← België

Arrest 196828 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 12/10/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.828 Rolnummer: A. 138320/IX-3828 Zaak: Arrest 196828 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 12/10/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-10-16 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 03:40 Fiche Arrest nr 196.828 van 12 oktober 2009 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. IXe KAMER nr. 196.828 van 12 oktober 2009 in de zaak A. 138.320/IX-

  1. In zake :
  2. de GEMEENTE HAMME
  3. de GEMEENTE WAASMUNSTER
  4. de POLITIEZONE HAMME-WAASMUNSTER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat bij het Hof van Cassatie, Johan Verbist kantoor houdend te Brussel Brederostraat 13 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat David D’Hooghe en Leopold Schellekens kantoor houdend te Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  5. Het beroep, ingesteld op 25 juni 2003, strekt tot de nietigverkla- ring van het koninklijk besluit van 26 maart 2003 houdende de toekenning van de “federale basistoelage” en een “toelage uitrusting handhaving openbare orde” aan de gemeente of aan de politiezone en een “toelage veiligheids- en samenlevingscon- tracten” aan sommige gemeenten voor het jaar
  6. II. Verloop van de rechtspleging
  7. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Henri Colin heeft een verslag opgesteld. IX-3828-1/13 De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 september
  8. Kamervoorzitter André Vandendriessche heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Dirk De Keuster, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Leopold Schellekens, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  9. III. Feiten 3.
  10. Met de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus (hierna: WGP) is de politiehervorming tot stand gebracht. 3.
  11. Naar luid van artikel 41, eerste lid, WGP wordt per politiezone jaarlijks een toelage uitgetrokken ten laste van de federale begroting, (hierna : de federale toelage). Die federale toelage wordt bepaald op basis van het aandeel van de federale overheid in de financiering van de lokale opdrachten van de politie en van de algemene en bijzondere federale opdrachten die binnen de betrokken zone worden vervuld; luidens het tweede lid, van artikel 41 bepaalt de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit de criteria en de nadere regels die in acht genomen moeten worden voor het bepalen en het uitbetalen van de federale toelage. IX-3828-2/13 In de toelichting bij artikel 41 wordt met betrekking tot de federale toelage gesteld wat volgt : “De financiële middelen van de gemeenten zullen worden aangevuld met een jaarlijkse federale dotatie die aan de zone wordt toegekend en waarvan het bedrag de kosten dekt van het personeel van de federale politie dat daadwerke- lijk wordt geïntegreerd in de lokale politie, met inbegrip van het administratief en logistiek personeel, de werkingskosten en de beheerskosten, aangezien, vóór het werkelijk over te dragen personeel wordt bepaald, de lijst moet worden opgemaakt van de opdrachten van federale aard die door de lokale politie moeten worden uitgevoerd, maar ook van de opdrachten ter ondersteuning waarmee de federale politie wordt belast.” 3.
  12. Met het koninklijk besluit van 24 december 2001 wordt een regeling uitgewerkt om aan de politiezones een voorschot op de federale basistoela- ge te kunnen toekennen voor het jaar
  13. Voor de berekening van die toelage wordt decisief rekening gehouden met de zogenaamde “KUL-norm”. Het gaat om “een wetenschappelijk uitgewerkte verdeelsleutel met een regressieve analyse” die in de bijlage I bij het koninklijk besluit van 24 december 2001 als volgt wordt toegelicht: “IV. Uitwerking van de “KUL-norm” Het totaal effectief van de politie kan verdeeld worden volgens objectieve parameters over de gemeenten en de zones. Het is zonder meer duidelijk dat elke zone beschikt over zijn bepaalde specificiteit en diversiteit. Alle relevante parameters die een invloed hebben op de aanwezigheid van het personeel zijn in kaart gebracht. Indien een bepaalde specificiteit geen verklarende invloed heeft op de aanwezigheid van politieper- soneel, en er dus geen oorzakelijk verband werd gedetecteerd, dan werd deze specificiteit niet weerhouden als parameter. De ‘KUL-norm’ leidt dus tot het toewijzen aan elke gemeente van het Koninkrijk of aan elke zone, van een aantal politiepersoneel dat wetenschappe- lijk werd bepaald, rekening houdende met die objectieve parameters. Deze ‘norm’ zal alleen maar gebruikt worden als verdeelsleutel voor de financiële middelen en mag dus niet verward worden met de werkingsnorm van een lokaal politiekorps. Om de daadwerkelijke federale basistoelage per zone vast te stellen. wordt de voormelde KUL-norm vermenigvuldigd met 16.519 euro (670 412 BEF), zijnde het bedrag van de federale basistoelage uitgedrukt per personeelseen- heid.” 3.
