← België

Arrest 196998 - Monumenten en Landschappen - 16/10/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.998 Rolnummer: A. 192748/VII-37804 Zaak: Arrest 196998 - Monumenten en Landschappen - 16/10/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-10-20 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 03:41 Fiche Arrest nr 196.998 van 16 oktober 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Monumenten en Landschappen Beslissing : Verwerping Bevolen Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE Xe KAMER nr. 196.998 van 16 oktober 2009 in de zaak A. 192.748/X-14.196. In zake: 1. Roland DE ROUCK, 2. Maria TINZL, 3. Herman DE BOUW, 4. Rita DE VOS, 5. Luc COULIER, 6. Godelieve DE SUTTER, 7. Paul DEQUAE, 8. Rosanne ANECA, 9. Trees SANSEN, 10. Rita LEFEVERE, 11. Wouter PRIEM, 12. de v.z.w. ERFGOEDFORUM BRUGGE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bert Roelandts en Laurent Proot kantoor houdend te 9000 GENT Kasteellaan 141 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 BRUGGE Gerard Davidstraat 46, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partijen: 1. de stad BRUGGE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Antoon Lust kantoor houdend te 8310 ASSEBROEK-BRUGGE Baron Ruzettelaan 27 bij wie woonplaats wordt gekozen, 2. de n.v. MOH bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stijn Verbist en Steven BETZ kantoor houdend te 2000 ANTWERPEN Graaf van Hoornestraat 34 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- X-14.196-1/31 I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 20 mei 2009, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van 23 februari 2009 van de viceminister-president van de Vlaamse regering en Vlaams minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening tot wijziging van het besluit van de secretaris-generaal van 3 juli 1942 houdende de rangschikking als monument van het Sint-Janshospitaal te Brugge. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Auditeur Ann Van Mingeroet heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2009. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Peter De Smedt, die loco advocaten Bert Roelandts en Laurent Proot verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Bart Staelens, die verschijnt voor de verwerende partij, advocaat Elke Casteleyn, die loco advocaat Antoon Lust verschijnt voor de eerste tussenkomende partij, en advocaat Stijn Verbist, die verschijnt voor de tweede tussenkomende partij, zijn gehoord. Auditeur Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Tussenkomst 3.1. Met een op 20 juli 2009 ter post aangetekend verzoekschrift vraagt de stad Brugge om in het geding te mogen tussenkomen. X-14.196-2/31 3.2. Met een op 24 juli 2009 ter post aangetekend verzoekschrift vraagt de n.v. MOH om in het geding te mogen tussenkomen. 3.3. Er is grond om die verzoeken in te willigen, wat betreft het administratief kort geding. IV. Feiten 4.1. Bij besluit van 3 juli 1942 werd onder meer het Sint-Janshospitaal te Brugge, kadastraal bekend sectie C nr. 1156/d (2ha 39a 62ca) en eigendom van de Commissie van Openbare Onderstand overeenkomstig de wet van 7 augustus 1931 op het behoud van monumenten en landschappen, na advies van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen (KCML), als monument gerangschikt om reden van haar artistieke, oudheidkundige of historische waarde. 4.2. Op 7 april 2000 adviseert de afdeling ROHM - West-Vlaanderen Monumenten en Landschappen ongunstig over een aanvraag om een stedenbouwkundig attest nr. 2 voor het bouwen van een “Historiscope” binnen de als monument beschermde site van het Sint-Janshospitaal, omdat onder meer de draagkracht “van (deze) historisch en stadslandschappelijk zeer belangrijk(

  1. e)site reeds maximaal belast is”. Op 22 mei 2000 geeft het college van burgemeester en schepenen van de stad Brugge, na voormeld ongunstig advies en ongunstig advies van de stedelijke dienst voor monumentenzorg en stadsvernieuwing, een ongunstig stedenbouwkundig attest nr. 2 af. 4.3. Het genoemde college treedt op 20 oktober 2000 de diverse ongunstige adviezen over een “princiepsaanvraag tot het bouwen van een historama op de site Oud Sint-Jan in de Mariastraat” bij. 4.4. Begin 2006 wordt door de n.v. MOH tweemaal een princiepsaanvraag ingediend voor het oprichten van een Museum of History (M.O.H.) binnen de Sint-Janshospitaalsite. De afdeling ROHM - West-Vlaanderen Monumenten en Landschappen verleent op 15 maart 2006 over de eerste princiepsaanvraag een ongunstig advies onder meer omdat het te slopen koetshuis aan de Reie dat deel uitmaakt van de beschermde site “ondanks recente verbouwingen en aanpassingen X-14.196-3/31 nog steeds zeer beeldbepalend is op deze plaats en aldus een geschikte buffer kan vormen voor de hedendaagse nieuwbouw” en omdat haar “diensten (...) pleiten voor behoud van één van de laatste relicten van de 19de eeuwse hospitaalgebouwen langs de Reie naar ontwerp van arch. Alleweireldt, hetzij als een afzonderlijk gebouw dat niet in het project is opgenomen (erfdienstbaarheid van toegang tot Site Oud Sint-Jan!), hetzij als onderdeel van het M.O.H.”. De genoemde afdeling adviseert een tweede gewijzigde princiepsaanvraag die de sloop van het koetshuis behoudt, andermaal ongunstig en wijst in een schrijven aan het college van burgemeester en schepenen van 28 maart 2006 op “twee mogelijkheden om dit knelpunt in een voor het overige positief te evalueren ontwerpdossier weg te werken”; hetzij het behoud van het koetshuis “als (
  2. a)doorgang naar Oud Sint-Jan en (
  3. b)toegang tot het MOH”, hetzij een aanvraag “tot opheffing van de bescherming van het ‘koetshuis’” conform artikel 9 van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten (hierna : het Monumentendecreet). 4.5. De n.v. MOH dient vervolgens op 18 mei 2006 een verzoek in bij de minister tot opheffing van de bescherming van het koetshuis teneinde de realisatie van een nieuw “Museum of History” in Brugge mogelijk te maken. In deze aanvraag wordt gesteld dat aangezien de afbraak van het koetshuis (door de aanvrager ‘loods’ genoemd) een essentieel gegeven is voor de inplanting en de architectuur van het museum, de beslissing over een mogelijke wijziging van dit beschermingsbesluit primordiaal is voor de verdere evolutie van dit project. 4.6. Op 20 juni 2006 brengt de cel Monumenten en Landschappen West-Vlaanderen volgend ongunstig advies uit over de “aanvraag tot wijziging van het beschermingsbesluit van het Sint-Janshospitaal te Brugge, meerbepaald de opheffing van de bescherming van een loods”: “De in de aanvraag bedoelde loods maakt ontegensprekelijk deel uit van het perceel 1156d dat bij B.S.G. van 3 juli 1942 in zijn totaliteit werd beschermd als monument. Indien hier wordt aangenomen dat de toenmalige bescherming enkel geldt voor ‘het hospitaalgebouw’ (sic aanvraag) betekent dit dat niet alleen de 19de eeuwse ziekenzalen maar ook het broeder- en het zusterklooster niet als monument beschermd zijn. Dat dit niet de bedoeling was, is duidelijk uit het feit dat in het Besluit niet is aangegeven dat de bescherming enkel van toepassing is op een deel van de gebouwen, zoals in andere gevallen wel werd aangegeven (...) én er ook geen uitzonderingen worden gemaakt (...). De loods werd in 1863 gebouwd als onderdeel van een nieuw hospitaalcomplex dat tussen 1856 en 1864 werd opgetrokken naar ontwerp van de bekende Brugse architect Alleweireldt. Het is dus niet juist te stellen dat de loods deel uitmaakt van een aantal ‘parasietgebouwen’, maar wel degelijk deel X-14.196-4/31 uitmaakt van het 19de eeuwse ziekenhuis. Wat wel als parasietgebouwen kunnen worden omschreven zijn de talrijke aanbouwsels die vanaf 1943 op de site werden opgetrokken, en dus nooit beschermd waren als monument. Het zijn hoofdzakelijk déze gebouwen die in de jaren ’90 werden afgebroken in het kader van een renovatie en uitzuivering van de Sint-Jans-site. De aanvraag stelt verder dat ‘het volledige interieur van de loods werd uitgebroken’. Dit is manifest onjuist daar de bestaande balklaag op gietijzeren zuilen tot de oorspronkelijke inrichting behoort. Het gebouw werd wel gedeeltelijk verminkt door de bouw van een nieuwe banale straatgevel, en het wijzigen van de vensteropeningen in de zijgevel. Desondanks blijft het één van de getuigen van de evolutie van dit belangrijk historisch site, en zou de sloping ervan bijgevolg een verarming van de erfgoedwaarden van het beschermde monument betekenen. Bovendien kan gesteld worden dat juist door zijn ligging aan de Reie het eveneens een standslandschappelijke waarde heeft, en door zijn ‘vertrouwdheid’ een ideale schakel vormt met een nieuwbouwproject. In de aanvraag wordt immers nergens overtuigend aangetoond dat behoud van de loods het MOH-project hindert of onmogelijk maakt, zodat ook niet wordt duidelijk gemaakt waarom de bescherming moet worden opgegeven en de loods moet worden gesloopt. Zoals in de aanvraag wél wordt gesteld, ‘heeft ze wel een functioneel-gevoelsmatige waarde als toegangsmoment tot de site’. Wij menen dan ook dat de loods deze functie en waarde kan behouden zonder de kwaliteit van het nieuwe ‘museum’ negatief te beïnvloeden. Wij moeten er eveneens op wijzen dat er op deze plaats in de erfpacht een recht van doorgang behouden blijft naar het achterliggende congrescentrum. Deze plek kan dus niet zomaar door het nieuwe museum worden ingenomen, zelfs als men nu al denkt dat ‘de aanwezige oppervlakte waarschijnlijk niet toereikend zal zijn’. Er is o.i. onvoldoende moeite gedaan om het nieuwe project in de bestaande toestand te integreren, zelfs nadat na overleg met onze diensten de plannen reeds in belangrijke mate werden afgezwakt en aangepast. Het project heeft te veel de ambitie om prestige uit te stralen en maximaal zichtbaar te zijn, en te weinig de ambitie om de historiciteit en de erfgoedwaarden van het site te respecteren en zich aan te passen aan het aanwezige erfgoed. Wij zijn van mening dat de loods nog voldoende erfgoedwaarde behoudt, en bovendien op een perfecte manier kan ingepast worden in Museum of History, enerzijds als doorgang tot het Congrescentrum (huidige functie) en anderzijds als historische én overdekte toegangsruimte tot het nieuwe gebouw. Het is hierbij vanzelfsprekend dat de nieuwbouwplannen gedeeltelijk zullen moeten herdacht en aangepast worden. Voor de link met het museum kan gebruik worden gemaakt van een nu dichtgemetselde maar brede poortopening in de linker zijgevel”. 4.7. De Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen brengt op 7 september 2006 volgend ongunstig advies uit over “de aanvraag tot opheffing van de bescherming en voor het slopen van de 19de -eeuwse loods”: “De vraag tot opheffing van de bescherming van de loods op de Sint-Janssite te Brugge kadert in de plannen om de realisatie van een nieuw Museum of History mogelijk te maken. Het betreft een privé-initiatief. De oude Sint-Janssite is in zijn geheel beschermd als monument bij besluit van de secretaris-generaal van 8 juli 1942. De loods werd in 1863 gebouwd als onderdeel van een nieuw hospitaalcomplex naar ontwerp van de bekende Brugse architect Alleweireldt. Het interieur vertoont nog de oorspronkelijke houten balklaag op gietijzeren zuilen. Het pand X-14.196-5/31 werd enigszins verminkt door een nieuwe, banale straatgevel

(1970)en door het wijzigen van de vensteropeningen in de zijgevel. De Koninklijke commissie heeft kennisgenomen van de motivatienota tot opheffing opgesteld door het ontwerpbureau, alsook van een presentatiebundel over de doelstellingen en intenties van dit museum. De afbraak van de loods, een vroegere aanhorigheid van de 19de-eeuwse ziekenzalen, wordt door de ontwerpers als primordiaal beschouwd voor de inplanting en de architectuur van het geplande museum. De Koninklijke Commissie heeft op 1 juni 2006 de site van het Sint-Janshospitaal bezocht. De Koninklijke Commissie wijst op de cruciale positie van het gebouw op de hoek van de historische Sint-Janssite te Brugge. Omgeven door twee 17de-eeuwse gebouwen ligt de 19de-eeuwse loods als hoekpand beeldbepalend in het stadslandschap. Wat in de plaats komt, vormt een zeer ingrijpend element binnen het hier vrij ongedefinieerde terrein. Het nieuwe museumcomplex laat qua schaal en architectuur veel te weinig ruimte over aan de historische site. De Koninklijke Commissie brengt derhalve een ongunstig advies uit voor de aanvraag tot opheffing van de bescherming en voor het slopen van de 19de-eeuwse loods. Het behoud en de integratie van de loods binnen het museumconcept vraagt een herdenking van het voorgelegde ontwerp. Een aantal gebouwen van de beschermde Sint-Janssite, waaronder de verpleegsterschool, komen momenteel leeg te staan. De Koninklijke Commissie adviseert dan ook de opmaak van een masterplan voor de gehele historische site”. 4.
