id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.008 Rolnummer: A. 84325/IX-1845 Zaak: Arrest 197008 - Tucht (openbaar ambt) - 19/10/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-10-22 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 03:42 Fiche Arrest nr 197.008 van 19 oktober 2009 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 197.008 van 19 oktober 2009 in de zaak A. 84.325/IX-1845. In zake : Mark VERHAMME, die woonplaats kiest bij advocaten E. GILLET en K. VAN KETS, kantoor houdende te BRUSSEL, Brand Whitlocklaan 30 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, die woonplaats kiest bij advocaat D. VAN HEUVEN, kantoor houdende te KORTRIJK, President Kennedypark 6/24. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Mark VERHAMME op 25 mei 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het ministerieel besluit van 27 april 1999 waarbij hem de tuchtstraf van het ambtshalve ontslag wordt opgelegd; Gelet op het arrest nr. 82.643 van 4 oktober 1999 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 14 december 1999 door Mark VERHAMME; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 28 september 2001 die de neer- legging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; IX-1845-1/25 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 17 november 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 februari 2009; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. SLEGERS, die loco advocaten E. GILLET en K. VAN KETS, verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat D. VAN HEUVEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten 1.1. De verzoeker was tot op het tijdstip van het bestreden besluit inspecteur bij het Bestuur van de Veiligheid van de Staat van het Ministerie van Justitie. 1.2. Bij ministerieel besluit van 25 juli 1995 wordt hem een tuchtschorsing van zes maanden met gedeeltelijke inhouding van wedde opgelegd, evenals de verplichting tot het volgen van een medische behandeling en de overplaatsing naar de post van de Staatsveiligheid te Hasselt. Deze tuchtstraf steunt op de volgende feiten : - een strafrechtelijke veroordeling in hoofde van de verzoeker wegens verduiste- ring van energie van de telefoonverbindingen; - het onregelmatig nemen van inhaalrust, onregelmatig verlof, het niet uitvoeren van wachtdiensten, het laattijdig overmaken van ziekteattesten en het door zijn verzuim onrechtmatig ontvangen van een telefoonvergoeding gedurende drie maanden. IX-1845-2/25 Uit de motivering blijkt dat bij het opleggen van de tuchtschorsing rekening is gehouden met verzachtende omstandigheden, met name familiale en financiële problemen die bij de verzoeker aanleiding hebben gegeven tot een morele aftakeling en het feit dat hij tot dan toe nog geen tuchtsanctie had opgelopen. Verder wordt overwogen dat de feiten een ernstige tekortkoming betekenen aan zijn beroepsplichten en dat zijn gedrag ernstig afbreuk doet aan de waardigheid van zijn ambt en daardoor de reputatie van zijn bestuur in opspraak brengt. De verzoeker wordt verplicht een medische behandeling te volgen wegens drankmisbruik en daarover maandelijks te rapporteren. Voorts wordt hij gewaarschuwd dat, indien hij in de toekomst blijk zou geven van ernstige tekortkomingen in de uitoefening van zijn professionele plichten, afbreuk zou doen aan de waardigheid van zijn ambt, de goede werking van de dienst zou verstoren of zou nalaten zijn ambt op een loyale en integere wijze uit te oefenen, een zwaardere straf kan worden opgelegd. 1.3. Wanneer de verzoeker na afloop van zijn schorsing op 1 maart 1996 de dienst hervat bericht hoofdcommissaris D. aan de adjunct-administrateur- generaal van de Staatsveiligheid dat hij de verzoeker op die datum heeft gezien. Op die datum stelt de hoofdcommissaris vast dat de verzoeker geen sporen van alcoholgebruik vertoont maar dat hij duidelijk fysiek nog niet in orde is. De verzoeker bevestigt dat hij wekelijks door zijn dokter wordt gevolgd en dat hij de nodige medicatie neemt. De behandelende dokter bevestigt dat de behandeling positief verloopt en dat de verzoeker de dienst mag hernemen. Hoofdcommissaris D. deelt verder mee dat hij de sectiechef te Hasselt, waar de verzoeker zijn dienst moet hernemen, heeft gevraagd om de verzoeker van nabij te volgen en regelmatig te rapporteren over diens toestand. 1.4. Op 18 mei 1996 doet de verzoeker bij de rijkswacht aangifte van een diefstal van 106.000 Belgische frank aan gelden van de dienst die hij tijdens het weekend tijdelijk in bewaring had. Later trekt hij zijn klacht in omdat het geld bijna volledig wordt teruggevonden. Uit het proces-verbaal dat de rijkswacht over de zaak opmaakt blijkt dat de verzoeker die avond dronken was. Daarenboven verklaren getuigen dat hij zich veelvuldig in staat van dronkenschap bevindt. IX-1845-3/25 In een verslag over dit gebeuren aan de administrateur-generaal van de Staatsveiligheid stelt hoofdcommissaris D. dat, hoewel de sectiechef van de verzoeker bevestigt dat deze niet drinkt tijdens de diensturen, laatstgenoemde toch nog een drankprobleem blijkt te hebben in zijn privé-leven. Hij is echter de mening toegedaan dat de fout van de verzoeker tegenover de dienst niet volstaat voor een afzonderlijke tuchtprocedure, en stelt voor om betrokkene een disciplinaire opmerking te maken, wat ook gebeurt. 1.5. Op 16 april 1997 rapporteert sectiechef Cl. aan hoofdcommissaris D. dat de verzoeker op verzoek van het parket tweemaal ontboden werd bij de politie van Hasselt in verband met een niet betaalde belastingschuld. Hij meent dat dit het imago van de dienst zowel bij het parket als bij de politie schaadt. Hij signaleert dat de verzoeker zich verder nog steeds bezondigt aan laattijdige verlofaanvragen, laattijdige ziektemeldingen en niet regelmatig of helemaal niet verstuurde AGD-1 formulieren. Op 7 mei 1997 deelt de sectiechef aan de verzoeker mee dat de hoofdcommissaris heeft beslist dat de verzoeker zijn verlof vijf dagen op voorhand moet aanvragen. Desalniettemin doet de verzoeker dat niet voor vijf dagen die hij in het begin van de maand augustus 1997 neemt. In een nota van 13 augustus 1997 deelt de sectiechef aan de verzoeker mee dat voornoemde verlofdagen geweigerd worden. Niettegenstaande deze nota gebeurt hetzelfde op 28 en 29 augustus 1997. Sectiechef Cl. bericht hierover op 13 augustus en 1 september 1997 aan de hoofdcommissaris, die op zijn beurt een omstandig verslag opmaakt voor de administrateur-generaal waarin hij besluit dat de verzoeker ondanks herhaalde terechtwijzingen de opgelegde dienstonderrichtingen in verband met verantwoording van afwezigheden en verlofaanvragen niet naleeft. Hij stelt voor om de zeven dagen verlof die door de sectiechef van de verzoeker werden geweigerd om te zetten in non-activiteit zonder wedde. Dit laatste gebeurt bij ministerieel besluit van 8 december 1997. Op 9 mei 1997 verbiedt de sectiechef schriftelijk aan de verzoeker en een collega nog alcoholische dranken te gebruiken in de dienstlokalen. Hij waarschuwt dat overtredingen zullen worden gesanctioneerd. IX-1845-4/25 Op 2 oktober 1997 verbiedt de sectiechef de verzoeker schriftelijk de telefoon nog op te nemen of private telefoongesprekken te voeren. Hij stuurt een kopie van zijn nota naar de hoofdcommissaris en naar de adjunct-administrateur- generaal. Hierin schrijft hij dat hij die maatregel neemt na interne en externe klachten. 