← België

Arrest 196967 - Tucht (openbaar ambt) - 15/10/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.967 Rolnummer: A. 147546/XII-4052 Zaak: Arrest 196967 - Tucht (openbaar ambt) - 15/10/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-10-21 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 03:41 Fiche Arrest nr 196.967 van 15 oktober 2009 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 196.967 van 15 oktober 2009 in de zaak A. 147.546/XII-

  1. In zake : Peter DE BOCK, die woonplaats kiest bij advocaat A. Van De Steen, kantoor houdende te Aalst, Leopoldlaan 32 A, bus 1-2 tegen :
  2. de BRUSSELSE HOOFDSTEDELIJKE DIENST VOOR BRANDWEER EN DRINGENDE MEDISCHE HULP,
  3. het BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST, die woonplaats kiezen bij advocaten Chr. Ronse en W. Timmermans, kantoor houdende te Brussel, Havenlaan 86 CB
  4. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Peter De Bock op 12 februari 2004 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 27 januari 2004 van de staatssecretaris van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest belast met Mobiliteit, Ambtenarenzaken, Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp waarbij hij met ingang van 1 februari 2004 bij wege van tuchtstraf wordt afgezet als brandweerman; Gelet op het arrest nr.132.239 van 10 juni 2004 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gelet op het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging dat verzoeker heeft ingediend op 2 juli 2004; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag, opgesteld door eerste auditeur B. Thys; XII-4052-1/12 Gelet op de beschikking van 9 januari 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 11 september 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 juni 2009; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat T. Karmanovas, die loco advocaat A. Van De Steen verschijnt voor verzoeker, en van advocaat W. Timmermans, die verschijnt voor de verwerende partijen; Gehoord het eensluidend advies van auditeur B. Weekers; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak
  5. Verzoeker is sedert 1 maart 1993 als brandweerman in dienst van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp. Op 31 oktober 2001 beslist de staatssecretaris van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest belast met Mobiliteit, Ambtenarenzaken, Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp verzoeker in het belang van de dienst te schorsen, met inhouding van wedde en ontzegging van bevorderingsaanspraken, tijdens de duur van het gerechtelijk onderzoek dat te zijnen laste wordt gevoerd naar aanleiding van feiten die zich op 17 oktober 2001 hebben voorgedaan en waarvoor verzoeker in voorlopige hechtenis is genomen. Bij vonnis van 8 april 2003 bevindt de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde verzoeker schuldig aan de hem ten laste gelegde feiten, te weten “[g]epoogd te hebben opzettelijk, en met het oogmerk om te doden, [D.B.W.] te XII-4052-2/12 doden, waarbij het voornemen om de misdaad te plegen zich geopenbaard heeft door uitwendige daden die een begin van uitvoering van die misdaad uitmaken en alleen ten gevolge van omstandigheden van de wil van de dader onafhankelijk, zijn gestaakt of hun uitwerking hebben gemist”. In het vonnis wordt het bestaan aangenomen van een strafverminderende verschoningsgrond, zoals bedoeld in artikel 411 van het Strafwetboek, namelijk uitlokking: “de rechtbank [aanvaardt] dat beklaagde [...] heeft gehandeld uit een hevige emotie die bij hem is uitgelokt geworden door de voorafgaande morele gewelddaden van [D.B.]”. Voorts wordt met betrekking tot de straftoemeting overwogen dat de door de beklaagde gepleegde feiten “uiteraard zeer ernstig” zijn, dat de beklaagde in zijn woede “bijzonder driest tekeer [is] gegaan” en dat daarbij een dodelijk slachtoffer had kunnen vallen, dat de beklaagde “op verkeersinbreuken na” een “blanco strafrechtelijk verleden” heeft, dat op basis van de gegevens van het deskundig verslag kan worden gesteld dat de gepleegde feiten eenmalig zijn en zich in een specifieke context hebben voltrokken, zodat “de vrees voor recidive [...] beperkt is”, dat de voorlopige hechtenis die de beklaagde heeft ondergaan ongetwijfeld voldoende indruk op hem heeft gemaakt en voor betrokkene een aansporing is “om zich voortaan te allen prijze te beheersen”, dat de beklaagde de hem bij zijn vrijlating opgelegde voorwaarden correct heeft nageleefd, dat voor de te bepalen hoofdgevangenisstraf dan ook uitstel kan worden verleend voor het gedeelte dat de voorlopige hechtenis te boven gaat, dat op “de [...] gevraagde gunst van de opschorting” niet kan worden ingegaan, “gezien dit voor dergelijke brutaal, gewelddadige feiten een verkeerd signaal zou zijn”. Verzoeker wordt strafrechtelijk veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van drie maanden en tot een geldboete van 100 frank, om te zetten in euro en te vermeerderen met de wettelijke opdeciemen. Wat de hoofdgevangenisstraf betreft, wordt hem gedurende een termijn van drie jaren gewoon uitstel van tenuitvoerlegging verleend, althans voor het gedeelte van de hoofdgevangenisstraf dat de duur van