← België

Arrest 197014 - Tucht (openbaar ambt) - 19/10/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.014 Rolnummer: A. 167974/IX-5140 Zaak: Arrest 197014 - Tucht (openbaar ambt) - 19/10/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-10-23 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 03:42 Fiche Arrest nr 197.014 van 19 oktober 2009 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 197.014 van 19 oktober 2009 in de zaak A. 167.974/IX-5140 In zake: Marc DEVOS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dany Hollevoet kantoor houdend te Bredene Prinses Elisabethlaan 57 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: De POST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Chris Van Olmen en Stéphane Baltazar kantoor houdend te Brussel Louizalaan 221 bij wie woonplaats wordt gekozen ----------------------------------------------------------------------------------------------------- -- I. Voorwerp van het beroep Het beroep, ingesteld op 22 november 2005, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van 22 september 2005 van de adviseur van De Post waarbij Marc DEVOS met ingang van die datum wordt afgezet. II. Verloop van de rechtspleging Bij arrest nr. 155.615 van 27 februari 2006 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van de rechtsple- ging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. IX-5140-1/22 Eerste auditeur-afdelingshoofd Marc Lefever heeft een verslag opgesteld. De verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De verweren- de partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 september 2009. Staatsraad Daniël Moons heeft verslag uitgebracht. Advocaat Brecht Michels, die loco advocaat Dany Hollevoet verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Véronique Leroy, die loco advocaat Chris Van Olmen verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marc Lefever heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 1.1. De verzoeker was onderpostontvanger in het kantoor Oostende 3. Hij deed er loketdienst. Alle verrichtingen die aan de kassen van een kantoor worden gedaan, ook de onderlinge verrichtingen tussen de loketten en de centrale kassier, worden geregistreerd in een programma dat “Poststation” wordt genoemd. Dit programma maakt op het einde van de dienst een afrekening van alle kassen. Daarnaast moet elke loketbediende op het einde van zijn dienst zijn kas opmaken. Beide bedragen moeten overeenkomen. Bij het afsluiten van de verrichtingen van 3 januari 2005 stelt de centrale kassier van het kantoor Oostende 3 een tekort vast in haar kas ten bedrage van 165,50 euro. IX-5140-2/22 Wanneer de postmeester de kas van de rekenplichtige zelf nog eens natelt blijkt er ook nog een rolletje muntstukken ten bedrage van 50 euro te zijn verdwenen tussen de eerste telling van de kas en de tweede. Teneinde dit rolletje terug te vinden controleert de postmeester zelf na het vertrek van de personeelsleden nog eens alle loketten, kasten, vuilnis- bakken van het kantoor, evenwel zonder resultaat. De volgende morgen wordt er nog eens gecontroleerd hoeveel muntstukken elkeen nog heeft maar alles blijkt te kloppen. Bij de verzoeker wordt vastgesteld dat hij de avond tevoren zijn kas tweemaal heeft geteld. Bij de eerste telling had hij 172,67 euro over, bij de tweede telling had hij 170,00 euro tekort. Bij vergelijking van de twee afrekeningen blijkt dat de verzoeker bij zijn herberekening negen briefjes van 20 euro minder opgegeven heeft en twee briefjes van 5 euro meer, of 170,00 euro minder. Hij zou dus 170,00 euro minder in kas gehad hebben dan bij zijn eerste afrekening. Omdat het programma “Poststation” de laatste afrekening als nieuwe begintoestand neemt komt hij ten opzichte van zijn eerste berekening 170,00 euro tekort maar klopt het op 2,67 euro na met de eerste berekening van het programma “Poststation”. Het kasverschil bij de hoofdkassier wordt dan gevonden. Het is veroorzaakt door een verkeerde boeking: een bedrag van 86 euro door de kassier aan de verzoeker overgemaakt is verkeerd geboekt als een storting door de verzoeker aan de kassier van 86 euro. Daardoor heeft de centrale kassier 2x86 of 172 euro tekort en moest de verzoeker 172 euro teveel in kas hebben. De postmeester vraagt de verzoeker om uitleg over het feit dat hij twee afrekeningen heeft gemaakt. De verzoeker antwoordt dat hij zich bij het tellen van de briefjes van 20 euro en 5 euro heeft vergist en dat hij daarom opnieuw zijn kas heeft opgemaakt. IX-5140-3/22 De postmeester antwoordt dat hij normaal, gelet op de boekhoud- kundige fout van de hoofdkassier, 175 euro teveel in kas moest hebben gehad. Volgens de postmeester gaat de verzoeker niet akkoord met dat bedrag en biedt onmiddellijk aan te gaan kijken aan zijn loket of er niet ergens geld verloren ligt. Hij vindt onder de lade achteraan in een kast een briefje van 100 euro, drie briefjes van 20 euro en drie briefjes van 5 euro, half samengevouwen en rechtstaand tegen de achterwand van een kast. Hij verklaart dat het waarschijnlijk gaat om de tegenwaarde van door hem verkochte boetezegels die hij misschien vergeten is te boeken. Op de opwerping van de postmeester dat zij dit geld niet heeft gevonden toen zij de vorige avond alle kasten en loketten heeft doorzocht op zoek naar een vermist rolletje munten antwoordt de verzoeker dat hij zojuist nog een aantal zaken in zijn kast heeft verplaatst en dat die briefjes waarschijnlijk tussen of achter die zaken lagen. 1.2. De verzoeker wordt op 5 januari 2005 uit de dienst verwijderd. 