  14. In het Belgisch Staatsblad van 13 augustus 2002 verschijnt het koninklijk besluit van 2 augustus 2002 houdende de toekenning van de definitieve federale basistoelage, een toelage uitrusting handhaving openbare orde en een IX-3828-3/13 toelage veiligheids- en samenlevingscontracten, aan sommige politiezones en aan sommige gemeenten voor het jaar 2002, en tot wijziging van het koninklijk besluit van 24 december 2001 houdende de toekenning van een voorschot op de federale basistoelage voor het jaar 2002 aan de politiezones en van een toelage aan sommige gemeenten. Ook dit besluit bevat geen precieze uiteenzetting van de KUL-norm. Er wordt gewoon verwezen naar de beoordelingselementen vermeld in het koninklijk besluit van 24 december
  15. 3.
  16. In het Belgisch Staatsblad van 28 april 2003 verschijnt het koninklijk besluit van 26 maart 2003 houdende de toekenning van de “federale basistoelage” en een “toelage uitrusting handhaving openbare orde” aan de gemeente of aan de politiezone en een “toelage veiligheids-en samenlevingscontrac- ten” aan sommige gemeenten voor het jaar
  17. Dat koninklijk besluit maakt het voorwerp uit van het onderhavig beroep tot nietigverklaring. Naar luid van artikel 2 van het besluit wordt voor het jaar 2003 aan elke gemeente of aan elke meergemeentepolitiezone, naar gelang het geval, een federale toelage toegekend, zoals weergegeven in bijlage I bij het besluit; blijkens bijlage I bedraagt de federale basistoelage voor het jaar 2003 voor de politiezone Hamme-Waasmunster 968.087,75 euro. Naar luid van artikel 5, wordt er aan de gemeente of aan de meergemeentepolitiezone, vernoemd in bijlage II bij dit besluit, een “toelage uitrusting handhaving openbare orde”, toegekend voor een totaalbedrag van 346.000 euro, verdeeld onder de gemeenten en de politiezones zoals vastgelegd in dezelfde bijlage; blijkens bijlage II bedraagt de “toelage uitrusting handhaving openbare orde” voor het jaar 2003 voor de politiezone Hamme-Waasmunster 670,16 euro. Wat betreft de federale basistoelage, wordt in het verslag aan de Koning gesteld : “I. De federale basistoelage De afgelopen maanden werden de concrete aanvaardbare meerkosten van alle politiezones geëvalueerd. De globale enveloppe federale toelage, die gelijk is aan de som van alle aanvaardbare meerkosten van alle politiezones en die de basis vormt voor de bepaling per politiezone van de initiële basistoelage, werd bijgestuurd. De theoretische federale basistoelage per politiezone, na toepassing IX-3828-4/13 van het interzonaal en federaal solidariteitsmechanisme, is bepaald in het koninklijk besluit van 2 augustus 2002 houdende de toekenning van de definitieve federale basistoelage, een toelage uitrusting handhaving openbare orden en een toelage veiligheids- en samenlevingscontracten, aan sommige politiezones en aan sommige gemeenten voor het jaar 2002, en tot wijziging van het koninklijk besluit van 24 december 2001 houdende de toekenning voor het jaar 2002 aan de politiezones en van een toelage aan sommige gemeenten (Belgisch Staatsblad 13 augustus 2002), verder ‘K.B. 2/8/2002’ genoemd. De theoretische federale basistoelage zoals vastgesteld in bijlage 1 van voormeld koninklijk besluit vormt de basis voor de federale basistoelage 2003, mits volgende aanpassingen : 1/ in uitvoering van het akkoord van 11 juni 2002 tussen de Regering en