1.6. In februari 1998 wordt tegen de verzoeker een tuchtprocedure gestart omdat hij tot tweemaal toe tijdens de werkuren de dienst heeft verlaten om naar een drankgelegenheid te gaan. Er wordt voorgesteld om aan de verzoeker de tuchtstraf van de blaam op te leggen. De blaam zal later, namelijk op 20 augustus 1998, ook effectief opgelegd worden. 1.7. Ondertussen, op 5 maart 1998, maakt de sectiechef van de verzoeker voor de administrateur-generaal een nieuw verslag op met betrekking tot de verzoeker. Dit verslag luidt als volgt : “Ondanks het feit dat voor VERHAMME M. onlangs als tuchtstraf de blaam werd voorgesteld, blijft zijn gedrag problematisch. Op 03.03.1998 belt hij ’s morgens dat hij later zal komen. Om 11 uur komt hij toe. Kort nadien verdwijnt hij zonder zijn chef te verwittigen. Hij keert niet meer terug en omstreeks 15 uur stellen ondergetekende en de adjunct-sectiechef vast dat hij in zichtbare staat van dronkenschap een naburig café verlaat, d.w.z. wankelend en zich rechthoudend aan muren en palen. Hij komt evenwel nog niet de kantoren binnen en is wellicht naar een ander café gewaggeld. Hij is die dag niet meer komen opdagen. Op 04.03.1998, komt hij helemaal niet en laat ook schijnbaar niets weten terwijl ik naar mijn hoofdbestuur in Brussel ben. Wanneer ik ’s avonds thuis kom stel ik vast dat VERHAMME ’s morgens omstreeks 8 uur, wanneer ik reeds op weg naar Brussel was, op mijn privaat antwoordapparaat heeft ingesproken dat hij een dag verlof neemt. Het is hem nochtans meermaals duidelijk gemaakt dat iedere onvoorziene afwezigheid telefonisch moet gemeld worden op het kantoor tussen 8u30 en 9uur. Heden, 05.03.1998,verscheen VERHAMME op het normale uur op zijn werkplaats en werd hem nogmaals gewezen op de vigerende regels. Het spreekt vanzelf dat de zichtbare dronkenschap in het openbaar (cafés en in het straatbeeld) van een lid van de Veiligheid van de Staat, bijzonder schadelijk is voor het imago van de dienst, zeker in een kleine locatie als Hasselt en tijdens de normale diensturen. In het belang van de dienst, dring ik nogmaals aan op gepaste maatregelen en stel ik voor hem in afwachting te muteren.” De sectiechef ondervraagt de verzoeker daarover op 6 maart 1998. Deze verklaart dat hij zijn kantoor verliet om naar de notaris te gaan en dat hij bij het terugkomen M. ontmoette die hem uitgenodigde om iets te gaan drinken, dat hij na enkele glazen bier en een dubbele whisky een klop van de hamer kreeg mede door het feit dat hij zware medicatie neemt, dat hij om 15 uur naar buiten is gegaan IX-1845-5/25 om zich naar het kantoor te begeven en dan naar huis is gegaan. Op de vraag of hij wel zeker is dat hij naar huis is gegaan geeft hij toe dat hij op straat gevallen is en dat hij door een politiepatrouille werd opgepakt en ter ontnuchtering werd opgesloten tot drie uur in de ochtend, waarna hij met de eerste trein naar huis reed. Dit relaas wordt bevestigd door een proces-verbaal van de plaatselijke politie van 3 maart 1998. 1.8. Op 5 mei 1998 vraagt hoofdcommissaris D. aan de administrateur- generaal de toestemming om op grond van voormeld proces-verbaal een tuchtproce- dure te starten tegen de verzoeker. De administrateur-generaal stemt daar diezelfde dag mee in. 1.9. Op 6 juli 1998 wordt de verzoeker uitgenodigd om zich op 10 juli 1998 aan te bieden op het hoofdbestuur in Brussel om er gehoord te worden “in het kader van een tuchtprocedure die tegen (hem) wordt ingesteld”. Hij wordt die dag ook daadwerkelijk gehoord door de hoofdcommissaris in het bijzijn van zijn sectiechef. Op 13 juli 1998 tekent de verzoeker voor ontvangst van het proces- verbaal van dat verhoor. Hij formuleert geen opmerkingen. 1.10. Op 17 juli 1998 maakt de hoofdcommissaris een voorlopig strafvoorstel over aan de administrateur-generaal. Hij stelt voor de verzoeker te straffen met het ontslag van ambtswege en motiveert zijn voorstel uitvoerig. De verzoeker tekent dit voorstel op dezelfde datum voor ontvangst. 1.11. Op 24 december 1998 brengt de administrateur-generaal het met redenen omkleed tuchtvoorstel uit, zoals bepaald in artikel 25 van het koninklijk besluit van 29 april 1966 betreffende de leden van het Bestuur van de Veiligheid van de Staat. Ook dit tuchtvoorstel is uitvoerig gemotiveerd. Het wordt op dezelfde dag aan de verzoeker betekend. In die betekeningsbrief deelt de administrateur-generaal aan de verzoeker mee dat hij de zaak zal aanhangig maken bij de raad van advies van de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat (hierna: de raad van advies) en dat de verzoeker over een redelijke termijn beschikt om zijn opmerkingen schriftelijk aan hem over te maken. De verzoeker tekent diezelfde dag voor “gezien en akkoord”. IX-1845-6/25 1.12. Op 5 januari 1999 maakt de verzoeker zijn schriftelijke opmerkingen over aan de administrateur-generaal. Hij schrijft onder meer het volgende : “Mijn sectiechef, de Heer Cl. heeft plichtsbewust en terecht de aangehaalde nota's tegenover mij opgesteld. Voor deze nota's heb ik steeds een verantwoor- de uitleg gegeven. Sedert mijn overplaatsing naar Hasselt heb ik steeds getracht mij optimaal in te zetten. Ik ben alleenstaand en maak een verplaatsing van 14 uur per dag; hetgeen meebrengt dat ik zowel fysisch en moreel het zwaar te verduren heb. Sedert het begin van mijn mutatie had ik voortdurend bijstand van mijn huisdokter, waarvan ik de nodige attesten in mijn bezit heb en waarvan kopies overgemaakt (werden) aan mijn sectiechef. Buitendienst werd mij sedert mijn overplaatsing verboden, maar mijn sectiechef haalt toch aan dat de mij opgedragen taken correct werden uitge- voerd. Met de collega’s in Hasselt had ik steeds een uitstekende verhouding. (...) Na de blaam die mij werd opgelegd en de feiten aangehaald door mijn sectiechef, verdien ik geen bevordering tot afdelingsinspecteur, maar hoop (
