← België

Arrest 196951 - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 13/10/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.951 Rolnummer: A. 192843/XII-5838 Zaak: Arrest 196951 - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 13/10/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-10-21 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 03:41 Fiche Arrest nr 196.951 van 13 oktober 2009 Openbaar ambt - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Verwerping bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 196.951 van 13 oktober 2009 in de zaak A. 192.843/XII-

  1. In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom De Sutter kantoor houdend te Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Bronders kantoor houdend te Oostende Archimedesstraat 7 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  2. Het verzoekschrift, ingediend op 2 juni 2009, strekt tot de nietigverklaring en de schorsing van de tenuitvoerlegging van de “beslissing van de bijzondere gemeenteraadscommissie ‘evaluatie’ van de gemeenteraad van XXXX van 3 april 2009 waarbij de verzoekende partij ongunstig wordt geëvalueerd en hem een persoonlijk ontwikkelingsplan met externe coaching wordt opgelegd”. II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Auditeur Bart Weekers heeft een verslag over het beroep tot nietigverklaring en de vordering tot schorsing opgesteld op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. XII-5838-1\8 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 september
  4. Staatsraad Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Advocaat Tom De Sutter, die verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Clive Rommelaere, die loco advocaat Bart Bronders verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Bart Weekers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Wettelijk kader en feiten
  6. Ten tijde van de bestreden beslissing luidt artikel 115 van het gemeentedecreet : “De personeelsleden van de gemeente worden geëvalueerd op ambtelijk niveau. De gemeentesecretaris, de adjunct-gemeentesecretaris en de financieel beheerder worden echter geëvalueerd door een bijzondere gemeenteraads- commissie, samengesteld overeenkomstig artikel 39, §
  7. Die commissie wordt voorgezeten door de voorzitter van de gemeenteraad. Die evaluatie vindt plaats op basis van een voorbereidend rapport, opgesteld door externe deskundigen in het personeelsbeleid, en op basis van een verslag van het college van burgemeester en schepenen. Bij staking van stemmen wordt het betrokken personeelslid geacht te voldoen”.
  8. Verzoeker is gemeentesecretaris in dienst van de verwerende partij. Met een brief van 18 december 2008 deelt Accord Group Belgium over hem een definitief evaluatierapport 2006-2007 mee aan de voorzitter van de gemeenteraadscommissie “evaluatie”. De eindbeoordeling is: “onaanvaardbaar - de gemeentesecretaris moet op korte termijn verbetering tonen. Een actieplan en tussentijdse functioneringsgesprekken zijn noodzakelijk”. XII-5838-2\8 Ook het 19 maart 2009 gedateerd evaluatieverslag 2006-2007 van het college van burgemeester en schepenen beoordeelt verzoeker ongunstig: “De secretaris gebruikt zijn kennis inefficiënt, stopt energie in eindeloze discussies en staat niet open voor andere meningen. Er wordt vastgesteld dat de secretaris niet uitvoert wat hem is opgedragen. Hij stelt zich niet loyaal op tegenover het bestuur”. Verzoeker wordt op 2 april 2009 door de bijzondere gemeente- raadscommissie gehoord. Hij dient een 27 bladzijden tellende “conclusie” in. Vervolgens neemt de gemeenteraadscommissie, op 3 april 2009, de bestreden beslissing: “De leden van de commissie stemmen geheim en individueel over het voorstel om de betrokkene gunstig te evalueren: er zijn 13 stemgerechtigden aanwezig en er werden 13 geldige stemmen uitgebracht, waarvan 10 neen- stemmen en 3 blanco, zodat de secretaris ongunstig geëvalueerd wordt: de bijzondere gemeenteraadscommissie sluit zich aan bij het rapport van de externe deskundige en het verslag van het college van burgemeester en schepenen. De bijzondere gemeenteraadscommissie vraagt (met 11 stemmen voor en 2 onthoudingen) het opleggen van een persoonlijk ontwikkelingsplan, met externe coaching, in overleg of samenspraak van de betrokkene met het college van burgemeester en schepenen en terugkoppeling naar de bijzondere gemeenteraadscommissie, die binnen 6 weken na het nemen van deze beslissing een in overleg met de betrokkene opgesteld voorstel van het college dient te bekrachtigen. De bijzondere gemeenteraadscommissie vraagt ook hier in de toekomst meer afweging van en een positievere woordkeuze en vraagt het college van burgemeester en schepenen deze beslissing mee te delen aan de betrokken functiehouder op vrijdag 3 april 2009 of, ingeval van afwezigheid van de functiehouder, op de eerstvolgende werkdag”. IV. Onderzoek van de middelen Standpunt van de partijen
  9. Verzoeker voert in een eerste onderdeel van het enig middel de schending aan van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, de hoorplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel. Hij zet uiteen dat hij op de zitting van de bijzondere gemeenteraadscommissie een uitgebreide nota heeft meegedeeld “met diverse procedurele en inhoudelijke argumenten die de regelmatigheid van de evaluatie- procedure en de uitkomst ervan beïnvloeden”, dat de motivering van de bestreden XII-5838-3\8 beslissing beperkt is tot een loutere verwijzing naar het rapport van de externe deskundige en het verslag van het college, dat de bijzondere gemeenteraads- commissie geen enkele letter heeft gewijd aan enige vermelding in zijn nota, dat uit niets blijkt dat de raadscommissie zelfs maar impliciet rekening heeft gehouden met de aangebrachte argumenten. Verzoeker betoogt vervolgens dat een besluit dat op geen enkele wijze een afdoend antwoord biedt op de door het personeelslid opgeworpen argumenten onwettig is, dat de overheid niet mag handelen alsof er geen verweer is geweest, dat het aangevochten besluit, door op geen enkele wijze met verzoekers standpunt rekening te houden, “elke relevantie van de hoorplicht” miskent, en dat de overheid verzoeker niet de evaluatie ongunstig mocht geven zonder zijn opmerkingen en bezwaren behoorlijk onderzocht te hebben.