de vertegenwoordigers van de Verenigingen van Steden en Gemeenten wordt de solidariteit die geleverd wordt door de politiezones in de situaties 1 en 3 afgebouwd over een periode van 12 jaar. 2/ in uitvoering van datzelfde akkoord van 11 juni 2002 wordt specifiek voor de Brusselse zones voorzien in een ‘Toelage Brussels Hoofdstedelijk Gewest’. De toelage wordt voor het eerst toegekend in 2003 en stijgt geleidelijk volgens het aantal jaren aanwezigheid van het personeelslid in Brussel. Voor het jaar 2003 wordt de toelage per personeelslid aan 100 % geraamd op 669 euro. 3/ een voorlopig geraamde indexatie van 1,5 %, zijnde het vooropgestelde inflatiepercentage van het betreffende federaal budget zoals dit wordt bepaald in de omzendbrief van de Minister van Begroting, met betrekking tot de voorafbeelding van de rijksmiddelenbegroting
  18. In overeenstemming met artikel 4 van het K.B. 2/8/2002 wordt de federale basistoelage aangepast aan de reële evolutie van de gezondheidsindex. Hoger vernielde voorlopig geraamde indexatie van 1,5 56 zal, indien nodig, in een volgende federale begrotingscon- trole worden bijgestuurd. De bedragen van de federale basistoelage zoals weergegeven in bijlage I van het besluit, worden aan de gemeente of de meergemeentepolitiezone, naar gelang het geval, toegekend. In het geval van een ééngemeentezone wordt het bedrag aan de gemeente toegekend. De uitbetaling gebeurt eveneens aan de gemeente of aan de meergemeentepolitiezone, naar gelang het geval en geschiedt in twaalfden, met ingang van de maand januari
  19. Bij de bepaling van de federale basistoelage voor het jaar 2003 werd geen rekening gehouden met de resultaten van de tegensprekelijke debatten die in de loop van de maanden oktober, november en december 2002, in toepassing van artikel 7 van het koninklijk besluit van 2 augustus 2002 houdende de toeken- ning van de definitieve federale basistoelage, een toelage uitrusting handhaving openbare orde en een toelage veiligheids- en samenlevingscontracten, aan sommige politiezones en aan sommige gemeenten voor het jaar 2002, en tot wijziging van het koninklijk besluit van 24 december 2001 houdende de toekenning van een voorschot op de federale basistoelage voor het jaar 2002 aan de politiezones en van een toelage aan sommige gemeenten (Belgisch Staatsblad 13 augustus 2002). De verwerking van deze resultaten zal deel uitmaken van aparte koninklijke besluiten.” IX-3828-5/13 IV. Ontvankelijkheid van het beroep 4.
  20. In het auditoraatsverslag is ambtshalve vastgesteld dat het bestreden besluit een verzameling van individuele besluiten is zodat het belang van de verzoekende partijen beperkt is tot de beslissing die hun eigen situatie regelt. Er is tevens uiteengezet dat de verzoekende partijen geen wettigheidskritiek uitoefenen op de beslissing waarbij hen een “toelage uitrusting handhaving openbare orde” wordt toegekend. 4.
  21. In hun laatste memorie betwisten de verzoekende partijen dat hun belang beperkt zou zijn tot de regeling van hun eigen rechtstoestand. Zij zijn van oordeel dat een hogere toelage een oplossing zou kunnen zijn voor het tekort op hun begroting, dat andere politiezones teveel financiële middelen hebben gekregen - hetgeen zij ook in een middel hebben aangeklaagd- en dat een vernietiging van het gehele besluit reden kan zijn om alle dotaties te herberekenen. 4.
