← België

Arrest 196996 - Tucht (openbaar ambt) - 15/10/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.996 Rolnummer: A. 146696/IX-4035 Zaak: Arrest 196996 - Tucht (openbaar ambt) - 15/10/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-10-22 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 03:41 Fiche Arrest nr 196.996 van 15 oktober 2009 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. IXe KAMER nr. 196.996 van 15 oktober 2009 in de zaak A. 146.696/IX-4035 In zake : Elisabeth SWERTS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Lindemans kantoor houdend te Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de Politiezone TIENEN-HOEGAARDEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Nathalie De Clercq kantoor houdend te Brugge Stockhouderskasteel Gerard Davidstraat 46 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 19 januari 2004, strekt tot de nietigver- klaring van de beslissing van 18 november 2003 van het politiecollege van de politiezone Tienen/Hoegaarden waarbij aan SWERTS Elisabeth de tuchtstraf van de blaam wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. De verzoekster heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. IX-4035-1/17 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 5 oktober
  3. Kamervoorzitter André Vandendriessche heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Thomas EYSKENS, die loco advocaat Dirk LINDE- MANS, verschijnt voor de verzoekster, en advocaat Pieter-Jan STAELENS, die loco advocaat Nathalie DE CLERCQ, verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten en reglementair kader
  5. De verzoekster is commissaris van politie in de lokale politiezone Tienen/Hoegaarden. Tijdens een vergadering van de politieraad van de zone Tienen/Hoegaarden van 20 februari 2003 maakt een raadslid melding van “kennelijk misbruik van een politievoertuig” op zaterdag 7 december 2002 door een personeelslid van de politie. Twee dames met een kind en boodschappentassen zouden gezien zijn te Leuven terwijl zij zich verplaatsten met een politievoertuig van de zone. Er wordt op vraag van het politiecollege door de Algemene Inspectie van de federale politie en van de lokale politie een voorafgaand onderzoek ingesteld. Daaruit blijkt dat de verzoekster zich op 7 december 2002 op het dienstblad ingeschreven heeft voor “8 u docentendag PIVO tot 15.30 u” -een activiteit die geen dienstactiviteit is- en dat zij verklaart dat zij zich die dag met een voertuig van de politiezone samen met een andere docente, verplaatst heeft naar het PIVO te Asse om daar een studiedag voor docenten bij te wonen, dat de bijeenkomst IX-4035-2/17 tot ongeveer 13.00 uur geduurd heeft en dat zij vervolgens, na het oppikken van het dochtertje van de collega, naar Leuven gereden zijn waar zij eerst in de bibliotheek opzoekingswerk verricht heeft voor de voorbereiding van haar “actieplan interne communicatie” om dan op zoek te gaan naar de aankoop van het boek. Dat heeft tot 15.30 u geduurd. Terug in Tienen heeft zij de wagen rond 17.45 u in de garage van het korps geparkeerd. Op 22 juli 2003 wordt een inleidend verslag opgemaakt. Er wordt gesteld dat de verzoekster door het oneigenlijk gebruik van een politievoertuig de naam van het korps in opspraak gebracht heeft en dat zij voor een niet toegelaten deelname aan een docentendag “diensturen gegenereerd heeft” die aanleiding gegeven hebben tot de uitbetaling van overuren, hetgeen diefstal met schriftverval- sing is. Volgende tuchtvergrijpen worden erin vermeld: - de waardigheid van het ambt in het gedrang gebracht te hebben door het gebruiken van een dienstvoertuig voor privé-doeleinden - tekort gekomen te zijn aan de beroepsplichten door enerzijds geen overleg gepleegd te hebben en de toelating gevraagd te hebben voor het bijwonen in dienstverband van de docentendag en door voor die deelneming diensturen aangerekend te hebben en extra diensturen opgegeven te hebben voor privé- activiteiten. Voorgesteld wordt aan de verzoekster de tuchtstraf op te leggen van de inhouding van 2% van wedde gedurende twee maanden. Met het bestreden besluit van 18 november 2003 legt het politiecollege aan de verzoekster voor vermelde tuchtvergrijpen de tuchtstraf van de blaam op. IV. Ontvankelijkheid van het beroep
  6. De tuchtstraf die met het bestreden besluit aan de verzoekster opgelegd is, is met toepassing van artikel 57, tweede lid, van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten (hierna: de tuchtwet) op het blad der tuchtstraffen uitgewist, aangezien niet gebleken is dat de verzoekster binnen de twee jaar geen nieuwe tuchtstraf opgelopen heeft. IX-4035-3/17 Dit ontneemt haar evenwel niet het vereiste belang bij het onderhavige beroep, aangezien de uitwissing de tuchtstrafbeslissing zelf niet uit het rechtsverkeer wegneemt maar enkel belet dat de tuchtstraf naar de toekomst toe nog bij de beoordeling van een aantal ambtelijke situaties mag betrokken worden. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen
