id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.995 Rolnummer: A. 193584/IX-6468 Zaak: Arrest 196995 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 15/10/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-10-23 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 03:41 Fiche Arrest nr 196.995 van 15 oktober 2009 Openbaar ambt - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 196.995 van 15 oktober 2009 in de zaak A. 193.584/IX-6468 In zake : Jean-Marie TYTECA wonende te KOKSIJDE, Schoolstraat 9 alwaar woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken bijgestaan en vertegenwoordigd door de Federale Politie DGS/DSJ gevestigd te Brussel Fritz Toussaintstraat 8 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 29 juli 2009, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de directeur DSP van de Federale Politie van 24 juni 2009 waarbij Jean-Marie TYTECA ambtshalve op pensioen wordt gesteld op datum van 1 april
- II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 5 oktober
- Kamervoorzitter André Vandendriessche heeft verslag uitge- bracht. IX-6468-1/6 De verzoeker en adviseur Kirsten Peeters die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verzoeker was voorheen in dienst bij de toenmalige zeevaart- politie. Op 1 december 2000 ging hij over naar de Rijkswacht. Op 1 april 2004 wordt de verzoeker benoemd in de graad van inspecteur van politie en wordt hij tewerkgesteld in SPN Oostende. 3.
- De verzoeker heeft sinds 2005 gezondheidsproblemen. Dienten- gevolge heeft hij om overplaatsing naar de antenne Nieuwpoort verzocht -dichter bij zijn woonplaats-, hetgeen geweigerd werd. 3.
- Bij nota van 10 februari 2009 wordt de verzoeker ter kennis gebracht dat hij zich vanaf 29 januari 2009 in disponibiliteit bevindt wegens het uitputten van zijn ziektedagen. 3.
- Op 26 maart 2009 bereikt verzoeker de leeftijd van 56 jaar. Op grond van artikel 10 van de wet van 30 maart 2001 betreffende het pensioen van het personeel van de politiediensten en hun rechthebbenden kan de verzoeker bij het bereiken van die leeftijd vervroegd met rustpensioen gaan. 3.
- Op 24 juni 2009 wordt de verzoeker ervan in kennis gesteld dat hij met ingang van 1 april 2009 ambtshalve op pensioen wordt gesteld. Dit is de bestreden beslissing. Zij luidt als volgt: “ONDERWERP: Definitieve ambtshalve oppensioenstelling Referenties:
- Algemene wet van 21 juli 1844 over de burgerlijke pensioenen IX-6468-2/6
- Wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruit- gang en financieel herstel, inzonderheid op artikel 117, gewijzigd bij de wet van 21 mei 1991, inzonderheid BINNENKORT op artikel 42 en bij de wet van 30 maart 2001 inzonderheid op artikel
- Wet van 5 augustus 1978 over de economische en budgettaire hervor- mingen.
- Wet van 30 maart 2001 over het pensioen van het personeel van de politiediensten en hun rechten terzake.
- Koninklijk Besluit van 30 maart 2001 houdende de regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, inzonderheid artikel IX.II, 1/ tot 4/.
- Omzendbrief GPI 23 van 03 juli
- Nota ZCM met nr. DGS/DSP/ZCM-2009/5896 van 10-02-2009 (...) Betreft: INP TYTECA JEAN-MARIE (44.14532/DAC-SPN Oostende)
- Conform de nota in Ref. 2 is het ziektecontingent van INP TYTECA uitgeput vanaf 21-01-
- Betrokkene heeft bovendien de leeftijd van 56 jaar bereikt op 26-03-
- Vanaf deze datum is een oppensioenstelling mogelijk vanaf de eerste dag van het trimester dat volgt op de maand waarin zijn verjaar- dag valt. Conform de artikelen vermeld in Ref. 1, wordt het personeelslid dat voldoet aan de voorwaarden om op eigen verzoek een rustpensioen te bekomen, ambtshalve op rust gesteld de eerste dag van het trimester die volgt op de maand [die volgt op de maand (sic)] waarin het in disponibiliteit is geplaatst en pensioengerechtigd is; Gelet op het feit dat het ziektecontingent van betrokkenen uitgeput is vanaf 21-01-2009, met toepassing van de het hierboven vermeld artikel werd INP TYTECA ambtshalve op pensioen gesteld op datum van 01-04-
- (...)” IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
- Met een op 3 september 2009 aangetekend verzonden brief heeft de verzoeker een “commentaar op de nota met opmerkingen van verweerder” ingediend. Een dergelijk stuk is noch in de gecoördineerde wetten op de Raad van State, noch in het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State voorzien. Het stuk dient bijgevolg uit de debatten geweerd te worden. V. Onderzoek van de vordering
- Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de IX-6468-3/6 vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Ernst van de middelen Standpunt van de partijen
- De verzoeker betoogt dat hij niet akkoord kan gaan met zijn oppensioenstelling. Hij verzet zich vooreerst tegen de in het bestreden besluit gemaakte vaststelling dat zijn ziektecontingent sinds 21 januari 2009 uitgeput is en verwijst naar de artikelen VIII.XI.4 en VIII.XI.5 van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiedien- sten (hierna: het RPPol), die betrekking hebben op het wachtgeld, alsmede naar artikel VIII.X.6, § 2, van het RPPol, dat de afspiegeling is van artikel 46, § 2, van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en de afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen en dat betrekking heeft op de beroepsziekten. Vervolgens richt hij zich tegen de sub punt 2 van het bestreden besluit vermelde beslissing om hem ambtshalve op pensioen te stellen vanaf 1 april 2009 en hij voert daartegen in essentie aan dat hem het recht wordt ontzegd om erkend te worden als aangetast door een ernstige en langdurige ziekte als bedoeld in artikel VIII.[XI].5 RPPol.