  1. Op 20 augustus 2007 richt het stadsbestuur van Brugge zich met een schrijven tot de minister teneinde zijn visie aangaande de “vraag tot gedeeltelijke opheffing van het besluit van de secretaris-generaal d.d. 8.07.1942 tot bescherming als monument” toe te lichten in volgende bewoordingen: “Hoewel de stad de bezorgdheid van de Koninklijke Commissie betreffende het masterplan deelt, blijft de stad de mening toegedaan dat de loods niet waardevol is, en onderschrijft de argumenten zoals beschreven in de bundel van de architecten. Het is een restant en een zwaar verminkt gegeven. De loods is een verbasterd relict dat totaal geïsoleerd staat in de hoek van de site. Het argument dat behoud van het koetshuis noodzakelijk is omwille van haar beeldbepalend karakter wordt zeker niet bijgetreden, gezien dit beeld gevormd wordt door de banale nieuwe straatgevel en verminkte zijgevel en bovendien een oplossing dat duidelijkheid en samenhang biedt voor deze hoek van de site in de weg staat. Zo voldoende sterk en kwalitatief van architectuur, dan mag een nieuwe ingreep gezien worden, want ook hedendaagse architectuur heeft een plaats in de stadsvernieuwingsvisie van Brugge als werelderfgoedstad. De intentie om via het ‘museum of history’ (MOH) een intrigerend en structuurherstellend antwoord te bieden voor deze plek van de Sint-Jansite herstelt het oorspronkelijk besloten karakter van de site. Het MOH brengt de geschiedenis van de stad op baanbrekende, vernieuwende wijze en werd daarom ook ingeschreven in het beleidsplan van de stad. Niet enkel het gebouw en haar inhoud, maar ook het initiatief om het MOH in een ruimer kader te bekijken speelde in op de wensen van de stad. Het MOH is een belangrijke hefboom om de jarenlang versnipperde site op een hoger niveau te tillen. Na verschillende analyses (van bestaande toestand, circulatiepatronen, historisch, ...) is in samenspraak met de stad, de X-14.196-6/31 opportuniteit van een stadspark naar voor geschoven, aanleunend bij het historisch karakter van deze plek. Hiervoor zouden de auto’s die vandaag voor de verwaarloosde aanblik zorgen, ondergronds gebracht worden. Mede dankzij de steun van het MOH en andere partners zijn hiervoor oplossingen in de maak. Gezien zich verschillende actoren op en rond de site bevinden werd door de burgemeester een stuur- en werkgroep in het leven geroepen, waarbij de wensen, noden en toekomstperspectieven van alle partners in kaart werden gebracht. Deze bijeenkomsten hebben reeds meerdere malen plaatsgevonden en door alle partijen is het idee van een hedendaags stadspark (vb. cultuurpark) dat als centraal element binding en samenhang zal brengen tussen de verschillende omliggende functies en gebouwen ondersteund. Dit biedt de mogelijkheid dat de verschillende actoren ook volgens hun eigen tempo kunnen ontwikkelen, gezien bvb. in het geval van de verpleegsterschool niet het volledige gebouw leeg komt te staan (cfr. advies Koninklijke Commissie) maar slechts een klein deel en eventuele volledige ontruiming zich daardoor niet op korte termijn voor zal doen. Telkens wordt teruggekoppeld aan de draagkracht van de site, de economische haalbaarheid, samenhang met de andere functies en beleidskwesties. Momenteel bevinden zich op en rond de site verschillende functies : musea (Memlingmuseum, apotheek en archeologisch museum), congresaccommodatie (19e eeuwse ziekenzalen), overheidsinstelling (dienst Infrastructuur en Ruimtelijke Ordening van stad Brugge), onderwijs met studentenhuisvesting (verpleegsterschool) en woningen. Het park zal deze verschillende functies bundelen waardoor zowel bewoners, als studenten toeristen, congresgangers ... een interessante stedelijkheid in parkcontext kunnen genereren, in relatie met het water. Het MOH en de ondergrondse parking vormen een eerste, essentiële stap om dit mogelijk te maken. Behoud van het koetshuis verhindert het MOH en bijgevolg een samenhangend masterplan. Via bovenstaande wensen we te benadrukken dat al heel wat stappen ondernomen zijn om deze plek in het centrum van de stad te revaloriseren. Een concreet masterplan is nog niet voor handen, maar de voorbereidingen hiertoe zijn volop bezig. Bedoeling is een visionair, haalbaar, flexibel en stedenbouwkundig verantwoord, gebald en communicatief document op te maken dat maximale ontwikkelingskansen genereert en oor heeft voor de verschillende categorieën belanghebbenden. Daarom engageren wij ons als stad om binnen de 24 maanden een concreet masterplan te hebben”. 4.
  2. Op 7 september 2007 geeft de kabinetschef van de minister aan de secretaris-generaal van het departement ruimtelijke ordening, woonbeleid en onroerend erfgoed de volgende opdracht: “Deklasseringsbesluit opstellen op basis van argumenten in brief”. 4.
  3. Op 23 november 2007 beslist de minister het besluit van de secretaris-generaal van 3 juli 1942 houdende de rangschikking als monument van het Sint-Janshospitaal te Brugge in die zin te wijzigen dat het “koetshuis, gelegen op de hoek van de Zonnekemeers en het kanaal” uit de bescherming wordt gesloten. Het besluit geeft hiertoe volgende overweging : X-14.196-7/31 “Overwegende dat het koetshuis op de als monument beschermde site deel uitmaakte van het ruimer complex met wasserij en stookruimtes dat in 1992 werd afgebroken, waardoor de oorspronkelijke context van het koetshuis geschaad werd; Overwegende dat bij de afbraakoperatie van 1992 ook de twee achterste traveeën van het koetshuis afgebroken werden, dat een nieuwe achtergevel in historiserende stijl werd opgericht, en dat ook de vensteropeningen aan de waterzijde volledig werden uitgebroken, zodat de intrinsieke historische, i.c. architectuurhistorische waarde van het koetshuis ernstig werd aangetast; Gelet op het advies van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen, gegeven op 7 september 2006”. Op vordering van onder meer de eerste tot en met de elfde verzoekende partij, wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van dit besluit bevolen bij arrest nr. 186.974 van 9 oktober 2008, op grond van volgende motieven: “4.1.
  4. Het bestreden wijzigingsbesluit is op het eerste gezicht gesteund op twee redenen: enerzijds de geschade ‘oorspronkelijke context van het koetshuis’ door de afbraak in 1992 van de wasserij en stookruimtes en anderzijds de ernstige aantasting van de intrinsieke (architectuur)historische waarde van het koetshuis door de afbraak in 1992 van de twee achterste traveeën, de oprichting van een nieuwe achtergevel in historiserende stijl en het volledig uitbreken van de vensteropeningen aan de waterzijde. 4.1.
  5. Deze redenen kunnen op het eerste gezicht niet volstaan om het wijzigingsbesluit te schragen omdat daaruit niet duidelijk blijkt waarom het advies van de cel Monumenten en Landschappen West-Vlaanderen van 20 juni 2006 en het advies van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen van 7 september 2006 niet worden gevolgd. Dit geldt des te meer nu beide adviezen de volgende motieven aanreiken om de bescherming van het Sint-Janshospitaal desondanks niet te wijzigen: het interieur van het koetshuis vertoont nog de oorspronkelijke houten balklaag op gietijzeren zuilen, het 19de eeuwse koetshuis vormt een ‘onderdeel van een nieuw hospitaalcomplex naar ontwerp van de bekende Brugse architect Alleweireldt’, het feit dat hoofdzakelijk ‘parasietgebouwen’ of ‘aanbouwsels (...) in de jaren ’90 werden afgebroken in het kader van een renovatie en uitzuivering van de Sint-Jans-site’, ‘de cruciale positie van het gebouw op de hoek van de historische Sint-Janssite (...) omgeven door twee 17de-eeuwse gebouwen’, het koetshuis is door zijn ligging ‘als hoekpand beeldbepalend in het stadslandschap’ en ‘één van de getuigen van de evolutie van dit belangrijk historisch site’ waardoor ‘de sloping ervan (...) een verarming van de erfgoedwaarden van het beschermde monument (zou) betekenen’. Het eerste onderdeel van het enig middel is in die mate ernstig”. 4.