  7. De verzoekster voert de schending aan van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991, van de materiële motiveringsverplichting, van het onpartijdig- heidsbeginsel en van het vermoeden van onschuld. Zij onderkent in het middel vier onderdelen: - er wordt niet deugdelijk gemotiveerd en er wordt ook niet ingezien op welke wijze zij haar beroepsplichten miskend zou hebben door zonder voorafgaand overleg en zonder toestemming de docentendag bij te wonen; - er wordt niet uiteengezet op welke gronden het bestuur haar de miskenning van haar beroepsplichten kan verwijten op het vlak van “diefstal door middel van schriftvervalsing”, - het bestuur neemt de ruchtbaarheid die derden aan de zaak gegeven hebben in aanmerking om te besluiten dat zij de waardigheid van het beroep aangetast heeft zonder dat dit gedragen wordt door precieze en duidelijke gegevens, terwijl twijfel toch in het voordeel van de ambtenaar uitgelegd moet worden; - er is besloten tot het opleggen van een blaam zonder dat uiteengezet wordt waarom de feiten deze concrete tuchtstraf verantwoorden. 5.
  8. Het eerste onderdeel van het middel is gericht tegen het tuchtvergrijp dat de verzoekster tekort gekomen is aan haar beroepsplichten door: “Nagelaten te hebben voorafgaandelijk overleg te plegen met de operationele coördinator over het nut, de noodzaak en de opportuniteit van het bijwonen, in dienstverband, van de bewuste docentendag. Dit in weerwil van het protocol van het politiecollege van 28 mei 2002 tot aanstelling van een operationele coördinator zonder hiërarchisch gezag over de personeelsleden die niet tot zijn eigen korps van herkomst behoren. In dat protocol werd een oproep gedaan aan alle personeelsleden tot aanvaarding van dat niet hiërarchisch gezag als ware het wel van die aard. U doet dat NIET, meer nog u stelt uitdrukkelijk dat u op 7 december 2002 geen hiërarchische overste had met wie u kon overleggen of IX-4035-4/17 die u kon informeren. Nochtans was u aanwezig tijdens de vergadering van het politiecollege waarin dit protocol werd goedgekeurd. Daarenboven hebt u geen toestemming gevraagd aan het politiecollege voor het mogen bijwonen van deze docentendag, in dienstverband. Aangezien uzelf verklaart dat u op 7 december 2002 geen hiërarchische overste had aan wie u die toestemming had kunnen vragen, was in dat geval de toestemming van het politiecollege nodig. Bovendien was voor het bijwonen van een docentendag, georganiseerd ten behoeve van de docenten van de provinciale politieschool, hetgeen niet tot één van de functionaliteiten van de lokale politie behoort, alleszins een overleg en toestemming nodig, conform de ministeriële omzendbrief PLP 10 van 9 oktober
  9. Daardoor kunnen noch de artikelen uit titel IV van de RPPo1 inzake het recht op opleiding, noch het artikel VI. 13.2 van de UBPo1 tot aanwijzing van de personeelsleden die een leidend ambt uitoefenen of over een autonome beslissingsbevoegdheid beschikken, in deze ingeroepen worden om te argumenteren dat enig overleg of toestemming niet nodig waren voor het bijwonen van de bedoelde docentendag.” Bij nader toezicht blijkt evenwel dat aan de verzoekster geen tuchtvergrijp verweten kan worden: - het protocol van 28 mei 2002 vermeldt dat de operationele coördinator de verschillende korpsen van de zone zal leiden “zonder hiërarchisch gezag te verwerven over de leden die niet tot zijn eigen korps behoren. Dit vereist een intellectuele aanvaarding (...) van dat niet-hiërarchisch gezag als ware het wel van die aard.” Dat document, dat een praktische werkwijze instelt, is geen beslissing, het is haar niet tegenstelbaar en het is overigens in strijd met de wijze waarop de gezagsuitoefening in de “mammoetwet” geregeld is. Overigens is het protocol slechts een oproep aan de personeelsleden om met goede wil het gezag van commissaris Schippers te aanvaarden en heeft zij in ieder geval de gevraagde goede wil betoond, aangezien zij commissaris Schippers op 5 december 2003 medegedeeld heeft te zullen deelnemen aan de docentenopleiding en deze het dienstblad ook aanvaard heeft; - voor de tekortkoming aan de beroepsplichten door geen toestemming te vragen aan het politiecollege vermeldt het bestreden besluit geen rechtsgrond. Geen rechtsregel legt haar de verplichting op om voor het volgen van een opleiding vooraf de toestemming van het politiecollege te verkrijgen. De wet op de geïntegreerde politie bepaalt dat een politiekorps onder de leiding staat van een korpschef en er wordt haar nu iets tegengeworpen dat niet voorzien is in die wet; - de omzendbrief PLP 10 is niet aan de verzoekster gericht en daar kunnen voor haar dan ook geen verplichtingen uit ontstaan. In ieder geval heeft zij een recht op opleiding en zij heeft aan het bestuur medegedeeld wat het nut van de opleiding was. IX-4035-5/17 IX-4035-6/17 5.