- De verwerende partij betwijfelt of de verzoeker een middel aanvoert dat beantwoordt aan artikel 2, § 1, 3/, van het procedurereglement voor de Raad van State. Zij stipt voorts aan dat de mogelijkheid waarover de verzoeker beschikt om zijn ziekte als ernstig en langdurig te laten erkennen geen enkele invloed heeft op zijn aantal ziektedagen of op zijn ambtshalve pensionering en dat de vraag van de verzoeker naar “ambtshalve verlof wegens ziekte” door de administratie niet in overweging genomen is omdat hij niet aannemelijk maakte dat zijn problematiek als een beroepsziekte beschouwd kon worden. Zij voegt daaraan toe dat de verzoeker overeenkomstig de geldende regeling, die aan het bestuur geen discretionaire bevoegdheid verleent, op pensioen gesteld is omdat hij 56 jaar geworden is en voldoet aan de voorwaarden om op eigen verzoek een rustpensioen te verkrijgen. Zij besluit dat de verzoeker zijn oppensioenstelling “op wettelijke redenen” geweigerd heeft, maar dat hij niet verduidelijkt welke die wettelijke reden is. IX-6468-4/6 Beoordeling 8.
- Het verzoekschrift is gericht tegen de oppensioenstelling van de verzoeker. Het verzoekschrift bevat geen duidelijke uiteenzetting over de rechtsregel die de verwerende partij met die beslissing zou geschonden hebben. Er kan enkel uit opgemaakt worden dat de verzoeker zich verzet tegen zijn oppensioenstelling omdat hij niet in disponibiliteit wegens ziekte gesteld had mogen worden, nu hij meent dat hij niet de kans gekregen heeft om zijn ziekte als ernstig en langdurig te laten erkennen in de zin van artikel VIII.XI.5 RPPol of om zijn ziekte als een beroepsziekte gecatalogeerd te zien. De verwerende partij gaat ook in op die aspecten van de zaak. 8.
- De verzoeker betwist niet dat de verwerende partij zijn ziekte- contingent, waarover hij in de gewone regeling beschikt, correct berekend heeft. Hij toont niet aan dat hij zich in een uitzonderingsregeling bevindt, waarbij de rechten van een zieke ambtenaar bepaald worden zonder rekening te houden met een ziektecontingent. Hij betwist ook niet dat het bestuur geen discretionaire bevoegd- heid heeft om te beslissen of een politieambtenaar, wiens ziektecontingent uitgeput is, in disponibiliteit gesteld wordt en vervolgens, wanneer hij in de voorwaarden is om een rustpensioen aan te vragen, op pensioen gesteld te worden. De Raad van State ziet dan ook niet in op welke wijze de verwerende partij de reglementering verkeerd zou toegepast hebben door hem na uitputting van zijn ziektecontingent in disponibiliteit te plaatsen en die stand te laten overlopen in een ambtshalve pensionering. 8.
- In de artikelen VIII.XI.4 en VIII.XI.5 RPPol kan de verzoeker geen grondslag vinden om zijn indisponibiliteitstelling onwettig te laten bevinden. Die bepalingen hebben immers betrekking op het bedrag van het wachtgeld dat een in disponibiliteit gestelde politieambtenaar zal ontvangen. Artikel VIII.X.6, § 2, RPPol heeft betrekking op een beroepsziekte en de verzoeker toont geenszins aan hoe die bepaling op zijn geval kan betrokken worden. Het rechtsmiddel dat in het verzoekschrift kan onderkend worden is niet ernstig. 8.
- Hieruit volgt dat niet voldaan is aan één van de bij artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te kunnen bevelen. IX-6468-5/6 8.
- Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 15 oktober 2009, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, met bijstand van Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-6468-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.995 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.215.516 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div