  6. Bij ministerieel besluit van 23 februari 2009 wordt overwogen dat het voormelde arrest “aanleiding geeft tot heroverweging” van het geschorste besluit en wordt dit laatste besluit bijgevolg ingetrokken. In een eerdere nota stelden de secretaris-generaal van het departement RWO en de administrateur-generaal van het agentschap R-O Vlaanderen aan de minister “drie mogelijke stappen om te ondernemen” voor “met de juridische gevolgen die deze stappen kunnen genereren”. De eerste X-14.196-8/31 mogelijke stap betrof de mogelijkheid “om deze zaak in afwachting van een uitspraak ten gronde zonder gevolg te laten”, hetgeen zij afraadden. De tweede mogelijke stap betrof de mogelijkheid “om het bestreden besluit in te trekken en met een nieuw declasseringsbesluit dit dossier verder te zetten”, waarover het volgende werd geschreven: “De raadsman van de Vlaamse Overheid raadt daarom aan om het bestreden besluit in te trekken en met een nieuw declasseringsbesluit dit dossier verder te zetten. De administratie kan deze redenering volgen, maar wenst er op te wijzen dat dit nieuwe besluit geen garantie inhoudt : de intrinsieke argumenten om de gedeeltelijke declassering te motiveren zijn beperkt (zie verder), waardoor ook dit nieuwe besluit opnieuw kan worden aangevochten voor de Raad van State. Uiteraard zal bij de opmaak van het nieuw wijzigingsbesluit rekening worden gehouden met het verslag van de auditeur. De auditeur is immers van oordeel dat er in het bestreden besluit niet naar behoren is gemotiveerd. Als bijlage (...) treft u een ontwerp van ministerieel besluit aan waarbij het bestreden besluit wordt ingetrokken en er een nieuw wijzigingsbesluit van kracht wordt gemaakt. Dit wijzigingsbesluit tracht tegemoet te komen aan de opmerkingen van de auditeur en probeert het negatieve advies van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen (KCML) te weerleggen. Dit advies van de KCML, uitgebracht op 7 september 2006, volgt in grote mate de adviezen die door de voormalige afdeling ROHM West-Vlaanderen, cel Monumenten en Landschappen werden uitgebracht in de loop van 2006 op de princiepsaanvraag van de NV Museum of History (MOH). Er werd gepoogd om in het nu voorliggend ontwerpbesluit het ‘gewijzigde beleid’ van het Vlaamse Gewest te verduidelijken. De administratie wil er echter op wijzen dat de declassering van het koetshuis moeilijk te motiveren is. Bij een (gedeeltelijke) opheffing van een beschermingsbesluit kan immers enkel worden gemotiveerd vanuit het onherroepelijk verlies van erfgoedwaarden, andere maatschappelijke belangen kunnen hierbij niet mee in overweging worden genomen. Het negatief advies van de KCML stelt wat dat betreft ondubbelzinnig dat de erfgoedwaarden nog aanwezig zijn - een standpunt dat overigens ook door Monumenten en Landschappen in het verleden werd ingenomen. Vandaag is aan de toestand van het koetshuis of van de Sint-Janssite weinig veranderd, zodat het quasi onmogelijk is om argumenten aan te brengen die een tegenovergesteld standpunt verdedigen. In het bijgevoegde ontwerpbesluit wordt bovendien voorgesteld om een groter gedeelte van de Sint-Janssite uit de bescherming te halen. Wij stellen voor om het braakliggend terrein, waarop vandaag een voorlopige parking is ingericht, ook uit de bescherming te halen. Dit gedeelte van de site heeft geen bijzondere erfgoedwaarde. (...)”. Een derde mogelijke stap bestond “er in om het bestreden besluit alsnog in te trekken en geen nieuw wijzigingsbesluit te ondertekenen”, waarover het volgende werd uiteengezet: “Een derde alternatieve optie bestaat er in om het bestreden besluit alsnog in te trekken en geen nieuw wijzigingsbesluit te ondertekenen. Dit betekent uiteraard dat de site van het Sint-Janshospitaal in zijn geheel beschermd blijft als monument volgens de wet van 7 augustus
  7. Het staat immers nog niet vast dat het nieuwe ontwerp effectief zal uitgevoerd worden op deze locatie. Er X-14.196-9/31 is immers nog geen stedenbouwkundige vergunning afgeleverd - en dat lijkt bij het behoud van de bescherming twijfelachtig. Gezien de nog aanwezige erfgoedwaarden op dit gedeelte van de site - hoewel deze erfgoedwaarden in het verleden reeds werden aangetast - lijkt het dan gepast nog niet onmiddellijk over te gaan tot een declassering voor een gedeelte van de site. Het moge duidelijk wezen dat ook Onroerend Erfgoed pleitbezorger is voor een kwalitatieve invulling van dit deel van de Sint-Janssite, het huidige braakliggende terrein dat wordt gebruikt voor bovengronds parkeren biedt immers geen enkele meerwaarde. Het huidige project voor het Museum of History en de ondergrondse parking lijkt echter niet te voldoen aan de verwachte kwalitatieve invulling. Dit gedeelte van de site doet vandaag immers ook dienst als bufferzone voor het vrijwaren van de omgeving van het Sint-Janshospitaal en andere monumentale sites in de buurt. Een wijziging van de bestaande bescherming dient dan weloverwogen te worden met het inbouwen van een bufferzone om de omgeving en het zicht op de omgeving te vrijwaren. Er mag bovendien niet uit het oog verloren worden dat de Sint-Janshospitaalsite, en dus ook het toekomstige Museum of History, gelegen zijn in het hart van de historische binnenstad van Brugge, in 2000 door UNESCO erkend als Werelderfgoedsite. Het nieuwe Museum of History ligt daarnaast ook binnen het gezichtsveld van het begijnhof in Brugge, dat eveneens werd erkend als Werelderfgoed. De richtlijnen van het Werelderfgoedcomité stellen dat toekomstige ontwikkelingen met een aanzienlijke visuele of ruimtelijke impact binnen of in de onmiddellijke omgeving van werelderfgoedsites, vooraf aan het werelderfgoedcentrum moeten worden voorgelegd. UNESCO vraagt uitdrukkelijk dat er geen onomkeerbare beslissingen zouden worden genomen - zoals bijvoorbeeld het afleveren van een stedenbouwkundige vergunning - zonder het advies van het werelderfgoedcentrum af te wachten. Bovendien valt het te verwachten dat UNESCO zich ernstige vragen zal stellen bij het feit dat de overheid die zich heeft geëngageerd om de erfgoedwaarden die in het erkenningsdossier werden aangehaald te verdedigen, nu besluit om de bescherming van een gebouw op te heffen. In verband met het nieuwe ontwerp voor de site is het dan ook aangeraden om zich eerst te bezinnen over wat mogelijk is op een dergelijke locatie binnen de Werelderfgoedsite ‘historisch centrum van Brugge’. Om dit te bepalen kan enerzijds een werkgroep worden samengesteld om hier een eenduidig standpunt rond te bepalen, anderzijds kan ook een advies worden gevraagd aan de niet- gouvernementele organisatie Icomos (International Council on Monuments and Sites)”. 4.
  8. Op 15 januari 2009 verleent de KCML eenparig ongunstig advies “over het voorgelegde ontwerp van ministerieel besluit houdende wijziging van het beschermingsbesluit van 1942, strekkende tot opheffing van bescherming over het koetsgebouw en over het grootste deel van de onbebouwde grond behorende tot het kadastraal perceel ‘Sint-Janshospitaal’ dat als monument is beschermd”: “(...) 1.
  9. De KCML is zo vrij de voorafgaande bemerking te maken dat het opheffen van een gedeelte van de bescherming noodzakelijk dient gezien in het kader van de volledige bescherming en van zijn integrale betekenis. Hiervoor kan inderdaad een grondige studie en het opstellen van een zogenaamd X-14.196-10/31 masterplan op nuttige zo niet noodzakelijke wijze leiden tot de passende conclusies. In deze optiek dient onvermijdelijk de ganse site te worden onderzocht in al zijn onderdelen en met inbegrip van de neogotische gebouwen kant Mariastraat, de voormalige Materniteit in de Oostmeers en de recente gebouwen van de Verpleegsterschool in het Zonnekemeers. De invloed van de eventuele opheffing van de bescherming van bepaalde onderdelen dient uiteraard gezien te worden in een geheel en de gevolgen hiervan op het beschermd gebleven gedeelte dienen te worden onderzocht. Tevens dient te worden nagegaan indien de tijd niet rijp is om ook de gebouwen Mariastraat en Oostmeers in de bescherming op te nemen. 1.
  10. De KCML wijst er op dat de titel van het ontwerp van ministerieel besluit dat wordt voorgelegd, het heeft over een ‘wijziging’ van het geldende beschermingsbesluit, daar waar uit de lezing blijkt dat deze wijziging in feite de opheffing van de bescherming voor bijna de helft van de oppervlakte betekent. 1.
  11. De KCML wil er ook op wijzen dat het om een aangelegenheid gaat die dient te worden gezien binnen het kader van de historische binnenstad van Brugge die door UNESCO erkend is als werelderfgoed. Het is bekend dat vertegenwoordigers van UNESCO zich al over deze zaak hebben beraden, op verzoek van een buurtcomité en buurtbewoners. Het zou risico’s inhouden de bescherming op te heffen, zonder zich te bekommeren om de mogelijke gevolgen, aangezien het niet ongewoon is dat door de UNESCO erkend werelderfgoed op een lijst van ‘erfgoed in gevaar’ wordt geplaatst, in sommige gevallen zelfs als werelderfgoed wordt geschrapt. (...) - Er moet benadrukt worden dat het gebouw in kwestie het eerste is dat door Isidore Alleweireldt op de Sint-Janssite werd opgetrokken, nog vóór het complex van ziekenzalen dat er op volgde. Alleweireldt is één van de toparchitecten in het Brugge van de 19de eeuw en niet minder dan 34 van de door hem ontworpen gebouwen maken deel uit van de inventaris van het bouwkundig erfgoed in deze stad; verschillende hebben zelfs de status van beschermd monument. Tevens is door nadere studie duidelijk geworden hoezeer Alleweireldt pionierswerk verrichtte door het gebruik van moderne bouwtechnieken in functie van traditionele bouw en hoe dienend en functioneel, met een minimum aan opsmuk en decoratie, maar tegelijk ingenieus wat betreft de volumes, de onderhoudskosten en de gebruiksfaciliteiten, zijn ontwerpen voor utilitaire bouw wel waren. - Er moet nog de nadruk worden op gelegd dat het ontwerp van nieuwbouw, zoals het aan de KCML destijds werd voorgelegd, een storend en ingrijpend element zou vormen dat de Sint-Janssite zou ontsieren, beschadigen en gedeeltelijk vernielen. Het geplande complex zou de historische site door een sterk dominerende schaalvergroting in het gedrang brengen. Een nieuwbouw die op deze site kan harmoniseren met de beschermde gebouwen, heeft dringende behoefte aan begeleiding door het Agentschap Onroerend Erfgoed en door de KCML. - Er wordt daarbij niet voorgehouden dat evolutie op de site niet zou mogelijk zijn, maar dit moet kunnen gebeuren binnen het kader van de wetgeving op beschermde monumenten en met ontwerpen die eerbied tonen voor het bestaande en de goedkeuring wegdragen en het bindend advies kunnen ontvangen van het Agentschap Onroerend Erfgoed. (...)
  12. Advies betreffende de voorafgaande overwegingen in het ontwerp van ministerieel besluit. In de inleiding tot het ontwerp van ministerieel besluit wordt gesteld dat ‘een herevaluatie van de erfgoedwaarden van de volledige Sint-Janssite werd X-14.196-11/31 uitgevoerd en hierbij werd vastgesteld dat het zogenaamde koetshuis door verschillende verbouwingsfasen nog onvoldoende erfgoedwaarde bezit en dat bovendien een groter gedeelte van de betreffende beschermde site geen noemenswaardige erfgoedwaarde meer bezit’. Advies van de KCML: De KCML werd niet in kennis gesteld van een uitgevoerde ‘herevaluatie van de erfgoedwaarden van de volledige Sint-Janssite’ en heeft evenmin mededeling gekregen door wie en volgens welke methode en criteria deze herevaluatie zou zijn uitgevoerd, zodat ze hierover ook niet in discussie of dialoog kan treden. Navraag hieromtrent leert dat in ieder geval de betrokken en bevoegde diensten van het Agentschap Onroerend Erfgoed (cel West-Vlaanderen) niet op de hoogte zijn van een dergelijke herevaluatie. Ter zitting werd tevens bevestigd dat tot heden op geen enkel niveau van de administratie een dergelijke herevaluatie werd ondernomen. De KCML moet dan ook noodgedwongen vaststellen dat voorhouden dat het koetshuis en wat als een ‘restruimte’ wordt bestempeld, geen erfgoedwaarde van algemeen belang meer zou bezitten, betekent dat, vooraleer een passende herevaluatie is uitgevoerd, conclusies worden getrokken die niet door voorafgaande studie zijn onderbouwd of gestaafd.