  10. Verwerende partij reageert dat in zoverre het onderdeel de schending van de wet van 29 juli 1991 aanvoert, het onontvankelijk is omdat het niet precies aangeeft welke bepalingen ervan geschonden zouden zijn. Voorts wordt geantwoord dat “het bestreden besluit wel degelijk afdoende gemotiveerd is”: het verwijst naar de bespreking van de evaluatie, de uitslag van de geheime stemming, het feit dat de gemeenteraadscommissie zich bij het rapport van de externe deskundige en het verslag van het college aansluit. Het was niet vereist dat bijkomend nog eens werd aangegeven waarom welbepaalde argumenten van verzoeker de leden van de bijzondere gemeenteraadscommissie niet hebben kunnen overtuigen. Uiteengezet wordt voorts dat verzoeker op de zitting van 2 april 2009 van de bijzondere gemeenteraadscommissie “daadwerkelijk werd gehoord waarbij hij ook toelichting heeft verstrekt bij de door hem opgestelde ‘conclusie’” en dat er bij de bespreking van de evaluatie “wel degelijk rekening [werd] gehouden met alle elementen van het dossier, waaronder de ‘conclusie’ van de verzoekende partij”. Verzoeker blijft geheel in gebreke, aldus nog verwerende partij, om aan te tonen welke bijkomende informatie een bijkomend onderzoek had kunnen opleveren en wat de relevantie ervan geweest zou kunnen zijn met betrekking tot de stemming over de evaluatie. XII-5838-4\8 Beoordeling
  11. Overeenkomstig de in het middel aangevoerde wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen moeten de bestuurshandelingen uitdrukkelijk worden gemotiveerd (artikel 2) en moet die formele motivering afdoende zijn (artikel 3). Verzoeker maakt in het besproken onderdeel voldoende duidelijk waarom zijns inziens de formele motivering van de bestreden beslissing niet afdoende is. Verre van verhinderd te zijn geweest om - zoals zij beweert- terzake een nauwkeurig verweer te voeren, heeft verwerende partij integendeel betoogd en beargumenteerd “dat het bestreden besluit wel degelijk afdoende gemotiveerd is”. Er is geen reden om het onderdeel als onontvankelijk te verwerpen in de mate waarin het is afgeleid uit de schending van de wet van 29 juli 1991 en de daarin besloten formele-motiveringsplicht.
  12. Naar uit het verslag van de vergadering van 2-3 april 2009 van de bijzondere gemeenteraadscommissie wordt opgemaakt, is verzoeker opgeroepen dan wel minstens toegelaten om op die vergadering zijn zogenaamd “weerwerk” te doen kennen ten aanzien van de verslagen van de externe deskundige en van het college van burgemeester en schepenen. Het ligt daarbij in de rede dat een zorgvuldig handelende overheid niet zonder meer aan dit weerwerk voorbij mag gaan, des te minder gelet op het niet geringe belang van de zaak voor verzoeker, maar dat zij het bij haar beoordeling moet betrekken en daarvan op afdoende wijze moet doen blijken in de formele motivering van haar beslissing. Impliceert dit weliswaar niet dat de overheid verplicht zou zijn op elk afzonderlijk onderdeel van het weerwerk te antwoorden, zij moet dan toch genoeg duidelijk maken waarom zij heeft beslist zoals zij deed, niettegenstaande het meergenoemde weerwerk.
