open ruimte te ontsluiten. Als dusdanig legt het plangebied van dit ontwerp van verkaveling een onmiddellijke hypotheek op het behoud van het open karakter van de Leievallei. X-13.000-5/14 Een vast te leggen en/of goed te keuren hierboven (zie ‘Andere zoneringsgegevens’) vermelde Gewestelijk RUP in ontwikkeling, biedt op vandaag weliswaar geen rechtsgrond om deze verkavelingsaanvraag af te wijzen. Toch wil men op Gewestelijk niveau deze gronden voorbehouden om ontwikkelingsperspectieven voor de natuurlijke structuur - concreet voor riviervalleien van Vlaams niveau - en van de ontwikkelingsperspectieven voor het vrijwaren van het buitengebied voor de structuurbepalende functies landbouw en bos te realiseren. Op vragen en onduidelijkheden met betrekking tot de voorgestelde ordening door verkavelen van het gebied (onder andere aansluitingen met belendende structuren, beperkte openbare en/of groene ruimte . . .) wordt niet verder ingegaan omwille van het standpunt met betrekking tot de opportuniteit van het aansnijden van het gebied. ALGEMENE CONCLUSIE Het project is in overeenstemming met de in het BPA Normandiëstraat vastgelegde ordening doch wordt om voornoemde redenen niet aanvaard”. 3.
- Op 9 februari 2009 stellen Luck Valcke en Angeline Spillebeen bij de Raad van State een vernietigingsberoep tegen de niet-opname van het perceel waarop het bestreden besluit betrekking heeft in het besluit van de Vlaamse Regering van 7 november 2008 houdende de definitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Leievallei en open ruimte omgeving Kortrijk” (zaak A 191.359/X-14.071). IV. De regelmatigheid van de rechtspleging 4.
- In haar memorie van wederantwoord werpt de verzoekende partij een exceptie op met betrekking tot de ontvankelijkheid van de tussenkomst. Volgens de verzoekende partij zou de tussenkomende partij geen actueel belang hebben om tussen te komen daar zij door de weigeringsbeslissingen volledige genoegdoening heeft bekomen. 4.
- Overeenkomstig artikel 21bis, § 1, eerste lid van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kunnen degenen die belang hebben bij de oplossing van de zaak er in tussenkomen. Dit betekent dat degene die wil tussenkomen een voordeel moet kunnen halen, in casu uit de verwerping van het beroep. De tussenkomende partij beroept zich op haar hoedanigheid als (mede)eigenares van een belendend perceel waarop de aangevraagde verkaveling betrekking heeft. De exceptie wordt verworpen. X-13.000-6/14 4.
- Blijkens het register der overlijdensakten van de gemeente Wevelgem is de tussenkomende partij overleden op 1 maart
- Met een verzoekschrift van 27 maart 2009 verklaren Luc Valcke en Martine Valcke het geding te hervatten in hoofde van de oorspronkelijk tussenkomende partij. V. Ontvankelijkheid van het beroep A. Aangevoerde excepties 5.1.
- In haar memorie van antwoord werpt de verwerende partij volgende exceptie op met betrekking tot de ontvankelijkheid van de vordering: “1 Het annulatieverzoek is tegen 2 ‘beslissingen’ gericht. In eerste instantie is het gericht tegen de weigeringbeslissing dd. 16.08.
- Dit is een administratieve rechtshandeling die inderdaad voor vernietiging vatbaar is. Verzoekende partij is de aanvrager en heeft binnen de 60 dagen het annulatieverzoek ingediend. Ratione materiae en temporis is het verzoek voor wat dit besluit betreft klaarblijkelijk ontvankelijk. 2 Het tweede bestreden besluit is het zogenaamde fictieve weigeringbesluit gegrond op art. 14 § 3 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. De overheid zou niet binnen de wettelijke termijn van 150 dagen een beslissing genomen hebben, waarbij na aangetekende aanmaning op 05.04.2006 een ultieme termijn van 4 maanden zou aangevangen hebben om een beslissing te nemen, zoniet zou een fictieve weigeringbeslissing tot stand gekomen zijn. Vooreerst dient terzake opgemerkt te worden dat het dossier voor de Gewestelijke Stedenbouwkundige Ambtenaar pas volledig was na de mededeling door het CBS van de gemeenteraadsbeslissing over het tracé van de wegenis. Deze kennisgeving gebeurde pas op 16.12.2005 waarna de termijn van 150 dagen is beginnen te lopen, zijnde tot 15.05.