  22. Volgens de laatste memorie van de verwerende partij moet er na een vernietiging geen volledige herverdeling van de dotaties komen, maar zal de toelage herberekend worden met inachtneming van het koninklijk besluit van 7 april
  23. Het gegrond bevinden van de middelen leidt niet tot een volledige herbereke- ning van de dotaties, aangezien het eerste middel betrekking heeft op de formele regelmatigheid van de beslissing en het tweede middel betrekking heeft op de toelage die aan de verzoekende partijen toegekend is. 4.
  24. De verzoekende partijen tonen niet aan dat de vernietiging van de federale toelage die aan henzelf toegekend is, hen maar tot voordeel kan strekken wanneer het bestreden besluit in zijn geheel, dit wil zeggen voor alle politiezones, vernietigd wordt. Het blijkt niet dat de toelage van de verzoekende partijen niet herberekend kan worden zonder de toelagen van de andere politiezones opnieuw in vraag te stellen. De omstandigheid dat de verzoekende partijen de onwettigheid van hun eigen federale toelage voor 2003 vastgesteld willen zien op basis van de vergelijking van hun situatie met die van een naburige zone, betekent niet dat de beslissing over de toelage aan die andere zone bij het beroep betrokken moet worden. De exceptie is gegrond. 4.
  25. De verzoekende partijen betwisten niet dat de beslissing omtrent de toekenning van een toelage voor “uitrusting handhaving openbare orde” niet tot IX-3828-6/13 het voorwerp van het beroep behoort. Het beroep is derhalve slechts ontvankelijk in zoverre het gericht is tegen de beslissing waarbij de federale toelage 2003 voor de politiezone Hamme/Waasmunster vastgesteld wordt. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen 5.
  26. De verzoekende partijen voeren de schending aan van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Voorts ook van “de materiële motiveringsverplichting, het transparantiebeginsel en de zorgvuldigheidsplicht”. Zij ontwikkelen het middel als volgt: - het bestreden besluit is een individueel besluit want het bepaalt voor elke politiezone een bepaalde federale basisdotatie voor het jaar
  27. Als besluit met individuele strekking diende het besluit formeel gemotiveerd te worden, dit wil zeggen dat er een uiteenzetting diende opgenomen te worden waarom beslist werd om dat welbepaald bedrag aan de politiezones toe te kennen. Dat zou hen -en de Raad van State- toegelaten hebben te begrijpen waarom zij slechts 968.087,75 euro ontvangen. Er kan niet verwezen worden naar de bedragen die de voorgaande jaren toegekend zijn, want die bedragen zijn evenmin gemotiveerd. En zou het om een reglementair besluit gaan, dan had het moeten voorgelegd worden aan de afdeling Wetgeving van de Raad van State; - de berekening van de federale basistoelage gebeurde niet aan de hand van vooraf bepaalde en objectief verifieerbare criteria. De verwerende partij verwijst naar de “KUL-norm” en het solidariteitsmechanisme, maar die normen zijn niet reglementair bepaald en de juiste draagwijdte ervan is ook niet gekend. Verder ontbreekt ook iedere motivering van het bedrag van 70.128,90 euro. 5.