- ik)mijn plaats als inspecteur bij Uw diensten waardig te kunnen vervullen.” 1.13. Op 25 januari 1999 laat de secretaris-generaal van het ministerie van Justitie, die de raad van advies voorzit, aan de verzoeker weten dat zijn zaak zal behandeld worden op 24 februari 1999, dat hij zich kan laten bijstaan door de persoon van zijn keuze en dat hij de mogelijkheid heeft zijn dossier in te kijken. Nadien wordt de zaak op vraag van de advocaat van de verzoeker uitgesteld tot 11 maart 1999. Op 11 maart 1999 behandelt de raad van advies de zaak van de verzoeker. De raad is samengesteld uit de secretaris-generaal van het ministerie van Justitie, voorzitter, een directeur-generaal van dat ministerie en de heer V.N., inspecteur bij de buitendiensten van het Bestuur van de Veiligheid van de Staat, lid dat door de verzoeker zelf werd aangeduid overeenkomstig artikel 28 van het voornoemde koninklijk besluit van 29 april 1966. De verdedigers van de verzoeker argumenteren dat de feiten die hem ten laste worden gelegd door zijn sectiechef indrukwekkend lijken, maar dat zij overtrokken worden voorgesteld. De sectiechef van de verzoeker, aldus zijn verdedigers, geeft blijk van een negatieve ingesteldheid ten aanzien van de verzoeker. Dit komt tot uiting in nota’s opgesteld door de sectiechef lastens de verzoeker, met de bedoeling om de verzoeker zo vlug mogelijk te ontslaan. De verdedigers van de verzoeker stellen dat de verzoeker sinds zijn echtscheiding door IX-1845-7/25 een hel ging. De echtscheiding heeft de verzoeker zwaar getekend. Hij ontloopt zijn eigen verantwoordelijkheid niet maar het is een realiteit dat hij in Hasselt doelbewust kapot werd gemaakt. Hij kreeg op regelmatige tijdstippen geen werk zodat hij zich ongewenst en overbodig voelde, en voor het minste werden er opmerkingen gemaakt en nota’s opgesteld. Voor hen is het duidelijk dat de belangrijkste oorzaak van zijn problemen te situeren is in Hasselt. Zij vestigen er ook de aandacht op dat de verzoeker nooit iemand kwaad heeft gedaan, dat hij steeds loyaal is geweest ten overstaan van zijn collega's met wie hij geen enkel probleem heeft en dat hij de taken die hem werden opgedragen steeds perfect uitvoerde. Zij voegen daaraan toe dat de verzoeker een ziek man is die inziet dat hij zich snel zal moeten laten verzorgen en zij vragen dat hij niet zou worden ontslagen maar wel in disponibiliteit zou worden geplaatst. Na beraadslaging geeft de raad van advies dezelfde dag zijn advies. Daarin overweegt hij als volgt: - de feiten worden niet betwist; - de verzoeker heeft reeds in 1995 een tuchtstraf opgelopen voor gelijkaardige feiten, toen werd hem nog een tweede kans gegeven maar hij heeft ze niet benut; - er werd de verzoeker opgelegd een medische behandeling te volgen omwille van een drankprobleem, maar dit probleem blijkt nog steeds te bestaan; - de verzoeker werd in 1995 ook gewaarschuwd dat indien hij in de toekomst nog blijk zou geven van ernstige tekortkomingen in de uitoefening van zijn professionele plichten, afbreuk zou doen aan de waardigheid van zijn ambt, de goede werking van de dienst zou verstoren of zou nalaten zijn ambt op een integere en loyale wijze uit te oefenen, een zwaardere straf kon worden opgelegd; - een drankprobleem is een ziekte maar de verzoeker heeft blijkbaar nimmer de moed of de karaktersterkte opgebracht om hieraan te verhelpen; - vóórdat de tuchtprocedure werd opgestart, werd de verzoeker reeds herhaaldelijk gewaarschuwd; - het dossier toont niet aan dat de sectiechef van de verzoeker systematisch elementen heeft aangewend om hem uit de dienst te verwijderen, daarenboven mag niet uit het oog worden verloren dat de verzoeker in Hasselt is terecht gekomen omwille van gelijkaardige feiten. IX-1845-8/25 Deze overwegingen leiden tot een unaniem advies om het ontslag van ambtswege op te leggen. Dit advies wordt aan de verzoeker en aan zijn raadslieden betekend. 1.14. Op 12 april 1999 wordt het tuchtdossier voorgelegd aan de minister, die op 27 april 1999 in een uitvoerig gemotiveerd besluit de verzoeker de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege oplegt. Dit is het bestreden besluit, dat aan de verzoeker wordt betekend met een nota van 30 april 1999, die hij op diezelfde dag voor kennisname tekent. Ten gronde 2.1. In een eerste middel voert de verzoeker de schending aan van artikel 6 van het Europees Verdrag over de Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM), van het algemeen rechts- beginsel van de redelijke termijn, van artikel 81, § 5, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel (hierna: het koninklijk besluit van 2 oktober 1937), alsook de afwezigheid, het foutief karakter of de onvolledigheid van de motivering. In een eerste onderdeel betoogt hij dat het bestreden besluit pas veertien maanden na de feiten is genomen, terwijl het zeer eenvoudige feiten betreft die, behalve een verhoor op 10 juli 1998, geen enkele onderzoeksdaad vereisten en waarna negen maanden zijn verlopen waarvan er in vijf niets is gebeurd en waarin hij zonder probleem zijn functies heeft waargenomen. In een tweede onderdeel stelt hij dat uit het tuchtdossier geenszins blijkt dat de disciplinair bevoegde overheid, met name de minister van Justitie, zou hebben beslist om een tuchtprocedure te starten, terwijl de minister die beslissing niet kan delegeren en zelfs indien dat zou kunnen, dit te dezen niet is gebeurd. In een derde onderdeel betoogt hij dat de feiten van 3 maart 1998 zes maanden later, op 3 september 1998, als verjaard moeten worden beschouwd en dat er bijgevolg na die datum geen tuchtvordering meer mocht worden ingeleid, terwijl te dezen de tuchtvordering is ingesteld op 12 januari 1999, met name op het IX-1845-9/25 ogenblik dat de administrateur-generaal de zaak aanhangig heeft gemaakt bij de raad van advies. 2.2. Met betrekking tot het eerste onderdeel antwoordt de verwerende partij dat bij de beoordeling van de redelijke termijnsvereiste rekening moet worden gehouden met de specifieke gegevens van de zaak en dat de Raad van State hierop slechts een marginaal toezicht uitoefent. Zij stelt geenszins te hebben getalmd bij het verloop van de tuchtprocedure. Er is volgens haar slechts een hiaat van vijf maanden tussen 17 juli en 24 december 1998, wat op zich niet onredelijk lang is en in casu wordt verantwoord door de optie om de zaak slechts aanhangig te maken bij de raad van advies na het definitief afsluiten van de eerder aangevatte tuchtprocedure die uiteindelijk heeft geleid tot de beslissing van 20 augustus 1998 waarbij aan de verzoeker een blaam werd opgelegd, rekening houdend met de geldende beroepster- mijn. Zij merkt in dat verband op dat in het bestreden besluit uitdrukkelijk rekening wordt gehouden met het ministerieel besluit van 20 augustus 1998. Wat het tweede en het derde onderdeel betreft, antwoordt de verwerende partij dat noch artikel 81, § 5, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937, noch het koninklijk besluit van 29 april 1966 betreffende de leden van het Bestuur van de Veiligheid van de Staat bepaalt dat de tuchtprocedure moet worden ingesteld door de minister zelf en evenmin dat zij pas wordt ingesteld op het ogenblik dat de zaak aanhangig wordt gemaakt bij de raad van advies. Zij meent dat de tuchtvordering is ingesteld op 6 juli 1998, datum waarop de hoofdcommissaris de verzoeker heeft uitgenodigd om gehoord te worden “in het kader van een tuchtprocedure die tegen (hem) ingesteld wordt”. De tuchtvordering is volgens haar in elk geval uiterlijk op 17 juli 1998 ingesteld, datum waarop de hoofdcommissaris het voorlopig tuchtvoorstel van het ontslag van ambtswege heeft betekend aan de verzoeker. In beide gevallen werd de tuchtvordering ingesteld binnen de wettelijke termijn van zes maanden. 