de ondergane voorlopige hechtenis te boven gaat. Met een brief van 15 mei 2003 wordt verzoeker door departementshoofd C.D.S. van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp opgeroepen om op 10 juni 2003 in de hoofdkazerne te worden gehoord over de opgelopen strafrechtelijke veroordeling. Het departementshoofd vermeldt als verzwarende omstandigheid dat het slachtoffer van de strafrechtelijk gesanctioneerde feiten een collega-brandweerman is en hij wijst XII-4052-3/12 er op dat verzoeker op een ernstige manier is tekortgeschoten in de plicht tot waardigheid en in de verplichting om buiten de uitoefening van zijn ambt elke handelwijze te vermijden die het vertrouwen van het publiek in de dienst kan aantasten. Op 10 juni 2003 wordt verzoeker, bijgestaan door zijn raadsvrouw, gehoord door het departementshoofd, de directeur van de juridische dienst van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp en een “observator” van de C.C.O.D. De raadsvrouw van verzoeker dient ter gelegenheid van dit verhoor een memorie in. Met een brief van 16 juni 2003 zendt het departementshoofd het verslag van dit verhoor naar verzoeker. In de brief vermeldt hij dat verzoeker over tien dagen beschikt om te reageren en eventuele opmerkingen te formuleren en dat “[d]e uiterste datum voor [zijn] reactie [...] 30 juni 2003 [is]”. De raadsvrouw van verzoeker deelt met een schrijven van 19 juni 2003 een “enige bemerking bij het verslag” mee. Bij brief van 31 juli 2003 stelt het departementshoofd verzoeker in kennis van zijn voorstel aan de bevoegde overheid om verzoeker bij tuchtmaatregel af te zetten. Verzoeker deelt schriftelijk zijn misnoegdheid met betrekking tot dit voorstel mee aan de adjunct-directeur-generaal van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp. Op 29 september 2003 beslist de Staatssecretaris van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest belast met Mobiliteit, Ambtenarenzaken, Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp verzoeker bij tuchtmaatregel met ingang van 1 november 2001 af te zetten. Met een brief van 8 oktober 2003 dient verzoeker tegen deze beslissing hoger beroep in bij de gemeenschappelijke raad van beroep voor de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Nadat hij verzoeker en diens raadslieden, alsook een vertegenwoordiger van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp heeft gehoord, adviseert de voornoemde raad van beroep op 1 december 2003 “dat de in eerste aanleg opgelegde tuchtstraf tot afzetting van [verzoeker] dient te worden weerhouden”. XII-4052-4/12 Op 27 januari 2004 neemt de staatssecretaris van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest belast met Mobiliteit, Ambtenarenzaken, Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp de thans bestreden beslissing om verzoeker bij tuchtmaatregel met ingang van 1 februari 2004 af te zetten. De aanduiding van de verwerende partij
  6. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is vreemd aan de bestreden beslissing, die louter is toe te schrijven aan de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp, zijnde een afzonderlijke rechtspersoon. Bijgevolg is er reden om het Brussels Hoofdstedelijk Gewest buiten de zaak te stellen. Het eerste middel Standpunt van verzoeker
  7. Verzoeker voert in een eerste middel de schending aan van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, doordat uit het bestreden besluit niet blijkt dat de tuchtoverheid rekening heeft gehouden met de argumenten die hij schriftelijk en mondeling ter gelegenheid van de hoorzitting van 10 juni 2003, alsook in zijn beroepschrift van 8 oktober 2003, heeft laten gelden. Hij wijst erop dat hij zeer gedetailleerd de oorzaak van en de aanleiding tot de feiten die zich op 17 oktober 2001 hebben voorgedaan, heeft uiteengezet, maar dat geen enkel spoor daarvan is terug te vinden in het bestreden tuchtbesluit en dat dit besluit al evenmin motiveert waarom geen gevolg wordt gegeven aan de verzachtende omstandigheden die hij heeft aangevoerd. Voorts doet verzoeker gelden dat het bestreden tuchtbesluit de strafmaat motiveert met de overweging “dat de overheid op een gepaste manier moet reageren op deze ernstige feiten”, doch dat deze overweging een stijlformule betreft die de keuze voor de straf van de afzetting niet afdoende kan motiveren. XII-4052-5/12 Beoordeling
  8. Artikel 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen bepaalt dat de bestuurshandelingen van de besturen uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd. Artikel 3 van dezelfde wet voegt eraan toe dat de opgelegde motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en dat deze motivering afdoende moet zijn. Deze formele motiveringsplicht vergt niet dat de staatssecretaris als tuchtoverheid alle argumenten die de tuchtrechtelijk vervolgde tijdens de tuchtprocedure doet gelden expliciet in de beslissing aangaande de tuchtstraf dient te beantwoorden. Weliswaar stelt dit die overheid er dan toch ook weer niet van vrij de argumenten daadwerkelijk bij haar besluit te betrekken en, teneinde de rechter toe te laten de realiteit daarvan na te gaan, dit genoegzaam in de formele motivering van de beslissing te doen uitkomen.