  13. Artikelsgewijs bespreken van, en advies geven bij het ontwerp van ministerieel besluit. artikel 1/ Deze paragraaf luidt: Het beschermingsbesluit van 3 juli 1942 is vrij ongenuanceerd in de omschrijving van het voorwerp van de bescherming. In 1942 werd eenvoudigweg het volledige perceel, toen kadastraal bekend Sectie C nr. 1156d, beschermd als monument. Een motivatie voor het opnemen van het volledige perceel werd niet gegeven, evenmin een duidelijke beschrijving van alle bedoelde delen. Alle elementen die werden beschermd waren eigendom van de Commissie van Openbare Onderstand. Vandaag kan echter worden vastgesteld dat het koetshuis en de restruimte ten westen van het 19de-eeuwse ziekenhuis geen erfgoedwaarde van algemeen belang bezitten in tegenstelling tot andere zeer waardevolle erfgoedelementen op de site. Advies van de KCML: Dat in 1942 het volledige kadastraal perceel het voorwerp was van bescherming, was niet onlogisch. Het ging immers om een eigendom die sinds de vroege middeleeuwen één geheel vormt, ook in 1942 en ook vandaag nog, met als één van de onderdelen hiervan de in het ontwerp als ‘restruimte’ aangeduide oppervlakte, die als moestuin en siertuin was aangelegd, functie die al eeuwenlang aan dit deel van de eigendom was toebedeeld en die hiermee een passende omgeving bood zowel voor de zieken als voor de daar wonende kloostergemeenschap. Had men zich in 1942 willen beperken tot de middeleeuwse en 17de-eeuwse gebouwen, dan was dat perfect mogelijk. Men heeft zich daar integendeel niet toe beperkt en meteen het volledige kadastraal perceel beschermd. Wat betreft de talrijke beschermingen die tijdens de oorlog over het ganse land werden beslist (en na de oorlog bij Regentsbesluit werden bevestigd) heeft men inderdaad kunnen vaststellen dat ze beknopt waren in hun motivering (de wet vereiste toen ook niets méér), maar tot hiertoe heeft nooit iemand beweerd dat deze beschermingen lukraak waren gedaan en niet gefundeerd waren. In het hier behandelde geval blijkt het toenmalige goede inzicht dat toen bestond in wat een deugdelijke bescherming van monumentale gebouwen en de eraan gekoppelde omgeving moet inhouden, wat in de jaren 1970 tijdens een nationale campagne werd onderstreept onder het motto ‘Een monument staat X-14.196-12/31 niet alleen’ en in de wetgeving werd vorm gegeven door het nieuwe begrip van ‘stads - en dorpsgezichten’. Dat nochtans geen motivering voor de bescherming zou zijn gegeven, is al evenmin juist. Een motivering is wel degelijk vermeld in het besluit, ook al is ze beknopt. Men mag er echter van zeker zijn dat een veel uitgebreider motivering werd opgesteld, die ofwel nog ergens in de dossiers berust, ofwel niet is bewaard. Men moet zich herinneren dat de besprekingen over beschermingen toen bijna uitsluitend in de schoot van de Koninklijke Commissie voor monumenten en landschappen gebeurden. De bewaarde verslagen van deze KCML tonen aan met welke ernst, grondigheid en kennis van zaken de discussies werden gevoerd, en werden voorafgegaan of gevolgd door plaatsbezoeken en het horen van deskundigen. Het lag toen niet in de gewoonten om daarna alle conclusies ook omstandig in de tekst van een besluit te gieten. Er dient een indruk te worden weggenomen alsof de bescherming van 1942 eigenlijk maar een soort toevallige misstap was, ‘ongemotiveerd’ en ‘ongenuanceerd’. De KCML bestond uit erkende en gewaardeerde specialisten en kenners, onder wie voorzitter Edmond Carton de Wiart, kunstschilders Isidore Opsomer en Jean Delville, historicus en oud-voorzitter van het Hof van Cassatie Paul Verhaegen, advocaat en voorzitter van de Touring Club Paul Duchaine, professoren René Maere en Felix Kaisin, architecten Victor Horta, Paul Saintenoy en Jules Brunfaut, letterkundige Henry Briers, beeldhouwer Victor Rousseau en archeoloog Camille Tulpinck. De meeste van deze leden waren ook lid van de Belgische Koninklijke Academie. Daarbij waren grote namen zoals de professoren kanunnik Raymond Lemaire (Leuven) en Stan Leurs (Gent) bij de monumentenzorg betrokken. Ook al ging het in de KCML om prestigieuze leden die hun eigen ideeën konden hebben over goede monumentenzorg, toch moet men niet veronderstellen dat de beschermingen toen willekeurig of lukraak gebeurden volgens de ingeving van de commissieleden. Ze werden integendeel voorbereid en begeleid door de Afdeling Monumentenzorg binnen het Commissariaat generaal voor de Wederopbouw. Men moet derhalve vaststellen dat in oorlogstijd, op een korte periode, enkele honderden uitgebreide beschermingsvoorstellen werden onderzocht, geadviseerd en goedgekeurd. Dat hiermee ernstig werk werd geleverd blijkt uit het feit dat naderhand alle toen besliste beschermingen, ook al waren ze in zekere zin ‘besmet’ door in oorlogstijd te zijn genomen en door een secretaris-generaal te zijn ondertekend, bij Regentsbesluit werden bevestigd en tot op vandaag stand houden. Onder hen bevindt zich de bescherming van de site van het Sint-Janshospitaal in Brugge. artikel 2/ Deze paragraaf luidt: Zowel het koetshuis als de restruimte ten westen van het 19de-eeuwse ziekenhuis hebben vandaag geen cultuurhistorische waarde meer van algemeen belang. Slechts enkele elementen van het verleden van de site zijn zichtbaar, maar dit gedeelte van de site werd zodanig aangetast door verschillende opeenvolgende verbouwingen, dat de cultuurhistorische waarde nagenoeg volledig is verdwenen. Daarom is dit gedeelte van de site dan ook niet meer beschermingswaardig. Advies van de KCML: Het is een onbewezen stelling dat het koetshuis en de ‘restruimte’ door opeenvolgende verbouwingen geen cultuurhistorische waarde meer zouden bezitten. Wat het koetshuis betreft, gaat het om een paar recente verbouwingen die aan de essentie van het gebouw geen afbreuk hebben gedaan en er de waarde niet noemenswaardig van hebben aangetast. X-14.196-13/31 Wat de zogenaamde ‘restruimte’ betreft, tonen de oude tekeningen en kadastrale plannen aan dat hier nooit van gebouwen, laat staan van verbouwingen sprake is geweest en dat het herstel van de vroegere aanblik en waarde dan ook zonder veel moeite kan worden gerealiseerd. Het is alvast niet omdat men een beschermde site zou hebben laten ‘verloederen’ en de waarde volgens sommigen ‘nagenoeg’ zou zijn verdwenen (wat trouwens nog te bewijzen valt) dat hieruit argument zou mogen worden gehaald om dan maar de bescherming op te heffen. Dit zou, in andere gevallen en ook door particuliere eigenaars, als een precedent kunnen worden ingeroepen en zou heel wat andere monumenten kunnen in het gedrang brengen. Bescherming werd en wordt immers soms aangewend, precies om verloedering en vermindering van erfgoedwaarde te stoppen. Wat het onbebouwde deel van het perceel betreft, men mag hierbij niet vergeten dat, in tegenstelling tot wat thans wordt aangenomen voor verdwenen gebouwen waarvan slechts uitzonderlijk heropbouw kan worden overwogen, het algemeen is aanvaard dat tuinen, parken en groene zones, wel opnieuw in hun oorspronkelijke staat kunnen worden aangelegd. artikel 3/ Deze paragraaf luidt: Het koetshuis betreft nog slechts een fragment van het oorspronkelijk opgerichte hospitaalcomplex van de Brugse architect Alleweireldt waarvan de onmiddellijk aangrenzende elementen inmiddels verdwenen zijn. Door deze grootschalige afbraakoperatie is de authenticiteit- en ensemblewaarde herleid tot nul. Deze herhaalde destructieve ingrepen hebben het oorspronkelijke concept van de architect niet alleen aangetast maar zelfs volledig doen verdwijnen. Advies van de KCML: Het argument dat hier wordt aangehaald past niet in een concept van goede monumentenzorg. Het koetshuis, zoals het door architect Alleweireldt werd ontworpen, als toegang tot het Sint-Janshospitaal langs het Zonnekemeers, staat er nog altijd op de plek waar het oorspronkelijk werd voorzien, in de schaal en met het volume zoals door hem ontworpen, in grote mate met de materialen en aankleding ook inwendig, zoals door hem voorzien. Gelegen naast de Reie is het een passende inkom, die voorbereidt op wat men vervolgens op de site zal ontdekken. Dat aangrenzende (decennia later gebouwde) elementen ondertussen verdwenen zijn moet als een versterkend element gelden om te bewaren wat is overgebleven en wat zelfs op tijdstippen dat werd afgebroken, als voldoende waardevol werd erkend. Anderzijds moet worden opgemerkt dat de gebouwen die in de jaren 1980 tot 1992 werden afgebroken, overwegend zo niet (op basis van de kadastrale gegevens) uitsluitend twintigste-eeuwse toevoegingen waren, opgetrokken ten behoeve van het ziekenhuis, vaak zelfs in geprefabriceerde materialen. In de jaren 1950 tot 1970 werd de beschermde toestand van de site over het hoofd gezien omdat de snelle uitbreiding van het ziekenhuis dringende antwoorden vereiste en omdat men het aanzag als een voorlopige toestand (er werd niets afgebroken, alleen bijgebouwd), in afwachting van de verhuis naar het nieuwe ziekenhuis in aanbouw. De verschillende nieuwbouwelementen stonden er, juridisch gezien, in overtreding en het is dan ook normaal dat ze zo spoedig mogelijk weer zijn verdwenen. De enige gebouwen die al op de site stonden in 1942 en niettemin werden afgebroken, waren enerzijds het operatiekwartier (achteraan de 19de-eeuwse ziekenzalen) dat zich in ver gevorderde toestand van bouwvalligheid bevond en anderzijds gebouwen uit 1934 die als wasserij, keuken, stookplaats en lokalen voor de kloosterzusters werden opgericht. Deze gebouwen werden, na gunstig advies van de bevoegde gemeentelijke en gewestelijke instanties, X-14.196-14/31 inclusief van het Agentschap Onroerend Erfgoed, gesloopt, teneinde de oorspronkelijke toestand zo goed als mogelijk te herstellen en de oorspronkelijke en waardevolle gebouwen tot hun recht te laten komen. Het is alvast onjuist te zeggen dat ‘herhaalde destructieve ingrepen het oorspronkelijke concept van de architect niet alleen hebben aangetast maar zelfs volledig doen verdwijnen’. Het tegenovergestelde is waar: door het slopen van bijgebouwen uit latere tijden, is het oorspronkelijk concept van architect Alleweireldt weer volledig tot zijn recht kunnen komen. Eerder dan het koetsgebouw te doen verdwijnen is het wenselijk het, in een globaal plan, als ankerpunt voor verder herstel van de historische site aan te wenden. Om deze redenen bevestigt de KCML het vroegere eenparig genomen ongunstige en gemotiveerde advies dat hierboven is weergegeven en nog verder aangevuld, ten aanzien van het voorstel tot opheffing van de bescherming van het koetshuis. artikel 4/ Deze paragraaf luidt: De afbraak van verschillende bouwwerken ten zuiden van het 19de -eeuwse ziekenhuiscomplex en ook de veelvuldige verbouwingen aan het koetshuis zelf, maken het onmogelijk om terug te gaan naar de oorspronkelijke toestand ten tijde van de bescherming. Aangezien dit gedeelte van de site in dergelijke mate onherstelbaar werd ontsierd, oefent ze er een ongepaste negatieve invloed uit op de beleving van de waardevolle erfgoedkenmerken en erfgoedelementen van de site. De aanwezigheid van het koetshuis en van de parking zorgen er bovendien voor dat het aanwezige waardevolle onroerend erfgoed op de Sint-Janssite in een negatief kader komt te staan. Dit zorgt voor een vermindering van de erfgoedwaarde van de volledige site. Advies van de KCML: Niemand eist, vanuit een goed begrip van monumentenzorg, dat zou worden teruggegaan naar de oorspronkelijke toestand ten tijde van de bescherming. Het is een affirmatie zonder aanvoering van bewijzen dat de site onherstelbaar zou zijn ontsierd door het koetshuis en de zogenaamde ‘restruimte’ die beide een ongepaste negatieve invloed zouden uitoefenen op de beleving van de waardevolle erfgoedkenmerken en erfgoedelementen van de site. Hetzelfde soort argumenten werd in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw door bepaalde verantwoordelijken aangevoerd ten aanzien van de negentiende-eeuwse ziekenzalen in hun verhouding tot de middeleeuwse en 17de- eeuwse gebouwen, en men kan zich alleen maar gelukkig prijzen dat ze hierin niet werden gevolgd. De hier naar voor gebrachte stelling is des te minder gefundeerd omdat tot hiertoe nooit door bevoegde en ter zake opgeleide en bekwame personen