id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.016 Rolnummer: A. 142603/IX-3954 Zaak: Arrest 197016 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 19/10/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-10-23 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 03:42 Fiche Arrest nr 197.016 van 19 oktober 2009 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 197.016 van 19 oktober 2009 in de zaak A. 142.603/IX-
- In zake : Frans DE SCHUTTER, die woonplaats kiest bij advocaat P. CRISPYN, kantoor houdende te MARIAKERKE, Mazestraat 16 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij de Federale Politie (DGS/DSJ), gevestigd te BRUSSEL, Fritz Toussaintstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Frans DE SCHUTTER op 13 oktober 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 12 augustus 2003 van de directeur van de recrutering en van de selectie van de algemene directie personeel van de federale politie waarbij zijn kandidatuur als aspirant-hoofdinspecteur niet weerhouden wordt; Gelet op het arrest nr. 190.743 van 23 februari 2009 waarbij de debatten heropend worden en het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat ermee belast wordt het onderzoek van de zaak voort te zetten en een aanvullend verslag op te maken; Gezien het aanvullend verslag opgemaakt door auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 19 augustus 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 oktober 2009; IX-3954-1/7 Gehoord het verslag van kamervoorzitter A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. CRISPYN, die verschijnt voor de verzoeker, en van adviseur R. GOOSENS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten 1.
- De verzoeker is inspecteur van politie in de politiezone Kempen Noord-Oost. 1.
- Op 19 maart 2003 stelt de verzoeker zich kandidaat voor het vergelijkend examen van hoofdinspecteur door overgang naar een hoger kader via interne bevordering. 1.
- Met een brief van 12 augustus 2003 deelt de directeur van de directie van de rekrutering en van de selectie van de algemene directie personeel van de federale politie aan de verzoeker mee: “Betreft: Uw kandidatuur als aspirant-hoofdinspecteur [...] Het spijt me u te melden dat uw kandidatuur als aspirant-hoofdinspecteur niet werd weerhouden. Tijdens de persoonlijkheidsproef waaraan u heeft deelgenomen, werd vastgesteld dat u momenteel niet beschikt over het gewenste profiel voor de hierboven vermelde functie. Ik dank u voor de interesse die u voor deze functie heeft betoond en wens u nog veel succes in uw verdere beroepscarrière. [...]”. IX-3954-2/7 Op 13 oktober 2003 stelt de verzoeker een annulatieberoep in tegen deze beslissing. 1.
- Op 28 november 2007 richt de directeur van de directie van de rekrutering en van de selectie het volgende schrijven aan de verzoeker: “Onderwerp: Operationeel personeel geïntegreerde politie - Organisatie van een vergelijkend examen voor bevordering door overgang naar een hoger kader (middenkader) - Sessie 2003 [...] Het spijt me u te melden dat uw kandidatuur als aspirant-hoofdinspecteur niet werd weerhouden. Tijdens de persoonlijkheidsproef waaraan u heeft deelgenomen, werd vastgesteld dat u momenteel niet beschikt over het gewenste profiel voor de hierboven vermelde functie. Voor meer inlichtingen inzake motivering en inzage van het dossier, kan u steeds contact opnemen met het bevoegd personeelslid [...]. Ik dank u voor de interesse die u voor deze functie heeft betoond en wens u nog veel succes in uw verdere beroepscarrière. De beslissing van 12 augustus 2003 waarbij uw kandidatuur als aspirant- hoofdinspecteur niet weerhouden werd, wordt hierbij ingetrokken. [...]”. Het voorwerp van het beroep
- De verzoeker heeft een annulatieberoep ingesteld tegen de beslissing van 12 augustus
- Door de intrekking van die beslissing op 28 november 2007 en de vervanging ervan door een nieuwe quasi-identieke beslissing waaruit niet blijkt dat de verwerende partij de aangelegenheid opnieuw beoordeeld heeft, moet het annulatieberoep onderzocht worden als gericht tegen het besluit van 28 november
- Ten gronde 3.
- In het eerste middel voert de verzoeker de schending aan van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Hij stelt dat de bestreden beslissing enkel stelt dat de verzoeker “momenteel niet beschikt over het gewenste profiel voor de hierboven vermelde functie”, terwijl deze motivering, aangezien zij geen enkele feitelijke of juridische grondslag bevat, een zuivere stijlformule is die op geen enkele wijze als afdoende kan worden beschouwd. IX-3954-3/7 3.
- De verwerende partij antwoordt dat bij de beoordeling van het afdoend karakter van de formele motivering rekening gehouden moet worden met het evenredigheidsbeginsel en met de draagkrachtvereiste. Er is volgens haar aan het wettelijk voorschrift voldaan wanneer de motivering begrijpelijk is voor hen tot wie het bestreden besluit zich richt, zonder dat daarbij melding gemaakt moet worden van feiten die de betrokkene reeds kent. Zij stelt voorts dat de vernietiging op grond van dit middel niet kan beletten dat het bestuur inhoudelijk dezelfde beslissing zal moeten nemen, aangezien er gewoon toepassing gemaakt is van artikel IV.6 van het ministerieel besluit van 28 december 2001 tot uitvoering van sommige bepalingen van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten (hierna : UBPol), dat aan een gekwalificeerd lid van de dienst recrutering en selectie opdraagt een beoordeling uit te brengen. 3.
- De verzoeker repliceert dat de toepassing van artikel IV.6, derde lid, 3/, UBPol een voorafgaande beoordeling op grond van een discretionaire bevoegdheid veronderstelt. Hij meent voorts dat de verplichting tot formele motivering de openbare orde raakt zodat hij niet moet bewijzen belang te hebben bij het middel. 3.