  9. Nadat het bestreden besluit de toepasselijke regelgeving in herinnering bracht, vermeldt het de feiten waarvoor de tuchtmaatregel wordt opgelegd. Verwezen wordt naar verzoekers strafrechtelijke veroordeling om gepoogd te hebben iemand te doden, opzettelijk en met het oogmerk om te doden, waaraan wordt toegevoegd “dat deze veroordeling wordt verzwaard door het feit dat hier gaat om een collega Brandweerman”. Vervolgens zet het besluit uiteen waarom die feiten als tuchtfeiten worden aangemerkt: omdat op die manier op een ernstige wijze wordt tekortgeschoten in de plicht tot waardigheid en de verplichting om buiten de uitoefening van het ambt elke handelwijze te vermijden die het vertrouwen van het publiek in de dienst kan aantasten. In tegenstelling tot wat verzoeker betoogt, motiveert het besluit ook formeel waarom wordt gekozen voor de tuchtstraf van de afzetting: de veroordeling die de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde aan verzoeker heeft opgelegd, is dermate zwaarwichtig dat een ernstige tuchtstraf zich opdringt; de verzachtende omstandigheden die door de rechtbank zijn aangenomen, doen geen afbreuk aan de zwaarte van de feiten en de ernst van de veroordeling; van een openbaar ambtenaar kan worden verwacht dat hij zich in alle omstandigheden waardig gedraagt en geen aanleiding ertoe geeft dat het vertrouwen van de bevolking in de dienst wordt geschaad; de integriteit en de geloofwaardigheid van XII-4052-6/12 de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp -dit is een dienst die instaat voor de veiligheid van personen en goederen- moet te allen tijde worden gevrijwaard; de aanwezigheid van verzoeker in het korps, nadat hij zo’n zware veroordeling heeft opgelopen, is daarmee niet verzoenbaar; het zou een verkeerd signaal zijn aan de Brusselse bevolking en aan de andere personeelsleden van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest indien verzoeker nog langer in dienst zou worden gehouden. Het kan dan ook niet worden bijgevallen dat de strafmaat alleen gemotiveerd zou worden door de overweging dat “de overheid op een gepaste manier moet reageren op deze ernstige feiten”. Deze overweging mag niet van de andere geïsoleerd worden. Tezamen gelezen met de andere overwegingen, kan ze niet worden afgedaan als een loutere stijlformule. Wat specifiek de verwerping van de verzachtende omstandigheden betreft, laat het tuchtbesluit volgens het auditoraatsverslag afdoende ervan blijken dat de tuchtoverheid de door verzoeker aangevoerde argumenten in haar beoordeling heeft betrokken, maar te licht heeft bevonden om te leiden tot een minder zware straf dan de afzetting. Die zienswijze wordt door verzoeker niet betwist in de laatste memorie, waarin hij alleen de wens uitdrukt dat over het beroep uitspraak wordt gedaan. In de gegeven omstandigheden ziet ook de Raad van State geen reden om terzake de formele motivering onvoldoende te achten.