of instanties een algemeen herstelplan van de site is ontworpen, althans niet aan de KCML is voorgelegd. De bewering dat de site onherstelbaar zou zijn ontsierd en dat om deze reden een bepaald gebouw en de kleine helft van de grondoppervlakte uit de bescherming zou moeten worden gelicht, wordt door niets aangetoond en bewijst niet waarom het niet, zoals in zo vele andere gevallen, mogelijk zou zijn door het behoud en de valorisatie ervan, de evolutie van dit merkwaardige en historische complex in goede banen te leiden. artikel 5/ Deze paragraaf luidt: Door de decennia lange verwaarlozing en de verminking door verbouwingen in de jaren negentig moet vandaag worden vastgesteld dat een bescherming van algemeen belang voor het koetshuis en de aangrenzende restruimte niet meer kan worden verantwoord. Advies van de KCML: Het hebben over een decennialange verwaarlozing en verminking door verbouwingen in de jaren negentig en hieruit besluiten dat de bescherming van X-14.196-15/31 het koetshuis en de aangrenzende ‘restruimte’ niet langer zou verantwoord zijn, lijkt ons vermetel en gebaseerd op een onvoldoende kennis van de evolutie. Deze onvoldoende kennis spruit onder meer voort uit het feit dat de bevoegde dienst, met name het Agentschap Onroerend Erfgoed in West-Vlaanderen, dat sedert vele jaren dit dossier behandelt, bij het opstellen van het aan de KCML voorgelegde ontwerp van ministerieel besluit klaarblijkelijk niet werd geraadpleegd en de KCML dan ook niet anders kan dan vaststellen dat de haar niet bekende opsteller van dit ontwerp onvoldoende de historiek van de plek kent. Hoe dan ook, van decennialange verwaarlozing en van verminking door verbouwingen, kan niet worden gesproken. Tot in 1977 waren de gebouwen helemaal niet verwaarloosd maar integendeel druk bezet door het ziekenhuis dat er in volle activiteit was. Van 1977 tot ongeveer 1990 kan inderdaad van een onvoldoende zorg door de eigenaar (de stad Brugge) worden gewaagd, maar dit heeft door tijdige ingreep gelukkig geen onherstelbare schade aangericht. Om de site in zijn erfgoedwaarde te herstellen, werden, zoals al vermeld, alle gebouwen gesloopt die van recente datum waren en die als ‘parasietgebouwen’ werden bestempeld. Dit is gebeurd in overleg met en mits de goedkeuring van de Dienst monumentenzorg van de stad Brugge en het Agentschap Onroerend Erfgoed van het Vlaamse gewest, telkens na onderzoek en beraadslaging. Hieruit argument halen om ook de oorspronkelijke en oudste delen te slopen, lijkt niet verantwoord. artikel 6/ Deze paragraaf luidt: Door de afbraak in 1992 van een groot gedeelte van het complex met de stookruimtes heeft het koetshuis vandaag geen fysische en/of cultuurhistorische band meer met de rest van de Sint-Janssite. Deze situatie wordt nog versterkt door de geïsoleerde ligging op een uithoek van het perceel omgeven door een braakliggend terrein, die vandaag wordt gebruikt als parking. Advies van de KCML: Hier opnieuw wordt de huidige toestand als argument genomen tot verdere afbraak en zelfs tot opheffing van bescherming, daar waar integendeel de normale werkwijze zou zijn dat men van de nog aanwezige elementen zou vertrekken om een weer volledig aan elkaar ‘naaien’ van het ganse complex te bestuderen en uit te voeren. Dit wordt door het voorliggende ontwerp van besluit op geen enkele wijze nagestreefd. Men gaat er integendeel van uit dat alleen ‘tabula rasa’ van het bestaande, zonder enig verder onderzoek, kan worden aangeprezen. Voorts dient te worden opgemerkt dat het ‘complex met de stookruimtes’ pas in 1934 werd opgetrokken en nadien nog uitgebreid. De sloop ervan was dan ook een weloverwogen beslissing. Zoals ook het behoud van het koetshuis, als passend merkteken en toegang tot het complex het voorwerp was van discussie en overwegingen. Het is onjuist dat het koetsgebouw door een geïsoleerde ligging geen fysische of cultuurhistorische band meer zou hebben met het Sint-Janscomplex. Het complex is een eeuwenoud en gegroeid geheel, waarbij alles onderlinge banden heeft. Zelfs de minst voorbereide bezoeker zal aanvoelen dat hij, stappend doorheen het wat hoger dan de rest van het domein gelegen koetshuis en uitkomend op de trap die over de zachte helling naar beneden loopt, een bijzonder, men mag zeggen adembenemend zicht heeft op de recht voor hem uitgespreide 19de-eeuwse ziekenzalen met de er bovenuit torende Sint-Salvatorkerk, alsook rechts op de middeleeuwse en 17de-eeuwse gebouwen met erboven de toren van de Onze-Lieve-Vrouwekerk en met op afstand het Belfort. Dit is letterlijk een uniek beeld dat men van op geen enkele andere plek in de stad op een zo indrukwekkende wijze kan beleven. Hieraan wijzigen, meer bepaald afbreuk doen en het zicht erop ofwel ontnemen en onmogelijk X-14.196-16/31 maken ofwel dit zicht privatiseren door het bouwen van een massief gebouw, lijkt vanuit overwegingen van algemeen belang niet te verantwoorden. artikel 7/ Deze paragraaf luidt: De hoekligging van het koetshuis is niet doorslaggevend bij de bescherming. Het beschermingswaardige karakter van een gebouw vloeit immers op zich niet voort uit de beeldbepalende ligging. Te meer daar de beleving van de aangrenzende 17de - eeuwse gebouwen hier zelfs negatief wordt beïnvloed door zijn ligging naast de historiserende en verminkte gevels van het koetshuis. Advies van de KCML: Dit argument komt de KCML voor als moeilijk te begrijpen. Enerzijds lijkt men aan te nemen dat het koetshuis beeldbepalend is, wat op zich toch al een interessant element is. In een aantal gevallen is in het verleden de bescherming precies in hoofdzaak gemotiveerd door het beeldbepalend aspect van een gebouw. Anderzijds stelt men dat de beleving van aangrenzende 17de -eeuwse gebouwen door dit koetshuis negatief wordt beïnvloed. Er zijn geen aangrenzende gebouwen aan het koetshuis, dat eerder aansluit op de 19de -eeuwse ziekenzalen. De KCML veronderstelt dat hier de vroegere kloostergebouwen worden bedoeld, die zich echter aan de overkant van de Reie bevinden, op behoorlijke afstand dus van het koetsgebouw en niet onderhevig aan enige negatieve invloed op de beleving. Dat het ene gebouw de andere negatief zou beïnvloeden behoort trouwens tot een zienswijze op de monumentenzorg en op de harmonie en wisselwerking tussen verschillende stijlen en perioden die door weinigen zal worden gedeeld. Bijkomend kan men zich afvragen, indien de beleving van de 17de-eeuwse gebouwen al negatief zou beïnvloed worden door het koetshuis, hoe men dan die beleving zou kwalificeren eenmaal het koetshuis zou vervangen zijn door een 21ste -eeuwse gebouw dat een veelvoud aan volume en impact zou hebben. artikel 8/ Deze paragraaf luidt: Verder blijkt uit niets dat de bescherming van het koetshuis in 1942 is gebaseerd op de aanwezigheid van de houten balklaag op gietijzeren zuilen. Bovendien weegt het behoud van de balklaag niet afdoende door om de bescherming van algemeen belang voor het hele gebouw te verantwoorden. De authenticiteit van de balklaag werd immers aangetast door het verwijderen van een aantal traveeën in
  14. Advies van de KCML: Aangezien de bescherming van 1942 is gebeurd zonder uitgebreide motivatie, kan men inderdaad niet zeggen dat ze gebaseerd was op een analyse of waardebeoordeling van bepaalde onderdelen van de gebouwen, meer bepaald van houten balklagen op gietijzeren zuilen. Men kan het echter ook niet tegenspreken. Het zou interessant zijn te weten of de commissieleden Victor Horta en Jules Brunfaut hierover iets lieten opmerkingen. Hoe dan ook is het waarschijnlijk dat men, algemeen gesproken en in het kader van beschermingen, in die tijd nog niet voldoende bekend was met en belangstelling had voor evoluties in de bouwtechnieken. Het is pas naar aanleiding van de werken in het begin van de jaren negentienhonderd negentig dat men zich bewust is geworden van de technische virtuositeit en de vernieuwingsgeest die door Alleweireldt in dit koetshuis, zoals in het ganse bouwcomplex en zoals in vele andere gebouwen die hij ontwierp, werd ten toon gespreid. Het was de essentiële reden waarom men oordeelde dat de bescherming inderdaad verantwoord was geweest en zijn volle uitwerking moest behouden. Dat een deel van het oorspronkelijk gebouw zou zijn verdwenen in 1992, kan alvast niet als argument worden aangevoerd om het nu volledig te doen verdwijnen, integendeel wat is overgebleven dient in goede monumentenzorg met dubbele X-14.196-17/31 zorg te worden omringd. Of er inderdaad een deel van het oorspronkelijk door Alleweireldt ontworpen gebouw zou zijn verdwenen dient trouwens nog aan nader onderzoek te worden onderworpen, want dit blijkt alvast niet uit de kadastergegevens van de tweede helft van de negentiende eeuw. Men mag hierbij niet vergeten dat in de jaren 1980 bij herhaling aanvragen werden ingediend tot opheffing van de bescherming van alle 19de-eeuwse gebouwen van het Sint-Janshospitaal (toen ook in functie van een privé ontwikkelingsproject) en dat, na onderzoek, verschillende opeenvolgende ministers deze aanvraag hebben afgewezen. artikel 9/ Deze paragraaf luidt: Naast de afbraak in de jaren negentig van na de bescherming opgerichte aanbouwsels werden tevens oorspronkelijk beschermde gebouwen vernietigd zoals de stookruimtes en de wasserij. Advies van de KCML: Hier opnieuw, in de mate dat het om oorspronkelijk beschermde gebouwen ging, hetzij gebouwen die voor 1942 waren opgericht, is dit niet een argument om op deze weg verder te gaan, maar integendeel een argument om wat toen niet hetzelfde lot onderging en toen als waardevol werd behouden, thans niet zonder meer af te schrijven. De hier geciteerde gebouwen dateerden hoofdzakelijk van 1934 en hun verdwijning werd grondig vooraf besproken en het besluit werd bereikt dat ze als parasitair dienden te worden beschouwd en een degelijke restauratie van de 19de-eeuwse gebouwen hinderden. artikel 10/ Deze paragraaf luidt: Door de afbraak in de jaren negentig en het verdwijnen van de link met de rest van het hospitaalcomplex moet worden vastgesteld dat het koetshuis niet meer kan worden waargenomen als een getuige van de evolutie van de site. Door herhaalde ingrepen aan het koetshuis herinnert zelfs het materiaal weinig of niet meer aan de vroegere ziekenhuissite. De eventuele afbraak ervan is aldus geen verarming van de erfgoedwaarde. Overwegende dat uit bovenstaande beschouwingen en vaststellingen afdoende duidelijk wordt dat de oorspronkelijke context van het 19de eeuwse ziekenhuis door de afbraak van de wasserij en stookruimtes werd geschaad en dat de architectuur- en cultuurhistorische waarde van het gedeelte ten westen en ten zuiden van de 19de eeuwse paviljoenen vernietigd werd bij de afbraakoperatie van 1992 waarbij twee achterste traveeën van het koetshuis afgebroken werden, de vensteropeningen aan de waterzijde volledig werden uitgebroken en een nieuwe achtergevel in historiserende stijl werd opgericht. Overwegende dat omwille van bovenstaande vaststellingen en conclusies een juiste en afgewogen afbakening van de beschermde site van het Sint-Janshospitaal in Brugge, die feitelijk een inkrimping van de bestaande bescherming betekent, zich opdringt Advies van de KCML: De hier naar voren gebrachte motieven zijn niet van aard om een opheffing van de bescherming van het koetshuis te rechtvaardigen. Het is een onterechte, alvast onbewezen stelling dat ‘de architectuur- en cultuurhistorische waarde van het gedeelte ten westen van de 19de -eeuwse paviljoenen vernietigd werd bij de afbraakoperatie van 1992’. Wat het koetshuis betreft, het werd alvast buiten die afbraakoperatie gehouden, als waardevol gebouw. Het werd toen door de architect die de ontwerpen voor restauratie maakte, naar het beste van zijn vermogen gerestaureerd en aangepast opdat het zijn rol zou kunnen vervullen als toegang tot het complex, kant Zonnekemeers. Is hij hierbij te ver gegaan in de vernieuwing en heeft hij bepaalde waardevolle elementen weggenomen of verminkt? Ook als dit zo zou zijn is het niet de goede manier om wat aan waardevols is overgebleven, zowel X-14.196-18/31 in de architectuur als door de ligging (ankergebouw en teken) en de functie (toegang), volledig te vernietigen in plaats van verbeteringen aan te brengen.