1.3. Tijdens het daaropvolgend intern onderzoek van de dienst Investigations van De Post, onder meer over de herkomst van de gevonden 175 euro, verklaart de verzoeker dat hij wellicht op 3 januari 2005 boetezegels voor een bedrag van 175 euro heeft verkocht en het geld naast zijn schuif heeft “gesmeten”, dat het er zo waarschijnlijk achter gevallen is en dat hij vergeten is de verkoop van die zegels in te tikken in Poststation. Nadat hem onder meer gewezen wordt op de toch wel grote toevalligheid dat juist het geld van de transactie die hij vergeet in te tikken achter de schuif valt en dat er geen tekort is in de stock van de boetezegels zodat zijn uitleg niet kan kloppen, geeft de verzoeker toe dat hij op 3 januari 2005 heeft gezien dat hij een overschot had van ongeveer 170 euro, dat hij “in een moment van zwakte” het teveel heeft weggenomen en opnieuw zijn kas heeft gemaakt zodat het “gewoon op een verkeerde kastelling zou lijken” en dat hij het geld de volgende morgen heeft teruggestoken in zijn kas toen hij hoorde dat iedereen naar het geld op zoek was en vernam dat er een kastekort was bij de centrale kassier. Diezelfde namiddag legt De Post klacht neer bij de politie te Oostende. De verzoeker wordt diezelfde avond nog ondervraagd door de politie en geeft er het volgende relaas : IX-5140-4/22 “...aanvankelijk bleek er een kasoverschot te zijn van 175 Euro. Ik dacht dat ik gemist was met het inbrengen van de boetezegels, nl. dat ik twee boetezegels verkocht had en deze had vergeten in te geven. Ik heb vervolgens 175 Euro uit de kassa genomen en aan de kant gelegd met de bedoeling de volgende dag de boetezegels in te brengen. Ik heb de 175 Euro onder de lade gelegd in een mapje bestemd voor uittreksels van spaarrekeningen. De volgende morgen werd ik aangesproken over het kasoverschot. Ik heb hen gezegd dat het overschot vermoedelijk afkomstig was van een verkeerde invoering bij de verkoop van boetezegels. Blijkbaar heeft men achter het geld gezocht en het niet gevonden, maar het was er toch aanwezig. Ikzelf heb het de volgende dag gevonden: het stond recht aan de achterkant van de tweede lade. Ik kan geen echte verklaring geven hoe het komt dat het geld plots uit het mapje verdween en ik het in de tweede lade terugvond. Mogelijks is het eruit geschoven. Ik kan enkel verklaren dat ik het geld niet heb meegenomen naar huis en het ook niet in mijn portefeuille of jaszak heb gestopt. Het heeft al die tijd in de kassa gezeten.” In haar onderzoeksverslag van Investigations wordt ook nog melding gemaakt van het feit dat de onderzoekster enkele dagen na het verhoor van de verzoeker werd opgebeld door de vakbondsafgevaardigde die het verhoor had bijgewoond met de vraag of het mogelijk was dat de bekentenis van de verzoeker nog zou kunnen worden ingetrokken. Zij geeft daarbij het volgende commentaar : “Blijkbaar was Devos enorm geschrokken van het feit dat hij werd opgepakt door de politie en hij heeft daar verklaard dat het nooit zijn bedoeling is geweest het geld te stelen en dat het dus wel al die tijd in zijn kas lag. Hij wil nu zijn verklaring bij ons aanpassen zodat die overeenstemt met wat hij bij de politie heeft verklaard. Ik meld Allossery dat gelezen en getekende verklaringen niet meer uit het dossier kunnen genomen worden, maar dat ik enkel de opmerkingen van Allossery en Devos kan noteren.”. Zij besluit haar onderzoeksverslag met de volgende conclusie: “De bekentenis van DEVOS klopt met het voorhanden bewijsmateriaal. Hij heeft inderdaad het geld uit zijn kas genomen met de bedoeling het voor zich te houden, maar kwam de dag erna in de problemen doordat het te traceren was en probeerde zijn sporen uit te wissen en zijn onschuld te bewijzen door het geld ‘terug te vinden’. Het feit dat DEVOS nu op zijn bekentenissen wil terugkomen, heeft alles te maken met de schrik die hij heeft gekregen van het doorgedreven optreden van de politie. Hij is bang voor de gevolgen van zijn daden. Hij had niet gedacht dat hij nog strafrechtelijk vervolgd zou kunnen worden. Het bewijsmateriaal in deze zaak spreekt echter voor zich. De ‘ik ben niet schuldig-versie’ van DEVOS kan op alle punten weerlegd worden. Verder onderzoek in een gelijkaardige zaak enkele jaren terug in Oostende 1, kan echter niet gebeuren door gebrek aan een dossier en bewijsmateriaal. We IX-5140-5/22 kunnen dus niet met zekerheid zeggen of het om toeval gaat, of dat het om dezelfde modus operandi gaat. De diefstal van het rolletje van 2 i, twv 50 i, blijft onopgehelderd. DEVOS bekent de feiten niet. Ook enkele andere bedienden waren in de mogelijkheid op het gegeven tijdstip langs het loket van LANCKRIET te gaan en eventueel geld weg te nemen en ook de bediendes LANCKRIET en SIBIET kunnen de daders zijn. Er zijn te weinig bewijzen om hier een dader met zekerheid te kunnen aanduiden. Het is aangeraden alle bediendes nog eens te wijzen op de mogelijke gevolgen van diefstal en op het belang van elkaar te kunnen vertrouwen in een werkomgeving. Een strikte opvolging is aangewezen”. 1.4. Op 23 februari 2005 stelt de adviseur voor om de verzoeker af te zetten wegens : “op 3 januari 2005 in het postkantoor Oostende 3 door manipulatie en valsheid in geschrifte zich een kasoverschot van 172,67 i te hebben toegeëigend en verschillende leugenachtige verklaringen te hebben afgelegd toen het kasover- schot werd ontdekt door de Postmeester van Oostende 3”. De verzoeker dient een rechtvaardiging in. Daarin betoogt hij dat hij zich op 3 januari 2005 geen kasoverschot heeft toegeëigend en dat hij dit niet heeft bekend. Hij stelt vooreerst dat er in zijn verklaring van 28 januari 2005 een materiële vergissing is geslopen in de weergave van zijn antwoord nopens zijn handelwijze bij het verwerken van het geld op 3 januari 2005. Hij verklaart formeel dat hij heeft gezegd dat hij, nadat hij het kasoverschot had vastgesteld en vermoedde dat het was veroorzaakt door het verkeerdelijk niet inbrengen van een verkoop van twee boetezegels voor in totaal 175 euro, het geld heeft opzij gelegd in zijn kast met de bedoeling ze de volgende dag te boeken. Bij nalezing van het verslag van het verhoor door de dienst Investigations stelt hij evenwel vast dat werd genotuleerd dat hij zou verklaard hebben dat hij het geld de dag nadien terug in de kast zou hebben gestoken. Dit is compleet onjuist, zo betoogt hij, en hij heeft de volgende dag onmiddellijk telefonisch contact opgenomen met de onderzoekster om te wijzen op de voormelde onjuistheid in het proces-verbaal. Er werd voorgehouden, zo stelt hij, dat het proces- verbaal zou worden aangepast door de vermelding van de datum van 4 januari 2005 te wijzigen in 3 januari en om het woord “dan” in de tweede zin van