- De brief dd. 05.04.2006 van verzoekende partij met ingebrekestelling overeenkomstig art. 14 § 3 was dus voorbarig aangezien de normale termijn nog niet verstreken was. Zodoende werd geen regelmatige ingebrekestelling verstuurd zodat er ook geen termijn overeenkomstig art. 14 § 3 aangevangen is. Hoogstens kon de termijn van 4 maanden slechts aanvangen na het verstrijken van de normale termijn, te rekenen vanaf 15.05.
- Het eerste bestreden besluit werd ook vanuit die optiek tijdig genomen. Er is derhalve in casu geen impliciete weigeringbeslissing. 3 Hoe dan ook verbiedt art. 14 § 3 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de administratieve overheid niet om ook na het verstrijken van de termijn van 4 maanden alsnog een beslissing te nemen. Alsdan kan enkel de expliciete rechtshandeling bestreden worden (...). De impliciete weigeringbeslissing is dan vervangen door een expliciete geschreven administratieve rechtshandeling. Welk voordeel kan verzoekende partij trouwens halen uit de vernietiging van dergelijke impliciete weigeringbeslissing? Dat het dossier alsdan X-13.000-7/14 opnieuw aan de overheid voor beslissing voorgelegd wordt? Diezelfde overheid heeft daarmee dan nog niet de verplichting om te beslissen, waardoor men in een vicieuze cirkel dreigt terecht te komen. Het beroep tegen de ‘tweede beslissing’ is dus onontvankelijk”. 5.1.
- In haar verzoekschrift tot tussenkomst werpt de tussenkomende partij volgende exceptie op met betrekking tot de ontvankelijkheid van de vordering: “A. De vordering tegen de eerste bestreden beslissing is onontvankelijk
- Het blijkt dat verzoekende partij op 5 april 2006 beroep heeft gedaan op artikel 14, § 3 R.v.St.-Wet. Deze bepaling luidt als volgt: ‘Wanneer een administratieve overheid verplicht is te beschikken en er bij het verstrijken van een termijn van vier maanden te rekenen vanaf de haar daartoe door een belanghebbende betekende aanmaning geen beslissing is getroffen, wordt het stilzwijgen van de overheid geacht een afwijzende beslissing te zijn waartegen beroep kan worden ingesteld. Deze bepaling doet geen afbreuk aan de bijzondere bepalingen die een andere termijn vaststellen of aan het stilzwijgen van de administratieve overheid andere gevolgen verbinden’.
- Verwerende partij stelt zich de vraag tegen welke beslissing moet opgekomen worden, hetzij tegen de fictieve weigeringbeslissing die naar haar oordeel is tussengekomen op 5 augustus 2006, hetzij tegen de weigeringbeslissing dd. 16 augustus
- Zij gedraagt zich terzake naar de wijsheid van uw Raad.
- Voor tussenkomende partij is de zaak klaar. Na het verstrijken van de termijn van vier maanden verliest de overheid de bevoegdheid om nog rechtsgeldig een beslissing te nemen. Aanvaarden dat na het verstrijken van de termijn van vier maanden nog een expliciete weigeringbeslissing kan worden genomen, met een (stilzwijgende) intrekking van de fictieve weigeringbeslissing als gevolg, zou in de praktijk betekenen dat de termijn van vier maanden naar (tenminste) zes maanden wordt verlengd, zijnde vier maanden ex artikel 14 § 3 R.v.St.-Wet + twee extra maanden intrekkingtermijn (gelijk aan de termijn waarbinnen voor uw Raad beroep kan aangetekend worden). Zo oordelen zou indruisen tegen de bedoeling van de wetgever. Komt daarbij dat in de tweede bestreden beslissing geen sprake is van welkdanige intrekking van de fictieve weigeringsbeslissing.