  28. De verwerende partij antwoordt dat het bestreden besluit niet van reglementaire aard is, aangezien het aan een bepaalde doelgroep een bepaalde toelage voor het jaar 2003 toekent. De formele motiveringsverplichting, die geldt voor een individueel besluit, moet in redelijkheid opgevat worden wanneer het gaat om een “opeenstapeling van individuele beslissingen”: er moet geen individuele IX-3828-7/13 verantwoording worden gegeven voor elk bedrag; het kan volstaan dat uit het administratief dossier en de beslissing opgemaakt kan worden “op grond van welke beginselen een bepaald bedrag wordt toegekend aan een bepaalde zone”. En die beginselen worden wel degelijk vermeld in het bestreden besluit: in het verslag aan de Koning wordt uiteengezet dat de basistoelage 2003 vertrekt van de federale basistoelage zoals die voor het jaar 2002 werd bepaald in het koninklijk besluit van 2 augustus 2002, met een aantal aanpassingen voor het jaar 2003 die concreet verduidelijkt worden. Er wordt overigens ten onrechte aangevoerd dat de KUL-norm en het solidariteitsprincipe niet tot grondslag zouden mogen dienen voor de berekening van de toelage, aangezien de Vereniging van Steden en Gemeenten dat uitgangspunt heeft aanvaard en deze beginselen vervat liggen in het koninklijk besluit van 21 december
  29. 5.
  30. De verzoekende partijen repliceren dat zij uit het bestreden besluit en het verslag aan de Koning niet kunnen opmaken hoe het hen toegekend bedrag berekend is zodat elke individuele motivering ontbreekt. Het besluit verwijst wel naar het koninklijk besluit van 2 augustus 2002, maar dit besluit biedt ook onvoldoende duidelijkheid om de toelage te berekenen, evenmin als het koninklijk besluit van 21 december 2001 dit doet. De verwerende partij verwijst naar de KUL- norm, maar ook dat kan geen afdoende motivering vormen, want de norm is in geen reglementaire bepaling opgenomen. Zo heeft de Raad van State met zijn arrest nr. 121.365 van 4 juli 2003 het koninklijk besluit van 15 januari 2003 houdende nadere regels voor de berekening van de gemeentelijke dotaties vernietigd omdat de gemeenten geen kennis hadden gekregen van de financieringscriteria en hetzelfde was voordien reeds gebeurd met het arrest nr. 113.088 van 29 november 2002 ten aanzien van het koninklijk besluit van 16 november
  31. 5.
  32. In hun laatste memorie wijzen de verzoekende partijen op het bestaan van het koninklijk besluit van 7 april 2005, waarmee de verwerende partij nogmaals, na twee eerdere vernietigingen door de Raad van State, de KUL-norm nader bepaald heeft en die regeling uitwerking heeft verleend vanaf 4 december
  33. Zij stellen dat dit besluit geen rechtsgeldige grondslag kan vormen voor het bestreden besluit omdat deze post-factum regeling geen formeel motief voor het bestreden besluit kan uitmaken en omdat de retroactieve werking van het koninklijk besluit niet aanvaard kan worden, zodat het op grond van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing gehouden moet worden. IX-3828-8/13 5.
  34. De verwerende partij stelt in haar laatste memorie dat het verbod van retroactiviteit geen absolute werking kent, dat retroactiviteit toegelaten wordt wanneer de efficiënte werking van het bestuur verzoend kan worden met de belangen van de rechtsonderhorigen en de rechtszekerheid. Te dezen is de retroactiviteit verantwoord omdat de verschillende vernietigingsarresten een juridisch vacuüm hebben gecreëerd op het vlak van de berekeningsgrondslag van de toelage, die aldus in de bestaande situatie geen rechtsgrond meer hadden. De continuïteit van de openbare dienst verantwoordt de terugwerking, die overigens geen verworven rechten miskent aangezien de berekeningsgrondslag van de dotatie geenszins gewijzigd wordt ten opzichte van bij het treffen van het bestreden besluit toegepaste regeling. De afdeling Wetgeving van de Raad van State (advies 36.361/2 van 5 januari 2004) heeft zich overigens met die handelwijze akkoord verklaard. Beoordeling 5.6.