de tweede alinea te schrappen. Hij kreeg, zo stelt hij, evenwel geen schriftelijke bevestiging van deze aanpassing. IX-5140-6/22 Hij vraagt dan dat er een bijkomend onderzoek zou worden gevoerd aangaande die aanpassing van zijn verklaring. Hij betoogt verder dat hij niet het bedrieglijk inzicht had om zich wederrechtelijk gelden toe te eigenen. Uit zijn verklaringen blijkt volgens hem duidelijk dat hij de mening toegedaan was dat hij vergeten was de verkoop van twee boetezegels ten bedrage van 175,00 euro te boeken, dat hij dit dus nog diende te doen maar dat hij dat dezelfde dag niet meer kon aangezien zijn kas afgesloten was en dat hij het de volgende dag wilde doen. Hij ontkent ook de valsheid in geschrifte omdat er geen bedrieglijk inzicht aanwezig is. Er kan, volgens hem, alleen sprake zijn van een verkeerde manipulatie bij het afsluiten van de kas die uitsluitend was veroorzaakt door een misvatting en dwaling in zijnen hoofde. Die misvatting wijt hij aan de werk- en tijdsdruk aan het loket. Hij was daarenboven bevreesd voor de reactie van zijn postmeester indien zij het niet-boeken van de verkoop van de boetezegels zou opmerken. Hij betoogt verder dat hij onder de indruk was van de onder- vraging en dat hij, toen hij naar aanleiding van zijn eerste schriftelijke uitleg die hij op 4 januari 2005 zeer vlug en zonder al te veel nadenken heeft neergeschreven, werd geconfronteerd met het ongewisse ervan, er onmiddellijk allusie op heeft gemaakt dat er door hem een verkeerde boeking bij de verkoop van boetezegels was gebeurd waarvoor hij geld opzij had gelegd in zijn kas. Dat dit geld niet werd gevonden door de postmeester heeft naar zijn oordeel waarschijnlijk te maken met het feit dat zij in de eerste plaats munten zocht en er gezien de plaats kan hebben overgekeken. De adviseur beslist op 16 maart 2005 de verzoeker te straffen met de afzetting. Hij motiveert deze beslissing als volgt : “(...) Tijdens het tellen van het inkas en het ingeven van de biljetten en munt- stukken in Poststation op 03/01/2005 heeft Marc Devos de voorgeschreven procedure niet gevolgd. Het systeem laat weten dat er een kasverschil is en laat toe een tweede telling te doen. Alle kasverschillen dienen door tussenkomst van de Postmeester/rekenplichtige te worden geregeld. Het na afsluiten van de kas opstarten van een nieuwe sessie om een kasverschil te regelen kan niet. Marc DEVOS brengt meermaals naar voren in zijn verweer dat hij bij het vaststellen van een kasoverschot op 03/01/05 onmiddellijk vermoedde dat dit overschot het gevolg was van het niet boeken van verkochte boetezegels (punt IX-5140-7/22 2, 2e alinea, punt 3 tweede alinea, punt 7, 2e alinea). Hij zou dit ’s anderen- daags onmiddellijk rechtzetten (punt 3, 3e en 4e alinea). Dit is pertinent onjuist. Hij verklaarde immers eerst schriftelijk op formulier 9 dat hem op 04/01/05 door Mevr. Ingelbrecht wordt voorgelegd dat hij het kasverschil weet (toeschreef) aan een verkeerde telling van de briefjes van 20 i en 5 i (zie wijziging op kasblad). Hij spreekt niet over boetezegels! Pas nadat Mevr. hem confronteert met de verkeerde boeking van een subventie van muntstukken die in zijn kas een overschot van 172 i moest hebben veroorzaakt, verklaart hij onmiddellijk akkoord te gaan met het verschil en aan zijn loket te gaan kijken of er niet ergens geld tussen zat. Hierna vindt hij 175 i in bankbiljetten (1 x 100 i, 3 x 20 i en 3 x 5

  1. i)onder de lade op de legplank en pas dan zegt hij dat dit waarschijnlijk geld is van boetezegels die hij niet geboekt had. Hij acht het niet nodig zijn kas na te tellen om te zien of het verschil niet van de dag zelf is. Bovendien heeft hij op 04/01/05 niet onmiddellijk een rechtzetting gedaan zoals hij beweerde te gaan doen (punt 3,3e en 4e alinea). In zijn ondervraging door Investigations dd. 28/01/05 regel 48, 49 en 50 zegt hij immers dat hij op 04/01/05 op kantoor is gekomen en onmiddellijk is beginnen werken, en dat hij in de loop van de voormiddag bij de Postmeester is geroepen, waarna hij opnieuw in zijn kas is gaan kijken en 175 i aantrof. Hij had dus nog niets geregeld. Verder beweert hij in zijn verweer punt 2, 1e en 4e alinea dat er een fout zou geslopen zijn in het verslag van zijn ondervraging op 28/01/05 door Mev. Goosen van Investigations. Hij zou niet verklaard hebben dat hij het geld uit zijn kas had genomen. Nochtans zijn de door hem afgelegde verklaringen (regels 125 t/m 133) duidelijk en heeft hij hier toe in een moment van zwakte het geld uit zijn kas genomen en het ’s anderendaags toen hij hoorde van een tekort van een collega, teruggelegd. Deze verklaring werd door hem zelf ondertekend en de melding gelezen en goedgekeurd werd eigenhandig geschreven aangebracht na ze eerst voor lezing te hebben gekregen. Door getuige Marc Alossery, aanwezig bij de ondervraging werden ook geen opmerkingen gemaakt. Zoals blijkt uit het eindverslag van Mev. GOOSEN heeft de Investigator wel degelijk melding gemaakt van het feit dat zij op 29/01/2005 door de Politie Oostende werd gecontacteerd omdat Marc Devos tegenover wachtofficier Jonckheere alles ontkende. Hij zou zichzelf tegenspreken en zijn verklaringen zouden nogal wat lacunes bevatten. Er werd eveneens melding gemaakt van het telefonisch contact dat Marc Alossery (Transcom) met de investigator op maandag 30/01/2005 heeft genomen om het verslag aan te passen met wat DEVOS bij de Politie Oostende heeft verklaard. Door Marc DEVOS worden in zijn rechtvaardiging en aanvullende verklaringen geen nieuwe elementen naar voor gebracht die een ander licht werpen op deze kwestie. De verschillende en elkaar tegensprekende versies die betrokkene geeft, doen zijn geloofwaardigheid geen goed. Op professioneel vlak is eerlijkheid een absolute vereiste om in vertrouwen te kunnen werken. Gezien Marc DEVOS hier een ernstige beroepsfout heeft gemaakt en het vertrouwen van zijn werkgever en collega*s ernstig heeft beschaamd, meen ik dat de afzetting de enig straf is die in aanmerking komt”. 