- Conclusie is dan ook dat de vordering, in zoverre gericht tegen de expliciete weigeringbeslissing dd. 16 augustus 2006 onontvankelijk is. Deze beslissing is immers onbestaande en sorteert geen rechtsgevolgen. Minstens kan verzoekende partij geen belang doen gelden bij haar vordering tot nietigverklaring van de expliciete weigeringbeslissing, nu deze haar geen enkel nut kan bijbrengen. De fictieve weigeringbeslissing blijft alsdan immers gestand. §
- De vordering tegen de tweede bestreden beslissing is eveneens onontvankelijk.
- Verzoekster richt haar annulatieberoep tegen twee onderscheiden beslissingen, namelijk, en in die volgorde: • de expliciete weigeringbeslissing dd. 16 augustus 2006; • de fictieve weigeringbeslissing s.d.
- Het is vaste rechtspraak van uw Raad dat wanneer in éénzelfde verzoekschrift verschillende administratieve rechtshandelingen worden aangevochten, waarop verschillende wetten en verordeningen gelden en die X-13.000-8/14 afzonderlijke onderzoeken en debatten noodzakelijk maken, de vordering enkel ontvankelijk zal zijn voor wat betreft de eerste bestreden beslissing . De eerste bestreden beslissing is de expliciete weigeringbeslissing. Het is ook tegen de expliciete weigeringbeslissing dat het enig middel is gericht (...). Deze vordering is echter onontvankelijk (...). Zulks belet evenwel niet dat de vordering, in zoverre tegen de tweede bestreden, niet correcte beslissing, eveneens onontvankelijk is. Voor de goede orde. De rechtsgrond van de eerste bestreden beslissing - het Decreet Ruimtelijke Ordening - en onderscheiden aan deze van de tweede bestreden beslissing, - artikel 14 § 3 R.v.St.- Wet.
- Hetgeen verzoekster eigenlijk van uw Raad vraagt, is dat zij tot identificatie zou overgaan van de beslissing die haar nadeel toebrengt. Het is evenwel niet aan uw Raad maar wel aan verzoekster zelf om te onderzoeken welke rechtshandeling haar treft. In werkelijkheid had verzoekende partij moeten kiezen, - en moeten kiezen om enkel of in de eerste plaats de fictieve weigeringbeslissing aan te vechten. Zo heeft zij niet gedaan. Haar vergissing leidt tot de onontvankelijkheid van de gehele vordering”. In haar toelichtende memorie stelt de tussenkomende partij: “
- Verwerende partij stelt dat er geen impliciete weigeringbeslissing is, en wel omdat de termijn van 150 dagen pas zou beginnen lopen na de mededeling door het college van burgemeester en schepenen aan de gewestelijk stedenbouwkundige ambtenaar van de gemeenteraadsbeslissing dd. 18 november 2005 waarbij de gemeenteraad van Wevelgem zijn goedkeuring heeft verleend aan het voorziene tracé van de wegenis.
- Deze stellingname druist in tegen artikel 133 § 1 D.R.O. 18 mei 1999 dat als volgt luidt: ‘Indien een verkavelingsaanvraag de aanleg van nieuwe verkeerswegen, de tracéwijziging, verbreding of opheffing van bestaande gemeentelijke verkeerswegen omvat en het college van burgemeester en schepenen meent dat de vergunning kan worden verleend, dan neemt de gemeenteraad een besluit over de wegen alvorens het college van burgemeester en schepenen over de vergunningsaanvraag beslist binnen de termijn bepaald in artikel 113.’ Artikel 113 D.R.O. 18 mei 1999 bepaalt dat het college van burgemeester en schepenen binnen de 150 dagen na de datum van indiening van de aanvraag, de beslissing naar de aanvrager betekent bij aangetekende brief. Dit betekent zodoende dat de beslissing van de gemeenteraad over de wegenis dient te komen voor de vergunningbeslissing, maar dit binnen de wettelijke termijn van 150 dagen. Met andere woorden, er is geen schorsing van de wettelijke termijn door de loutere omstandigheid dat de gemeenteraadsbeslissing moet tussenkomen.