  13. In casu werd verzoeker, gemeentesecretaris, geconfronteerd met twee evaluatieverslagen over de periode 2006-2007 die voor hem ongemeen negatief waren. Hij reageerde daartegen met een zeer uitvoerig verweer. XII-5838-5\8 Met de bestreden beslissing sluit de bijzondere gemeenteraads- commissie zich bij de verslagen aan. Waarom de verslagen haar meer overtuigen dan verzoekers verweer, wordt met geen ene woord toegelicht. Ware het niet dat de gemeenteraadscommissie in fine van haar beslissing oproept om in toekomstige verslagen een ander woordgebruik te hanteren -wat lijkt te refereren aan verzoekers klacht dat het taalgebruik “somtijds ronduit beledigend en kwetsend” is-, men zou zelfs denken dat zijn verweer haar geheel en al ontgaan is. In het licht van de pleidooien ter terechtzitting merkt de Raad van State volledigheidshalve op dat de gemeenteraadscommissie voor haar zo goed als blinde volgzaamheid met betrekking tot de verslagen van de externe deskundige en het schepencollege geen argument kan vinden in het artikel 115 van het gemeentedecreet. Zoals de parlementaire voorbereiding van het artikel uitwijst (Parl. St. Vl.Parl. 2004-2005, nr. 347/6, 84-85), mag niet uit het artikel worden afgeleid dat de bijzondere gemeenteraadscommissie zich ertoe verplicht moet weten het rapport van het college simpelweg te bekrachtigen, op het gevaar af dat zij zich anders aan een te gepolitiseerde evaluatie schuldig zou maken. De bevoegde minister liet integendeel optekenen dat het terzake juist de bedoeling was “het primaat van de politiek te laten spelen” en ervoor te zorgen dat de gemeenteraadsleden worden “geresponsabiliseerd”.
  14. Het blijkt niet, niet -zoals had behoord- uit de formele motivering van de bestreden beslissing, maar evenmin uit enig ander stuk, dat verwerende partij tot de bestreden ongunstige evaluatie is gekomen na aan verzoekers verweer de minimale aandacht te hebben gegeven die vanwege een zorgvuldig optredend bestuur mocht worden verwacht. Het eerste onderdeel van het enig middel is in de besproken mate gegrond. Het leidt tot de hierna uit te spreken vernietiging van de bestreden beslissing. Deze vernietiging heeft tot gevolg dat de vordering tot schorsing van dezelfde beslissing zonder voorwerp valt en bijgevolg als onontvankelijk verworpen moet worden. XII-5838-6\8 V. Anonimisering
  15. Verzoeker vraagt dat bij de publicatie van het arrest zijn identiteit niet wordt opgenomen en evenmin de naam van de gemeente “[o]mdat er binnen een gemeentebestuur slechts één functie van gemeentesecretaris bestaat”.
  16. Luidens artikel 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 7 juli 1997 betreffende de publicatie van de arresten en de beschikkingen van niet- toelaatbaarheid van de Raad van State kan iedere partij bij een geschil dat bij de Raad van State aanhangig wordt gemaakt op elk moment van de rechtspleging en totdat de debatten gesloten zijn, eisen dat bij de publicatie van het arrest of de beschikking de identiteit van de natuurlijke personen niet zou worden bekendgemaakt. Verzoekers vraag wordt ingewilligd. Opdat hij zijn identiteit niet gereveleerd zou zien, is te dezen vereist dat ook de naam van de verwerende partij niet wordt bekendgemaakt. Zoals in het verslag aan de Koning voorafgaand aan het koninklijk besluit van 7 juli 1997 uitdrukkelijk wordt overwogen, spreekt het vanzelf dat de verleende bescherming aan de natuurlijke personen “betrekking heeft op hun identiteit of eender welk element waardoor zij geïdentificeerd kunnen worden”. BESLISSING
  17. De Raad van State vernietigt de beslissing van 3 april 2009 van de bijzondere gemeenteraadscommissie “evaluatie” van XXXX waarbij XXXX ongunstig geëvalueerd wordt en waarbij gevraagd wordt dat een persoonlijk ontwikkelingsplan, met externe coaching, wordt opgesteld in overleg of samenspraak van hem met het college van burgemeester en schepenen.
  18. De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing.
  19. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing, begroot op 175 euro.
  20. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State worden de identiteit van de verzoeker en de naam van de verwerende partij niet bekendgemaakt. XII-5838-7\8 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 13 oktober 2009, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, wnd. voorzitter, staatsraad, met bijstand van Frank Bontinck, griffier. De griffier, De voorzitter, Frank Bontinck Johan Lust XII-5838-8\8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.951 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.