← België

Arrest 196886 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 13/10/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.886 Rolnummer: A. 150837/X-11854 Zaak: Arrest 196886 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 13/10/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-10-21 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 03:40 Fiche Arrest nr 196.886 van 13 oktober 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 196.886 van 13 oktober 2009 in de zaak A. 150.837/X-11.854. In zake : de n.v. DUVACO, die woonplaats kiest bij advocaat A. COPPENS, kantoor houdende te 8800 ROESELARE, Westlaan 358 tegen : de deputatie van de provincieraad van WEST-VLAANDEREN. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. DUVACO op 19 april 2004 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “de beslissing van de Bestendige Deputatie van de Provincieraad van West-Vlaanderen dd. 12 februari 2004, waarbij haar beroep tegen de beslissing dd. 20 augustus 2003 van het College van Burgemeester en Schepenen te Pittem, houdende weigering van de vergunning tot het herbouwen van een woning, gelegen te 8740 Pittem, Sint-Amandsstraat 29, ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op de beschikking van 19 april 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 8 juni 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 juni 2009; Gehoord het verslag van staatsraad P. LEFRANC; X-11.854-1/10 Gehoord de opmerkingen van advocaat A. COPPENS, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van adjunct-adviseur P. DEWULF, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. Feiten 1.1. Op 19 april 1995 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Pittem, na een eerder ongunstig advies van de gemachtigde ambtenaar, aan de verzoekende partij een bouwvergunning voor het “verbouwen van een woning” op een perceel gelegen aan de Sint-Amandsstraat 29, kadastraal bekend sectie C, nrs. 918/d en 923/c mits volgende overwegingen: “Overwegende dat de aanvraag de verbouwing van een bestaande woning, gelegen in het agrarisch gebied betreft; dat de aanvraag strijdig is met de voorziene bestemming en niet past binnen de bepalingen van art. 11.4.1, bestemmingsvoorschrift behorend bij het agrarisch gebied; dat volgens de inlichtingen van het Gemeentebestuur en aanvullende foto’s het geheel zich in verbeterbare toestand bevindt; dat het ontwerp o.a. afbraak van de aangebouwde garage en van een annex, de uitbouw van dakkapellen in funktie van kamers onder dak, het metselen van een paramentsteen rond de verbouwde woning, de nodige sanerings- en verbeteringswerken en een herinrichting van de binnenverdeling omvatten; dat de basisstructuur, het uitzicht en landelijk karakter van de oorspronkelijke woning behouden blijft; dat de geplande werken de modernisering en aanpassing van de woning aan de hedendaagse woonbehoeften en komforteisen tot doel hebben; dat de relatie tot de omgeving ongewijzigd blijft; dat het volume voor de werken 1100,003 m3 en na de werken 830,483 m3 bedraagt; dat de verbouwingswerken aldus een volumevermindering en een sanering van de bestaande toestand als gevolg hebben”. 1.2. Bij proces-verbaal van 4 oktober 1995 wordt ter plaatse onder meer vastgesteld dat “het oude, vroeger bestaande gebouwencomplex (...) volledig werd afgebroken” en “dat er reeds een aanvang werd gemaakt tot het bouwen van één totaal nieuwe woning” met een gewijzigde inplanting. Op 9 oktober 1995 bekrachtigt de burgemeester het stopzettingsbevel van 5 oktober 1995. X-11.854-2/10 1.3. Op 13 maart 1996 weigert het college van burgemeester en schepenen een nieuwe aanvraag van de verzoekende partij “strekkende tot (het) verbouwen van een woning (gewijzigd ontwerp)” te vergunnen op volgende gronden: “Overwegende dat de aanvraag afwijkt van de voorschriften van het gewestplan; dat blijkens de hierna opgesomde