  10. Het tweede onderdeel van het middel is gericht tegen het tuchtvergrijp dat de verzoekster tekort gekomen is aan haar beroepsplichten door: “Diensturen te hebben aangerekend voor een activiteit waarvoor voorafgaan- delijk geen toestemming was gevraagd noch verleend. Daarenboven op onrechtmatige wijze extra diensturen te hebben aangerekend, door het vermelden van een later uur van beëindiging van de initiële dienst dan het werkelijke uur, op het daartoe bestemde registratieblad der uitgevoerde dienstprestaties voor een als dienst naar voren gebrachte activiteit, die echter niet kan hebben plaatsgevonden (in se diefstal door middel van schriftverval- sing).” Zij is van oordeel dat zij met het aanrekenen van diensturen voor een niet-toegelaten activiteit geen tuchtvergrijp gepleegd heeft omdat de deelname aan de studiedag gebeurde om beroepsredenen en het dan ook normaal is dat zij het dienstblad invulde. Het aanrekenen van extra-diensturen -te dezen de tijdspanne tussen 14.00 u en 15.30 u- kan wel een tuchtvergrijp vormen, maar dit feit wordt niet bewezen. 5.
  11. Het derde onderdeel van het middel is gericht tegen het tuchtvergrijp dat de verzoekster de waardigheid van het ambt in het gedrang gebracht heeft door: “Gebruik te hebben gemaakt van een herkenbaar dienstvoertuig voor privé-doeleinden in omstandigheden die van aard zijn dat de integriteit van de ganse lokale politie Tienen Hoegaarden in het algemeen, en van het officieren- korps in het bijzonder, in vraag kan worden gesteld en waardoor de naam van het korps in opspraak werd gebracht.” Zij betoogt dat deze tenlastelegging betrekking heeft op het gebeuren in de parking Ladeuze te Leuven omstreeks 17.00 uur en dat verwezen wordt naar het verrichten van winkelaankopen, maar dat wordt geenszins bewezen. En de zogenaamde ruchtbaarheid die aan de zaak gegeven is, is in ieder geval niet aan haar te wijten. 5.
  12. In het vierde onderdeel van het middel wordt aangevoerd dat er geen redelijke verhouding bestaat tussen de motieven en het dictum van het tuchtstrafbesluit. IX-4035-7/17 De motieven van het bestreden besluit luiden als volgt: “Overwegende dat de feiten ernstig zijn en een zware tuchtstraf rechtvaardi- gen. Overwegende dat uw herhaaldelijk ontkennen van een deel van de ten laste gelegde feiten, ondanks meerdere duidelijke bewijzen daarvoor, ernstig afbreuk doet aan het vertrouwen dat de overheid in u als politieofficier heeft. Overwegende dat uw herhaaldelijk weigeren om stukken in ontvangst te nemen geenszins bijdraagt tot het behoud van de serene sfeer waarin een tuchtonderzoek dient te verlopen. Overwegende dat uw herhaalde aantijgingen van partijdigheid aan het adres van de voorzitter van het politiecollege evenmin bijdragen tot het behoud van die serene sfeer. Gelet op uw staat van dienst, uw blanco tuchtblad en uw positieve evaluatieformulieren; Overwegende dat de eerste vaststelling van een tuchtrechterlijk strafbaar feit het verdere verloop van uw carrière niet mag hypothekeren; In onze hoedanigheid van hogere tuchtoverheid, optredend als gewone tuchtoverheid.” en de verzoekster bekritiseert deze verschillende motieven: - de motivering is nietszeggend, zeer algemeen en gaat in tegen het vermoeden van onschuld; - zij heeft voor de zekerheid geëist om bij aangetekende brief in kennis gesteld te worden van de procedurestukken. Men kan haar dat nu niet verwijten; - de sfeer in het korps is hoe dan ook reeds verziekt; - het is precies de tuchtstraf die haar carrière hypothekeert; - er wordt niet duidelijk gemaakt waarom eerst een zware tuchtstraf werd voorgesteld om die vervolgens af te zwakken naar een lichte tuchtstraf.