  35. Met het bestreden besluit wordt de federale basistoelage voor het jaar 2003 voor alle politiezones van het land bepaald. Het besluit bevat zelf geen regels die de verdeling regelen, maar bepaalt het bedrag dat iedere politiezone afzonderlijk verkrijgt, toepassing makend van criteria die elders gevonden worden. Het bestreden besluit heeft aldus geen reglementair karakter en moet niet getoetst worden aan de vormvoorschriften die voor dergelijke besluiten gelden. Een besluit waarbij de rechtstoestand van een individu wordt vastgesteld, valt onder het toepassingsgebied van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. De betrokkene moet in het besluit zelf, of in begeleidende documenten die hem te gelegener tijd ter kennis waren, de redenen kunnen aantreffen waarom zijn rechtstoestand in de vermelde zin gewijzigd wordt. En eens de redenen hem bekend, kan de betrokkene dan de deugdelijkheid van de motieven betwisten. Te dezen betwisten de verzoekende partijen dat de criteria die de verwerende partij in aanmerking genomen heeft om hun federale basistoelage te berekenen, niet deugdelijk zijn, doordat zij steunen op de “KUL-norm” terwijl die norm niet reglementair vastgelegd is. Bij het onderzoek van die grief dient rekening gehouden te worden met artikel 41, tweede lid, WGP, dat voorschrijft dat de criteria en de nadere IX-3828-9/13 regels inzake de vaststelling van de federale toelage door de Koning worden bepaald bij een in Ministerraad overlegd besluit. Aangezien de verwerende partij niet betwist dat de “KUL-norm” het centraal gegeven is voor de berekening van de federale basistoelage, moet in het kader van het aangevoerd middel nagegaan worden of de verwerende partij deze KUL-norm wel rechtsgeldig in aanmerking kon nemen als grondslag voor de toekenning van de individuele basistoelage aan de verzoekende partijen. 5.6.
  36. Het bestreden besluit is in wezen beperkt tot de mededeling dat de toelage voor 2003 toegekend wordt met inachtneming van de criteria die gediend hebben voor de berekening van de toelage 2002 en die uiteengezet zijn in het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 2 augustus 2002, met dien verstande dat er een drietal correcties worden aangebracht. Dat koninklijk besluit van 2 augustus 2002 verwijst zelf naar het koninklijk besluit van 24 december 2001 houdende de toekenning van een voorschot op de federale basistoelage voor het jaar 2002 aan de politiezones, waarvan de bijlage I een uiteenzetting bevat van de “principes” en van de feitelijke “basisgegevens” die in aanmerking genomen worden voor de berekening van de basistoelage en waarin ook een uiteenzetting gewijd is aan de “uitwerking van de KUL-norm”. Aldus bezien heeft de verwerende partij de basistoelage van de verzoekende partijen bepaald met inachtneming, formeel althans, van artikel 41, tweede lid, WGP. 5.6.
  37. Wat betreft de vraag of de reglementaire teksten, waarnaar het bestreden besluit verwijst, inhoudelijk voldoen aan die bepaling en met name de vraag of zij de betrokken politiezones een concreet beeld geven van de KUL-norm in die zin dat zij een verduidelijking bevatten van de parameters en de berekeningen die tot deze norm hebben geleid, moet de Raad van State thans rekening houden met het koninklijk besluit van 7 april 2005 houdende de nadere regels inzake de berekening en de verdeling van de gemeentelijke dotaties in de schoot van een meergemeentepolitiezone. Daarin is de KUL-norm nader gedefinieerd. De verwerende partij heeft aan het besluit ook retroactieve werking verleend tot 4 december
  38. De annulatieberoepen die tegen dat koninklijk besluit ingesteld werden, zijn verworpen en het besluit heeft dan ook volledige rechtskracht. IX-3828-10/13 De verzoekende partijen betwisten niet dat de KUL-norm, die in het koninklijk besluit van 7 april 2005 omschreven is, een unieke norm is die ook geldt voor de berekening en de verdeling van de federale toelage. Zij betwisten evenmin dat het besluit een bruikbare beschrijving geeft van de samenstelling van deze KUL-norm. Voor de onderhavige zaak moet dan ook op dit ogenblik geconcludeerd worden dat het bestreden besluit wel degelijk gedragen wordt door criteria die opgenomen zijn in een besluit dat voldoet aan artikel 41, tweede lid, WGP. 5.6.