motieven niet voldaan is aan de decretale bepalingen van artikel 79 ingevoegd in de stedebouwwet door het decreet van 13 juli 1994; Overwegende dat de aanvraag gelegen is in het agrarisch gebied; dat het ontwerp m.b.t. het vervangen van een bestaande woning door een nieuwe, strijdig is met de voorziene bestemming en niet past binnen de bepalingen van art. 11.4.1, bestemmingsvoorschrift behorend bij het agrarisch gebied; dat het ontwerp gelet op de inplanting, de grondplanconfiguratie en het ontworpen bouwvolume een volledig nieuwe vervangingswoning inhoudt na afbraak van de bestaande woning; dat de aanvraag nieuwbouw inhoudt; dat volgens het decreet van 13 juli 1994 houdende aanvulling met een artikel 87 van de stedebouwwet geen toepassing kan worden gemaakt van regelen in verband met de inrichting en de toepassing van ontwerp-gewestplannen en gewestplannen die de mogelijkheid scheppen om van deze plannen af te wijken of uitzondering toe te laten waardoor kan worden gebouwd of verkaveld”. 1.4. Bij arrest van het Hof van beroep te Gent van 25 juni 1998 wordt Luciaan Dubaere veroordeeld voor het wederrechtelijk “slopen” van de voormelde woning, voor de wederrechtelijke bouw van een “fundering voor een nieuwe woning” en voor het instandhouden van die toestand. Bij dit arrest wordt de verzoekende partij, die eigenaar is van het onroerend goed, “burgerrechtelijk aansprakelijk (verklaard) voor de kosten ten laste (gelegd)” van Luciaan Dubaere. Het arrest overweegt onder meer: “Overigens is het zo dat het antwoord op de vraag of een deel van de woning door storm werd vernietigd of niet, niet relevant is voor de beoordeling van de schuldvraag; zelfs in geval van gedeeltelijke vernietiging kon en diende de beklaagde het nodige te doen om vooraleer tot het slopen van de woning en het bouwen van funderingen voor een nieuwe woning over te gaan de hiertoe vereiste voorafgaande schriftelijke en uitdrukkelijke vergunning te bekomen. De eerder bekomen vergunning van 19 april 1995 die betrekking heeft op het verbouwen van de bestaande woning kan als zodanig niet gelden, vermits zij betrekking heeft op een volkomen afwijkend project, zoals blijkt uit de inlichtingen verstrekt door de verbalisant (...) en uit de gegevens van de -geweigerde- aanvraag tot regularisatie. Het wordt terecht niet betwist dat ter zake de N.V. Duvaco handelde door het persoonlijk toedoen van de beklaagde”. Op vordering van de gemachtigde ambtenaar “beveelt (het Hof van beroep) aan de beklaagde over te gaan tot het herstel van de plaats Pittem, Sint-Amandsstraat 29 (...) in de vorige staat door het verwijderen van de X-11.854-3/10 funderingen voor de nieuwbouw en het nivelleren van het terrein daar waar de funderingen werden aangebracht binnen een termijn van drie maanden vanaf de dag waarop dit arrest in kracht van gewijsde zal treden”. Het cassatieberoep van Luciaan Dubaere tegen dit arrest wordt verworpen. 1.5. Bij proces-verbaal van 12 januari 2000 wordt vastgesteld dat de plaats in de oorspronkelijke toestand is hersteld. 1.6. Op 26 juni 2002 weigert het college van burgemeester en schepenen een nieuwe aanvraag van de verzoekende partij om een stedenbouwkundige vergunning strekkende tot “het herbouwen van een woning” op volgende gronden: “Het goed bevindt zich in een uitgesproken open agrarisch gebied en is enkel bereikbaar via een private toegangsweg van ± 350 m van de Sint-Amandsstraat. In de onmiddellijke omgeving bevinden zich geen andere gebouwen. Op 250 à 300 m bevinden zich een viertal particuliere woningen, een landbouwbedrijf en een voormalig landbouwbedrijf. De aanvraag betreft het verduurzamen van louter residentiële bebouwing in uitgesproken agrarisch gebied en heeft een hinderlijk en storend effect voor de agrarische bedrijfsvoering en de agrarische dynamiek in het algemeen. Het ingediende bezwaarschrift is ontvankelijk en gegrond : de ontsluiting