- Anders dan verwerende partij is tussenkomende partij zodoende de mening toegedaan dat het wél is gekomen tot een impliciete weigeringbeslissing, - en dat na het verstrijken van de termijn ex artikel 14 § 3 R.v.St.-Wet de overheid de bevoegdheid verliest om nog rechtsgeldig een (expliciete) beslissing te nemen. Tussenkomende partij ziet zekerlijk niet het tegenovergestelde staan in het werk waarnaar door verwerende partij wordt verwezen. Het komt tussenkomende partij voor dat artikel 14 § 3 R.v.St.-Wet doelloos zou zijn indien het de overheid zou toegestaan worden om nog een expliciete X-13.000-9/14 beslissing te nemen (zelfs na intrekking van de fictieve weigeringbeslissing) buiten de termijn van 4 maanden.
- Aldus blijft tussenkomende partij, om de redenen uiteengezet in haar verzoekschrift tot tussenkomst bij haar standpunt dat het inleidende annulatieberoep onontvankelijk is”. B. Beoordeling 5.2.
- Artikel 14, § 3 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, luidt als volgt: “Wanneer een administratieve overheid verplicht is te beschikken en er bij het verstrijken van een termijn van vier maanden te rekenen vanaf de haar daartoe door een belanghebbende betekende aanmaning geen beslissing is getroffen, wordt het stilzwijgen van de overheid geacht een afwijzende beslissing te zijn waartegen beroep kan worden ingesteld. Deze bepaling doet geen afbreuk aan de bijzondere bepalingen die een andere termijn vaststellen of aan het stilzwijgen van de administratieve overheid andere gevolgen verbinden”. Artikel 32 van dezelfde wetten luidt als volgt: “Voor het instellen van een beroep tot nietigverklaring van een impliciet afwijzende beslissing gaat de verjaringstermijn in daags na het verstrijken van de in artikel 14, § 3, tweede lid, bepaalde periode van vier maanden. Indien de administratieve overheid na het verstrijken van de vier maanden een uitdrukkelijke beslissing neemt, staat daartegen in ieder geval beroep tot nietigverklaring open binnen de gewone in de procedureregeling bepaalde termijn”. 5.2.
- De termijn waarover de gemachtigde ambtenaar beschikt om over een verkavelingsaanvraag te beslissen, moet beschouwd worden als een termijn van orde. Na het verstrijken van deze termijn van orde blijft de overheid bevoegd om een beslissing te nemen, maar bij het uitblijven van een beslissing kan de aanvrager de vergunningverlenende overheid, overeenkomstig de procedure voorzien in het geciteerde artikel 14, § 3 van de wetten op de Raad van State, aanmanen. Verstrijken er vier maanden na de aanmaning zonder beslissing, dan kan de aanvrager bij de Raad van State een annulatieberoep instellen tegen de impliciete weigeringsbeslissing. Alsdan brengen de geciteerde wetsbepalingen evenwel niet mee dat de vergunningverlenende overheid haar beslissingsbevoegdheid verliest. X-13.000-10/14 5.2.
- Nu de verzoekende partij zowel opkomt tegen de impliciet afwijzende beslissing als de uitdrukkelijke weigeringsbeslissing over dezelfde aanvraag, is er geen grond meer om uitspraak te doen over de eerstgenoemde beslissing. 5.2.