  10. Het eerste middel is niet gegrond. Het tweede middel Standpunt van verzoeker
  11. In een tweede middel voert verzoeker de schending aan van de beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald van het evenredigheidsbeginsel. Hij betoogt dat de tuchtoverheid bij het bepalen van de strafmaat weliswaar over een discretionaire bevoegdheid beschikt, maar dat deze bevoegdheid geen synoniem kan zijn van willekeur aangezien de overheid gebonden is door de beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald door het redelijkheidsbeginsel. XII-4052-7/12 Geargumenteerd wordt dat de tuchtoverheid geen rekening heeft gehouden met de specifieke context waarin de feiten zich hebben voorgedaan, zijn persoonlijke toestand, de verzachtende omstandigheden die door de strafrechter in rekening zijn gebracht, het eenmalige karakter van de hem ten laste gelegde feiten en de uitlokking die door de aangestelde gerechtspsychiaters en de strafrechter is aangenomen. Hij stelt dat volgens de rechtspraak van de Raad van State de tuchtoverheid verplicht is bij het bepalen en het motiveren van de strafmaat rekening te houden met een gunst die door de strafrechter aan het betrokken personeelslid is toegekend. Volgens verzoeker druist de opgelegde tuchtstraf van afzetting in tegen de geest van het strafvonnis dat hem nog een kans wilde geven. Ten slotte betoogt verzoeker dat de tuchtoverheid bij het bepalen van de strafmaat evenmin rekening heeft gehouden met de afwezigheid van tuchtrechtelijke antecedenten, zijn jarenlange onberispelijke staat van dienst en zijn goede reputatie bij collega’s en oversten. Beoordeling
  12. Verzoeker acht het redelijkheidsbeginsel geschonden doordat tussen de in aanmerking genomen feiten en de opgelegde sanctie geen redelijk verband van evenredigheid zou bestaan. De redelijkheid van dit verband staat in de eerste plaats ter beoordeling van de tuchtoverheid. Oefent de Raad van State op de uitgebrachte beoordeling weliswaar een wettigheidstoezicht uit, dit toezicht geeft hem geen vrijbrief om zich in de plaats van de tuchtoverheid te stellen. Aan zo een in de plaatsstelling maakt de Raad van State zich schuldig wanneer zijn toezicht er in wezen op zou neerkomen de opgelegde tuchtstraf af te meten aan wat hij zelf als de ene meest evenredige straf beschouwt en ze te censureren naargelang ze daarvan afwijkt. Uitmaken met welke tuchtstraf tegen een tuchtfeit gereageerd moet worden, betreft bij uitstek de uitoefening van een discretionaire bevoegdheid. Deze uitoefening houdt per definitie de mogelijkheid in van uiteenlopende conclusies die, hoe verschillend ook, nochtans elk perfect wettig kunnen zijn. Onwettig is de opgelegde straf pas wanneer de overheid niet binnen de redelijkheidsmarges van die appreciatiebevoegdheid is gebleven. XII-4052-8/12 Wat de Raad van State in het kader van het door hem uit te oefenen wettigheidstoezicht op de evenredigheid van tuchtsancties te doen staat, is nagaan of de opgelegde straf die grenzen te buiten gaat, met andere woorden of ze redelijkerwijze niet door de beugel kan. De vraag of er door de overheid binnen de perken van de redelijkheid mogelijk een andere -lichtere- straf kon zijn opgelegd, doet niet terzake.
  13. Bij de bespreking van het eerste middel is reeds gebleken dat de tuchtoverheid de verzachtende omstandigheden waarop verzoeker zich met zoveel nadruk beroept en die door de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde in aanmerking werden genomen om hem uitstel van de tenuitvoerlegging van een deel van de opgelegde hoofdgevangenisstraf te verlenen, wel degelijk bij de beoordeling van de strafmaat heeft betrokken, maar dat zij heeft geoordeeld dat die omstandigheden geen afbreuk doen aan de ernst van de feiten waarvoor verzoeker veroordeeld is. Tegenover die verzachtende omstandigheden heeft de tuchtoverheid als “verzwarend” gegeven gesteld dat de zware feiten waarvoor verzoeker strafrechtelijk werd veroordeeld, werden gepleegd ten aanzien van een collega- brandweerman en heeft zij overwogen dat de integriteit en de geloofwaardigheid van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp, een dienst die instaat voor de veiligheid van personen en goederen, niet te verzoenen is met de aanwezigheid van een persoon die, zoals verzoeker, een veroordeling heeft opgelopen en dat een verkeerd signaal zou worden gegeven aan de Brusselse bevolking en aan de personeelsleden van de andere instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest indien verzoeker nog langer in dienst zou worden gehouden. In acht genomen dat het gewis zo is dat een brandweerdienst en haar brandweerlieden wezenlijk als taak hebben ten dienste te staan van de persoon en de goederen van de medemens, wat een voortdurend contact met de bevolking impliceert, en de goede uitvoering van deze taak een beheerste en vreedzame samenwerking tussen alle leden van het korps veronderstelt, kan de voormelde beoordeling van de tuchtoverheid, hoewel beslist zeer streng te noemen, toch niet geacht worden de grenzen van de redelijkheid te overschrijden. Er kan niet worden besloten tot de onevenredigheid van de opgelegde tuchtmaatregel ten aanzien van de gepleegde feiten als zodanig, ook niet in het licht van de op grond van deze feiten uitgesproken strafrechtelijke veroordeling, waaruit onmiskenbaar blijkt dat verzoeker niettegenstaande de aanwezigheid van een strafverminderende XII-4052-9/12 verschoningsgrond op een absoluut ontoelaatbare wijze de fysieke integriteit van een medemens, die bovendien zijn collega was, heeft bedreigd en aangetast.
