← België

Arrest 196970 - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 15/10/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.970 Rolnummer: A. 171120/XII-4668 Zaak: Arrest 196970 - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 15/10/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-10-21 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 03:41 Fiche Arrest nr 196.970 van 15 oktober 2009 Openbaar ambt - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 196.970 van 15 oktober 2009 in de zaak A. 171.120/XII-

  1. In zake : Pieter SCHOUTETENS, die woonplaats kiest bij advocaat B. Buggenhout, kantoor houdende te Nazareth, Drapstraat 155 tegen : de GEMEENTE KUURNE. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Pieter Schoutetens op 17 maart 2006 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : “
  2. de beslissing van 6 oktober 2005 van de gemeente Kuurne, vertegenwoordigd door de Burgemeester, de Schepen van Sport en de Gemeentesecretaris, om verzoeker met ingang van 6 oktober 2005 van ambtswege te ontslaan;
  3. het besluit van de gemeenteraad van de gemeente Kuurne van 25 oktober 2005, waarmee werd besloten: ‘De raad heeft het ontslag aanvaard met ingang van 6 oktober 2005 van de heer Pieter Schoutetens, redder in de sportdienst’”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 19 maart 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 mei 2009; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; XII-4668-1/8 Gehoord de opmerkingen van advocaat E. Goossenaerts, die loco advocaat B. Buggenhout verschijnt voor verzoeker, en van advocaat K. Dereepere, die loco advocaat F. Tilleman verschijnt voor verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De relevante gegevens
  4. Op 6 oktober 2006 wordt verzoeker, redder bij de gemeente Kuurne, door de burgemeester, de schepen van Sport en de gemeentesecretaris geïnterpelleerd over feiten die zich dezelfde ochtend zouden hebben voorgedaan bij het bezoek van schoolmeisjes aan het zwembad. Naar het zeggen van de burgemeester wordt hem uitgelegd dat ofwel klacht zou worden neergelegd bij de politie en een tuchtprocedure worden ingesteld, ofwel aangifte zou worden gedaan bij de politie om na te gaan of de betrokken leerlingen begeleiding behoeven. Het laatste zou het geval zijn indien verzoeker zelf ontslag nam. Er wordt hem een ontslagbrief voorgelegd, waarna hij alleen wordt gelaten en - in de bewoordingen van de burgemeester - “kon overwegen of hij deze wel of niet ging tekenen”. Verzoeker tekent de brief waarmee hij verklaart zijn ontslag als redder in het gemeentelijk sportpark in te dienen en dit ontslag graag onmiddellijk te zien ingaan. Met een brief van 7 oktober 2005 bevestigt de burgemeester de goede ontvangst van de brief, meldt hij dat het ontslag onmiddellijk ingaat en deelt hij mee dat de aanvraag ter bevestiging wordt voorgelegd op de gemeenteraadszitting van 25 oktober
  5. Dit is de eigenlijke eerste bestreden beslissing. Op 12 oktober 2005 schrijft de raadsvrouw van verzoeker aan het schepencollege onder meer wat volgt : “Aan mijn cliënt is op geen enkel ogenblik de mogelijkheid geboden om zich op een ernstige en afdoende wijze te verweren tegen de tegen hem ingebrachte beschuldigingen. De druk, die U op hem heeft uitgeoefend, waarvoor hij finaal is gezwicht maakt dat zijn wilsuiting tot vrijwillige ontslagname niet XII-4668-2/8 rechtsgeldig was en Uw bevestiging op 7/10/2005 van deze vrijwillige ontslagname, neerkomt op een foutieve verbreking van zijn aanstelling”. Op 25 oktober 2005 aanvaardt de gemeenteraad het ontslag van verzoeker, met ingang van 6 oktober
  6. Het is het tweede aangevochten besluit. In antwoord op verzoekers klacht van 12 november 2005 bij de gouverneur, wordt met een brief van 17 januari 2006 meegedeeld dat er geen redenen zijn om op te treden. De bevoegdheid van de Raad van State
  7. Volgens de memorie van antwoord is de eerste bestreden beslissing een beslissing tot vrijwillig ontslag, genomen door verzoeker zelf, en gaat ze bijgevolg niet uit van een Belgische administratieve overheid, zodat de Raad van State niet bevoegd is. Verzoeker leest de eerste bestreden beslissing in de brief van 7 oktober 2005 van de burgemeester, waarin onder meer wordt meegedeeld dat zijn ontslag onmiddellijk ingaat. Die brief deelt aldus een beslissing mee die wel degelijk van een Belgische administratieve overheid uitgaat. De omstandigheid dat er mee bedoeld zou zijn gevolg te geven aan de vraag van 6 oktober 2005 van verzoeker tot onmiddellijk ontslag verandert daar niets aan. De exceptie is ongegrond. De ontvankelijkheid
  8. In een eerste van vijf excepties van niet-ontvankelijkheid betwist verwerende partij dat verzoeker over het vereiste persoonlijk, zeker en wettig belang beschikt nu hij zelf tot zijn ontslag heeft beslist en die beslissing het gevolg is van laakbare feiten.