2.3. Wat het tweede en het derde onderdeel betreft, repliceert de verzoeker dat overeenkomstig artikel 25 van het koninklijk besluit van 29 april 1966 betreffende de leden van het Bestuur van de Veiligheid van de Staat, de administrateur-generaal beslist om de tuchtvordering in te stellen en dat de tuchtprocedure aanvangt op het ogenblik dat de administrateur-generaal aan de IX-1845-10/25 betrokken ambtenaar meedeelt dat een tuchtsanctie wordt overwogen. De verzoeker stelt dat hij op 24 december 1998 voor het eerst door de administrateur-generaal op de hoogte is gebracht van het feit dat een tuchtsanctie werd overwogen, vermits hem op die datum het tuchtvoorstel is overgemaakt door de administrateur-generaal. Aldus is de tuchtvordering volgens de verzoeker ingesteld op 24 december 1998, ruim zes maanden na de feiten van 3 maart 1998 die er het voorwerp van zijn. De verzoeker merkt op dat in de nota van 6 juli 1998 van de hoofdcommissaris, waarmee hij werd opgeroepen om te worden gehoord in het kader van een tuchtprocedure, nergens sprake is van een eventuele beslissing ter zake van de administrateur-generaal. Wat betreft de nota van 17 juli 1998 van de hoofdcommissaris houdende het voorlopig voorstel van tuchtstraf, stelt de verzoeker dat die nota hem op diezelfde dag is overgemaakt, terwijl de administrateur-generaal die nota slechts op 3 augustus 1998 voor akkoord geparafeerd heeft, zodat de verzoeker nooit in kennis is gesteld van dit akkoord. De verzoeker betoogt dat enkel de bevoegde overheid, zijnde de administrateur-generaal, aan hem kenbaar kan maken dat een tuchtprocedure is opgestart. Alle andere overheden, zoals de sectiechef en de hoofdcommissaris, hebben volgens de verzoeker misschien andere hiërarchische bevoegdheden, maar hun daden, verhoren en opmerkingen kunnen niet tot gevolg hebben dat de tuchtvordering wordt ingesteld, zo stelt hij. Wat het eerste onderdeel betreft, repliceert de verzoeker dat de termijn van veertien maanden van 3 maart 1998 tot 27 april 1999 kennelijk onredelijk is gelet op de omstandigheid dat de feiten eenvoudig zijn en onmiddellijk door hem werden bekend, op het feit dat in deze periode geen enkele onderzoeks- daad is gesteld, op de zwaarte van de straf die werd voorgesteld en waarbij de grootste zorgvuldigheid mocht worden verwacht vermits het over een mensenleven gaat en op het feit dat de verzoeker gedurende heel deze periode dagelijks verder zijn dienst is blijven waarnemen tot eenieders voldoening. De verantwoording van de verwerende partij voor het hiaat van vijf maanden tussen 17 juli en 24 december 1998, met name dat zij de afloop van een andere tuchtprocedure wilde afwachten, wordt door de verzoeker verworpen, nu hiervan geen spoor is terug te vinden in het dossier en nu die andere procedure reeds beëindigd werd op 20 augustus 1998 zodat er nog steeds een hiaat van vier maanden bestaat. IX-1845-11/25 2.4.1. Wat het eerste onderdeel betreft, neemt de verzoeker voor de beoordeling van de redelijke termijnvereiste ten onrechte een termijn van veertien maanden in aanmerking. De te beoordelen termijn is immers beginnen lopen op 6 juli 1998, toen aan de verzoeker is meegedeeld dat hij het voorwerp was van een tuchtvordering, en de termijn is afgelopen op 30 april 1999, toen het bestreden besluit aan de verzoeker is betekend. Aldus kende de tuchtprocedure een duur van tien maanden. De verzoeker bekritiseert in het bijzonder de periode van vijf maanden van 17 juli tot 24 december 1998 waarin niets is gebeurd. De vereiste van de redelijke termijn dient in concreto te worden beoordeeld. Er moet aldus rekening worden gehouden met het feit dat een niet onbelangrijk deel van de termijn van vijf maanden zich situeert in de vakantieperio- de. Voor het overige is de Raad van State van oordeel dat de termijn van vijf maanden wel langer is dan wenselijk, maar dat die termijn daarom nog niet onredelijk is. Gelet op het voorgaande, en op het feit dat de zaak voorts behandeld is op een zitting van de raad van advies, kan ook de globale duur van tien maanden niet als onredelijk worden beschouwd. Het eerste onderdeel kan niet aangenomen worden. 2.4.2. Voor het tweede onderdeel dient uitgegaan te worden van de artikelen 24 en 25 van het koninklijk besluit van 29 april 1966 houdende het statuut van het personeel van het Bestuur van de Veiligheid van de Staat (het vroegere koninklijk besluit van 29 april 1966 betreffende de leden van het Bestuur van de Veiligheid van de Staat, hierna: het koninklijk besluit van 29 april 1966), zoals van toepassing ten tijde van het bestreden besluit. Artikel 24 luidt als volgt: “Berisping, blaam, inhouding van wedde en overplaatsing bij tuchtmaatregel worden door de minister van Justitie opgelegd. Terugzetting in bezoldiging en schorsing worden, na een met redenen omkleed advies van de raad van advies, opgelegd door de minister van Justitie. IX-1845-12/25 Terugzetting in rang, ontslag van ambtswege en afzetting worden, na een met redenen omkleed advies van de raad van advies, opgelegd door de benoemende overheid.” Luidens artikel 25 van dat besluit doet de administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat voor elke straf een met redenen omkleed voorstel. In dat besluit is niet voorzien in het formuleren van een voorlopig tuchtvoorstel door een bevoegde hiërarchische meerdere. Artikel 2 van het koninklijk besluit van 22 augustus 1998 houdende het statuut van het personeel van de buitendiensten van het Bestuur van de Veiligheid van de Staat, zoals van toepassing ten tijde van de bestreden beslissing, met uitwerking met ingang van 1 juli 1998, bepaalt bovendien expliciet dat artikel 78 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 -waarvan paragraaf 2 voorziet in een voorlopig strafvoorstel in de procedures ten laste van rijksambtenaren- niet van toepassing is op de personeelsle- den van de buitendiensten van het Bestuur van de Veiligheid van de Staat. Uit het voorgaande volgt dat de administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat de bevoegde overheid is om de tuchtprocedures lastens de personeelsleden van het Bestuur van de Veiligheid van de Staat op te starten. Uit geen enkele bepaling blijkt dat de minister van Justitie daartoe bevoegd zou zijn. De verzoeker kan dan ook niet worden gevolgd waar hij meent dat te dezen een beslissing van de minister vereist was om de tuchtprocedure op te starten. Het tweede onderdeel is niet gegrond. 