  13. De verwerende partij beantwoordt het middel, zeer kort samengevat, als volgt: - eerste onderdeel: het politiepersoneel heeft een recht op opleiding en zij wordt in beginsel tijdens de diensturen gevolgd, maar dat betekent geenszins dat het volgen van de opleiding niet aangevraagd moet worden. Het volgen van een externe opleiding is afhankelijk van een advies van de functionele chef aangaande het nut van de opleiding maar de eindbeslissing ligt bij de verantwoordelijke overheid. De verzoekster heeft op 7 december 2002 een informatiedag gevolgd bij het PIVO, ingericht voor docenten en kandidaat-docenten. Het geven van onderricht in de politiescholen behoort evenwel, blijkens de omzendbrief PLP 10, niet tot de functionaliteiten van de lokale politie. De verzoekster heeft niet gevraagd om de studiedag van 7 december 2002 te volgen, terwijl zulks de evidentie was. Met betrekking tot de vraag aan wie de verzoekster de toelating diende te vragen, stelt de verwerende partij dat de ontwrichting van de politiezone het bestuur ertoe gebracht heeft P. Schippers als operationeel coördinator met een bepaalde IX-4035-8/17 opdracht aan te wijzen en dat dit aan de verzoekster bekend was. Zij had dus aan de operationeel coördinator moeten vragen om de studiedag bij te wonen en de nuttigheid ervan door hem laten beoordelen. Aanvaardde de verzoekster zijn gezag niet, dan had zij zich rechtstreeks tot het politiecollege moeten richten, dat haar hiërarchische overheid is. De verwijzing naar de omzendbrief PLP 10 strekt er enkel toe aan te tonen dat het volgen van de studiedag op 7 december 2002, gericht op het geven van onderricht in de politiescholen, niet behoort tot de functionaliteiten van de lokale politie. Een en ander betekent dat noch de bepalingen van titel IV van het RPPol inzake het recht op opleiding, noch artikel VI.13.2/ van het UBPol tot aanwijzing van de personeelsleden die een leidend ambt uitoefenen of over een autonome beslissingsbevoegdheid beschikken, dienstig ingeroepen kunnen worden om te bewijzen dat geen voorafgaande toelating noodzakelijk was; - tweede onderdeel: de verzoekster heeft voor 7 december 2002 diensturen aangegeven van 8 uur tot 15.30 uur. Zij is evenwel niet bevoegd om zelf te bepalen wanneer ze diensturen presteert en hoeveel. Zij kan dat enkel mits toelating en het is evident dat enkel regelmatig gepresteerde uren als aanrekenbare uren worden opgegeven. Terecht is haar dus verweten uren als diensturen genoteerd te hebben; - derde onderdeel: de verzoekster heeft een dienstvoertuig gebruikt voor privé- doeleinden. Dat is door een echtpaar opgemerkt en het is ook in de pers gerapporteerd. Dat heeft de politie in een slecht daglicht geplaatst. Of de verzoekster al dan niet gewinkeld heeft is niet ter zake; - vierde onderdeel: De verzoekster legt niet uit welke tuchtstraf zij dan wel als redelijk zou aanzien hebben. De hardnekkigheid waarmee een ambtenaar zijn schuld ontkent laat het bestuur toe de begane misstap anders te beoordelen en dat heeft niets te maken met de wijze waarop het verweer gevoerd wordt. De opmerking dat de verzoekster weigerde stukken in ontvangst te nemen heeft niet bijgedragen tot een serene afwikkeling van het dossier. De verzoekster kan toch niet verwachten dat zij geen tuchtstraf opgelegd krijgt voor haar misdraging omdat zij kandidaat-korpschef is.