  39. De verzoekende partijen betwisten dan weer wel dat het koninklijk besluit van 7 april 2005 tot 4 december 2001 kon terugwerken en zij vragen dat dit besluit wegens strijdigheid met artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing gelaten wordt. In haar advies nr. 36.361/2 van 5 januari 2004 heeft de afdeling Wetgeving van de Raad van State met betrekking tot het koninklijk besluit van 2 april 2004, dat dezelfde inhoud heeft, gesteld dat de retroactiviteit gerechtvaardigd was door de vereiste van de continuïteit van de openbare dienst, aangezien de nieuwe regeling de bestaande situatie niet wijzigt en er derhalve geen afbreuk wordt gedaan aan de rechtszekerheid. Deze redenering wordt bijgevallen ten aanzien van het koninklijk besluit van 7 april 2005, nu dat koninklijk besluit geen andere inhoud geeft aan de KUL-norm. 5.6.
  40. De verzoekende partijen verwijzen in het middel ook nog naar de schending van het transparantiebeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, maar ontwikkelen daaromtrent geen specifieke argumentatie. Begrepen als een element van de materiële motiveringsverplichting wordt dan ook verwezen naar de uiteenzetting hiervoor. 5.6.
  41. Het middel is niet gegrond. B. Tweede middel Standpunt van de partijen 6.
  42. De verzoekende partijen voeren de schending aan van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel, van artikel 26 van het BUPO-verdrag en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, doordat de politiezone Ham- me/Waasmunster een lagere basisdotatie, berekend per inwoner, krijgt dan haar IX-3828-11/13 buurzone Berlare/Zele omdat er 24 rijkswachters naar die zone overgeheveld worden, terwijl het nochtans de bedoeling was om de zones die voorheen minder geïnvesteerd hebben in politiezorg, nu een grotere financiële last te laten dragen. De verwijzing naar de overdracht van die rijkswachters is dan ook geen pertinent criterium voor de betoelaging. 6.
  43. De verwerende partij merkt op dat de federale basistoelage berekend wordt op basis van algemene en objectieve criteria die gericht zijn op een proportionele verdeling van de middelen. De grotere toelage per inwoner van de zone Berlare/Zele wordt verantwoord door bijzonderheden eigen aan de zone, zoals veel hogere aanvaardbare meerkosten. De overdracht van rijkswachters naar de lokale politie verhoogt de kosten van de lokale zone en het is altijd de bedoeling geweest om die kosten te compenseren in de federale toelage. 6.
  44. In hun laatste memorie stellen de verzoekende partijen nog dat de Koning de -zeer ruime- bevoegdheid gekregen heeft om criteria te bepalen voor de toelage aan de politiezones en dat de situatie die zij schetsen betrekking heeft op een criterium dat hen tegen het opzet van de wet in penaliseert. Beoordeling 6.
  45. De gedachte dat de dotatie aan de politiezones de kosten zouden dekken die verbonden was met de overdracht van personeel van de federale politie naar de lokale politiezones lag mee aan de basis van artikel 49 WGP. Er kan dan ook aan de Koning niet verweten worden dat hij bij de vaststelling van de objectieve verdelingscriteria aandacht heeft voor het aantal overgedragen rijkswachters en voor de meerkost die daaruit volgt voor de gemeenten waar dit personeel terecht komt, terwijl andere politiezones die meerkost niet hebben. De onwettigheid van dit criterium wordt niet aangetoond. Het middel is niet gegrond. BESLISSING
  46. De Raad van State verwerpt het beroep. IX-3828-12/13
  47. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 525 euro, elk voor één derde. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 12 oktober 2009, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, met bijstand van Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-3828-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.828 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.