1.5. De verzoeker tekent beroep aan bij de commissie van beroep die op 7 september 2005 unaniem adviseert akkoord te gaan met de opgelegde afzetting. Zij motiveert haar advies als volgt : IX-5140-8/22 “De verdedigers en betrokkene zelf beweren dat alles zou berusten op een ongelukkige samenloop van omstandigheden en er nooit de intentie was om gelden achter te houden. Het blijft evenwel een feit dat op het einde van de werkdag betrokkene zijn kas afsloot, een verschil opmerkte en zijn kas opnieuw maakte om het verschil te verbergen. Op die manier de kas manipuleren is misbruik maken van het systeem. Die handeling op zich is reeds een ernstig vergrijp. Daarbij is het allerminst logisch dat men aan niemand melding maakt van een verschil in kas dat diezelfde dag om een of andere reden niet meer kan geboekt worden. De bankbiljetten dan nog op dergelijke manier opgeplooid wegsteken in een schuif is geenszins een normale werkwijze van een geroutineerde loketbediende. Wanneer dan daarover in de loop van het onderzoek nog strijdige verklaringen worden afgelegd verliest men zijn geloofwaardigheid. Betrokkene bekende aan de Investigator dat hij het geld, waarvan hij dacht dat het een kasoverschot was, die avond uit zijn kas had genomen maar het de dag nadien terug in zijn kast had gestoken als hij hoorde dat een collega kampte met een kastekort en een kasnazicht van alle loketten zou volgen. Hij heeft zijn verklaring ondertekend zodat geen betwisting meer mogelijk is. Ongeacht alle door de verdedigers opgeworpen elementen om te proberen de bewijslast te ontkrachten staat vast dat betrokkene de bedoeling had het geld achter te houden. Dat kan onmogelijk getolereerd worden. Hij heeft het vertrouwen dat zijn collega’s en De Post in hem hadden dermate geschaad dat een verdere samenwerking onmogelijk is geworden”. 1.6. Op 22 september 2005 behoudt de adviseur zijn oorspronkelijke beslissing. Dit is de bestreden beslissing. Zij wordt op 27 september 2005 aan de verzoeker betekend. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 2.1. In een eerste middel voert de verzoeker de schending aan van de formele en de materiële motiveringsplicht. In een eerste onderdeel betoogt hij dat hij wordt gestraft omdat hij zich een kasoverschot van 172,67 euro zou hebben toegeëigend, terwijl niet is bewezen dat hij inderdaad de intentie had om zich die som toe te eigenen ten nadele van De Post. Hij meent dat uit de verklaring die hij tegenover de onderzoekster van IX-5140-9/22 Investigations heeft afgelegd helemaal niet blijkt dat hij bekend zou hebben dat hij het geld in zijn zak of zijn portefeuille zou hebben gestoken teneinde het aan zijn werkgever te onttrekken. Bovendien betwist hij formeel dat hij zou hebben gezegd dat hij het geld op 4 januari 2005 terug in zijn kast heeft gestoken en hierbij verwijst hij naar de contacten die er nadien nog zijn geweest tussen de onderzoekster en de vakbondsafgevaardigde en naar de verklaring die deze laatste heeft afgelegd. Ook het feit dat de postmeester de avond van 3 januari 2005 bij het doorzoeken van de kasten geen geld in zijn kasten heeft gevonden, bewijst volgens hem niet dat het er niet meer zou zijn geweest: de postmeester was immers op zoek naar een rolletje munten en niet naar biljetten. Verder stelt hij zich de vraag waarom hij, indien hij gelden had ontvreemd, niet meteen elk mogelijk bewijs van die diefstal had meegenomen, zoals de verzamelstaten van zijn kassa. Evenmin is volgens hem bewezen dat hij valsheid in geschrifte heeft gepleegd. Het was immers niet zijn bedoeling toen hij een tweede maal zijn kas maakte op 3 januari 2005 om het kasoverschot te verbergen: integendeel had hij de intentie om het de volgende dag in orde te brengen. Hij stelt zulks niet meer te hebben kunnen doen op 3 januari 2005 omdat toen het computersysteem van zijn kassa al was afgesloten en evenmin op 4 januari 2005 vooraleer hij werd geïnterpelleerd door de postmeester. Dat hij op 4 januari 2005 op het formulier 9 geen melding heeft gemaakt van het feit dat hij de boetezegels die hij de dag voordien had verkocht, was vergeten te boeken, is volgens hem te wijten aan het feit dat hem slechts om uitleg is gevraagd omtrent een regeling van 9 briefjes van 20 euro en 2 briefjes van 5 euro. Indien hij had geweten dat zijn kas inderdaad 172 euro overschot moest hebben, zou hij dat bij aanvang op het formulier 9 al verklaard hebben. In een tweede onderdeel betwist hij leugenachtige verklaringen te hebben afgelegd. Hij stelt dat hij op het formulier 9 niet over de boetezegels heeft gesproken omdat er hem geen uitleg over werd gevraagd en dat hij dat formulier vlug en zonder veel bij na te denken heeft ingevuld. Hij betoogt dat evenmin wordt aangegeven over welke verklaringen het gaat, noch welke norm er zou zijn geschonden door het afleggen van leugenachtige verklaringen opdat dit als een tuchtfeit zou kunnen worden gekwalificeerd. In een derde onderdeel betwist hij aan de onderzoekster van Investigations te hebben bekend dat hij gelden voor zich heeft gehouden. Hierbij verwijst hij naar de contacten die er nadien nog zijn geweest tussen de onderzoekster en de vakbondsafgevaardigde. Evenmin is volgens hem bewezen dat er een IX-5140-10/22 bedrieglijk inzicht was in zijnen hoofde, zodat er geen sprake kan zijn van enige “frauduleuze” achterhouding van gelden uit de kas. In een vierde onderdeel stelt hij dat de motivering van de zwaarte van de sanctie, met name dat hij het vertrouwen dat zijn collega’s en De Post in hem hadden, dermate geschaad heeft dat een verdere samenwerking onmogelijk is geworden, slechts een vage en stereotiepe formulering is en dat er geen concrete elementen worden aangegeven die de zwaarte van de sanctie ondersteunen. 