  14. In haar laatste memorie brengt de verzoekster nog twee elementen aan die nuttig bij de zaak betrokken kunnen worden: - uit het UBPol, waarin gesteld wordt dat de werkelijke tijd van de opleiding die “nuttig geacht wordt” als dienstprestatie in aanmerking genomen wordt, volgt niet dat de opleiding die zij gevolgd heeft niet in aanmerking kwam als dienstprestatie; IX-4035-9/17 - zij is lid van de opleidingscommissie en woonde in die hoedanigheid de docentendagen steeds als dienstactiviteit bij. Beoordeling
  15. In het eerste onderdeel van het middel stelt de verzoekster dat haar niet kan verweten worden dat zij zonder voorafgaande toestemming deelgenomen heeft aan de studiedag van 7 december 2002 in het PIVO, aangezien dergelijke verplichting niet bestaat en er geen rechtsgrond voor aangewezen wordt. De verzoekster betwist niet dat zij zonder overleg of toelating op 7 december 2002 deelgenomen heeft aan een studiedag bij het PIVO en dat zij zulks als dienstactiviteit op haar dienstenblad ingeschreven heeft. Zij betwist dat de grondslagen die in het bestreden besluit worden aangevoerd, zouden volstaan om haar daarvoor tuchtrechtelijk te vervolgen.
  16. In het ministerieel besluit van 28 december 2001 tot uitvoering van sommige bepalingen van het RPPol (het UBPol) wordt bepaald (titel VI, hoofdstuk III) onder welke voorwaarden opleidingen als dienstprestaties aangere- kend kunnen worden. Het besluit maakt in artikel VI.1 een onderscheid tussen de opleidingen bedoeld in artikel I.I.1, 24/ tot 27/ (de beroepsopleidingen, te dezen niet in het geding) en de “nuttig geachte opleidingen”, te weten de opleidingen “die tot doel hebben in een ambt beter of efficiënter te renderen en die door de dienstchef als nuttig worden beoordeeld voor het uitgeoefende of het uit te oefenen ambt”. Geen andere opleiding kan als dienstprestatie aangemerkt worden. In het geval van de verzoekster betekent zulks dat zij de studiedag niet als dienstprestatie mocht noteren tenzij haar dienstchef het nut ervan had aanvaard.
  17. De verzoekster heeft nooit echt duidelijkheid verschaft over de aard en de inhoud van de opleiding die zij in het PIVO gevolgd heeft. Een informele bijeenkomst voor docenten aan de politieschool is evident niet te beschouwen als een vorm van opleiding als bedoeld door het UBPol. In haar laatste memorie verwijst de verzoekster naar haar lidmaatschap van de “opleidingscommissie van de politieschool” als “deskundige van de lokale politie”. Zij stelt dat zij daarom op alle docentendagen wordt uitgenodigd en dat zij dit lidmaatschap steeds tijdens de diensturen uitgeoefend IX-4035-10/17 heeft. Met die uiteenzetting bewijst de verzoekster niet dat zij een opleiding volgt die nuttig is voor haar functie en uit een mogelijk gedoogbeleid dat in het verleden binnen de politiezone gehanteerd werd kan zij geen recht of aanspraak putten om haar deelneming aan de docentendag als een dienstactiviteit aan te geven.
  18. De verzoekster is van oordeel dat, wegens de problemen in verband met de benoeming van een korpschef, zij geen instemming behoefde om de docentendag als dienstactiviteit aan te geven. Dat standpunt faalt, aangezien de ontstentenis van korpschef niet betekent dat het personeel zijn opdracht naar eigen goeddunken mag invullen. Bovendien brengt de verzoekster geen deugdelijke reden aan om eigener gezag de beslissing van het politiecollege van 28 mei 2002 om, gelet op de specifieke situatie waarin de politiezone verzeild was geraakt, een operatio- neel coördinator aan te wijzen met onder meer de opdracht “om aan het politiecolle- ge advies te geven in verband met het bijwonen van studiedagen, vergaderingen e.d. door andere korpsleden”, te negeren. Zij had minstens, rekening houdend met de hiërarchische structuur waarin zij tewerkgesteld is, bij afwezigheid van een korpschef, aan het politiecollege moeten vragen het probleem een oplossing te geven.