- De ten aanzien van de eerste bestreden beslissing aangevoerde exceptie is ongegrond. De ten aanzien van de tweede bestreden beslissing aangevoerde exceptie is gegrond. Het beroep is onontvankelijk in zoverre het gericht is tegen de impliciet afwijzende beslissing. VI. Onderzoek van het enig middel A. Uiteenzetting van het middel 6.1.
- In het verzoekschrift wordt volgend enig middel aangevoerd: “De bestreden besluiten schenden: • art. 2, §1, art. 15 en art. 44, vierde lid van het Coördinatiedecreet ruimtelijke ordening van 22 oktober 1996; • art. 102, §1 van het Ruimtelijk Ordeningsdecreet van 18 mei 1999; • art. 5,1.1 van het Gewestplannenbesluit van 28 december 1972; • de voorschriften van het bijzonder plan van aanleg Normandiëstraat, goedgekeurd bij M.B. van 26 februari 1987; • het legaliteitsbeginsel. Zoals in het feitenrelaas uiteengezet, heeft de verzoekende partij bij de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar een aanvraag ingediend om een verkavelingsvergunning te bekomen betreffende het perceel te Wevelgem, kadastraal bekend, eerste afdeling, sectie C, nr. 124a en zulks ter verwezenlijking van haar maatschappelijk doel, nl. de bouw van groepsgewijze sociale woningen. Het hierbij bestreden besluit van 16 augustus 2006 erkent dat dit aanlegplan nog altijd van toepassing is en niet is vervangen door een ander aanlegplan of een ruimtelijk uitvoeringsplan. Het erkent eveneens dat er alsnog niet is beslist dit bijzonder plan van aanleg in herziening te stellen en dat er evenmin een voorlopig vastgesteld ontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan bestaat. Het zegt zelfs dat er inderdaad alsnog ‘geen rechtsgrond (is) om deze verkavelingsaanvraag af te wijzen’ (sic!). Desalniettemin wijst het de aanvraag af en zegt het dat op de vraag van de verzoekende partij om het gebied te mogen verkavelen ‘niet verder (wordt) ingegaan’ om de enkele reden dat de vraag niet spoort met het standpunt dat het Vlaamse gewest zou hebben ingenomen m.b.t. de toekomstige ordening van het gebied. Verwezen wordt naar een voorontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, waarmede de aanvraag niet zou sporen, doch waarvan wordt aangenomen dat het nog niet eens voorlopig is vastgesteld. Men mag aannemen dat diezelfde redenen aan de basis hebben gelegen van de impliciete weigeringsbeslissing sine die. X-13.000-11/14 Ziedaar een zelden gezien voorbeeld van een overheid die zich boven de wet stelt en dit dan nog open en bloot zegt ook! De overheid heeft nochtans een voorbeeld-functie zodat men er zou van uitgaan dat zij zichzelf vrijwillig aan de wet onderwerpt, zoals zij de burgers dwingt er zich aan te onderwerpen. Het legaliteitsbeginsel, fundament van een democratische rechtsstaat, is flagrant miskend. Art. 15 van het coördinatiedecreet van 22 oktober 1996 bepaalt dat een BPA zich, in afwijking van art. 14, kan beperken tot het aangeven van de bestaande toestand en van de grenzen van het gebied wanneer het betrekking heeft op wijken bestemd voor de gegroepeerde bouw van volkswoningen of kleine landeigendommen, wat het maatschappelijk doel is van de verzoekende partij als lokale huisvestingsmaatschappij. Het bij besluit van 26 februari 1987 goedgekeurd bijzonder plan van aanleg Normandiëstraat is zulk aanlegplan. Het bestemt de site tot woonuitbreidingsgebied, dit is een gebied dat uitsluitend bestemd is voor groepswoningbouw zolang niet anders over de ordening van het gebied is beslist (art. 5,1.1 Inrichtingsbesluit) wat te dezen het geval is. Dat aanlegplan heeft verordende kracht tot het door een ander plan is vervangen en er mag alleen worden van afgeweken in de gevallen die de wet bepaalt. Art. 44, vierde lid, coördinatiedecreet laat toe een vergunning te weigeren wanneer is beslist het BPA te herzien, wat te dezen niet het geval is. Art. 102, §1 van het decreet van 18 mei 1999 laat eveneens een weigering toe wanneer de aanvraag onverenigbaar is met een voorlopig vastgesteld ontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan. Ook dit is te dezen niet aan de orde. De bestreden besluiten schenden mitsdien apert al de aangehaalde wetsbepalingen door de vergunning te weigeren ofschoon wordt toegegeven dat daartoe ‘geen rechtsgrond (is)’. 6.1.
- Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het enig middel voert de tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot tussenkomst volgende exceptie aan: “
- Voorbehoud. Uit het feitenrelaas van verzoekende partij blijkt dat een gewestlijk ruimtelijk uitvoeringsplan in de steigers staat ter vrijwaring van de groene Leievallei. Uiteraard voorziet dit gewestelijk RUP geen toelating tot het bouwen van wonen op de betreffende zone. In de mate dit GRUP een feit is op datum dat uw Raad uitspraak doet over onderhavige zaak, en in de mate dit GRUP hetzij onaangevochten is door verzoekster, hetzij door uw Raad wettig wordt bevonden, heeft verzoekende partij geen belang bij haar vordering. Immers kan de vernietiging van de bestreden beslissingen alsdan onmogelijk resulteren in een verkavelingsvergunning”. B. Beoordeling 6.2.
- De exceptie van de tussenkomende partij met betrekking tot de ontvankelijkheid van het enig middel wordt verworpen, aangezien ze uitgaat van de verkeerde veronderstelling dat het perceel waarop het bestreden besluit betrekking heeft begrepen is in het beheersingsgebied van het op 7 november 2008 vastgestelde X-13.000-12/14 gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Leievallei en open ruimte omgeving Kortrijk”. 6.2.
- Het middel houdt onder meer in dat het bestreden besluit de bindende en verordenende kracht van het bij ministerieel besluit van 26 februari 1987 goedgekeurde bijzonder plan van aanleg “Normandiëstraat” miskent. 6.2.
- De verwerende partij en de tussenkomende partij stellen dat de vergunningverlenende overheid de aanvraag geweigerd heeft omwille van een concreet nakend planologisch initiatief ter vrijwaring van het open karakter van de Leievallei. Dienaangaande wordt in het bestreden besluit verwezen naar het als volgt luidende artikel 4 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening: “De ruimtelijke ordening is gericht op een duurzame ruimtelijke ontwikkeling waarbij de ruimte beheerd wordt ten behoeve van de huidige generatie, zonder dat de behoeften van de toekomstige generaties in het gedrang gebracht worden. Daarbij worden de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar afgewogen. Er wordt rekening gehouden met de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen voor het leefmilieu en de culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen. Op deze manier wordt gestreefd naar ruimtelijke kwaliteit”. 6.2.
- De overheid die over een vergunningsaanvraag moet beschikken kan de in het geciteerde artikel 4 verwoorde doelstellingen wel in haar beslissingsproces betrekken, doch mag via die weg geenszins de bindende en verordenende kracht van bestaande plannen van aanleg miskennen en die plannen buiten werking stellen. Van die plannen mag alleen worden afgeweken in de gevallen bij decreet bepaald. 6.2.
- Het middel is in de aangegeven mate gegrond. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt het besluit van 16 augustus 2006 van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar waarbij aan de c.v.b.a. DE VLASHAARD de verkavelingsvergunning wordt geweigerd voor een goed te Wevelgem, Menenstraat zijstraat, kadastraal bekend sectie c, nr. 0 (eerste blad), 124/a. X-13.000-13/14 De Raad van State verwerpt het beroep voor het overige.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 125 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twaalf oktober 2009, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, met bijstand van Astrid Truyens, griffier. De griffier De voorzitter Astrid Truyens Roger Stevens X-13.000-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.810 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div