van de woning bestaat uit een onverharde aardeweg. Het gaat tevens om een herbouwen van een geïsoleerde woning die reeds sedert oktober 1995 gesloopt is en gelegen is in een homogeen landbouwgebied. Het ontwerp voldoet niet aan de voorwaarden gesteld in art. 100 en 145 bis van het decreet van 18/05/1999 : de woning is niet bereikbaar via een met duurzame materialen uitgeruste weg, er wordt niet op drie kwart van de oorspronkelijke oppervlakte gebouwd, in hoeverre wordt geacht dat de regularisatieperiode van toepassing is na bouwmisdrijf in 1995 en de aanvraag betekent een aantasting van een uitgesproken open agrarisch gebied. De ruimtelijke draagkracht van het gebied wordt overschreden en de voorziene verweving van functies brengt de aanwezige bestemming in de onmiddellijke omgeving in het gedrang en verstoort ze. De ruimtelijke ordening wordt geschaad”. 1.7. Op 30 januari 2003 (datum van het ontvangstbewijs) vraagt de verzoekende partij aan het college van burgemeester en schepenen een stedenbouwkundige vergunning voor het “herbouwen van een woning- regularisatiedossier” op het voormelde perceel. Blijkens de bij die aanvraag horende “beschrijvende nota” gaat het om “het herbouwen op dezelfde plaats van een woning in agrarisch gebied, conform de voorschriften van art. 145bis § 1, 2/ en 6/ van het Decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de Ruimtelijke Ordening, gecoördineerd op 22 oktober X-11.854-4/10 1996 en gewijzigd bij decreten van 26 april 2000, 13 juli 2001, 8 maart 2002 en 19 juli 2002”. De verzoekende partij stelt daarin nog dat de op 19 april 1995 vergunde “verbouwingswerken werden opgestart in september 1995” en dat “tijdens de verbouwingswerken (...) om bouwtechnische redenen tot volledige sloping (diende te worden) overgegaan”. 1.8. Op 24 februari 2003 verleent de afdeling Land een ongunstig advies “wegens de situering van het bouwperceel binnen in een open en homogeen agrarisch gebied, nog versterkt door de slechte ontsluitingstoestand, de slechte toestand van de voormalige bouwsubstantie en de actuele afwezigheid van bouwsubstantie”. 1.9. Ter gelegenheid van het openbaar onderzoek wordt één bezwaarschrift ingediend dat handelt over “de onmogelijkheid de woning te bereiken via een verharde voldoende uitgeruste weg, de hinderlijkheid voor de bedrijfsvoering van het landbouwbedrijf van de klager en het feit dat de aanvraag een regularisatie betreft na bouwmisdrijf”. 1.10. Het college van burgemeester en schepenen verklaart het bezwaar gegrond en verleent op 28 mei 2003 een ongunstig pre-advies omdat “het ontwerp (niet) voldoet (...) aan de voorwaarden gesteld in art. 100 van het decreet van 18/05/1999”, het in 1995 afgebroken “gebouw niet voldeed aan de elementaire vereisten van stabiliteit op het moment van de eerste vergunningsaanvraag”, “de aanvraag (...) het verduurzamen (betreft) van louter residentiële bebouwing in uitgesproken agrarisch gebied en (...) een hinderlijk en storend effect (heeft) voor de agrarische bedrijfsvoering en de agrarische dynamiek in het algemeen” en “de ruimtelijke draagkracht van het gebied (...) overschreden (wordt) en de voorziene verweving van functies (...) de aanwezige bestemming in de onmiddellijke omgeving in het gedrang (brengt) en (...) ze (verstoort)”. 1.11. In zijn ongunstig advies van 8 augustus 2003 stelt de gemachtigde ambtenaar, onder meer, dat de aanvraag strijdig is met de gewestplanbestemming agrarisch gebied en dat “het perceel (...) gelegen (