  15. Wat betreft het verzoek tot opheffing van de bescherming van de gronden die hier als ‘restruimte’ worden omschreven. De KCML bemerkt dat geen argumenten worden aangevoerd waarom ongeveer het ganse onbebouwde terrein, hetzij de kleine helft van het volledige kadastraal perceel, volgens dit nieuwe ontwerp, zou worden aan de bescherming onttrokken. Het gaat hier om grond die sinds meer dan duizend jaar onlosmakelijk verbonden is met het Sint-Janshospitaal, toestand die op talrijke tekeningen, schilderijen, kadasterplannen en foto’s vereeuwigd werd. Deze grond loslaten en de mogelijkheid bieden om er om het even wat (boven- of ondergronds) op te bouwen, zonder dat de overwegingen eigen aan een goede monumentenzorg zouden doorslaggevend blijven, is een vermetele operatie die men, na zo vele jaren studie over en evolutie in de denkwijze over het bouwkundig erfgoed, niet meer als mogelijk mag voorhouden. De voorbeelden van wat dit aan ongunstige evoluties kan veroorzaken zijn legio, en zijn ook op de site zelf van Sint-Jan vast te stellen. Daar zijn immers op de uiterste uithoek van het Zonnekemeers in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw schoolgebouwen opgericht die compleet buitensporig zijn en die verdienen in een algemeen masterplan te worden aangeduid als op termijn te slopen. Gezien het hier gaat om een onbebouwd gedeelte, kan men niet goed begrijpen waarom dit niet meer in de bescherming zou zijn opgenomen. Moet men veronderstellen dat de verwachting bestaat dat werken die men er eventueel wil op uitvoeren, niet in overeenstemming zullen zijn met een goed erfgoedbeheer en daarom ‘soepeler’ zouden te realiseren zijn eenmaal de ambtenaren van het onroerend erfgoed hieromtrent geen bindend advies meer kunnen uitbrengen en de KCML hierop geen evocatierecht meer zou hebben? Dit zou trouwens een onverdiende argwaan betekenen, want zowel de betrokken ambtenaren als de KCML hebben bij herhaling aangetoond dat ze voorstander zijn van evoluties binnen beschermde gebieden, ook met invoeging van nieuwbouw. Niets in de bestaande wetgeving belet dit trouwens. In het hier betreffende geval werd al aan de initiatiefnemers van het project dat de aanleiding is voor het voorliggende ontwerp van besluit, bevestigd dat hun project ook mogelijk is op de onbebouwde terreinen (thans parkeerplaats) die naast het koetshuis liggen. De opheffing van de bescherming zou als kennelijk onredelijk kunnen beschouwd worden indien ze de indruk zou wekken te worden beslist om tegemoet te komen aan een winstoogmerk bij een lucratieve vastgoedoperatie, daar waar de overheid en meer bepaald ook de KCML het opnemen voor het algemeen belang, zijnde in het huidige geval, de instandhouding en handhaving van het cultureel onroerend erfgoed. Advies van de KCML: Om de hierboven uiteengezette motieven geeft de KCML ongunstig advies”. 4.
  16. Met het thans bestreden besluit van 23 februari 2009 worden in artikel 1, 1) van het besluit van de secretaris-generaal van 3 juli 1942 houdende de rangschikking als monument van het Sint-Janshospitaal van Brugge de woorden “kadastraal bekend Sectie C Nr. 1156d (2ha 39a 62ca) eigendom van de Commissie van Openbaren Onderstand;” vervangen door de woorden “kadastraal bekend Sectie C nr. 1161C, 1161G (deel) en 1161K (deel) zoals afgebakend op bijgevoegd plan”, “(om)dat uit een toetsing van de aanwezigheid van de erfgoedwaarden van X-14.196-19/31 de volledige Sint-Janssite moet worden vastgesteld dat het zogenaamde koetshuis door verschillende verbouwingsfasen nog onvoldoende erfgoedwaarde bezit en dat bovendien zelfs een groter gedeelte van de betreffende beschermde site geen noemenswaardige erfgoedwaarde meer bezit en dat dus zowel het koetshuis als de naastgelegen bovengrondse parking, gelegen aan de Zonnekemeers naast het koetshuis, niet beschermenswaardig meer wordt geacht”. Het bestreden besluit geeft ter verantwoording “volgende relevante beschouwingen en conclusies omtrent het verlies aan erfgoedwaarden van een gedeelte van de site van het Sint-Janshospitaal”: “1/ Het beschermingsbesluit van 3 juli 1942 is vrij ongenuanceerd in de omschrijving van het voorwerp van de bescherming. In 1942 werd, zoals gebruikelijk voor beschermingsbesluiten genomen tijdens oorlogsperiode, louter het volledige perceel, toen kadastraal bekend Sectie C nr. 1156d, beschermd als monument. Zonder afbreuk te willen doen aan de motivatie waarom in 1942 werd beslist tot bescherming van de site, stellen we vast dat een motivatie voor het opnemen van het volledige perceel niet werd gegeven, evenmin een duidelijke beschrijving van alle bedoelde delen. Alle elementen die werden beschermd waren eigendom van de Commissie van Openbaren Onderstand. Vandaag kan evenwel worden vastgesteld dat het koetshuis en de restruimte ten westen van het 19de-eeuwse ziekenhuis geen erfgoedwaarde van algemeen belang bezitten in tegenstelling tot andere zeer waardevolle erfgoedelementen op de site. 2/ Zowel het koetshuis als de restruimte ten westen van het 19de-eeuwse ziekenhuis hebben vandaag geen cultuurhistorische waarde meer van algemeen belang, in vergelijking met gelijkaardige constructies uit dezelfde periode. Slechts enkele elementen van het verleden van de site zijn zichtbaar, maar dit gedeelte van de site werd zodanig aangetast door verschillende opeenvolgende verbouwingen, dat de cultuurhistorische waarde nagenoeg volledig verdwenen is. Daarom is dit gedeelte van de site dan ook niet meer beschermingswaardig. Integrale reconstructie op dergelijke schaal is, voor wat de restruimte betreft, gelet op de hoge graad van aantasting binnen de huidige inzichten van de monumentenzorg niet meer te verantwoorden. 3/ Het koetshuis betreft nog slechts een fragment van het oorspronkelijk opgerichte hospitaalcomplex van de Brugse architect Alleweireldt, waarvan de onmiddellijk aangrenzende elementen inmiddels verdwenen zijn. Op de vrijgekomen terreinen werd met minimale middelen een parking aangelegd zonder enige erfgoedwaarde. Door deze grootschalige afbraakoperatie is de authenticiteit- en ensemblewaarde herleid tot nul. Deze herhaalde destructieve ingrepen hebben het oorspronkelijke concept van de architect in hoge mate aangetast. 4/ Door de afbraak van verschillende bouwwerken ten zuiden van het 19de-eeuwse ziekenhuiscomplex en ook de veelvuldige verbouwingen aan het koetshuis zelf werd dit gedeelte van de site in dergelijke mate onherstelbaar ontsierd dat ze een ongepaste negatieve invloed uitoefent op de beleving van de waardevolle erfgoedkenmerken en erfgoedelementen van de site. De aanwezigheid van het koetshuis en van de parking zorgen er bovendien voor dat het aanwezige waardevolle onroerend erfgoed op de Sint-Janssite in een negatief kader komt te staan. Dit zorgt voor een vermindering van de erfgoedwaarde van de volledige site. 5/ Door de decennialange verwaarlozing en de verminking door verbouwingen in de jaren negentig moet vandaag worden vastgesteld dat een X-14.196-20/31 bescherming van algemeen belang voor het koetshuis en de aangrenzende restruimte niet meer kan worden verantwoord. 6/ Door de afbraak in 1992 van een groot gedeelte van het complex met de stookruimtes heeft het koetshuis vandaag geen fysische en geen cultuurhistorische band meer met de rest van de Sint-Janssite. Deze situatie wordt nog versterkt door de geïsoleerde ligging op een uithoek van het perceel omgeven door een braakliggend terrein, die vandaag wordt gebruikt als parking. 7/ Hoewel het koetshuis een beeldbepalend karakter kan worden toegeschreven, vormt dit op zich geen decretaal bepaald element in de afweging tot bescherming. 8/ In het interieur van het koetshuis is de houten balklaag op gietijzeren kolommen nog aanwezig maar het behoud van de balklaag weegt niet afdoende door om de bescherming van algemeen belang voor het hele gebouw te verantwoorden. Verder blijkt uit niets dat de bescherming van het koetshuis in 1942 is gebaseerd op de aanwezigheid van de houten balklaag op gietijzeren zuilen. De authenticiteit van het koetshuis werd immers aangetast door het verwijderen van twee traveeën in 1992, zoals vergelijkend onderzoek duidelijk heeft aangetoond. 9/ Naast de afbraak in de jaren negentig van na de bescherming opgerichte aanbouwsels werden tevens oorspronkelijk beschermde gebouwen vernietigd zoals de stookruimtes en de wasserij. 10/ Door de afbraak in de jaren negentig, de aanleg van de parking en andere infrastructuur en het verdwijnen van de link met de rest van het hospitaalcomplex moet worden vastgesteld dat het koetshuis niet meer kan worden waargenomen als een getuige van de evolutie van de site. Door herhaalde ingrepen aan het koetshuis herinnert zelfs het materiaal weinig of niet meer aan de vroegere ziekenhuissite. Het uit de bescherming lichten van het koetshuis en de naastgelegen restruimte is aldus geen verarming van de erfgoedwaarde. Overwegende dat uit bovenstaande beschouwingen en vaststellingen afdoende duidelijk wordt dat de oorspronkelijke context van het 19de -eeuwse ziekenhuis door de afbraak van de wasserij en stookruimtes werd geschaad en dat de architectuur- en cultuurhistorische waarde van het gedeelte ten westen en ten zuiden van de 19de-eeuwse paviljoenen vernietigd werd bij de afbraakoperatie van 1992 waarbij twee achterste traveeën van het koetshuis afgebroken werden, de vensteropeningen aan de waterzijde volledig werden uitgebroken en een nieuwe achtergevel in historiserende stijl werd opgericht; Overwegende dat omwille van bovenstaande vaststellingen en conclusies een juiste en afgewogen afbakening van de beschermde site van het Sint-Janshospitaal in Brugge, die feitelijk een inkrimping van de bestaande bescherming betekent, zich opdringt”. V. Ontvankelijkheid van de vordering
  17. De eerste tussenkomende partij voert aan dat de beslissing van de twaalfde verzoekende partij om in rechte te treden slechts door twee bestuurders werd genomen terwijl haar statuten bepalen dat de raad van bestuur uit minstens drie leden bestaat zodat niet het naar recht bevoegde orgaan deze beslissing heeft genomen. X-14.196-21/31
  18. De verzoekende partijen sub 1 tot en met 11 laten gelden dat zij “eigenaar en bewoner (zijn) van een woning in de onmiddellijke nabijheid van de beschermde Sint-Janshospitaalsite met het koetshuis”, dat “het bestreden besluit een eerste noodzakelijke stap is naar de afbraak van het koetshuis om daarna plaats te maken voor een grootschalig bouwproject” waardoor “(h)et straatbeeld (...) ernstig (zal) worden verminkt” en dat in het arrest nr. 186.974 werd aangenomen dat zij “een belang hebben bij het behoud van het beschermingsstatuut”. De verzoekende partij sub 12 stelt dat zij optreedt “ter behartiging van de door haar statutair onderschreven ideële collectieve belangen”, haar “actiegebied (...) samen(valt) met de omgeving rond de site van het Sint-Janshospitaal”, en dat zij “is opgericht met het doel de aantasting van het waardevolle karakter van de omgeving te voorkomen, c.q. bestrijden”.