2.2. De verwerende partij antwoordt met betrekking tot de formele motiveringsplicht dat de bestreden beslissing duidelijk de juridische grondslag vermeldt waarop wordt besloten tot het behoud van de sanctie alsook de keuze van de sanctie verantwoordt, tevens op zeer omstandige wijze de feiten vermeldt die er aan ten grondslag liggen en antwoordt op de verweermiddelen die de verzoeker voor de commissie van beroep heeft aangevoerd. Wat de materiële motivering betreft, stelt zij dat de verzoeker de feiten die in de bestreden beslissing zijn vermeld wel degelijk heeft begaan: hij gaf tijdens de ondervraging door Investigations uitdrukkelijk toe dat hij in een moment van zwakte het geld uit de kas heeft genomen, die verklaring heeft hij voor gelezen en goedgekeurd ondertekend, ook de neutrale observator heeft een verklaring ondertekend met de vermelding dat hij geen opmerkingen te maken had, ook uit het proces-verbaal van verhoor van de politie te Oostende blijkt dat de verzoeker niet ontkend heeft dat hij op 3 januari 2005 bij het afsluiten van zijn kas een kasover- schot heeft vastgesteld en dat hij daarna met overschrijding van de toegelaten procedure een tweede maal de kas heeft geteld en het geld apart heeft genomen om het ontstane kasverschil op nul te doen uitkomen. Voorts wijst de verwerende partij er op: - dat de verzoeker de volgende morgen de postmeester daarvan niet op de hoogte heeft gebracht, maar pas toen hem via een model 9 gevraagd werd het kasverschil te verklaren, hij als uitleg heeft gegeven dat zulks het gevolg was van een verkeerde telling van briefjes van 20 euro en van 5 euro, zonder melding te maken van de boetezegels, - dat slechts toen de verzoeker geconfronteerd werd met het feit dat hij een kasoverschot van 172 euro moest hebben, hij akkoord ging met dat verschil, en IX-5140-11/22 aan zijn loket ging kijken of er niet ergens geld tussen zat, waarna hij 175 euro vond en dan pas verklaarde dat dit waarschijnlijk van boetezegels afkomstig was die hij niet had geboekt, - dat die tegenstrijdige verklaringen, gecombineerd met het feit dat de verzoeker op 4 januari 2005 niet zelf is overgegaan tot een verklaring omtrent het kasoverschot en de door hem gevolgde procedure en evenmin tot een onmiddellij- ke rechtzetting van de door hem beweerde vergetelheid, er toe hebben geleid dat de verwerende partij geen geloof heeft gehecht aan zijn verklaringen en haar beslissing heeft gebaseerd op de enige mogelijke werkelijk gebeurde feiten zoals deze werden toegegeven tijdens het verhoor van de verzoeker, - dat in de bestreden beslissing wel degelijk rekening werd gehouden met het telefonisch verzoek van de verzoeker om het verslag achteraf aan te passen aan de verklaringen die hij afgelegd had aan de politie te Oostende, maar dat werd geoordeeld dat zijn rechtvaardiging en aanvullende verklaringen geen nieuwe elementen naar voor brachten, - dat het feit of de verzoeker de gelden nu effectief mee naar huis heeft genomen of ze integendeel in zijn kast heeft verstopt weinig relevant is voor de beoorde- ling van de vraag of er effectief een toe-eigening van gelden is geweest, - dat de verzoeker heeft verklaard dat hij het geld terug in zijn kast heeft gelegd toen hij van het tekort bij de centrale kassier hoorde, - dat het vaststaat dat de verzoeker de som in strijd met de voorgeschreven procedure uit zijn kas heeft genomen, hij dit de volgende dag niet heeft rechtgezet en hij heeft verklaard dat hij dat heeft gedaan opdat het op een verkeerde kastelling zou lijken. 2.3. De verzoeker repliceert met betrekking tot het eerste onderdeel dat zijn verklaring, zoals die werd opgetekend door de onderzoekster, essentiële fouten vertoont. Hij stelt dat hij op het ogenblik dat hij zijn verklaring “voor gelezen en goedgekeurd” ondertekende onder stress stond en dat hij maar al te blij was dat het verhoor werd afgesloten en daarom zijn uitgetypte verklaring niet minutieus nalas. Volgens hem plaatste ook de vakbondsafgevaardigde zijn handtekening omdat deze vaststelde dat de verzoeker niets wenste toe te voegen. IX-5140-12/22 De verzoeker betoogt dat hij niet heeft verklaard dat hij het geld op 3 januari 2005 had weggenomen uit de kas en het er pas op 4 januari 2005 terug ingestoken had. Evenmin blijkt volgens hem uit het verhoor bij de politie te Oostende dat hij zou hebben bekend dat hij zich de 175 euro wou toe-eigenen. Hij meent dat daar ook geen enkel objectief bewijs van bestaat. Geen enkele persoon was immers getuige van de beweerde tuchtfeiten en hij legt uit waarom hij niet onmiddellijk het kasoverschot op 3 januari 2005 kon rechtzetten (het systeem was al afgesloten) en waarom hij op 4 januari 2005 niet onmiddellijk over het kasover- schot en over de tweede telling een verklaring aflegde aan zijn postmeester (er werd eerst slechts gevraagd naar de negen briefjes van 20 euro en de twee briefjes van 5 euro). Hij meent dat hem enkel kan worden verweten dat hij op 3 januari 2005 het computersysteem een tweede maal heeft opgestart om zijn kas te hermaken. Het is volgens hem ook volkomen ten onrechte dat de verwerende partij stelt dat het telefonisch verzoek van de vakbondsafgevaardigde om het verhoor aan te passen geen nieuwe elementen aanbracht. Integendeel, zo stelt hij, ging het om essentiële elementen. Voorts blijft hij bij zijn standpunt dat hij op geen enkel ogenblik met een bedrieglijk inzicht heeft gehandeld. Wat het tweede onderdeel betreft, is hij van oordeel dat het afleggen van leugenachtige verklaringen geen tuchtfeit uitmaakt en dat bijgevolg minstens één van de drie feiten waarop de bestreden beslissing steunt niet regelmatig is vastgesteld. Met betrekking tot het derde onderdeel stelt hij dat de onderzoek- ster hem na de telefoon van de vakbondsafgevaardigde had moeten uitnodigen voor een bijkomend verhoor. Hij legt bijkomend een door de vakbondsafgevaardigde ondertekende verklaring voor waarin deze uitdrukkelijk bevestigt dat de verzoeker tijdens de ondervraging nooit heeft verklaard dat hij het geld tussen 3 en 4 januari 2005 mee naar huis had genomen. Beoordeling 2.4.1. In zijn laatste memorie stelt de verzoeker het middel niet langer te handhaven voor zover dit betrekking heeft op de formele motiveringsplicht. IX-5140-13/22 2.4.2. Wat de materiële motiveringsplicht betreft, blijkt uit de bestreden beslissing dat zij op drie feiten is gesteund:
  2. a)het zich toe-eigenen door de verzoeker door manipulatie en valsheid in geschrifte van een kasoverschot van 172,67 euro op 3 januari 2005,
  3. b)het afleggen van verschillende leugenachtige verklaringen door de verzoeker toen het kasoverschot werd ontdekt door de postmeester,