  14. Het tweede middel is niet gegrond. Het derde middel Standpunt van verzoeker
  15. Verzoeker voert in een derde middel de schending aan van de beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald het zorgvuldigheidsbeginsel, doordat de tuchtoverheid niet met voldoende nauwkeurigheid en met inachtneming van alle stukken en argumentatie heeft geoordeeld. Volgens verzoeker heeft de tuchtoverheid geen rekening gehouden met onder andere : “- geest van het vonnis dd. 8 april 2003; - memorie, neergelegd ter hoorzitting dd. 10 juni 2003; - verzachtende omstandigheden; - verklaringen collega’s en oversten; - verslagen van verscheidene psychiaters; ...”. Hij is ervan overtuigd dat een zorgvuldige studie van zijn dossier tot een andere besluitvorming zou hebben geleid. Beoordeling
  16. Zoals reeds bij de bespreking van het eerste middel is gebleken, heeft de tuchtoverheid wel degelijk de door verzoeker bedoelde “stukken en argumentatie” in overweging genomen, maar heeft zij deze te licht bevonden om te leiden tot een minder zware straf dan de afzetting. Zij heeft geoordeeld dat de door verzoeker aangevoerde bijzondere omstandigheden geen afbreuk doen aan de ernst van de gepleegde feiten en de op grond daarvan uitgesproken strafrechtelijke veroordeling en dat een verdere aanwezigheid van verzoeker op de dienst niet verzoenbaar is met de vrijwaring van de integriteit en de geloofwaardigheid van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp. Die beoordeling, dan weer, is bij de bespreking van het tweede middel niet onwettig bevonden. XII-4052-10/12
  17. Het derde middel is niet gegrond. Het vierde middel
  18. Verzoeker put een vierde middel uit de “schending van artikel 282 van het besluit van de Brusselse hoofdstedelijke regering houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 19 juli 2001”, doordat het strafvoorstel van departementshoofd C.D.S. met een aangetekend schrijven van 31 juli 2003 aan hem werd betekend, zonder dat hierbij het verslag van de hoorzitting van 10 juni 2003 was gevoegd. Beoordeling
  19. Het besluit van 19 juli 2001 van de Brusselse hoofdstedelijke regering waarvan verzoeker gewag maakt, is ingetrokken geworden door het besluit van 26 september 2002 van de Brusselse hoofdstedelijke regering houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Artikel 282 ervan luidt : “De overheden bedoeld in artikel 281 horen de ambtenaar over de feiten alvorens een straf voor te stellen. Indien zij oordelen dat een straf moet worden voorgesteld betekenen zij een voorstel van straf aan de ambtenaar, samen met het verslag van de hoorzitting. De betekening van het voorstel van straf zet de tuchtvordering in. De in het eerste lid van dit artikel bedoelde overheden brengen binnen een termijn van een maand het voorstel van straf ter kennis van de overheid die de straf uitspreekt. Die termijn gaat in op de dag die volgt op degene waarop het voorstel van straf ter kennis van de ambtenaar is gebracht”. Het voorschrift van het tweede lid van de aangehaalde bepaling dat het verslag van de hoorzitting samen met het strafvoorstel aan de ambtenaar wordt betekend, is niet op straffe van nietigheid gesteld. Voorts bestaat er geen betwisting over dat verzoeker het verslag van zijn verhoor door het departementshoofd reeds met een brief van 16 juni 2003 heeft toegezonden gekregen, dat wil zeggen ruim voordat het departementshoofd met een brief van 31 juli 2003 zijn strafvoorstel aan verzoeker heeft betekend. XII-4052-11/12 Verzoeker heeft met een brief van 19 juni 2003 één bemerking gemaakt bij het verslag van het verhoor. Waar het verslag van het verhoor hem reeds voor de kennisgeving van het strafvoorstel is betekend, valt niet in te zien hoe hij door de niet-naleving van het aangehaalde voorschrift in zijn belangen geschaad kan zijn.
  20. Ook het vierde middel kan niet de nietigverklaring verantwoorden. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  21. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wordt buiten de zaak gesteld. Artikel
  22. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  23. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien oktober 2009, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. D. VERBIEST. XII-4052-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.967 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.239 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.