2.4.3. In het derde onderdeel voert de verzoeker de schending aan van artikel 81, § 5, eerste lid, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937. Die bepaling luidt als volgt: “De tuchtvordering mag alleen betrekking hebben op feiten die zich hebben voorgedaan of zijn vastgesteld binnen een termijn van zes maanden voorafgaan- de aan de datum waarop de vordering wordt ingesteld.” De tuchtvordering wordt ingesteld op het ogenblik dat de overheid aan de betrokkene meedeelt dat een tuchtsanctie wordt overwogen en zij hem de feiten meedeelt die in dat verband tegen hem worden weerhouden. IX-1845-13/25 Op 5 mei 1998 heeft de administrateur-generaal aan de hoofdcom- missaris de toestemming verleend om een tuchtprocedure lastens de verzoeker op te starten. Met een nota van 6 juli 1998 heeft de hoofdcommissaris de verzoeker uitgenodigd om te worden gehoord “in het kader van een tuchtprocedure die tegen (hem) ingesteld wordt” en hem de feiten meegedeeld waarop die tuchtprocedure steunt. Bijgevolg is de tuchtvordering te dezen ingesteld op 6 juli 1998, op het ogenblik dat de verzoeker in kennis werd gesteld van het bestaan van een tuchtprocedure lastens hem. Het feit dat de hoofdcommissaris niet de bevoegde overheid was om die tuchtprocedure op te starten, is in de gegeven omstandigheden van geen belang, aangezien de administrateur-generaal, die daartoe wel bevoegd was, reeds op 5 mei 1998 had ingestemd met het opstarten van de tuchtprocedure. Vermits de feiten dateren van 3 en 4 maart 1998, werd de termijn van zes maanden om de tuchtvordering in te stellen, bepaald in voormeld artikel 81, § 5, eerste lid, nageleefd. Het derde onderdeel is niet gegrond. 3. In een tweede middel voert de verzoeker de schending aan van artikel 2, vierde lid, samengelezen met artikel 24, derde lid, van het koninklijk besluit van 29 april 1966, doordat uit het bestreden besluit niet blijkt dat het werd genomen door de minister van Justitie. In zijn memorie van wederantwoord doet de verzoeker evenwel afstand van dit middel. 4.1. In een derde middel voert de verzoeker de schending aan van de artikelen 28 en 30 van het koninklijk besluit van 29 april 1966 en van de materiële en formele motiveringsplicht, doordat de motivering van het advies van de raad van advies, wat de meningen van de verschillende leden betreft, slechts een stijlformule is, terwijl het een essentiële vereiste is dat de verschillende leden van de raad van advies afzonderlijk van elkaar hun mening uitbrengen, wat moet blijken uit het advies zelf of uit de notulen van de vergadering van de raad van advies. IX-1845-14/25 4.2. Artikel 30 van het koninklijk besluit van 29 april 1966, zoals van toepassing ten tijde van het bestreden besluit, luidt als volgt: “De beslissingen worden bij meerderheid van stemmen genomen. De voorzitter vraagt ieders mening afzonderlijk; de leden van de raad geven hun mening te kennen in de hiërarchische volgorde, te beginnen met de laagste graad. Ieder lid moet zijn stemming motiveren. De diverse meningen worden met hun motivering opgetekend in het advies of in de notulen.” Met de verwerende partij dient te worden vastgesteld dat de notulen van de vergadering van 11 maart 1999 van de raad van advies duidelijk de meningen en motieven van ieder lid van die raad afzonderlijk weergeven. Het middel mist feitelijke grondslag. 5.1. In een vierde middel voert de verzoeker de schending aan van het redelijkheidsbeginsel en van de artikelen 10, § 1, en 11, § 1, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937, alsook de afwezigheid, het foutief karakter of de onvolledigheid van de motivering. Hij betoogt dat de verwerende partij hem de straf van het ontslag van ambtswege heeft opgelegd, hoewel zij op de hoogte was van het feit dat hij aan een ziekte lijdt, met name alcoholisme. Hij stelt dat hij nooit de eer en de reputatie van de dienst heeft geschaad, zodat in werkelijkheid zijn drankprobleem als enige oorzaak van het bestreden besluit moet worden beschouwd. Om in het belang van haar diensten te remediëren aan een dergelijke ziekte, beschikt de verwerende partij volgens hem over vele mogelijke ordemaatregelen, zoals onder meer de disponibili- teit. Hij meent dan ook dat het een manifeste beoordelingsfout was om een maatregel uit de disciplinaire categorie te nemen, en dan nog de op één na zwaarste. 5.2. De verwerende partij antwoordt dat ook de arbeidsgerechten in sommige omstandigheden dronkenschap als dringende reden voor ontslag aanvaarden. Voorts betoogt zij dat het feit dat de verzoeker aan drankzucht lijdt, niet belet om hem een zware tuchtstraf op te leggen, wanneer wordt vastgesteld dat hij schuld heeft aan die drankzucht en zich gedurende jaren bewust was van het bestaan van zijn drankprobleem. Dit is volgens haar te dezen het geval, gelet op de beslissing van 25 juni 1995 waardoor de verzoeker verplicht werd om een medische IX-1845-15/25 behandeling te volgen, op de waarschuwing voor een zwaardere straf bij volgende incidenten en op het feit dat de verzoeker zich niet afdoende en blijvend heeft laten behandelen tot hij verlost was van zijn drankprobleem. Verder stelt zij dat de verzoeker wel degelijk de eer en de reputatie van zijn dienst heeft geschaad en dat dronkenschap geenszins de enige oorzaak van het bestreden besluit is, aangezien deze eveneens gesteund is op het feit dat de verzoeker tijdens de diensturen zijn kantoor heeft verlaten niettegenstaande eerdere verwittigingen en tuchtsancties, met de bijzondere omstandigheid dat hij de uitdrukkelijke instructies van zijn hiërarchi- sche overste heeft miskend. 