  9. Blijkens de in het verzoekschrift aangevoerde middelen zou het ontslag allesbehalve vrijwillig zijn, is er integendeel sprake van een ongeoorloofde druk en van een bedekt ontslag van ambtswege, genomen door een onbevoegde overheid en met miskenning van de wettelijke waarborgen. Minstens zou verzoeker het ontslag hebben ingetrokken vooraleer het aanvaard werd. XII-4668-3/8 De exceptie hangt samen met de grond van de zaak en kan niet de onontvankelijkheid van het beroep verantwoorden.
  10. In een tweede ontvankelijkheidsexceptie wordt het beroep laattijdig genoemd: verzoekers bezwaar bij de toezichthoudende overheid heeft de beroeps-termijn niet gestuit omdat in het bezwaar niet om een schorsing of vernietiging is gevraagd, maar wel om “het ontslag te herzien”.
  11. De toezichthoudende overheid zelf heeft duidelijk minder moeite gehad met de gebruikte formulering. Verzoekers bezwaar terecht voor een bezwaar in het kader van het algemeen administratief toezicht houdend, meldde zij in haar antwoordbrief aan verzoeker even terecht dat een beroep tot nietigverklaring kon worden ingesteld binnen een termijn van zestig dagen “die ingaat de dag waarop u deze brief werd betekend”. De exceptie is ongegrond.
  12. In een derde ontvankelijkheidsexceptie wordt betwist dat de bestreden beslissingen voor vernietiging vatbaar zijn. In zoverre de exceptie zich tegen de eerste bestreden beslissing richt, valt ze samen met de exceptie van onbevoegdheid die hiervoor reeds ongegrond is bevonden. Ook in zoverre de exceptie de tweede bestreden beslissing betreft en deze bestempelt als een “materiële handeling vanwege de gemeente” en een “louter bevestigende handeling” van de beslissing van verzoeker tot ontslagneming, is ze ongegrond. Immers geeft, overeenkomstig artikel 129 van het administratief statuut van de gemeente, het vrijwillig ontslag van de gemeenteambtenaar (na een opzeggingstermijn van dertig dagen) slechts aanleiding tot definitieve ambts- neerlegging indien het door de gemeenteraad is aanvaard. Zonder deze aanvaarding, die overigens meer is dan een loutere akteneming, kan het ontslag geen uitwerking sorteren. De aanvaarding is dan ook van aard verzoekers rechtssituatie te wijzigen.
  13. Luidens een vierde ontvankelijkheidsexceptie blijft verzoeker in gebreke voldoende duidelijke middelen aan te voeren.
  14. De Raad deelt die mening niet. Verzoeker voert met een toereikende precisie de schending aan van de nieuwe gemeentewet, van het XII-4668-4/8 Burgerlijk Wetboek en van het administratief statuut. Of de middelen alleen één van de bestreden beslissingen aantasten, dan wel de beide, betreft de grond van de zaak. Overigens heeft de beweerde onduidelijkheid verwerende partij niet belet zich ten gronde uitvoerig tegen de middelen te verweren. De exceptie is ongegrond.