  4. c)de bekentenis op 28 januari 2005 van de verzoeker aan de onderzoekster van de frauduleuze achterhouding van gelden uit zijn kas. Het komt de Raad van State niet toe om, zoals een appelrechter, uit te maken wat naar zijn oordeel als de juiste toedracht van de feiten kan worden beschouwd. Als annulatierechter, in het kader van het onderzoek naar de wettigheid van de aan de verzoeker opgelegde tuchtstraf, kan de Raad van State slechts nagaan of de verwerende partij zich heeft gebaseerd op feiten die voor vaststaand mogen worden gehouden en die de tuchtstraf naar recht, en naar redelijkheid, kunnen verantwoorden. 2.4.2.1. In het eerste en derde onderdeel betwist de verzoeker de feiten
  5. a)en c). Meer bepaald voert hij aan dat niet bewezen is dat hij zich de bewuste som van 175 euro heeft toegeëigend, noch dat hij valsheid in geschrifte heeft gepleegd en evenmin dat hij een bedrieglijk inzicht had, alsook dat hij niet heeft bekend dat hij de gelden voor zich wilde houden. De verwerende partij zag zich geconfronteerd met de volgende feitelijke gegevens: - door een fout in de boeking van een verrichting tussen de centrale kassier en de verzoeker moest de kas van laatstgenoemde noodzakelijkerwijze op 3 januari 2005 een overschot van 172 euro vertonen. Na het afsluiten van de kas van de verzoeker die dag, blijkt eerst een overschot van 172,65 euro, maar dan wordt dit door hem in een tweede afsluiting gecorrigeerd zodat er geen overschot meer is. Dit deed de vraag rijzen hoe verzoekers kas kon kloppen terwijl hij, indien zijn verrichtingen correct waren ingegeven, een overschot moest hebben. Onder- vraagd over het waarom van die correctie verklaart de verzoeker dat hij zich bij het tellen van de bankbiljetten had vergist. Hij beweerde dus dat zijn nieuwe kassituatie, deze zonder overschot, de correcte was. Wanneer hij wordt geconfronteerd met de onhoudbaarheid van dat verhaal gaat hij op zoek in zijn kast of er “niet ergens geld tussen zit” en vindt hij 175 euro. Desbetreffend IX-5140-14/22 verklaart hij, zoals genoteerd in het model 9, “dat het waarschijnlijk geld is van de verkoop van boetezegels waarvan (hij) niet zeker was dat (hij) ze geboekt had”. De postmeester wijst er de verzoeker dan op dat zij dat geld de avond ervoor niet heeft gezien hoewel zij alle kasten had doorzocht. De verzoeker verklaart dan dat hij die ochtend al enkele dingen in zijn kast had verplaatst en dat dit geld bijgevolg tegen de achterwand was terechtgekomen waar het voordien tussen documenten zat. - wanneer de verzoeker drie weken later wordt ondervraagd door een medewerk- ster van de dienst Investigations, verklaart hij eerst opnieuw dat zijn initieel kasoverschot het gevolg was van een foutieve telling. Hierbij houdt hij voor dat het geld dat werd gevonden per ongeluk achter de lade van de kas was gevallen en dat het afkomstig was van de verkoop van boetezegels die hij vergeten was te boeken. Wanneer de onderzoekster dan opmerkt dat dit toch wel een ongelooflijk toeval zou zijn dat het juist het geld is van een niet geboekte verrichting dat zoek is geraakt, antwoordt hij dat hij geen andere verklaring heeft. Op de vraag waarom hij er zo zeker van was dat het teruggevonden geld van de dag ervoor was, antwoordt hij dat hij hiervan overtuigd was omdat het bedrag overeenkwam met het bedrag dat de postmeester zocht. Even later in de ondervraging wordt dan het volgende genoteerd: “Ik geef toe dat ik het geld de 4de terug in mijn kast heb gestoken. Ik heb inderdaad de 3de gezien dat ik een kasoverschot van ongeveer 170 i had. Ik heb er dan in een moment van zwakte, ik weet zelf niet waarom, of hoe ik het zover heb laten komen, het geld uitgenomen en opnieuw mijn kas gemaakt, zodat het gewoon op een verkeerde kastelling zou lijken. De volgende dag was iedereen in het kantoor naar het geld op zoek, en hoorde ik van het tekort van Claudia. Ik heb het geld dan terug gestoken in mijn kast. Ik dacht zelf dat het overschot van de 3de kwam door boetezegels die ik vergeten in te tikken was.” De verzoeker ondertekent deze verklaring voor gelezen en goedgekeurd en de neutrale observator formuleert geen opmerkingen. - op dezelfde dag vertelt de verzoeker bij de politie te Oostende een ander verhaal. Hij zou nu reeds op 3 januari 2005 het geld opzij hebben gelegd in zijn kast, na eerst zijn kas te hebben doen kloppen om geen problemen te krijgen, teneinde dit de volgende dag recht te zetten met het inboeken van de verkoop van boetezegels waarvan hij dacht dat hij dit vergeten was op 3 januari 2005. Hij verklaart dat verkeerdelijk in zijn verklaring aan de dienst Investigations is genoteerd dat hij dat geld op 4 januari 2005 terug in zijn kast heeft gelegd, vermits het op 3 januari 2005 was. IX-5140-15/22 De verwerende partij gelooft de verzoeker niet omdat hij niet van in het begin heeft meegedeeld dat hij van mening was dat hij een verrichting niet had geboekt en dat hij daarom geld opzij hield teneinde dit de volgende dag recht te zetten. Integendeel wees de verzoeker initieel enkel op een verkeerde telling van bankbiljetten en “vond” hij het geld daarna terug achterin zijn kast, heeft hij op 4 januari 2005 blijkbaar niet onmiddellijk de rechtzetting uitgevoerd en heeft hij in een door hem voor gelezen en goedgekeurd ondertekende verklaring toegegeven dat hij het geld uit de kast heeft genomen om te laten uitschijnen dat de eerste kastelling verkeerd was en dat hij het de volgende dag heeft teruggelegd toen iedereen er naar op zoek was. Het verhaal dat de verzoeker heeft verteld aan de politie te Oostende om zich te verdedigen tegen het voorstel van tuchtstraf is op zich niet onmogelijk. Evenwel had hij voordien een ander en duidelijk onjuist verhaal verteld aan de postmeester inzake een verkeerde kastelling. Drie weken later, nadat hij de tijd had gekregen om na te denken, vertelde de verzoeker aan de vertegenwoordig- ster van de dienst Investigations eerst nogmaals datzelfde onjuiste verhaal van de foutieve telling en dat het geld per ongeluk achter de lade van de kas was gevallen. Nadien bekende hij het geld uit de kast te hebben