id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.991 Rolnummer: A. 194195/-0 Zaak: Arrest 196991 - Examens (onderwijs) - 15/10/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-10-16 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 03:41 Fiche Arrest nr 196.991 van 15 oktober 2009 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 196.991 van 15 oktober 2009 in de zaak A. 194.195/XII-
- In zake: Bernice HANSSENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marc Cottyn kantoor houdend te Aalst Leopoldlaan 32 A, bus 1-2 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het GEMEENSCHAPSONDERWIJS vertegenwoordigd door de scholengroep Panta Rhei -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 8 oktober 2009, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de algemeen directeur van de scholengroep Panta Rhei van het Gemeenschaps- onderwijs van 24 september 2009, om de over Bernice Hanssens delibererende klassenraad niet opnieuw samen te roepen. II. Verloop van de rechtspleging
- De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2009, om 11.00 uur. Staatsraad Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Wendy Van Laethem, die loco advocaat Marc Cottyn verschijnt voor de verzoekende partij, is gehoord. XII-5978-1\8 Adjunct-auditeur Jurgen Neuts, bij beslissing van 31 oktober 2008 van de auditeur-generaal gemachtigd om ter openbare terechtzitting advies te verlenen, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoekster is tijdens het schooljaar 2008-2009 leerling aan het koninklijk atheneum te Gent, in het eerste leerjaar van de tweede graad Latijn- wetenschappen (ASO). 3.
- Op het einde van het schooljaar beslist de delibererende klassenraad om aan verzoekster een oriënteringsattest C uit te reiken. Dit wordt meegedeeld aan haar ouders, met de toevoeging : “Overzitten lijkt ons enkel zinvol indien Bernice haar studiehouding verandert en gedurende het hele schooljaar inzet toont”. Op het individueel syntheseblad van verzoekster notuleert de klassenraad nog als motivering onvoldoendes voor Latijn (42%), fysica (41%), geschiedenis (37%), een “zeer zwak” wiskunde (50%), een opmerking over de remediëringsvoor- stellen en de studiehouding en een negatieve evolutie in de resultaten. 3.
- Op 29 juni 2009, onmiddellijk na de uitreiking van het rapport, doen de ouders van verzoekster hun recht op overleg gelden in een gesprek met de directie. Vervolgens richt verzoeksters vader zich tot de beroepscommissie met het volgende bezwaarschrift : “Vooreerst wensen wij u te bedanken voor het onderhoud van 29.06.2009, waarbij we inzage kregen in het dossier en de elementen die geleid hebben tot de beslissing. Wij begrijpen uit uw standpunt dat u een nieuwe bijeenkomst van de klassenraad niet noodzakelijk acht omdat er op dat moment geen nieuwe elementen voor handen waren. Na contact met het CLB en aansluitend een tweetal begeleidingscentra, menen wij voldoende aanwijzingen terug te vinden dat de mogelijkheid van een leerstoornis bij Bernice niet kan uitgesloten worden. Ten einde dit te bevestigen of te ontkennen hebben wij ondertussen concrete afspraken gemaakt om een uitgebreide batterij testen in samenwerking met een centrum uit te laten voeren. XII-5978-2\8 Wij zijn van mening dat alleen in functie van de resultaten van dit onderzoek (voorzien in augustus 2009) een juiste beslissing voor een B- dan wel een C-attest kan genomen worden. Met dit schrijven wensen we dan ook formeel de beroepsprocedure in te stellen”. Op 20 augustus 2009 “ziet [de beroepscommissie] geen aanleiding om de delibererende klassenraad te verzoeken om zijn beslissing te herbekijken”. De algemeen directeur van de scholengroep deelt op 27 augustus 2009 “de beslissing van de leden van de beroepscommissie” mee aan verzoekster. De Raad van State beveelt op 18 september 2009 bij arrest nr. 196.176 de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoer- legging van de beslissing van de beroepscommissie van 20 augustus
- 3.
- Op 28 september 2009 informeert de raadsman van verzoekster bij verwerende partij naar het uitblijven van een nieuwe beslissing. In hetzelfde schrijven geeft hij “nogmaals een volledige uiteenzetting van alle grieven van [zijn] cliënte”. 3.