- De vernietiging van de bestreden beslissing op grond van het aangevoerd middel zal voor de verwerende partij de verplichting met zich brengen om een nieuwe beslissing te nemen waarin zij de precieze redenen van het weren van de verzoeker uit de selectieprocedure vermeldt. Inzonderheid nu de verwerende partij, wat dat betreft, er ook aan de hand van het administratief dossier niet in slaagt het bewijs te leveren dat die redenen wel degelijk bestaan, zal zij de begane onwettigheid niet kunnen verhelpen zonder de aangelegenheid opnieuw ten gronde te beoordelen, hetgeen een andere uitkomst niet uitsluit. De verzoeker heeft wel degelijk belang bij het middel. 3.
- De ter zake toepasselijke bepalingen van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politie- diensten (hierna : RPPol) en van het UBPol luiden als volgt: - artikel IV.I.15, eerste lid, RPPol: “De selectieprocedure bedoeld in deze afdeling omvat : 1° een proef die toelaat de noodzakelijke cognitieve vaardigheden te beoordelen; 2° een persoonlijkheidsproef met aan het ambt aangepaste selectietechnieken; IX-3954-4/7 3° een fysiek-medische geschiktheidsproef met onderzoek van beide componenten in relatie tot het ambt; 4° een selectiegesprek met de betrokken selectiecommissie waarna een eindevaluatie wordt uitgebracht.” - artikel IV.I.16 RPPol: “De proeven vinden in principe derwijze plaats dat het niet mogelijk is aan een proef deel te nemen zonder de voor de voorafgaande selectieproef bepaalde minimumdrempel te hebben behaald.” - artikel IV.I.17 RPPol: “De in artikel IV.I.15, eerste lid, 4°, bedoelde selectiecommissie beslist of de kandidaat al dan niet geschikt wordt bevonden op grond van artikel IV.I.15, eerste lid, 1° tot 4°.” - artikel IV.6 UBPol: “De proef bedoeld in artikel IV.I.15, eerste lid, 2°, RPPol, omvat de volgende subproeven : 1° een biografische vragenlijst en een persoonlijkheidstest; 2° een gedragsproef waarin de kandidaat wordt geconfronteerd met één of meerdere situaties eigen aan het kader waarvoor hij kandideert; 3° een gestructureerd interview met een gekwalificeerd lid van de directie van de rekrutering en van de selectie van de federale politie. Het interview is gebaseerd op de criteria vervat in bijlage
- De uniformiteit van het systeem wordt gewaarborgd door middel van een gestandaardiseerd interviewprotocol. De belangrijkste bekwaamheden zoals bepaald in het selectieprofiel vormen de leidraad voor de vragen. De inhoud van de subproeven varieert naar gelang van het kader dat de kandidaat beoogt. Na afloop van de in artikel IV.I.15, eerste lid, 2°, RPPol, bedoelde proef brengt een gekwalificeerd lid van de directie van de rekrutering en van de selectie van de federale politie, aangewezen door de directeur van die directie, over elke kandidaat één van de volgende beoordelingen uit : 1° de kandidaat bezit de persoonlijkheidskenmerken die hem toelaten een ambt bij de politie uit te oefenen; 2° de kandidaat bezit het potentieel om de persoonlijkheidskenmerken te ontwikkelen die hem toelaten een ambt bij de politie uit te oefenen; 3° de kandidaat bezit momenteel niet de persoonlijkheidskenmerken die hem toelaten een ambt bij de politie uit te oefenen.” 3.
- Met de bestreden beslissing, die geformaliseerd is in de brief van 28 november 2007 van de directeur van de directie van de recrutering aan de verzoeker, wordt de deelname van de verzoeker aan de selectieprocedure voor bevordering naar het hoger kader beëindigd omdat hij niet de vereiste IX-3954-5/7 persoonlijkheidskenmerken bezit. Het gaat aldus om een eindbeslissing die overeenkomstig de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen formeel gemotiveerd diende te worden. Die eindbeslissing is blijkens artikel IV.6 UBPol het resultaat van een discretionaire beoordeling vanwege “een gekwalificeerd lid van de directie van de recrutering en de selectie” en derhalve diende het bestuur in de beslissing zelf de redenen te vermelden op grond waarvan het vermeld “gekwalificeerd lid” heeft kunnen besluiten dat de verzoeker de vereiste persoonlijkheidskenmerken ontbeerde. 3.
- De verwijzing naar de vaststellingen gedurende de persoonlijkheidsproef leert de verzoeker niets over de redenen waarom hij, op basis van die proef, niet geschikt blijkt te zijn voor de door hem geambieerde functie. Het gaat om een loutere stijlformule die niet voldoet aan de wet van 29 juli
- 3.
- De verwerende partij verwijst naar de feitelijke kennis, door de verzoeker, van de redenen van zijn ongeschiktverklaring. Uit het aan de Raad van State voorgelegd dossier blijkt evenwel niet dat de verzoeker deze redenen kende en dan wel nog op een zodanige wijze dat het geen zin meer had daarover in de bestreden beslissing nog uit te weiden. 3.
- Het middel is gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van 28 november 2007 van de directeur van de recrutering en van de selectie van de algemene directie personeel van de federale politie waarbij de kandidatuur van Frans DE SCHUTTER als aspirant-hoofdinspecteur niet weerhouden wordt. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. IX-3954-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 19 oktober 2009, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-3954-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.016 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.743 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.