  19. Aldus bezien beschikte de verwerende partij wel degelijk over een deugdelijke grondslag om de ten laste gelegde feiten als een tuchtinbreuk tegen de verzoekster te weerhouden. In de bestreden beslissing is daar ook op correcte wijze naar verwezen, waar aangestipt wordt dat de handelwijze van de verzoekster ingaat tegen het protocol van 28 mei 2002, dat zij ook de vereiste toestemming niet van het politiecollege gekregen had en dat zij zich niet op het recht op opleiding of op artikel VI.13,2/, kon beroepen om zonder overleg of toestemming te handelen. Het eerste onderdeel van het middel is niet gegrond.
  20. Het tweede onderdeel van het middel is gericht tegen de tuchtinbreuk om extra diensturen te hebben aangerekend. De verzoekster ontwikkelt dit onderdeel vertrekkende van de “strafrechtelijke kwalificatie” (diefstal door middel van schriftvervalsing) die het bestuur geeft aan het aanrekenen van diensturen voor het volgen van de opleiding en aan het aanrekenen van ex- tra-diensturen door het vermelden van een later uur betreffende het beëindigen van de dienst dan het werkelijke uur. IX-4035-11/17
  21. Die opstelling kan niet zonder meer gevolgd worden: in de bestreden beslissing worden de betrokken feiten als een tuchtvergrijp gekwalifi- ceerd, met name als een handeling die een tekortkoming aan de beroepsplichten uitmaakt. De verzoekster grijpt de vermelding “in se diefstal door middel van schriftvervalsing” aan om de indruk te wekken dat de verwerende partij daadwerke- lijk de bedoeling zou gehad hebben de betrokken feiten een strafrechtelijke kwalificatie te geven. Deze vermelding komt echter veeleer over als een verduidelij- king van wat die tekortkoming inhoudt, zonder daarom deze tekortkoming strafrechtelijk te willen kwalificeren. De vraag is dus niet of de betrokken feiten terecht strafrechtelijk werden gekwalificeerd, maar wel of zij terecht als tuchtver- grijp werden gekwalificeerd.
  22. Uit de bespreking van het eerste onderdeel is gebleken dat het aanrekenen van diensturen voor het volgen van een opleiding zonder voorafgaande toelating als een tuchtvergrijp gekwalificeerd kon worden. Het aanrekenen van extra-diensturen heeft betrekking op de tijdspanne tussen 13.00 u (einde opleiding) en 15.30 u (einde dienstprestatie zoals geregistreerd door de verzoekster). De verzoekster stelt deze tijdspanne te hebben gebruikt om zich naar Leuven te begeven om er de bibliotheek en de boekhandel ACCO om beroepsredenen te bezoeken.
  23. Uit de bestreden beslissing en het administratief dossier blijkt evenwel dat de verzoekster na het einde van de opleidingsdag in het PIVO eerst het dochtertje van haar collega bij de schoonouders is gaan ophalen. Voor het overige heeft zij met betrekking tot haar bibliotheekbezoek en haar zoektocht naar wetenschappelijke lectuur die nuttig had kunnen zijn voor haar dienstuitoefening, herhaaldelijk nuanceringen gebracht aan haar verklaringen. Wat het bewijs van de feiten betreft, dient opgemerkt dat het de Raad van State niet toekomt als rechter in hoger beroep de ware toedracht van de feiten vast te stellen maar dat hij enkel onderzoekt of de tuchtoverheid naar recht en redelijkheid tot haar voorstelling van de feiten is gekomen, meer bepaald of die overheid de vereiste zorgvuldigheid bij de feitenvinding heeft in acht genomen. Wat betreft het “bibliotheek-verhaal” heeft de verwerende partij een aantal ongerijmdheden vastgesteld: de verzoekster stelt uiteindelijk de bibliotheek niet te hebben bezocht omdat een dagkaart te duur was, 10 i in de aanvankelijke verklaring van de verzoekster, terwijl naderhand is gebleken dat de IX-4035-12/17 verzoekster over een bibliotheekkaart op eigen naam beschikte -die ze op 12 maart 2003 verlengde- en terwijl naderhand ook is gebleken dat een dagkaart slechts 2,5 i kostte. Wat betreft het “ACCO-verhaal” heeft de verwerende partij eveneens een aantal ongerijmdheden vastgesteld: aanvankelijk verklaarde de verzoekster dat ze in de ACCO één boek vond, maar dat ze het niet aankocht omdat de prijs (46 i) te hoog was. Naderhand blijkt dat dit boek van 46 i niet voorhanden was, aangezien het pas een half jaar later is uitgegeven. Op grond van deze vaststellingen heeft de verwerende partij geoordeeld dat de verzoekster deze gebeurtenissen verzonnen heeft om aldus de registratie van het einde van haar dienstprestaties om 15.30 u. te kunnen verant- woorden. Gelet enerzijds op de ontstentenis van aanwijzingen die in het voordeel van de thesis van de verzoekster pleiten en anderzijds op de pertinente vaststelling van ongerijmdheden die het relaas van de verzoekster ongeloofwaardig maken, wordt aangenomen dat de verwerende partij in recht en redelijkheid tot haar voorstelling van de feiten is gekomen.