- De beroepscommissie blijkt echter reeds opnieuw samen gekomen te zijn op 24 september
- De beroepscommissie “is van mening dat er geen bijkomende elementen zijn aangereikt om het eerder genomen advies te wijzigen” en “ziet dan ook geen aanleiding om de delibererende klassenraad te verzoeken opnieuw samen te komen”, aldus het verslag van deze vergadering. Met een schrijven van 24 september 2009 -dat verzoekster pas ontvangt op 30 september 2009- bezorgt de algemeen directeur dit advies aan verzoekster en hij deelt mee : “Als inrichtende macht en in mijn hoedanigheid als algemeen directeur van de scholengroep, na lezing van het verslag, maak ik mij dit verslag eigen. Ik beslis dan ook dat de klassenraad niet opnieuw dient samen te komen, derhalve blijft de beslissing die de klassenraad nam d.d. 30 september met als resultaat : toekenning van een oriënteringsattest C, gehandhaafd”. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
- Verwerende partij heeft aan de Raad van State nota noch administratief dossier overgelegd en zij is niet ter zitting verschenen. Nu zij zich van XII-5978-3\8 elk verweer heeft onthouden is er reden in haren hoofde uitspraak bij verstek te doen. V. De schorsingsvoorwaarden
- Luidens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verant- woorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. De tweede schorsingsvoorwaarde
- In de vordering doet verzoekster twee middelen gelden. In een eerste middel voert verzoekster de schending aan van artikel 74 van het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs (het organisatiebesluit) en van de motiveringsplicht. Volgens haar beslist de algemeen directeur nu wel zelf, maar blijkt uit niets welke redenen hij heeft gehad om er ondanks haar bezwaren toe te komen de delibererende klassenraad niet opnieuw samen te roepen. Ook het advies van de beroepscommissie is niet gemotiveerd, het mist een concrete beoordeling van haar bezwaren en het is bovendien niet ondertekend door de leden ervan. De algemeen directeur heeft, tot slot, verkeerdelijk melding gemaakt van een beslissing van “30 september” van de delibererende klassenraad. In het tweede middel doet verzoekster gelden dat de artikelen 5, § 8, 38, 1/ en 57 van het organisatiebesluit, alsook het motiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel werden geschonden. Verzoekster argumenteert in dat verband dat uit niets blijkt waarom haar een C-attest werd toegekend, terwijl zij slechts één jaartekort heeft, namelijk voor Latijn (48,4%). Zij zegt er het raden naar te hebben waarom geen XII-5978-4\8 B-attest met clausulering voor Latijn werd overwogen. Zij stelt ook de vraag waarom naar haar “studiehouding” wordt verwezen, terwijl volgens het schoolregle- ment de cijfers doorslaggevend zijn en haar studiehouding trouwens al in rekening werd gebracht bij de puntentoekenning voor “dagelijks werk”. Het middel en de toelichting is in zoverre woordelijk gelijk aan het tweede middel dat verzoekster reeds heeft aangevoerd in de procedure die heden met het arrest nr. 196.990 wordt afgesloten. Verzoekster voegt daar, in vergelijking met haar verzoekschrift in de eerdere procedure, nog aan toe dat het resultaat van de test die bij haar werd uitgevoerd in verband met de “mogelijke leerstoornis” “minstens [aantoont] dat de delibererende klassenraad [...] niet zorgvuldig alle elementen heeft in overweging genomen bij het formuleren van de beslissing tot het toekennen van een oriënte- ringsattest C”. Beoordeling
- In het licht van de bepalingen van het organisatiebesluit die de administratieve beroepsprocedure voor examenbetwistingen regelen, komt het in de eerste plaats het schoolbestuur toe om, op advies van de beroepscommissie, na te gaan of uit de beslissing van de delibererende klassenraad blijkt of de relevant lijkende grieven en vragen van een leerling al dan niet onderzocht werden. Het resultaat van die beoordeling zal het schoolbestuur ertoe brengen de delibererende klassenraad wel of niet opnieuw samen te roepen. Verzoekster lijkt zich te dezen ten onrechte te beroepen op de schending van artikel 74 van het organisatiebesluit, dat de situatie regelt waarin het schoolbestuur beslist tot een nieuwe bijeenkomst van de delibererende klassenraad met het oog op het nemen van een definitieve beslissing. In deze zaak is integendeel beslist om de klassenraad niet opnieuw samen te roepen. Voor zover het middel steun zoekt in artikel 74 van het organisatiebesluit is het niet ernstig.
- Een eerdere examenbeslissing over verzoekster werd in haar tenuitvoerlegging geschorst bij ’s Raads arrest nr. 196.176 van 18 september 2009 omdat, op het eerste gezicht, niets er toen op leek te wijzen dat het daartoe bevoegd orgaan had beslist om de delibererende klassenraad niet opnieuw samen te roepen. XII-5978-5\8 In dat arrest is tevens -voorlopig- vastgesteld dat verzoekster in de fase van het administratief beroep bijzonder kort lijkt te zijn geweest, nu zij voor de beroepscommissie alleen gewag heeft gemaakt van een mogelijke leerstoornis, die uit nog te ondergane testen in de maand augustus zou kunnen blijken. Van het enige element dat zij voor de beroepscommissie heeft opgeworpen, is dan weer -steeds in die stand van de procedure- vastgesteld dat verzoekster dit niet langer leek te handhaven, nu zij het in het kader van de procedure bij de Raad van State niet langer ter sprake bracht. Andere wettigheidskritieken leken niet te zijn opgeworpen voor de beroepscommissie. In het licht van die vaststellingen in het genoemde schorsingsar- rest valt vooralsnog niet in te zien hoe de algemeen directeur nader moest motiveren waarom hij de delibererende klassenraad niet opnieuw zou samenroepen. Verzoekster beschikt op basis van dat schorsingsarrest op het eerste gezicht immers niet over de mogelijkheid om nieuwe wettigheidskritieken aan te voeren of kritieken die zij niet meer leek te handhaven, nieuw leven in te blazen.