  15. In een vijfde ontvankelijkheidsexceptie wordt betoogd dat de vordering in strijd is met de regel “één vordering, één proces”. De bestreden beslissingen houden beide verband met de ontslagbrief die verzoeker op 6 oktober 2005 ondertekende. Ter voorbereiding en in afwachting van de aanvaarding van het ontslag door de tweede beslissing, laat de eerste beslissing het alvast onmiddellijk ingaan. Tussen de twee beslissingen bestaat een dusdanig nauwe band dat indien er afzonderlijke beroepen tegen waren ingediend, de Raad van State die beroepen in het belang van een goede rechtsbedeling had moeten samenvoegen. De exceptie wordt verworpen. De grond van de zaak Standpunt van de partijen
  16. Een vierde middel voert “machtsoverschrijding door schending van artikel 129 van het Administratief Statuut van de Gemeente Kuurne” aan. Toegelicht wordt dat het ontslag van verzoeker “minstens impliciet werd ingetrokken met de brief van de raadsman van verzoeker aan de gemeente Kuurne van 12 oktober 2005, waarin namens verzoeker werd opgeworpen dat zijn wilsuiting tot vrijwillige ontslagname niet rechtsgeldig was, stelling welke impliceert dat er in elk geval geen rechtsgeldig ontslag (meer) is”, dat het ontslag van een ambtenaar steeds kan worden ingetrokken zolang het niet aanvaard is, en dat bijgevolg de gemeenteraad op de zitting van 25 oktober 2005 het ontslag van verzoeker niet kon aanvaarden omdat het onbestaande was. XII-4668-5/8
  17. In de memorie van antwoord reageert verwerende partij dat het ontslag op 6 oktober 2005 door de burgemeester werd aanvaard, en vanaf die aanvaarding definitief was en niet meer ongedaan kon worden gemaakt. Verzoeker repliceert in de memorie van wederantwoord dat hij het middel alleen in ondergeschikte orde doet gelden, in zoverre namelijk de eerste twee middelen niet tot nietigverklaring leiden, en dat niet de burgemeester maar de gemeenteraad bevoegd is om het ontslag te aanvaarden en zulks ook op 25 oktober 2005 heeft gedaan. In de laatste memorie herhaalt verwerende partij dat verzoekers ontslag definitief was geworden door de aanvaarding ervan op 6 oktober 2005 door de burgemeester. Tevens wordt benadrukt dat de bevestiging door de gemeenteraad een loutere materiële handeling zonder rechtsgevolgen betreft en dat uit artikel 106, eerste lid, van het gemeentedecreet kan worden afgeleid dat de burgemeester “wel degelijk bevoegd was om op 6 oktober 2005 het vrijwillig ontslag van de heer Schoutetens te aanvaarden”. Beoordeling
  18. In het auditoraatsverslag worden de eerste twee middelen geacht niet dienstig op de zaak van verzoeker betrokken te kunnen worden. In zijn laatste memorie sluit verzoeker zich daar “volmondig” bij aan en maakt hij de inhoud van het auditoraatsverslag uitdrukkelijk “tot de zijne”. In die omstandigheden wordt aangenomen dat verzoeker de betrokken middelen niet meer staande houdt, zodat er geen reden is om ze nog te onderzoeken alvorens het vierde -aanvankelijk slechts in ondergeschikte orde geformuleerde- middel aan te snijden.
  19. Verwerende partij erkent terecht dat het ontslag van een ambtenaar rechtsgeldig kan worden ingetrokken zolang het niet is aanvaard. Even terecht betwist zij niet dat de brief van 12 oktober 2005 van verzoekers raadsvrouw te beschouwen is als de intrekking van de ontslagbrief die verzoeker op 6 oktober 2005 ondertekende. XII-4668-6/8 Twistpunt is alleen of die intrekking tijdig was en plaatsvond vooraleer het ontslag was aanvaard. Volgens verwerende partij was dat niet het geval omdat het ontslag al op 6 (of 7?) oktober 2005 door de burgemeester aanvaard werd.
  20. Luidens het in het middel aangevoerde artikel 129 van het administratief statuut, geeft aanleiding tot definitieve ambtsneerlegging: “het vrijwillig ontslag van de gemeenteambtenaar na een opzeggingstermijn van dertig dagen, aanvaard door de gemeenteraad”. Hieruit volgt dat de beslissing tot aanvaarding van het ontslag dient te worden genomen door de gemeenteraad. Dat is te dezen ook effectief zo gebeurd, op 25 oktober 2005, nadat overigens de gemeenteraad zeer uitdrukkelijk eerst overwoog “dat de gemeenteraad bevoegd is voor het aanvaarden van het ontslag van een statutair personeelslid”. Loopt de eerste bestreden beslissing daar voorlopig en ten bewarenden titel enigszins op vooruit, ze laat zich niettemin duidelijk kennen als een wezenlijk voorbereidende beslissing waarmee de burgemeester niet de bevoegdheid tot de aanvaarding van het ontslag in de plaats van de gemeenteraad heeft willen uitoefenen en hééft uitgeoefend. Hij zou daartoe overigens niet bevoegd zijn geweest. Tevergeefs zoekt verwerende partij ter staving van het tegendeel steun in het gemeentedecreet, dat pas in werking is getreden na de bestreden beslissingen.
  21. De conclusie uit wat voorafgaat is dat de gemeenteraad op 25 oktober 2005 ten onrechte een ontslag heeft aanvaard dat was ingetrokken. Het middel is gegrond. Het verantwoordt de vernietiging van de beslissing tot aanvaarding van het ontslag evenals van de daarop anticiperende beslissing van 7 oktober 2005 van de burgemeester. XII-4668-7/8 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  22. Vernietigd worden de beslissing van 7 oktober 2005 van de burgemeester van Kuurne dat het ontslag van Pieter Schoutetens onmiddellijk ingaat en de beslissing van 25 oktober 2005 van de gemeenteraad van Kuurne om zijn ontslag met ingang van 6 oktober 2005 te aanvaarden. Artikel
  23. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien oktober 2009, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. D. VERBIEST. XII-4668-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.970 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.