5.3. De verzoeker repliceert dat zijn drankzucht een zodanig peil had bereikt dat elk objectief en toerekenbaar schuldmoment was verdwenen en dat cafébezoek tijdens de diensturen sterker was dan hemzelf. Door de medicatie die hij nam en zijn fysieke verzwakking had alcohol bovendien een nefaste invloed. De beoordeling van dergelijke situaties komt volgens hem dan ook niet toe aan niet- professionelen. In die zin meent hij dat het bestuur onzorgvuldig is geweest door naar aanleiding van de feiten van 3 maart 1998 geen medisch deskundig onderzoek te bevelen om de ernst van de verslaving en de gevolgen ervan te kunnen inschatten. Door zonder meer de zware straf van ambtshalve ontslag op te leggen heeft men volgens hem beslist over zijn leven zonder eerst de ernst van zijn ziekte in kaart te brengen. Hij stelt voorts dat nergens in het dossier sprake is van ook maar één moment waarop hij alcohol gebruikte op zijn dienst en dat alles geconcentreerd wordt op één feit, met name dat van 3 maart 1998. Volgens hem kan men het een ziekelijke, verzwakte en alleenstaande man van 46 jaar niet dermate kwalijk nemen dat hij met een informant naar aanleiding van diens verjaardag wat alcohol gebruikt en daarbij uit het oog verliest dat zijn medicatie hem dat niet toelaat, dat men hem meer dan een jaar later ontslaat terwijl hij inmiddels de normale uitoefening van zijn ambt heeft hervat. Verder schrijft hij dat de dieperliggende oorzaak van zijn ziekte deels te wijten is aan de verwerende partij zelf en meer bepaald aan haar beslissing om hem over te plaatsen van Brussel naar Hasselt, wat zijn genezing enorm bemoeilijkt heeft, nu hij door de dagelijkse kalvarietocht naar zijn werkplaats steeds herinnerd wordt aan zijn fouten en nu zijn nieuwe dienst hem niet met open armen heeft ontvangen zodat normale collegiale relaties in de kiem werden gesmoord. IX-1845-16/25 5.4.1. In tuchtzaken beschikt de overheid bij het bepalen van de strafmaat over een ruime appreciatiebevoegdheid en kan de Raad van State derhalve enkel een kennelijk in wanverhouding tot de fout staande straf als onwettig beschouwen, dat wil zeggen een straf waarvan het in redelijkheid ondenkbaar is dat enige overheid ze voor die fout zou opleggen. 5.4.2. De omstandigheid dat een ambtenaar aan drankzucht lijdt, kan het bestuur niet beletten de betrokkene een tuchtstraf op te leggen als het vaststelt dat de betrokkene zelf verantwoordelijkheid draagt voor die drankzucht of voor het niet- verhelpen ervan. Te dezen is aan de verzoeker reeds in juli 1995 de verplichting opgelegd om zich voor zijn alcoholprobleem medisch te laten behandelen. Uit het bestreden besluit blijkt evenwel dat de verwerende partij van mening is dat de verzoeker die verplichting niet afdoende heeft nageleefd. Deze zienswijze vindt steun in het administratief dossier, waaruit weliswaar blijkt dat de verzoeker een tijd in behandeling is geweest bij een arts en dat hij medicijnen nam ter behandeling van zijn verslaving, maar ook dat zich in de loop van 1996 en 1997 opnieuw geregeld incidenten hebben voorgedaan met betrekking tot dronkenschap of herbergbezoek tijdens de diensturen. In het bijzonder blijkt uit de notulen van de zitting van de raad van advies dat de verzoeker niet langer in behandeling was of zich er minstens van bewust was dat zijn medische begeleiding ontoereikend was. Zijn verdediger voor die raad verklaarde dat de verzoeker zich zo snel mogelijk moest laten verzorgen en een medische behandeling nodig had. Aldus blijkt dat de verzoeker zelf verantwoor- delijkheid draagt voor het niet verhelpen van zijn alcoholprobleem. Bovendien heeft de verzoeker zijn drankprobleem noch voor zijn sectiechef, noch voor de hoofdcommissaris, noch voor de administrateur-generaal en noch voor de raad van advies als verschoningsgrond aangevoerd. Hij heeft enkel verklaard het psychisch en fysiek zwaar te hebben naar aanleiding van een aantal gebeurtenissen. Hij heeft evenmin gevraagd om medisch te worden onderzocht. Gelet op die omstandigheden, kan hij dan ook bezwaarlijk aan het bestuur verwijten geen rekening te hebben gehouden met het bestaan van een ziekte. Op het ogenblik dat de verwerende partij het bestreden besluit nam, kon zij dus geen rekening houden met het argument van de verzoeker dat zijn drankzucht een zodanig peil had bereikt dat elk objectief en toerekenbaar schuldmoment uitgesloten was. Aldus kon zij er in redelijkheid van uitgaan dat de verzoeker uit vrije wil tijdens de diensturen zijn kantoor zonder toelating verliet - IX-1845-17/25 zijnde het eerste hem ten laste gelegde feit- om zich naar een herberg te begeven en daar, ondanks zijn alcoholprobleem, alcoholische dranken gebruikte. Deze uitstap heeft vervolgens geleid tot openbare dronkenschap -zijnde het tweede ten laste gelegde feit-, waarvoor de verzoeker, zoals reeds gesteld, zelf grotendeels verantwoordelijk was, zodat de verwerende partij hem wel degelijk kon verwijten de waardigheid van het ambt en de reputatie van de dienst te hebben aangetast. 5.4.3. Gelet op het voorgaande, en op het verleden van de verzoeker bij de verwerende partij en meer bepaald op volgende feiten die blijken uit het administratief dossier en die in het bestreden besluit in overweging worden genomen: - de tuchtstraf van 25 juli 1995 van zes maanden schorsing, gevolgd door de overplaatsing bij tuchtmaatregel naar Hasselt, samen met de verplichting om een medische behandeling te volgen voor drankmisbruik en de schriftelijke waarschu- wing voor een zwaardere straf bij volgende tuchtinbreuken, - de persoonlijke nota van 24 november 1996 waarin expliciet verboden wordt het bureel zonder toestemming te verlaten, - en de tuchtstraf van 20 augustus 1998 zijnde de blaam wegens het tweemaal zonder toelating verlaten van het bureel tijdens de diensturen voor cafébezoek, kan dan ook niet worden gesteld dat de door de verwerende partij opgelegde tuchtstraf van het ambtshalve ontslag een straf is waarvan het in redelijkheid ondenkbaar is dat enige overheid ze voor de betrokken feiten zou opleggen. Het feit dat de verwerende partij ook een ordemaatregel had kunnen nemen of de verzoeker in disponibiliteit had kunnen plaatsen, dat hem geen gebruik van alcohol op het werk werd verweten, dat hij na de feiten meer dan een jaar zijn functie verder heeft uitgeoefend en dat de verwerende partij, door hem over te plaatsen naar Hasselt, zijn genezing bemoeilijkt heeft, doet aan die conclusie geen afbreuk. 5.4.4. Het middel is niet gegrond. 6.1. In een vijfde middel voert de verzoeker de schending aan van het beginsel “non bis in idem”. Hij meent door het bestreden besluit voor de tweede maal te zijn gestraft voor dezelfde tekortkoming, met name zijn drankprobleem. De eerste keer gebeurde dat op 20 augustus 1998, door het opleggen van de blaam, en IX-1845-18/25 sindsdien hebben zich geen nieuwe feiten voorgedaan die een tuchtstraf kunnen rechtvaardigen. 