  24. De verzoekster voert terzake ook nog aan dat de verwerende partij nagelaten heeft een getuige à décharge op te roepen. Zij toont evenwel niet aan op welke wijze deze getuige iets zou kunnen bijbrengen over haar bezoek aan de bibliotheek en ACCO. Het tweede onderdeel van het middel is niet gegrond.
  25. Het derde onderdeel van het middel is gericht tegen de tuchtin- breuk dat de verzoekster een dienstvoertuig voor privé-doeleinden gebruikt heeft. De verzoekster linkt dit aan het incident in de parking Ladeuze om 17 uur. Het onrechtmatig gebruik van het dienstvoertuig dient evenwel in een ruimer kader beoordeeld te worden, aangezien uit de verwerping van het tweede onderdeel van het middel volgt dat het bestuur terecht vastgesteld heeft dat haar oponthoud te Leuven niet door dienstredenen verantwoord kan worden.
  26. Wat betreft de gebeurtenissen in de parking te Leuven om 17.00 uur stelt de verzoekster ten onrechte dat de getuigen hun verklaring niet gestand gebleven zijn. De getuigen hebben twee dames in burger met een baby in een buggy en met plastic-zakken in de dienstwagen zien stappen. De verzoekster ontkent dit niet. Op grond van die vaststelling kon de verwerende partij in redelijkheid stellen dat het dienstvoertuig voor privé-doeleinden gebruikt werd. IX-4035-13/17 Aan de verzoekster wordt niet verweten dat zij kerstinkopen gedaan heeft. Er moest daarover, in het kader van de tenlastelegging, dan ook geen onderzoek gevoerd worden.
  27. De bestreden beslissing kwalificeert het incident in de parking als een gedraging die de waardigheid van het ambt in het gedrang heeft gebracht, doordat zij met name gebruik gemaakt heeft van een herkenbaar dienstvoertuig voor privé-doeleinden in omstandigheden die van aard zijn dat de integriteit van de ganse lokale politie Tienen-Hoegaarden in het algemeen, en van het officierenkorps in het bijzonder, in vraag gesteld kan worden en waardoor de naam van het korps in opspraak wordt gebracht. In de mate de verwerende partij op basis van de getuigenis van het apothekersechtpaar tot de conclusie gekomen is dat de feiten gekwalificeerd konden worden als een gedraging die de waardigheid van het ambt in het gedrang heeft gebracht, is de bestreden beslissing zowel formeel als materieel voldoende gemotiveerd. Het feit dat de verzoekster zelf niet verantwoordelijk is voor de ruchtbaarheid die aan het incident werd gegeven kan hieraan geen afbreuk doen. Het derde onderdeel van het middel is niet gegrond.