genomen om een verkeerde eerste kastelling te laten uitschijnen en het de volgende dag te hebben teruggelegd toen iedereen er naar op zoek was en ondertekende hij deze verklaring voor gelezen en goedgekeurd. Daarna beweerde hij dat zijn woorden in het proces-verbaal van de dienst Investigations niet correct waren weergegeven en wel op een essentieel onderdeel. Gelet op al deze elementen, kan de verwerende partij niet geacht worden een kennelijke beoordelingsfout te hebben gemaakt door geen geloof te hechten aan de nieuwe verklaring van de verzoeker dat hij het geld opzij had gelegd teneinde daags nadien het niet boeken van boetezegels te willen rechtzetten. Het is immers moeilijk te begrijpen waarom de verzoeker na een bedenktijd van drie weken toch nog eerst zijn initieel verhaal herhaalt over het mistellen van de bankbiljetten en het vinden van geld achter de kassa. Bovendien lijkt het niet aannemelijk dat juist op een essentieel onderdeel van het feitenrelaas de verzoeker een verkeerde notulering over het hoofd zou hebben gezien in het door hem “voor gelezen en goedgekeurd” ondertekende proces-verbaal van de dienst Investigations en dat ook zijn syndicale raadsman dit niet zou hebben opgemerkt. Dit is des te meer het geval nu die notulering niet slechts één enkele datum betreft, maar enkele zinnen, waarin hij toegeeft in een moment van zwakte het geld uit de kast te hebben IX-5140-16/22 genomen om een verkeerde eerste kastelling te vijnzen en tot tweemaal toe aangeeft het geld slechts daags nadien te hebben teruggelegd in de kast toen iedereen er naar op zoek was. Evenmin valt in te zien op grond van welke regel de dienst Investigations de verzoeker na het telefoontje van de vakbondsafgevaardigde opnieuw had moeten ondervragen. Zij heeft dit contact in haar eindverslag vermeld evenals de draagwijdte ervan en de verzoeker heeft de beweerde onjuistheid van het genotuleerde uitgebreid uiteengezet in zijn verdedigingsnota voor de commissie van beroep. Bijgevolg kon de verwerende partij in redelijkheid voormelde feiten
  6. a)en
  7. c)wel degelijk als bewezen beschouwen. 2.4.2.2. Het voormelde feit b), betreft het afleggen van leugenachtige verklaringen tijdens het onderzoek. Zelfs indien het voldoende bewezen kon worden geacht dat de verzoeker geld had achtergehouden, en aangenomen zou kunnen worden dat het verweer dat de verzoeker van meet af aan heeft gevoerd, specifiek tegen de betichting diefstal, leugenachtig was, rijst de vraag of dit een element is dat als een te bestraffen gedraging kon worden beschouwd. Het recht van verdediging houdt immers in dat de wijze waarop een beklaagde zich verdedigt op zich geen aanleiding kan geven tot het formuleren van een nieuwe tenlastelegging of tot een strafverzwaring. Uit de bestreden beslissing blijkt dat “het afleggen van leugen- achtige verklaringen” de verzoeker als tuchtfeit wordt aangewreven. De handelwijze van de verzoeker bij het afleggen van zijn verklaringen behoort tot de wijze waarop hij meent zich te moeten verdedigen. Het voormelde feit
  8. b)is dan ook ten onrechte als een tuchtfeit beschouwd. Dit betekent niet dat de materiële motiveringsplicht zonder meer geschonden zou zijn. De bestreden beslissing berust immers ook op voormelde feiten
  9. a)en c). De vraag of de opgelegde tuchtstraf van de afzetting ook opgelegd zou zijn indien de verwerende partij enkel op de feiten
  10. a)en
  11. c)zou hebben gesteund, wordt behandeld in het tweede middel. IX-5140-17/22 Ook wat het vierde onderdeel betreft, waarin de verzoeker aanvoert dat de motivering van de zwaarte van de tuchtstraf niet volstaat, dient te worden verwezen naar het tweede middel. 2.4.3. Het middel is niet gegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 3.1. In een tweede middel voert de verzoeker de schending aan van het evenredigheidsbeginsel. Vooreerst betwist hij de hem ten laste gelegde tuchtfeiten en stelt hij dat hem enkel kan worden verweten de verkeerde procedure te hebben gevolgd door op 3 januari 2005 tweemaal zijn kas af te sluiten. Bovendien betoogt hij dat zelfs indien die tuchtfeiten zouden zijn bewezen, dan nog de sanctie te zwaar is. Met name is hij 25 jaar lang zonder enig incident tewerkgesteld bij de verwerende partij en heeft hij een voorbeeldige houding qua stiptheid, orde, professionalisme, loyauteit en betrouwbaarheid. Hij wijst er op dat hem bij het eerste en enige voorval onmiddellijk de afzetting is opgelegd. 3.2. De verwerende partij antwoordt dat de Raad van State ter zake slechts over een marginale toetsingsbevoegdheid beschikt. Zij stelt dat tot de afzetting werd besloten omdat men door de feiten al het vertrouwen in de verzoeker had verloren en dit terwijl hij dagelijks met gelden van klanten omgaat. Zij benadrukt dat de loketdienst een vertrouwensdienst is waarbij een band wordt opgebouwd met klanten en waarbij de verwerende partij optreedt als bankier en waar met belangrijke geldsommen wordt omgegaan, zodat de personeelsleden volstrekt onbesproken moeten zijn en de verduistering van gelden middels manipulatie van de kastoestand een niet te herstellen vertrouwens- breuk veroorzaakt. Voorts betoogt zij dat zij niet verplicht was het professioneel verleden van de verzoeker te onderzoeken omdat de feiten op zich de afzetting reeds IX-5140-18/22 rechtvaardigen. Volgens haar is het trouwens onjuist dat er nooit enig incident is geweest in de loopbaan van de verzoeker, vermits hij zelf aan de politie te Oostende heeft verklaard dat hij vijf jaar geleden ook al eens betrokken was bij een feit waarbij er een kastekort was. Zij wijst tevens op het unaniem advies van de commissie van beroep. 