  1. is)in een gaaf en open agrarisch landschap, waar slechts schaarse bebouwing voorkomt en de agrarische functie uitgesproken is. De erfdienstbaarheid tot het perceel betreft een aarden weg, in slechte staat. Volgens artikel 100 kan op een stuk grond gelegen aan een weg die, gelet op de plaatselijke toestand, onvoldoende is uitgerust, geen stedenbouwkundige X-11.854-5/10 vergunning verleend worden voor het bouwen van een woning. Voor het verlenen van een gunstig advies omtrent het aanleggen van een nieuwe verharde toegangsweg in het agrarisch gebied in functie van residentiële doeleinden, via een gewijzigd tracé, zoals voorgesteld in de bijgevoegde stukken, bestaat er evenmin een juridische basis”. Voorts overweegt de gemachtigde ambtenaar, na toetsing van de aanvraag aan de uitzonderingsbepaling in de toen geldende artikelen 145bis, § 1 en 195quinquies van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna: DRO), dat “gezien de oorspronkelijke woning reeds gesloopt is in 1995 (in tegenstrijd met de bouwvergunning voor een verbouwing van de woning) en de funderingswerken van de wederrechtelijke uitvoering van een nieuwbouwwoning ter vervanging van deze woning eveneens uitgebroken en van het perceel verwijderd zijn (tengevolge van het arrest), is er geen sprake meer van een ‘bestaande (vergunde) woning’. De aanvraag houdt een oneigenlijke toepassing in van artikel 195quinquies” en dat “er (...) niet aangetoond (
  2. is)dat de oude woning voldeed aan de elementaire vereisten van stabiliteit, op het moment van de eerste vergunningsaanvraag. Integendeel, in de nota van de architect is vermeld dat ‘tijdens de verbouwingswerken om bouwtechnische redenen tot volledige sloping diende overgegaan’”. 1.12. Op 20 augustus 2003 weigert het college van burgemeester en schepenen de nieuwe aanvraag van de verzoekende partij te vergunnen. 1.13. Op 16 september 2003 stelt de verzoekende partij administratief beroep in tegen deze weigeringsbeslissing. 1.14. Met het bestreden besluit van 12 februari 2004 verklaart de verwerende partij het beroep van de verzoekende partij ontvankelijk maar ongegrond op volgende gronden: “Overwegende dat in artikel 145bis §1, 2/ van het decreet uitdrukkelijk gesteld wordt dat ‘het herbouwen op dezelfde plaats van een bestaand gebouw binnen het bestaande bouwvolume voorzover het karakter, de verschijningsvorm en de functie van het gebouw behouden blijven’ toegelaten kan worden voor zonevreemde gebouwen; dat in desbetreffend geval de woning echter in 1995 door de aanvrager wederrechtelijk afgebroken werd en er een nieuwe woning opgetrokken werd; dat ingevolge het bevolen herstel de nieuwbouw afgebroken werd waardoor er momenteel op het perceel geen woning meer aanwezig is; Overwegende dat aangezien de oorspronkelijke woning opgetrokken werd vóór 1962, deze geacht moet worden vergund te zijn; dat de aanvraag op de gemeente ontvangen werd op 30 januari 2003; dat bijgevolg artikel 195quinquies van het decreet zou kunnen ingeroepen worden; dat dit X-11.854-6/10 echter niets verandert aan het feit dat het over een bestaand gebouw moet gaan; dat krachtens artikel 195quinquies de aanvraag niet langer moet voldoen aan de voorwaarde dat het gebouw moet vergund (geacht) zijn, maar dit artikel wel geen afbreuk doet aan de voorwaarde uit artikel 145bis dat de aanvraag moet slaan op een nog bestaand gebouw; dat in desbetreffend geval aanvrager niet langer beschouwd kan worden als een eigenaar van een zonevreemde woning en de aanvraag ook geen betrekking heeft op de regularisatie van een bestaande (onwettige) toestand, aangezien er niet langer een gebouw aanwezig is; dat de aanvraag in feite een nieuwbouw betreft; Overwegende dat, gezien de afwezigheid van een bestaande woning, het niet mogelijk is om in het kader van artikel 145bis van het decreet een nieuwe woning op te trekken op desbetreffend perceel; dat ook de aanleg van de nieuwe verharde toegangsweg niet mogelijk is; dat er geen juridische basis bestaat voor deze werken, noch voor het optrekken van een nieuwe woning, noch voor de aanleg van een nieuwe verharde toegangsweg; dat deze aanvraag bovendien ook ruimtelijk niet aanvaardbaar is wegens de volstrekt geïsoleerde ligging van het perceel”. 