  19. De eerste tussenkomende partij betwist dat de verzoekende partijen sub 1 tot en met 11 een afdoende, persoonlijk, rechtstreeks, actueel en zeker belang aantonen omdat “(d)e enkele omstandigheid (...) eigenaars (te) zijn of (te) wonen in de omgeving van de gedeeltelijk gedeclasseerde site (...) t.a.v. het bestreden besluit geen andere relatie (doet) ontstaan dan de andere Bruggelingen er mee hebben”. Zij laat gelden dat “ook al heeft de declassering tot mogelijk gevolg dat er aldaar in de toekomst ooit een nieuw project verrijst, toch kan men in redelijkheid niet zeggen dat die louter hypothetische mogelijkheid een rechtstreeks gevolg zou zijn van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit”. Zij stelt dat de site volgens het gewestplan gelegen is in een woongebied “van culturele, historische en/of esthetische waarde” zodat “ook na een declassering omwille ‘van de wenselijkheid van het behoud’ een slopingsvergunning (kan) worden geweigerd”, “actueel aan de toestand van de verzoekende partij noch persoonlijk noch wat hun eigendom of huurwoning betreft, ook maar iets wijzigt”, en “niets eraan in de weg (staat) dat de belanghebbende particulieren tegen een eventuele latere slopings- en/of stedenbouwkundige vergunning opkomen en daarbij alsnog de regelmatigheid van het eraan voorafgaand declasseringsbesluit aanvechten, vermits het te kwalificeren is als een noodzakelijke voorbereidende akte van individuele aard, die op zich geen rechtsgevolgen beoogt noch verhindert dat ze zouden intreden”. Zij betwist voorts het belang van de twaalfde verzoekende partij omdat zij “niet aan(toont) hoe zij in haar werking als vereniging is gehinderd door het bestreden besluit” en “(d)e omstandigheid dat de overheid een maatregel uitvaardigt die in strijd is met de doelstellingen die een vereniging zich voorneemt na te streven, (...) haar geen persoonlijke schade (berokkent) en (...) haar niet (verhindert) haar doelstellingen verder te trachten te realiseren en voor haar doel te ijveren”. X-14.196-22/31 Subsidiair laat zij gelden dat enkel de verzoekende partijen sub 1 tot en met 9 en 11 “kunnen (...) spreken van zicht op het koetshuis en de parking” wat “(o)p zich echter (niet) volstaat (...) vermits het bestreden besluit niets aan hun zich wijzigt: ze blijven kijken op een banale voorgevel en een weinig fraaie parking” en “aan het straatbeeld verandert er niets”.
  20. De tweede tussenkomende partij betwist het belang van de twaalfde verzoekende partij om dezelfde voormelde redenen.
  21. Uit de gegevens van de zaak blijkt en het wordt niet betwist dat de verzoekende partijen sub 1 tot en met 9 en 11 in de onmiddellijke omgeving van het bedoelde koetshuis woonachtig zijn. Zij hebben als zodanig het naar het recht vereiste persoonlijk, zeker, rechtstreeks en actueel belang bij het behoud of de handhaving van het beschermingsstatuut dat -bij besluit met een individueel karakter- werd gegeven aan het onroerend goed in de onmiddellijke omgeving van het onroerend goed dat zij bewonen, en a fortiori bij hun beroep tegen de gedeeltelijke opheffing van dat beschermingsstatuut op vraag van de tussenkomende partij met het oog op het slopen van het koetshuis. Ten onrechte wordt hetzelfde belang van de tiende verzoekende partij betwist.
  22. Gelet op het verzuim van de twaalfde verzoekende partij, spijts het voorbehoud dienaangaande in het auditoraatsverslag, om aan te tonen dat haar raad van bestuur de beslissing om in rechte treden rechtsgeldig heeft genomen, is de vordering in haren hoofde onontvankelijk. VI. Onderzoek van de vordering Overeenkomstig artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. X-14.196-23/31 A. Ernst van het enig middel Standpunt van de partijen
  23. In een enig middel voeren de verzoekende partijen sub 1 tot en met 11 de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna : de Motiveringswet) en van het zorgvuldigheids-, het redelijkheids- en het vertrouwensbeginsel. Zij stellen in het eerste onderdeel van dit middel dat het bestreden besluit “in geen geval afdoende gemotiveerd is nu de motivering (...) nauwelijks op het nochtans zeer uitgebreid negatief advies van de KCML (...) ingaat, laat staan weerlegt”. In het tweede onderdeel van dit middel laten zij gelden dat het “koetsgebouw deel uitmaakt van de historische Sint-Janshospitaalsite, die gelegen is binnen het historisch centrum van de stad Brugge, dat op de UNESCO-werelderfgoedlijst is opgenomen” en dat “de minister uiterst zorgvuldig had moeten zijn bij de behandeling van de vraag tot declassering en rekening had moeten houden met het in het artikel 4 van de Werelderfgoedconventie opgenomen principe dat de lidstaten dienen te zorgen voor het behoud en het beheer van het erfgoed” maar “kennelijk zonder rekening te houden met het ongunstige advies van de KCML (...) is overgaan tot declassering”. In een derde onderdeel voeren zij aan dat zij “er op mochten vertrouwen dat de minister deze aanvraag (tot declassering) zorgvuldig had onderzocht en derhalve tot het besluit zou zijn gekomen dat de vraag tot declassering niet kon worden ingewilligd” en “in de beslissing duidelijk zou aangeven waarom hij het nieuwe ongunstig advies van de KCML (...) niet kon volgen”.
  24. De verwerende partij antwoordt dat bij een declassering uit de motieven wel moet blijken waarom het advies van de KCML niet wordt gevolgd, maar niet “dat op elke zin die in het advies wordt geschreven een antwoord moet worden vermeld” in het bestreden besluit en evenmin “dat er geen andere mening kan zijn dan de mening uiteengezet in het advies”. Zij stelt dat “in het ontwerp van besluit op vrij uitputtende wijze geantwoord” werd op het eerste advies van 7 september 2006 van de KCML, er werd meer bepaald “op gewezen dat nog slechts een fragment aanwezig is van wat in 1942 werd beschermd, dat het koetshuis zorgt -door zijn verminking- voor een negatieve uitstraling van de site, dat de band tussen het koetshuis en de rest van de site is verdwenen, dat het koetshuis is gelegen op een geïsoleerde uithoek omgeven door een braakliggend terrein, dat de houten balklaag en gietijzeren zuilen niet afdoende zijn om een bescherming omwille van het X-14.196-24/31 algemeen belang te verantwoorden voor het hele gebouw, dat door de talrijke afbraken het koetshuis niet meer kan fungeren als getuige en dat alleen het beeldbepalend karakter niet bepalend kan zijn voor een verdere bescherming als monument”, “(d)e eerste reactie (van de KCML), dat er omgekeerd werd gewerkt, (...) vrij onbegrijpelijk (is)” en “(d)e tweede reactie (...) een breedsprakerig verhaal (was) waarom men bij zijn vroeger standpunt bleef, waarbij men zich niet van de indruk kan ontdoen dat alles wat er kon bijgesleurd worden, er bijgesleurd werd om toch maar te zeggen dat wat gepland werd aan dec(la)ssering niet kon” en “wat de parking betreft (...) wel wordt beseft en zelfs toegegeven dat dit terrein geen intrinsieke waarde heeft”. Zij laat verder gelden dat “de minister het advies van de Koninklijke Commissie niet moet ‘weerleggen’”, zij zich afvraagt “(w)aarom (...) een standpunt van de Koninklijke Commissie dat op gemotiveerde wijze niet gevolgd werd in het ontwerp van besluit nogmaals (zou) moeten herhaald worden in het definitief besluit nadat dit standpunt nog eens wordt verwoord, maar dan uitgebreider, in een tweede advies”, de verzoekende partijen nalaten aan te duiden “welk essentieel onderdeel van het advies van de Koninklijke Commissie niet zou zijn ontmoet” en dus dit onderdeel van het middel onontvankelijk is, wat betreft “de parking en het verminkte koetshuis”, en “(i)n het bestreden besluit (...) op omstandige wijze (is) uiteengezet waarom die bescherming niet meer verantwoord is” terwijl “in het advies van de Koninklijke Commissie niet betwist (wordt) dat dit terrein (de parking) geen intrinsieke monumentale waarde meer zou hebben”.
  25. De eerste tussenkomende partij antwoordt dat de verzoekende partijen in essentie stellen “dat het bestreden besluit niet ‘afdoende’ gemotiveerd is in het licht van het advies van de KCML en dit advies alleszins niet ‘weerlegt’”, het eerste onderdeel van het middel ongegrond is “(i)n de mate dat het onderdeel ook schending aanvoert van de formele motiveringsplicht” omdat “uit hun betoog blijkt dat zij die motieven ook kennen, vermits zij ze bestrijden voor Uw Raad”, “(h)et bestreden besluit (...) uitvoerig gemotiveerd (is) en (...) duidelijk de redenen aan(geeft) waarom het het andersluidend advies van de (KCML) niet volgt”, “(h)et bestuur (...) de argumenten van een advies geenszins (hoeft) te ‘weerleggen’, doch enkel duidelijk en begrijpelijk te maken waarom het in andersluidende zin beslist”, overeenkomstig artikel 5, § 8 van het monumentendecreet “de Koninklijke Commissie (enkel) gehoord” moet worden zodat “zelfs niet eens een schriftelijk advies verplichtend (is) voorgeschreven” en “(n)og veel minder (...) een bepaalde chronologie”, “te dezen wel degelijk acht is geslagen op het advies van de KCML” hetgeen blijkt uit “meerdere overwegingen (die) zijn toegevoegd (aan de uiteindelijke beslissing) die in het ontwerp niet voorkomen en die duidelijk X-14.196-25/31 aangeven waarom het advies van de KCML niet is gevolgd”, niet is aangetoond dat die overwegingen “in feite niet correct zijn en in rechte volstrekt niet relevant”, en wel “argumenten werden aangevoerd waarom de declassering is uitgebreid tot de parkingzone”.
  26. De tweede tussenkomende partij antwoordt dat de feitelijke gegevens in de bestreden beslissing correct zijn, de motivering uitvoerig is, het volstaat dat uit de beslissing duidelijk blijkt om welke redenen de overheid oordeelde te moeten afwijken van het advies, het bestuur geenszins verplicht is de argumenten van een adviesverlenend orgaan te weerleggen, “(h)et feit dat (...) de oorspronkelijke context teloor is gegaan (...) en het feit dat de intrinsieke historische, i.c. architectuurhistorische waarde van het koetshuis en omliggende parking (...) ernstig werd aangetast (...) geen loze beweringen (zijn) maar feitelijk gestaafde en gegronde motieven” die de declassering afdoende motiveren en niet kennelijk onredelijk zijn, “aan (de) uiteindelijke beslissing (...) wél een aantal motieven (werden) toegevoegd, die niet voorkwamen in het ontwerpbesluit, en die duidelijk de redenen doen kennen die het besluit verantwoorden en waaruit kan worden afgeleid waarom het advies van (KCML) niet werd gevolg(d)” en die “feitelijk correct” zijn. Beoordeling
  27. Voorafgaandelijk wordt vastgesteld dat de secretaris-generaal bij besluit van 3 juli 1942 “(h)et St. Janshospitaal te Brugge” als monument “rangschikt” en dat deze bescherming slaat op het kadastraal perceel nr. 1156/d met een oppervlakte van 2ha 39a 62ca dat toen “eigendom (was) van de Commissie van Openbaren Onderstand”. Het is niet betwist dat zowel het betrokken koetshuis als de naastgelegen bovengrondse parking zich binnen die geografische afbakening van het beschermde monument bevinden. Het koetshuis en de parking zijn derhalve mee in de bescherming opgenomen. Bovendien wordt vastgesteld dat die rangschikking blijkens het besluit zelf werd gedaan “om reden van (...) artistieke, oudheidkundige of historische waarde” van het monument.