  28. In het vierde onderdeel betwist de verzoekster de onredelijkheid van de opgelegde tuchtstraf. In de mate het onderdeel ontwikkeld wordt met inachtneming van het uitgangspunt dat de feiten niet bewezen zijn, wordt met verwijzing naar de bespreking van de vorige onderdelen van het middel, waaruit gebleken is dat de verwerende partij de feiten wel degelijk als een tuchtfeit in aanmerking kon nemen, geoordeeld dat het middelonderdeel geen grondslag heeft. In de afsluitende motivering wordt onder meer overwogen dat de feiten ernstig zijn en een zware tuchtstraf rechtvaardigen. Deze vaststelling worden in fine van de motivering in balans gebracht met de staat van dienst, het blanco tuchtblad en de positieve evaluatieformulieren van verzoekende partij, zodat verwerende partij van oordeel is dat een eerste tuchtrechtelijke veroordeling het verdere carrièreverloop van verzoekende partij niet mag hypothekeren en zij uiteindelijk aan verzoekende partij een blaam oplegt (zijnde de tweede lichtste tuchtstraf). IX-4035-14/17
  29. De Raad van State heeft slechts een marginale toetsingsbevoegd- heid ten aanzien van de redelijkheid van de strafmaat. De verwerende partij verwijst in de eerste plaats naar de ernst van de gepleegde feiten en stelt dat zij een zware tuchtstraf rechtvaardigen. Daarmee volgt het bestuur het voorstel van het inleidend verslag. De Raad van State vindt in de uiteenzetting van de verzoekster geen elementen om te stellen dat dit standpunt kennelijk onredelijk is. De daarop volgende overwegingen vestigen de aandacht op de hardnekkigheid van het verweer en de negatieve houding van de verzoekster gedurende de tuchtprocedure -hetgeen zij als zodanig niet betwist- waardoor de zaak niet met de nodige sereniteit behandeld is kunnen worden. Die bemerkingen zijn evident niet dienstig om de strafmaat te bepalen, maar de verwerende partij heeft er in feite ook geen rekening mee gehouden, aangezien zij uiteindelijk besloten heeft om een lichte tuchtstraf op te leggen en zodoende de toekomst van de verzoekster niet te bezwaren. De verzoekster heeft aldus geen enkele reden om zich te beklagen over de redelijkheid van de opgelegde straf. Het vierde onderdeel van het middel is niet gegrond. B. Tweede en derde middel Uiteenzetting van de middelen
  30. De verzoekster voert in het tweede middel de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van de materiële motiveringsverplichting en van artikel 3 van de politiewet. Zij stelt in essentie dat de bestreden beslissing de materiële en formele motiveringsplicht schendt doordat het essentieel bezwaar van de verzoekster, met name dat de tuchtprocedure beoogt haar kandidatuur in de benoemingsprocedure negatief te beïnvloeden, niet in de besluitvorming werd betrokken (schending materiële motiveringsplicht) en dat dit bezwaar niet werd beantwoord, noch weerlegd (schending formele motiveringsplicht). In het derde daarbij aansluitend middel voegt de verzoekster daar nog aan toe dat het bestuur met de bestreden tuchtstraf haar kandidatuur voor de functie van zonechef wil beïnvloe- den, terwijl dat niet het oogmerk kan zijn van een tuchtsanctie, zodat er sprake is van machtsafwending.
  31. In het eerste middel is uitgemaakt dat deugdelijk bewezen feiten aan de grondslag liggen van de bestreden beslissing. Uit niets blijkt dat het bestuur de mogelijke negatieve invloed van de beslissing op haar carrière in het besluitvor- IX-4035-15/17 mingsproces betrokken heeft. De omstandigheid dat de tuchtstraf een negatieve invloed heeft op haar carrière, kan moeilijk ontkend worden, maar dat betekent nog niet dat de verwerende partij de bedoeling had de verzoekster te beschadigen. Integendeel, uit de laatste overweging van het besluit blijkt dat het politiecollege precies wegens de bezorgdheid van het bestuur om niet te imputeren op haar kandidatuur voor korpschef, besloten heeft om de zware tuchtstraf die initieel in het inleidend verslag was voorgesteld, te milderen. De verwerende partij moet tegenover de verzoekster niet rechtvaardigen waarom zij gemeend heeft haar toch, ondanks haar ambitie om korpschef te worden, een tuchtstraf te kunnen opleggen voor haar ontoelaatbaar -bewezen en tuchtrechtelijk laakbaar- gedrag.
  32. Machtsafwending kan slechts worden aangenomen indien de betrokkene bewijst dat de verwerende partij haar met het bestreden besluit alleen maar wou treffen in haar carrièremogelijkheden. Er worden in het dossier van de zaak geen overeenstemmende gegevens ontwaard die deze conclusie toelaten. Integendeel, uit de bespreking van de voorgaande middelen blijkt dat de verwerende partij goede redenen had om, in het belang van de dienst, de verzoekster tuchtrechte- lijk te straffen. Het tweede en het derde middel zijn niet gegrond. BESLISSING
  33. De Raad van State verwerpt het beroep.
  34. De verzoekster wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverkla- ring, begroot op 175 euro. IX-4035-16/17 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 15 oktober 2009, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, met bijstand van Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-4035-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.996 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.