3.3. De verzoeker repliceert dat hij bij zijn indiensttreding geen document heeft ondertekend waarin uitdrukkelijk wordt gewaarschuwd dat diefstal tot de afzetting leidt. Voorts stelt hij dat uit de door de verwerende partij geciteerde arresten niet blijkt dat de Raad van State reeds verschillende malen zou hebben aanvaard dat iemand wordt afgezet omdat hij geld had verduisterd. Hij wijst er op dat de Raad van State wel heeft geoordeeld dat de verwerende partij een kennelijke beoordelingsfout had begaan door meteen de zwaarste tuchtsanctie op te leggen, rekening houdend met onder meer de sociaal moeilijke situatie van de betrokkene en met het feit dat deze gedurende 25 jaar dienst geen enkele tuchtstraf had opgelopen. Voorts betoogt hij wel degelijk over een 25-jarige onberispelijke loopbaan te beschikken, aangezien hem nooit een tuchtsanctie is opgelegd naar aanleiding van het door de verwerende partij bedoelde incident waarbij de “verdwenen” 50.000 frank enkele dagen later tussen de rails van zijn loket werd teruggevonden alwaar het per ongeluk was tussen gevallen. Hij meent dat de verwerende partij met zijn blanco tuchtverleden dan ook rekening diende te houden en dat haar besluit dat het vertrouwen in hem totaal is verloren gegaan en een verdere samenwerking met hem niet meer mogelijk is bijgevolg volledig overtrok- ken is. Door hem de zwaarste tuchtstraf op te leggen terwijl hij een blanco tuchtverleden heeft, wordt het volgens hem onmogelijk om nog een gradatie te maken tussen twee personen die dezelfde feiten hebben gepleegd maar waarbij de ene nog nooit en de andere wel reeds een tuchtsanctie heeft opgelopen. Nu ook de commissie van beroep met zijn blanco tuchtverleden geen rekening heeft gehouden, meent hij dat haar unanieme advies niet relevant is. De schending van het evenredigheidsbeginsel volgt volgens de verzoeker ook uit het ten onrechte kwalificeren van het afleggen van leugenachtige verklaringen als een tuchtfeit. Hij stelt dat uit niets blijkt dat de afzetting ook zou zijn opgelegd indien de verwerende partij zich enkel op het eerste en op het derde feit zou hebben gesteund. Het staat volgens hem vast dat aan het tweede tuchtfeit een IX-5140-19/22 bepaald relatief belang werd gehecht door de verwerende partij bij de keuze van de afzetting als tuchtsanctie. Beoordeling 3.4.1. Uit de bestreden beslissing blijkt dat zij op drie feiten is gesteund:
  12. a)het zich toe-eigenen door de verzoeker door manipulatie en valsheid in geschrifte van een kasoverschot van 172,67 euro op 3 januari 2005,
  13. b)het afleggen van verschillende leugenachtige verklaringen door de verzoeker toen het kasoverschot werd ontdekt door de postmeester,
  14. c)de bekentenis op 28 januari 2005 van de verzoeker aan de onderzoekster van de frauduleuze achterhouding van gelden uit zijn kas. Bij de bespreking van het eerste middel is vastgesteld, enerzijds, dat de verwerende partij terecht kon oordelen dat de feiten
  15. a)en
  16. c)bewezen zijn en anderzijds, dat het feit
  17. b)niet als tuchtfeit kan worden weerhouden. In tuchtzaken beschikt de overheid bij het bepalen van de strafmaat over een ruime appreciatiebevoegdheid, in die zin dat de Raad van State enkel een kennelijk volkomen in wanverhouding tot de fout staande straf als onwettig kan beschouwen, dit wil zeggen een straf waarvan het in redelijkheid ondenkbaar is dat enige overheid ze voor die fout zou opleggen. Bijgevolg dient te worden nagegaan of het opleggen van de tuchtsanctie van de afzetting, enkel voor de feiten
  18. a)en c), geen kennelijk onredelijke beslissing is. 3.4.2. Zoals reeds overwogen, gaat de verwerende partij er te dezen terecht van uit dat de verzoeker zich ten nadele van zijn werkgever op bedrieglijke wijze 172,67 euro heeft toegeëigend. De loketdienst is een vertrouwensdienst, aangezien dergelijke dienst enerzijds de band legt met de klanten van de verwerende partij die in deze optreedt als bankier, en waarin anderzijds met grote geldbedragen wordt omgegaan. De verwerende partij mag er derhalve van uitgaan dat haar personeelsleden die dergelijke dienst waarnemen volstrekt onbesproken zijn en dat verduistering van gelden middels manipulatie van de kastoestand de noodzakelijke vertrouwensrelatie tussen haar en haar personeelslid zeer ernstig en onherstelbaar verstoort. Een onbesproken verleden vermag daaraan geen afbreuk te doen precies omwille van de niet te herstellen vertrouwensbreuk. Bovendien is het bedrag van IX-5140-20/22 172,67 euro niet dermate gering dat voor de verantwoording van de afzetting als straf bijkomende, bezwarende elementen vereist zouden zijn. Weliswaar konden andere straffen worden uitgesproken, maar door het opleggen van de afzetting heeft de verwerende partij geen sanctie opgelegd waarvan het in redelijkheid ondenkbaar is dat enige overheid ze voor de feiten
  19. a)en
  20. c)zou opleggen. Dit blijkt nu ook de commissie van beroep unaniem en met strenge bewoordingen de afzetting van de verzoeker geadviseerd heeft. 3.4.3. De verzoekende partij toont niet aan dat met feit b), met name het afleggen van verschillende leugenachtige verklaringen, toen het kasoverschot werd ontdekt door de postmeester, rekening werd gehouden bij het bepalen van de tuchtstraf voor de feiten
  21. a)en c). Dit blijkt evenmin uit het administratief dossier. In redelijkheid kan de tuchtoverheid, rekening houdend met alle elementen van de zaak, de bestreden tuchtsanctie opleggen en zich hiertoe baseren op de bekentenis van de verzoeker van 28 januari 2005 aan de onderzoekster. Deze bekentenis toonde een niet onbelangrijk kasoverschot aan van 172,67 euro dat de verzoeker niet kon verantwoorden. 3.4.3. Het middel is niet gegrond. C. Derde middel 4. In een derde middel voert de verzoeker de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel, doordat de bestreden beslissing steunt op het onderzoek van de dienst Investigations dat volgens hem niet zorgvuldig is gebeurd noch onpartijdig. In zijn laatste memorie stelt de verzoeker dit middel niet langer te handhaven. Bijgevolg dient dit middel niet te worden onderzocht. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. IX-5140-21/22 2. De verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 19 oktober 2009, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, met bijstand van Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts André Vandendriessche IX-5140-22/22 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.014 Gerelateerde publicatie(
  22. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.615 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.