2. Ten gronde 2.1. De verzoekende partij stelt dat zij door overmacht bij de uitvoering van de op 19 april 1995 vergunde verbouwingswerken is moeten overgaan tot de volledige afbraak van de bestaande woning. Het door de rechter bevolen herstel van de plaats in de vorige toestand, omdat was vastgesteld dat een aanvang was genomen met het bouwen van een nieuwe woning, impliceert dat de wederrechtelijk gesloopte woning herbouwd had moeten worden. Derhalve is de aanvraag wel in overeenstemming met artikel 145bis, § 1, 2/ en 6/ DRO, zodat het rechtszekerheids- en het non bis in idembeginsel geschonden zijn. Zij stelt voorts dat de bouwvergunning van 19 april 1995 een aantal overwegingen bevat waaruit blijkt dat de bestaande woning wel voldeed aan de elementaire vereisten van stabiliteit, zodat het bestreden besluit artikel 195quinquies schendt. De verzoekende partij betoogt nog dat de te herbouwen woning niet 630,258 m³ maar 530,258 m³ behelst en dat het onredelijk is om aan te nemen dat de aangevraagde woning de residentiële druk op onaanvaardbare wijze verhoogt en de externe landbouwstructuren en de ruimtelijke draagkracht van het gebied aantast en dat zulks evenmin een ernstige afweging is, zodat ook de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen wordt geschonden. Zij argumenteert dat de verwerende partij niet bevoegd is om te overwegen dat haar terrein niet over een voldoende uitgeruste weg beschikt omdat daardoor uitspraak wordt gedaan “over de vermeende schending van een burgerlijk recht”, te dezen een recht van uitweg en/of overgang. X-11.854-7/10 2.2. Artikel 195quinquies, eerste lid DRO bepaalt op het ogenblik dat het bestreden besluit wordt genomen, wat volgt: “De in de artikelen 145bis en 195bis, eerste lid, 3/, vermelde voorwaarde dat de werken en handelingen gebeuren aan een bestaand vergund of vergund geacht gebouw geldt niet voor de vergunningsaanvragen, ingediend vóór 1 februari 2003, voor zover de aanvrager kan aantonen dat de werken of handelingen worden of zijn uitgevoerd aan een gebouw dat bij de aanvang van de werken bestond en geheel of gedeeltelijk vergund was of werd geacht”. Aangezien de wijziging van artikel 145bis, § 1 DRO bij artikel 45 van het wijzigingsdecreet van 21 november 2003 krachtens artikel 70 van dit laatste decreet enkel van toepassing is op de vergunningsdossiers waarvan het ontvangstbewijs werd afgeleverd na de datum van inwerkingtreding van dit decreet, te dezen tien dagen na de publicatie in het Belgisch Staatsblad op 29 januari 2004, luidden de voorschriften van artikel 145bis, § 1, 2/ en 6/ DRO op het voormelde ogenblik als volgt: “Voorzover voldaan is aan de voorwaarden in deze paragraaf, vormen de geldende bestemmingsvoorschriften van de gewestplannen en de algemene plannen van aanleg op zichzelf geen weigeringsgrond bij de beoordeling, door de vergunningverlenende overheid, van aanvragen tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning met betrekking tot bestaande gebouwen. Deze uitzonderingsbepaling geldt slechts indien de aanvraag betrekking heeft op : (...) 2/ het herbouwen op dezelfde plaats van een bestaand gebouw binnen het bestaande bouwvolume voorzover het karakter, de verschijningsvorm en de functie van het gebouw behouden blijven; als herbouwen op dezelfde plaats wordt beschouwd, het herbouwen van een nieuw gebouw dat op minstens drie kwart van de oppervlakte van de bestaande gebouwen wordt opgericht; voor woninggebouwen wordt de bestaande woonoppervlakte bedoeld met inbegrip van de woningbijgebouwen, die er fysisch één geheel mee vormen; (...) 6/ het uitbreiden van een bestaande woning; de uitbreiding kan met inbegrip van de woningbijgebouwen, die er fysisch één geheel mee vormen, slechts leiden tot een maximaal bouwvolume van 850 m³ nuttige ruimte; deze uitbreiding mag een volumevermeerdering met 100 % echter niet overschrijden. De Vlaamse regering kan hiervoor de nadere regels vaststellen. De mogelijkheden, vermeld in het eerste lid, 1/ tot en met 6/, gelden enkel indien voldaan is aan de volgende voorwaarden :