6.2. De verwerende partij antwoordt dat het adagium “non bis in idem” impliceert dat eenzelfde feit geen tweemaal tuchtrechtelijk kan worden gestraft. De omstandigheid dat de feiten die aanleiding gaven tot de tuchtstraf van 20 augustus 1998 een zekere gelijkenis vertonen met deze van 3 maart 1998 die aanleiding hebben gegeven tot het bestreden besluit, maakt volgens haar geen schending uit van deze regel. Zij meent integendeel terecht te hebben kunnen overwegen dat de verzoeker, niettegenstaande een lopende tuchtprocedure voor gelijkaardige feiten, in herhaling is gevallen. 6.3. Het algemeen rechtsbeginsel “non bis in idem” houdt in dat eenzelfde feit geen tweemaal mag worden gestraft met sancties van dezelfde aard. Het bestreden besluit is gesteund op feiten die zich hebben voorgedaan op 3 maart 1998, met name het tijdens de diensturen zonder toelating verlaten van de dienst en openbare dronkenschap. De tuchtsanctie van 20 augustus 1998 is gesteund op feiten die dateren van 24 september en 10 oktober 1997, met name het tijdens de diensturen zonder toelating verlaten van de dienstlokalen om een drankgelegenheid te bezoeken. Hoewel zij deels gelijkaardig zijn, moeten de feiten die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit duidelijk worden onderscheiden van deze waarop de tuchtsanctie van 20 augustus 1998 gesteund is, vermits zij dateren van zes maanden later. Het middel is niet gegrond. 7.1. In een zesde middel voert de verzoeker de schending aan van de materiële en de formele motiveringsplicht. In een eerste onderdeel betoogt hij geen adequaat antwoord te hebben gekregen op zijn bezwaar dat de evaluaties voor drie jaren in één keer retroactief zijn toegekend, bezwaar waarmee hij in hoofdzaak wil wijzen op de intentie van zijn superieuren om hem te treffen. In het bestreden besluit wordt hierop enkel geantwoord dat de evaluatie voor meerdere leden van de buitendiensten werd onderbroken en opnieuw werd opgestart zodra de regelgeving dit toeliet, zodat de verzoeker niet ongelijk behandeld werd. IX-1845-19/25 In een tweede onderdeel stelt hij dat het bestreden besluit geen enkele beschouwing wijdt aan de door hem aangebrachte elementen in verband met de relatie met zijn dienstchef in Hasselt, hoewel hij er bij herhaling op had gewezen dat daar de oorzaak lag van zijn problemen van de laatste jaren. 7.2. De verwerende partij antwoordt op het middel door de volgende passages uit het bestreden besluit aan te halen: “overwegende dat de Heer VERHAMME in zijn nota van 5 januari 1999 stelt dat zijn sectiechef plichtsbewust en terecht nota’s tegenover hem opgesteld heeft (...) overwegende dat de verdediging stelt dat in 1998 evaluatieverslagen opgesteld werden over de Heer VERHAMME om een negatief beeld op te hangen in het kader van een bevorderingsprocedure maar anderzijds ook stelt dat deze verslagen daarom niet foutief zijn; (...) overwegende dat de [raad van advies] oordeelt: (...) - dat de beoordeling van de Heer VERHAMME niet eenzijdig gebeurd is, dat zich in het dossier ook positieve elementen bevinden, nl. de vaststelling van zijn sectiechef dat de beperkte administratieve taken die aan de Heer VERHAMME opgelegd worden, door de betrokkene correct uitgevoerd worden; (...) - dat m.b.t. het onderbreken van de evaluatie opgemerkt dient te worden dat dit het geval geweest is voor meerdere leden van de buitendiensten die zich in een bepaalde administratieve stand bevonden en dat voor hen deze evaluatie heropgestart is zodra de regelgeving dit toeliet en dat er dus geen ongelijke behandeling gebeurd is voor de Heer VERHAMME; - dat ten laste van de heer VERHAMME ernstige tekortkomingen vastgesteld zijn in de uitoefening van zijn ambt en dat hij door zijn manier van optreden ernstige afbreuk heeft gedaan aan de waardigheid van zijn ambt waardoor hij schade heeft toegebracht aan de dienst”. Zij stelt dat hieruit blijkt dat zij zich op afdoende wijze heeft uitgesproken over het door de verzoeker opgeworpen verweer dat zijn superieuren hem wilden treffen. Zij wijst er verder op dat de Raad van State in het schorsingsarrest heeft beklemtoond dat de verzoeker niet eens een begin van bewijs van zijn beweringen levert. Voorts argumenteert zij dat het bestuur niet in extenso moet antwoorden op alle door de bestuurde ingeroepen argumenten, maar dat het volstaat dat impliciet of expliciet blijkt dat de argumentatie van de bestuurde werd IX-1845-20/25 betrokken in de besluitvorming en dat uit het bestreden besluit ook kan worden afgeleid om welke redenen die argumentatie niet gegrond is bevonden. 7.3. De verzoeker repliceert dat moeilijk van hem kan worden verwacht dat hij, met betrekking tot informatie die in principe vertrouwelijk is, zou bewijzen dat het bestuur iets niet heeft gedaan, terwijl het voor het bestuur heel eenvoudig is om te bewijzen dat de andere ambtenaren te Hasselt op eenzelfde moment hun evaluatie voor de jaren ’95 tot ’97 kregen. Het is volgens de verzoeker duidelijk dat deze evaluaties voor hem werden geconstrueerd met het oog op het toepassen van de sanctie van artikel 10 van het koninklijk besluit houdende het statuut van het personeel van de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat. 7.4.1. In het eerste onderdeel stelt de verzoeker dat zijn bezwaar met betrekking tot zijn evaluaties tot doel had aan te tonen dat er in hoofde van zijn superieuren een intentie was om hem te treffen. Uit de door de verwerende partij aangehaalde passages van het bestreden besluit blijkt dat zij wel degelijk de bedoeling van het bezwaar van de verzoeker betreffende zijn evaluaties begrepen had en hierop een passend antwoord heeft geformuleerd. In die passages wordt er immers op gewezen dat de samen- gevoegde evaluatie voor drie jaar in één keer geen uitzonderingsbehandeling was van de verzoeker maar van toepassing was op een ganse categorie van personeelsleden en dat de beoordeling van de verzoeker niet eenzijdig is gebeurd vermits in het dossier ook positieve vaststellingen terug te vinden zijn. Bovendien is er in het tuchtdossier geen sprake van die evaluatie, zodat geenszins blijkt dat zij een invloed zou hebben gehad op het bestreden besluit. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. 