  28. Uit artikel 3 van het Monumentendecreet volgt dat de Koninklijke Commissie tot taak heeft de minister van advies te dienen inzake monumenten en stads- en dorpsgezichten. De Koninklijke Commissie is aldus een adviesorgaan X-14.196-26/31 (Cultuurraad voor de Nederlandse Cultuurgemeenschap, Verslag van de Commissie, 1975-76, 15/10, 11). De Koninklijke Commissie wordt gehoord onder meer wanneer de Vlaamse regering het voornemen heeft om een monument van het ontwerp van lijst te schrappen (artikel 5, § 8 Monumentendecreet), een besluit tot definitieve bescherming van het op het ontwerp van lijst voorkomend monument vast te stellen (artikel 7 Monumentendecreet) en een (koninklijk) besluit tot bescherming van een monument op te heffen of te wijzigen (artikel 9, tweede lid Monumentendecreet). De decreetgever heeft zodoende in de verplichte raadpleging van de Koninklijke Commissie voorzien “in elke belangrijke fase van de procedure” (Cultuurraad voor de Nederlandse Cultuurgemeenschap, Memorie van toelichting, 1973-74, 122/1, 5). Het horen van de Koninklijke Commissie door de Vlaamse regering in de voormelde gevallen is een substantieel vormvoorschrift. De Koninklijke Commissie dient immers telkens een met redenen omkleed, weliswaar niet bindend, advies op te maken over zo’n voornemen van de Vlaamse regering.
  29. Het wordt niet betwist dat een wijzigingsbesluit in toepassing van artikel 9 van het Monumentendecreet onderworpen is aan de Motiveringswet. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht opgelegd door de Motiveringswet is erin gelegen dat de betrokken bestuurde in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen vinden op grond waarvan de beslissing werd genomen. Het is noodzakelijk dat de beslissing duidelijk de fundamentele redenen doet kennen die haar verantwoorden, of minstens toelaat na te gaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij deze feiten correct heeft beoordeeld, en, of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar beslissing is kunnen komen, zodat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. De gegeven motivering moet draagkrachtig zijn en de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te schragen. Wanneer de overheid een wijzigingsbesluit neemt dan moet in dat besluit de precieze en concrete elementen worden vermeld waarom zij van opvatting is veranderd, in casu het eerder genomen beschermingsbesluit wijzigt. En wanneer in de loop van de administratieve procedure adviezen worden uitgebracht, waarover de beslissende overheid oordeelt dat deze niet kunnen worden gevolgd, moeten uit haar beslissing duidelijk de redenen blijken waarom deze adviezen niet worden gevolgd. Deze motiveringsplicht geldt zowel in het geval van verplichte als in het geval van facultatieve adviezen. X-14.196-27/31
  30. Het bestreden besluit is op het eerste gezicht gesteund op twee redenen: enerzijds de geschade “oorspronkelijke context van het 19de-eeuwse ziekenhuis” door de afbraak van de wasserij en stookruimtes en anderzijds de vernietiging van “de architectuur- en cultuurhistorische waarde van het gedeelte ten westen en ten zuiden van de 19de-eeuwse paviljoenen” door de afbraak in 1992 van de twee achterste traveeën van het koetshuis, de oprichting van een nieuwe achtergevel in historiserende stijl en het volledig uitbreken van de vensteropeningen aan de waterzijde. Het besluit leidt dit af uit een aantal hiervoor weergegeven “beschouwingen en vaststellingen”.
  31. Deze redenen, “beschouwingen en vaststellingen”, die veelal louter affirmaties zijn, kunnen op het eerste gezicht niet volstaan om het wijzigingsbesluit te schragen omdat daaruit niet duidelijk blijkt waarom het advies van de cel Monumenten en Landschappen West-Vlaanderen van 20 juni 2006, het advies van de KCML van 7 september 2006 en van 15 januari 2009 niet worden gevolgd. Dit geldt des te meer nu dit laatste advies op het eerste gezicht de volgende -concrete, gestaafde en onderbouwde- motieven aanreikt om de bescherming van het Sint-Janshospitaal desondanks niet te wijzigen: de bescherming van het volledige kadastraal perceel was niet onlogisch omdat het -tot op heden- één geheel vormt waarin de “restruimte (...) als moestuin en siertuin was aangelegd” als “passende omgeving (...) zowel voor de zieken als voor de daar wonende kloostergemeenschap”, de “paar recente verbouwingen” aan het koetshuis hebben “aan de essentie van het gebouw geen afbreuk (...) gedaan en er de waarde niet noemenswaardig van (...) aangetast”, “de oude tekeningen en kadastrale plannen” van “de zogenaamde ‘restruimte’” tonen aan “dat hier nooit van gebouwen, laat staan van verbouwingen sprake is geweest en (...) het herstel van de vroegere aanblik en waarde dan ook zonder veel moeite kan worden gerealiseerd”, “(h)et koetshuis, zoals het door architect Alleweireldt werd ontworpen, als toegang tot het Sint-Janshospitaal langs het Zonnekemeers, staat er nog altijd op de plek waar het oorspronkelijk werd voorzien, in de schaal en met het volume zoals door hem ontworpen, in grote mate met de materialen en aankleding, ook inwendig, zoals door hem voorzien” en het verdwijnen van “aangrenzende (decennia later gebouwde) elementen (...) moet als een versterkend element gelden om te bewaren wat is overgebleven en wat zelfs op tijdstippen dat werd afgebroken, als voldoende waardevol werd erkend”, “de gebouwen die in de jaren 1980 tot 1992 werden afgebroken, (waren) overwegend zo niet (...) uitsluitend twintigste-eeuwse toevoegingen (...), opgetrokken ten behoeve van het ziekenhuis, vaak zelfs in geprefabriceerde materialen”, “(d)e enige gebouwen die al op de site stonden in X-14.196-28/31 1942 en niettemin werden afgebroken, waren enerzijds het operatiekwartier (...) en anderzijds gebouwen uit 1934 die als wasserij, keuken, stookplaats en lokalen voor de kloosterzusters werden opgericht” en zulks “na gunstig advies van (...) het Agentschap Onroerend Erfgoed (...) teneinde de oorspronkelijke toestand zo goed als mogelijk te herstellen en de oorspronkelijke en waardevolle gebouwen tot hun recht te laten komen” waardoor “het oorspronkelijk concept van architect Alleweireldt weer volledig tot zijn recht (is) kunnen komen” zodat “het wenselijk (is) het (koetshuis), in een globaal plan, als ankerpunt voor verder herstel van de historische site aan te wenden”, “(t)ot in 1977 waren de gebouwen helemaal niet verwaarloosd maar integendeel druk bezet door het ziekenhuis dat er in volle activiteit was”, “(v)an 1977 tot ongeveer 1990 kan inderdaad van een onvoldoende zorg door de eigenaar (de stad Brugge) worden gewaagd, maar dit heeft door tijdige ingreep gelukkig geen onherstelbare schade aangericht”, “(o)m de site in zijn erfgoedwaarde te herstellen, werden (...) alle gebouwen gesloopt die van recente datum waren en die als ‘parasietgebouwen’ werden bestempeld”, “het ‘complex met de stookruimtes’ (werd) pas in 1934 (...) opgetrokken en nadien nog uitgebreid” zodat “(d)e sloop ervan (...) een weloverwogen beslissing (was)”, het koetsgebouw heeft een fysische of cultuurhistorische band met het Sint-Janscomplex omdat men “stappend doorheen het wat hoger dan de rest van het domein gelegen koetshuis en uitkomend op de trap die over de zachte helling naar beneden loopt, een bijzonder (...) adembenemend zicht heeft op de recht voor (zich) uitgespreide 19de-eeuwse ziekenzalen”, “(i)n een aantal gevallen is in het verleden de bescherming precies in hoofdzaak gemotiveerd door het beeldbepalend aspect van een gebouw”, “(d)at een deel van het oorspronkelijk (koets)gebouw zou zijn verdwenen in 1992, kan alvast niet als argument worden aangevoerd om het nu volledig te doen verdwijnen, integendeel wat is overgebleven dient in goede monumentenzorg met dubbele zorg te worden omringd” en “(o)f er inderdaad een deel van het oorspronkelijk door Alleweireldt ontworpen gebouw zou zijn verdwenen dient trouwens nog aan nader onderzoek te worden onderworpen, want dit blijkt alvast niet uit de kadastergegevens van de tweede helft van de negentiende eeuw”, “het koetshuis (...) werd alvast buiten die afbraakoperatie gehouden, als waardevol gebouw” en “werd (...) gerestaureerd en aangepast opdat het zijn rol zou kunnen vervullen als toegang tot het complex, kant Zonnekemeers”, ook als “bepaalde waardevolle elementen (werden) weggenomen of verminkt” is de afbraak van het koetshuis “niet de goede manier om wat aan waardevols is overgebleven, zowel in de architectuur als door de ligging (ankergebouw en teken) en de functie (toegang), volledig te vernietigen in plaats van verbeteringen aan te brengen”, en de “‘restruimte’ (...) ongeveer het ganse onbebouwde terrein, hetzij de kleine helft van het volledige kadastraal X-14.196-29/31 perceel” is “grond die sinds meer dan duizend jaar onlosmakelijk verbonden is met het Sint-Janshospitaal, toestand die op talrijke tekeningen, schilderijen, kadasterplannen en foto’s vereeuwigd werd”. Het eerste onderdeel van het enig middel is in die mate ernstig. B. Moeilijk te herstellen ernstig nadeel
  32. De eerste tot en met de elfde verzoekende partij stellen dat zij aan de overzijde van het koetshuis dan wel in de onmiddellijke omgeving ervan wonen, het bestreden besluit “ertoe (leidt) dat het betrokken koetshuis met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zal worden afgebroken” omdat het verzoek tot declassering “er is gekomen” na negatief advies van de afdeling Monumenten en Landschappen over het verzoek tot sloping van het gebouw, het beschermd statuut “de afgifte van een stedenbouwkundige vergunning tot afbraak van het koetshuis (...) onmogelijk” maakt, “(d)e afbraak van het koetshuis zou (...) leiden tot een ernstige aantasting van het woonklimaat van de verzoekende partijen” omdat “het koetshuis sterk beeldbepalend is in het straatbeeld en deel uitmaakt van de beschermde Sint-Janshospitaalsite in het historische centrum van Brugge, dat op de Unesco-werelderfgoedlijst staat” en het “straatbeeld -waaronder het koetshuis- (...) voor de verzoekende partijen (...) een cruciaal onderdeel van hun woonklimaat” vormt, en “hun visueel beeld en woonklimaat in de komende jaren onherstelbaar aangetast” zou worden zonder schorsing van het bestreden wijzigingsbesluit.
  33. Dit betoog overtuigt. Het standpunt van de overige partijen dat de aangevoerde nadelen niet rechtstreeks uit de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden wijzigingsbesluit voortvloeien is niet pertinent omdat uit de gegevens van de zaak blijkt dat het bestreden besluit de noodzakelijke bestuurshandeling is om toe te laten dat een sloopvergunning voor een nog steeds beschermd koetshuis wordt afgeleverd die de aangevoerde verstoring van het visueel beeld en woonklimaat van de verzoekende partijen tot gevolg zal hebben. Het betoog van de tweede tussenkomende partij ter terechtzitting dat zij niet langer van plan zou zijn een Museum of History op de beschermde site op te richten, doet aan deze vaststelling niets af en staat overigens haaks op het verweer dat zij blijft voeren tegen het door de verzoekende partijen aangevoerde middel tegen het bestreden besluit. Er bestaat aldus een voldoende rechtstreeks en causaal verband tussen de ingeroepen nadelen en het bestreden wijzigingsbesluit. In hoofde van de eerste tot en met de elfde verzoekende partij is het nadeel ernstig en tevens moeilijk te herstellen. X-14.196-30/31 Er is bijgevolg in hunner hoofde voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. BESLISSING
  34. De verzoeken van de stad BRUGGE en de n.v. MOH tot tussenkomst in het administratief kort geding worden ingewilligd.
  35. De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing ten aanzien van de twaalfde verzoekende partij.
  36. De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van 23 februari 2009 van de viceminister-president van de Vlaamse regering en Vlaams minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening tot wijziging van het besluit van de secretaris-generaal van 3 juli 1942 houdende de rangschikking als monument van het Sint-Janshospitaal te Brugge. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zestien oktober 2009, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Pierre Lefranc, staatsraad, waarnemend voorzitter, met bijstand van Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels. Pierre Lefranc. X-14.196-31/31 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.998 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.749 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.