- De Raad van State heeft in het eerdere schorsingsarrest voorlopig opgemerkt dat verzoekster het bestuur bezwaarlijk kan verwijten niet te hebben geantwoord op argumenten die zij het bestuur niet te nuttiger tijd voor de voeten heeft geworpen en het tweede middel als zijnde niet ernstig verworpen. Naast de vaststelling dat over het thans hernomen tweede middel in dat arrest reeds met voorlopig gezag van gewijsde uitspraak is gedaan, bedenkt de Raad dat het genoemde schorsingsarrest aan verzoekster niet de mogelijkheid lijkt te bieden om haar eigen tekortkoming te herstellen en de beroepscommissie alsnog met “een volledige uiteenzetting van alle grieven” te confronteren. Verzoekster kan ook thans het bestuur niet verwijten niet op die grieven te zijn ingegaan bij het nemen van een nieuwe beslissing. Op de terechtzitting argumenteert verzoeksters raadsvrouw wel dat die bezwaren te berde waren gebracht tijdens het onderhoud met de directie -dus in de fase van het overleg- en dat verzoeksters ouders het bezwaarschrift als supplementair beschouwden en er van uit gingen dat hun bezwaren zouden worden “meegenomen” naar de beroepscommissie. XII-5978-6\8 De administratieve beroepsprocedure is wel aan korte termijnen, maar niet aan vele vormvereisten onderworpen. Dit brengt echter wel mee, dat de partij die aan de Raad van State een bepaalde voorstelling van de feiten geeft, er zelf slachtoffer van is als zij haar relaas niet kan bewijzen omdat zij heeft nagelaten een en ander te nuttiger tijd op schrift te stellen. Dat tijdens het onderhoud met de directie opgemerkt werd dat verzoekster maar één jaartekort heeft voor Latijn is een bewering die voor het eerst opduikt in de huidige procedure, die niet lijkt aangevoerd tijdens de vorige schorsingsprocedure en die vooralsnog niet door de Raad van State wordt bijgevallen. Daarenboven, gesteld nog dat met verzoekster zou worden aangenomen dat haar ouders tijdens het overleg met de directie bepaalde grieven lieten gelden, dan nog ziet de Raad van State op het eerste gezicht niet wie verzoekster er dan wel op mag aanspreken om haar inzichten en argumenten te moeten en te kunnen “meenemen” naar de beroepscommissie. Het valt toe aan wie als betrokken persoon een beroep bij de beroepscommissie instelt, zo lijkt, voor die commissie haar redenen van de betwisting kenbaar te maken.
- Verzoekster citeert in haar verzoekschrift het besluit van het onderzoeksrapport over haar “mogelijke leerstoornis”: “[u]it het onderzoek is gebleken dat [verzoekster] over voldoende capaciteiten beschikt, maar zij geeft zelf aan het moeilijk te hebben met studeren. Verdere begeleiding dient erop gericht te zijn haar een studiemethode aan te leren die voldoende rekening houdt met haar sterke punten”. Ook dat resultaat heeft verzoekster maar eerst ná de thans bestreden beslissing aan het schoolbestuur meegedeeld. Daargelaten de vraag of uit die resultaten en bewoordingen wel kan worden afgeleid dat er sprake is van enige leerstoornis, kan verzoekster het bestuur andermaal bezwaarlijk verwijten niet te hebben geantwoord op een argument dat zij tijdens de vorige procedure voor de Raad van State al leek te hebben opgegeven.
- Wat verzoekster de algemeen directeur ten onrechte verwijt, lijkt zij ook de beroepscommissie niet ten kwade te kunnen duiden. Dat het advies van de beroepscommissie, in de versie die verzoekster heeft ontvangen, niet is ondertekend, hoeft dan weer niet te verbazen, nu het een duplicaat betreft. XII-5978-7\8 Er valt, tot slot, niet in te zien hoe de louter materiële vergissing door de algemeen directeur, waar hij in het bestreden besluit vermeldt dat de beslissing van de delibererende klassenraad van “30 september” wordt gehandhaafd, tot de nietigverklaring -en dus ook tot de schorsing- aanleiding kan geven. Verzoekster weet maar al te goed welke beslissing van de delibererende klassenraad wordt bedoeld.
- De beide middelen kunnen niet als ernstig worden aangenomen. Er is dan ook niet voldaan aan ten minste één van de grondvoorwaarden gesteld in artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijftien oktober 2009, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, staatsraad, waarnemend voorzitter, met bijstand van Greta Scheveneels griffier. De griffier, De voorzitter, Greta Scheveneels Geert Van Haegendoren XII-5978-8\8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.991 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.972 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.