7.4.2. In het tweede onderdeel voert de verzoeker aan dat in het bestreden besluit niet wordt ingegaan op de door hem aangebrachte elementen in verband met de relatie met zijn dienstchef te Hasselt. Deze komen erop neer dat zijn chef “van in het begin (...) duidelijk gemaakt heeft dat hij (de verzoeker) niet wilde en dat hij hem zo snel mogelijk wou buiten krijgen” en dat bijgevolg “voor het minste of geringste voorval nota’s (werden) opgemaakt die uiteindelijk wel tot een dik dossier moesten leiden”. IX-1845-21/25 Deze beweerde intentie in hoofde van zijn dienstchef om de verzoeker te treffen is evenwel niet bewezen en vindt bovendien geen steun in het administratief dossier. Zo schrijft zijn dienstchef in een nota van 23 november 1998 over de verzoeker dat “de eerste drie maanden na zijn overplaatsing naar B5, (...) zijn gedrag geen aanleiding (gaf) tot opmerkingen”. Wat de uitvoering door de verzoeker van zijn taken betreft, wordt in het bestreden besluit verwezen naar “de vaststelling van zijn sectiechef dat de beperkte administratieve taken die aan de Heer Verhamme opgelegd worden, door betrokkene correct uitgevoerd worden”. Ten slotte heeft de verzoeker, in zijn opmerkingen aan de administrateur-generaal en zoals ook blijkt uit het bestreden besluit, zelf gesteld dat zijn sectiechef “plichtsbewust en terecht” nota’s over hem heeft opgesteld. Ook dit onderdeel mist feitelijke grondslag. 8.1. In een zevende middel voert de verzoeker de schending aan van het recht van verdediging in tuchtzaken en meer bepaald van de hoorplicht, doordat hij zijn middelen niet heeft kunnen laten gelden voor de minister en dus niet de kans heeft gehad zijn bedenkingen bij het advies van de raad van advies aan de minister mee te delen, terwijl de minister te dezen een jurisdictionele functie uitoefent en zich een eigen oordeel moet vormen, waarbij hij niet gebonden is door dat advies. 8.2. De verwerende partij antwoordt dat de minister te dezen geen jurisdictionele functie uitoefent. Zij stelt verder dat het verhoor niet dient te gebeuren door de minister zelf, tenzij dit uitdrukkelijk zo bepaald is. Bovendien heeft de minister het bestreden besluit volgens haar genomen met kennis van het volledige tuchtdossier, met inbegrip van de processen-verbaal van de hoorzittingen van 6 maart en 10 juli 1998, van de nota van de verzoeker van 5 januari 1999 en van de notulen en het advies van de raad van advies. 8.3. De verzoeker repliceert dat niet kan worden aangevoerd dat de minister van Justitie hem niet persoonlijk kon horen wegens tijdsgebrek, daar het ambtshalve ontslag een zeldzame maatregel is, van die aard om de aandacht van de minister te weerhouden. Bovendien stelt hij dat wanneer de minister geen tijd heeft om de ambtenaar te horen, hij evenmin tijd heeft om het dossier te bestuderen. Bijkomend voert hij aan dat de afwezigheid van verhoor door de minister een schending inhoudt van artikel 6 EVRM. Hij zet uiteen dat het IX-1845-22/25 ambtshalve ontslag bij tuchtmaatregel van een ambtenaar betrekking heeft op diens burgerlijke rechten en dat het geschil daarover moet worden onderworpen aan een onafhankelijke en onpartijdige rechtbank die volle rechtsmacht heeft en dus uitspraak kan doen zowel in feite als in rechte. Vermits de Raad van State slechts een marginale controle uitoefent op de wettigheid, voldoet deze volgens de verzoeker niet aan die laatste voorwaarde. Hij meent dat het bestreden besluit een dermate zware tuchtsanctie inhoudt, dat zij als een strafrechtelijke sanctie in de zin van artikel 6 EVRM moet worden beschouwd. Voorts erkent de verzoeker dat er uitzonderingen zijn op de regel dat de overheid bevoegd om de tuchtstraf uit te spreken zelf de betrokkene moet horen en dat die uitzonderingen ingegeven kunnen zijn door praktische bezwaren, zoals de onmogelijkheid voor de minister om elke tuchtrechtelijk vervolgde ambtenaar van zijn departement zelf te horen. Te dezen mag volgens de verzoeker evenwel niet uit het oog worden verloren dat ambtenaren van de Staatsveiligheid minder tuchtrechtelijke waarborgen hebben dan de andere rijksambtenaren, dat het ontslag een enorme impact heeft op zijn leven en enkel de minister voor die beslissing verantwoordelijkheid draagt, dat het zeker mogelijk is voor de minister om alle tuchtrechtelijk vervolgde ambtenaren van Staatsveiligheid zelf te horen vooraleer ze te ontslaan vermits dit een klein aantal is en dat te dezen geen delegatie van bevoegdheid heeft plaatsgevonden. Verder stelt de verzoeker dat de minister te dezen de gegrondheid van de tuchtvordering moet beoordelen en het tuchtgeschil moet beslechten, zodat de minister niet optreedt als diensthoofd of “top van de piramide”, maar als jurisdictionele tuchtrechtinstantie en bijgevolg de verplichting had om de betrokkene te horen in het kader van diens rechten van verdediging. 8.4.1. Behoudens andersluidende bepalingen, houdt het recht van verdediging niet in dat de betrokkene moet worden gehoord door het bestuursorgaan dat bevoegd is om de tuchtstraf op te leggen, op voorwaarde dat de voorgedragen verdediging ter beoordeling aan dat orgaan wordt voorgelegd. Te dezen voert de verzoeker geen enkele bepaling aan waaruit zou blijken dat de tuchtrechtelijk vervolgde persoon het recht zou hebben om te worden gehoord door de overheid -te dezen de minister- die definitief over de tuchtvordering uitspraak doet. IX-1845-23/25 Ter eerbiediging van het recht van verdediging was het derhalve voldoende dat de verzoeker de gelegenheid had om zijn recht van verdediging uit te oefenen voor de hoofdcommissaris, de administrateur-generaal en de raad van advies, en dat het volledig tuchtdossier, met inbegrip van verzoekers verweermiddelen, vervolgens voor definitieve uitspraak aan de minister werd toegezonden. 8.4.2. In zoverre de verzoeker in zijn memorie van wederantwoord de schending aanvoert van artikel 6 EVRM, dient opgemerkt te worden, daargelaten de vraag of dit een middel van openbare orde is, dat het volstaat dat de verzoeker het geschil tussen hem en de verwerende partij aanhangig heeft kunnen maken bij een rechterlijke instantie met volle rechtsmacht, die aan de structurele en procedurele vereisten van artikel 6 EVRM beantwoordt. Te dezen heeft de verzoeker een beroep tot nietigverklaring aanhangig kunnen maken bij de Raad van State. Nu de Raad van State zich kan uitspreken over alle aspecten die de wettigheid van het bestreden besluit betreffen, met inbegrip van de rechtens vereiste feitelijke grondslag van dat besluit en de evenredigheid van de opgelegde straf, moet aangenomen worden dat de Raad van State over een voldoende rechtsmacht beschikt. Voor het overige voert de verzoeker niet aan dat de structurele en procedurele vereisten van artikel 6 EVRM in de rechtspleging voor de Raad van State zouden zijn miskend. 8.4.3. Het middel kan niet worden aangenomen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verzoeker. IX-1845-24/25 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 19 oktober 2009, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-1845-25/25 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.008 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1999:ARR.82.643 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div