  3. a)de woning of het gebouw is op het moment van de vergunningsaanvraag niet verkrot; woningen of gebouwen worden beschouwd als zijnde verkrot indien ze niet voldoen aan de elementaire eisen van stabiliteit op het moment van de eerste vergunningsaanvraag tot ver- of herbouwen;
  4. b)de woning of het gebouw is hoofdzakelijk vergund of wordt geacht vergund te zijn, ook wat de functie betreft;
  5. c)het volume van de herbouwde woning blijft beperkt tot 1.000 m³, indien het bestaande bouwvolume meer dan 1.000 m³ bedraagt, en het aantal woongelegenheden blijft beperkt tot het bestaande aantal. (...)”. X-11.854-8/10 2.3. De herstelmaatregel bedoeld in artikel 68, § 1, a van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, zoals die uitdrukkelijk bevolen werd bij het voormelde arrest van 25 juni 1998 van het Hof van beroep te Gent, hield niet in dat de plaats moest worden hersteld in een materiële toestand die identiek is aan de toestand die vóór de bouwovertreding bestond, hetzij de heroprichting van de volledig gesloopte woning, maar enkel dat de illegale constructies zouden worden afgebroken, te dezen de verwijdering van de funderingen van de nieuwe in oprichting zijnde woning en de nivellering van het terrein, ook al stond er vóór de bouwovertreding op die plaats een woning waarvoor een vergunning tot het verbouwen ervan was verleend. 2.4. Uit de gegevens van het dossier blijkt dat de woning waarop de bouwvergunning van 19 april 1995 betrekking heeft, alleszins op 4 oktober 1995 volledig gesloopt was, dat op 12 januari 2000 werd vastgesteld dat de plaats in de oorspronkelijke toestand was hersteld hetgeen het verwijderen van de funderingen van de nieuwe in oprichting zijnde woning en de nivellering van het terrein inhield, alsook dat de bij het bestreden besluit geweigerde aanvraag van de verzoekende partij door het bestuur ontvangen werd op 30 januari 2003. 2.5. Uit het voorgaande volgt dat er op het ogenblik dat de verzoekende partij de geweigerde aanvraag heeft ingediend, geen sprake meer was van een “gebouw” waaraan “de werken (...) worden of zijn uitgevoerd” en “dat bij de aanvang van de werken bestond en geheel of gedeeltelijk vergund was of werd geacht” in de zin van artikel 195quinquies, eerste lid DRO, noch van “een bestaand gebouw” of “een bestaande woning” in de zin van artikel 145bis, § 1, 2/ en 6/ DRO. In deze omstandigheden is er geen sprake van de schending door het bestreden besluit van de voormelde decretale bepalingen en evenmin van het rechtszekerheids- of van het non bis in idembeginsel, daargelaten de vraag of dit laatste beginsel te dezen wel dienstig kan worden ingeroepen. 2.6. In diezelfde omstandigheden hoeft de door de verzoekende partij voorgestelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof niet te worden gesteld. De weigering van de aanvraag is immers niet gesteund op de vereiste dat “de woning of het gebouw (...) op het moment van de vergunningsaanvraag niet verkrot” mag zijn. X-11.854-9/10 2.7. De overige onderdelen van het middel hebben betrekking op bijkomende, overtollige motieven, meer bepaald de ontstentenis van een juridische basis voor de aanleg van een nieuwe verharde toegangsweg en het ruimtelijk niet aanvaardbaar bevinden van de aanvraag wegens de volstrekt geïsoleerde ligging van het perceel. Kritiek op een overbodig motief kan niet leiden tot de nietigverklaring van het bestreden besluit. 2.8. Het middel is in al zijn onderdelen ongegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien oktober 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. T. TEMMERMAN, griffier. De griffier, De voorzitter, T. TEMMERMAN. R. STEVENS. X-11.854-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.886 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.